—Voor zoover ik met de sonde kon nagaan, had het projectiel

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 308 HET GEHEIM VAN WAVERGHEM.

HET GEHEIM VAN WAVERGHEM.

HOOFDSTUK I.

INBRAAK EN MOORD.

Het was omstreeks acht uur in den morgen, toen de telefoon overging in

het dienstvertrek van het sombere hoofdbureau van politie in Downing

Street, Scotland Yard.

Een der brigadiers, die nachtdienst had gehad, en nu pas wat kon

uitrusten, stond slaperig op, en nam het toestel onverschillig in de

hand.

Maar hij had nauwelijks eenige woorden gehoord, of zijn gelaat nam een

verschrikte uitdrukking aan, en hij trok een kleine bloc-nota naar zich

toe, waarop hij haastig eenige woorden neerschreef, terwijl hij

mompelde, Ormond Street 312, Majoor Wigmore, dood in zijn kamer, dank

u, wij komen onmiddellijk.

De brigadier hing het toestel weder aan den haak en greep zijn pet.

—Iets belangrijks, Houston? vroeg een zijner collega’s lusteloos.

—Majoor Wigmore van het veertiende regiment lanciers is in zijn woning

vermoord gevonden, en het heele huis is onderste boven gehaald,

antwoordde de brigadier op korten toon.

Zijn collega deinsde verschrikt achteruit en riep:

—Inbraak met moord dus? Alweer? Het wordt vreeselijk in den laatsten

tijd.

Houston luisterde reeds niet meer, maar had het dienstvertrek verlaten,

waar de agenten zaten te domineeren of te dammen, te lezen of te

slapen, en volgde nu een breede, sombere gang, die meestal met gas

verlicht moest worden, en klopte toen op een zware eikenhouten deur,

die toegang gaf tot het vertrek, waar zich meestal de rechercheurs

ophielden.

Op het oogenblik waren er vier aanwezig, die in een gesprek met

elkander waren, dat op zachten toon gevoerd werd.

Een der schoonmaaksters had zooeven een kan heete koffie

binnengebracht, en zij deden zich thans aan dien verkwikkenden drank te

goed, want het was buiten bitter koud, onverwacht had de winter zijn

intrede gedaan.

—Wat is er, Houston? vroeg een der detectives, Grim geheeten.

—Er is iets zeer ernstigs, mijnheer, inbraak met moord.

En de detective zeide hetzelfde als zooeven de brigadier:

—Wat? alweder? zal dat dan nimmer ophouden? Waar is het?

—Majoor Wigmore, Ormond Street 312.

—Dat is in het West-End! merkte een der andere rechercheurs op.

—Is het je getelefoneerd? vroeg Grim, die reeds was opgestaan en zijn

hoed had gegrepen.

—Ja, de huisknecht was aan de telefoon.

—Wij gaan er aanstonds op af, zeide Grim vastberaden.

Hij raadpleegde zijn horloge en vervolgde:

—Zeg aan den hoofdinspecteur wat wij doen, en zorg voor twee mannen.

Juist op dit oogenblik werd de deur geopend, en trad er een man binnen

van middelmatige lichaamslengte, maar stevig gebouwd en met een

energiek lichtgebruind gelaat, waarin twee grijsbruine, schrandere

oogen schitterden, overwelfd door dichte, fraai geteekende wenkbrauwen,

die van stoutmoedigheid en een vasten wil getuigden.

Deze man was James Sullivan, een der beste speurhonden van Scotland

Yard, ofschoon hij nog niet lang geleden was aangesteld.

Aan hem was het te danken dat er in den laatsten tijd veel bedrijvers

van zware misdaden gevat waren, en gestraft konden worden, en men

rekende hem onder een der meest succesvolle detectives van het geheele

Londensche politiekorps.

Hij zou dus als politiebeambte volmaakt gelukkig zijn, als dat geluk

niet verduisterd werd door een zware wolk, en dat was de omstandigheid,

dat hij er nog altijd niet in geslaagd was, zijn grootsten tegenstander

John Raffles, meester te worden, en aan de wrekende hand der justitie

over te leveren.

Vele maanden geleden was James Sullivan er eens in geslaagd, den

Grooten Onbekende in handen te krijgen, maar zijn zegepraal duurde

slechts kort, want pas weinige uren later had Raffles op een inderdaad

wonderbare manier weder weten te ontsnappen.

En lang daarvoor was het hem nog eens gelukt, de hand te leggen op den

gentleman-inbreker, maar met even weinig duurzaam succes.

Sullivan was op dit oogenblik vergezeld van een jong meisje van

omstreeks vijfentwintigjarigen leeftijd met een bekoorlijk gelaat, dat

echter tevens getuigde van wilskracht en groote schranderheid.

Zij was een leerlinge van Sullivan en haar naam was Dorrit Evans.

Zij had het reeds ver gebracht in de moeilijke kunst van het vangen van

misdadigers, en door haar samenwerking met haren leermeester had zij

veel van diens methodes overgenomen.

En het was nog altijd haar brandende eerzucht, John Raffles te helpen

vatten en het zoo mogelijk geheel alleen te doen.

Op Scotland Yard herinnerde iedereen zich nog hoe bijna anderhalf jaar

geleden het jonge meisje, hetwelk toen pas haar aanstelling als

detective had gekregen, zich de taak had gesteld als eerste daad van

eenig belang John Raffles te vangen!

Men had er wat om gelachen—en toch had het toen maar heel weinig

gescheeld of de gentleman-inbreker had het onderspit moeten delven voor

de weergalooze slimheid van dit jonge meisje!

Zij was bedreven in alle takken van sport, en hanteerde de revolver met

even veel zekerheid als de roeispaan.

Zij reed voortreffelijk paard, zij kon een motorrijwiel evengoed

besturen als een renwagen, en ook de behandeling van een sneltrein had

voor haar geen geheimen.

Zij had op zwemwedstrijden verscheidene prijzen gewonnen en eens had

zij het stoute stukje verricht, geheel gekleed van de Tower Bridge in

de Theems te duiken, ten einde een klein meisje te redden, dat uit een

sloepje was gevallen.

Zelfs in het boksen had Dorrit Evans het tot een aanzienlijke hoogte

gebracht en zij nam steeds trouw les in schermen en de Japansche

worstelkunst.

In het kort—deze stoutmoedige jonge dame had desnoods dadelijk kunnen

optreden als de heldin in een van die filmdrama’s vol avonturen,

waarvan het op sensatie beluste publiek zoo smult.

De andere rechercheurs waren aanstonds opgestaan, ten einde hun chef te

begroeten.

—Ik hoorde een paar woorden in de gang, Houston! zeide Sullivan. Weet

je niet meer van de zaak?

—Niets mijnheer!

—Ik was juist voornemens er heen te gaan Sullivan! liet Grim zich

hooren.

—Dan vergezel ik je! zeide Sullivan.

—Mag ik met u meegaan? vroeg Dorrit Evans.

—Het is een moord, Miss Dorrit! zeide Sullivan op ernstigen toon, en ik

weet niet......

—Kom, ik zal mij daaraan toch ook moeten gewennen, zeide het jonge

meisje vastberaden tot Sullivan. Ik beloof u dat ik sterk zal zijn.

—Welnu, laten wij dan spoedig gaan! hernam Sullivan.

De twee mannen, vergezeld van het jonge meisje, verlieten haastig het

vertrek, en staken de groote binnenplaats over, waarop ook de deur

uitkwam van de groote garage waar dag en nacht eenige snelle auto’s

gereed stonden.

Een paar minuten later snelde een dezer wagens, door een agent

bestuurd, door de straten van Londen, en reed naar het huis waar de

misdaad had plaats gehad.

De Ormond Street ligt in het hartje van het West End, en is een vrij

stille, deftige straat, niet verontrust door het lawaai van de

reusachtige omnibussen of electrische trams.

Het huis dat het nummer drie honderd twaalf droeg, was een tamelijk

groot gebouw, waarvan de benedenste twee verdiepingen bewoond werden

door Majoor Richard Wigmore en zijn bediende.

De majoor was omstreeks vijf en veertig jaar en leefde gescheiden van

zijn vrouw, met wie hij ongeveer twee jaren geleden getrouwd was.

Hij stond algemeen als zeer rijk bekend, en bezat een paar renpaarden,

een motorjacht en groote landgoederen in Warwickshire.

Ook wist Sullivan, dat hij lid was van de Windsor-club en van de

Derbyclub, twee der duurste en deftigste clubs van geheel Londen.

De auto stond stil voor een breede koetspoort, en Sullivan zag dat er

reeds een politiepost voor het huis was geplaatst.

De man herkende Sullivan dadelijk, en salueerde.

—Niemand in of uit gegaan, agent? vroeg Sullivan, die reeds uit de auto

was gesprongen.

—Niemand sinds de misdaad ontdekt werd, mijnheer!

—Wie heeft je hier op post gezet?

—De commissaris van het bureau in de Keppel Street, mijnheer! Daarheen

had de huisknecht het eerst getelefoneerd en de commissaris verwees hem

naar Scotland Yard.

—Is er een geneesheer gehaald?

—Wij verwachten hem ieder oogenblik, mijnheer.

Sullivan knikte den man toe en belde aan.

De deur werd geopend door een huisknecht, een man van omstreeks

zestigjarigen leeftijd met bleek gelaat en roode oogen.

Zijn mond vertrok zich krampachtig, toen Sullivan zijn naam en

kwaliteit noemde, en hij had blijkbaar moeite, niet in snikken uit te

barsten.

De rustige, heldere stem van Sullivan scheen hem echter tot kalmte te

brengen en hij antwoordde zonder zich lang te bedenken op de weinige

vragen welke Sullivan hem stelde.

—Zijt gij reeds lang bij uw meester in dienst?

—Twintig jaren, mijnheer! Ik heb ook bij den vader van den majoor

gediend!

—Hoe laat zijt gij gisteren naar bed gegaan?

—Om elf uur, mijnheer!

—Hebt gij iets gemerkt—gerucht gehoord?

—Niets, mijnheer!

—Hoeveel bedienden zijn er behalve u nog?

—Nog drie—de kok, de kamerbediende en de butler.

—Slapen die alle drie hier in huis?

—Alleen de kok slaapt buitenshuis.

—Waar zijn nu de andere bedienden?

—In het dienvertrek!

—Het is goed! Ik zal hen aanstonds ondervragen. Breng mij nu naar de

kamer waar het geschied is! Maar zeg mij eerst eens hoe gij heet!

—Brix, mijnheer. Henry Brix.

Sullivan had den naam opgeschreven en nu volgden de politiemannen den

ouden bediende, die hen voorging door de groote hal, naar een trap, die

met een flauwe bocht omhoog liep, en vervolgens door een breede gang

tot voor een deur, die door een agent van politie bewaakt werd.

—Dit is de werkkamer van den majoor, mijnheer! zei de Brix op zachten

toon. Achter deze deur is het geschied!

Sullivan knikte en zeide toen:

—Ik wilde wel, dat gij mede naar binnen gingt, want ik zal u nog wel

eenige vragen moeten stellen. Gij hebt er immers niets op tegen, Grim?

—Volstrekt niet! gaf de rechercheur te kennen. Als gij mij slechts

veroorlooft, nu en dan ook een paar vragen te stellen!

—Dat spreekt van zelf!

De agent had plaats gemaakt, en Sullivan, Grim en miss Dorrit Evans

traden het vertrek binnen, terwijl de agenten die hen vergezeld hadden,

buiten de deur bleven wachten, tot men hun diensten zou behoeven.

De kamer was zeer groot en met verfijnde weelde gemeubeld.

De meubels, in Queen Anne stijl, waren van palissanderhout vervaardigd,

kunstvol ingelegd met rozenhout. Hier en daar stonden gemakkelijke

clubfauteuils, en op den vloer lag een zeer kostbaar Perzisch tapijt.

Voor de drie ramen hingen dikke, fluweelen gordijnen, die op dit

oogenblik half dicht waren geschoven, en in een der hoeken van het

vertrek, stond een divan, belegd met fraaie kussens, overtrokken met

zijde en brokaat.

Tegen een der muren was een zware boekenkast geplaatst, en boven den

schoorsteenmantel hing een kostbaar wapenrek.

Behalve de deur die op de gang uitkwam, bezat dit vertrek nog twee

andere deuren.

Een daarvan kwam uit op de biljartkamer, de tweede op een soort

werkkamer, en daar stond tevens de brandkast.

Op de divan lag een beweginglooze gestalte, met een wit laken overdekt.

Sullivan trad er op toe, en lichtte het laken op.

Hij keek even naar het wasbleeke gelaat van den man, die daar lag, en

bukte zich toen voorover, ten einde het lichaam te onderzoeken, hetwelk

nog niet was ontkleed.

Vest en voorzijde van de smoking waren met bloed bevlekt, en het

overhemd was aan de voorzijde eveneens gevlekt.

Toch scheen het, dat de wonde niet sterk gebloed had.

In de linkerborst was een klein, bijna zuiver rond gat te zien, want de

kleederen waren opengeknoopt, evenals het ondergoed, van donkerblauw

zijde vervaardigd.

Sullivan beschouwde de wonde eenigen tijd en zeide toen op zakelijken

toon:

—Een revolverkogel, die waarschijnlijk in het hart is gedrongen en den

dood bijna onmiddellijk heeft teweeg gebracht. Vermoedelijk was de

kogel van gering kaliber. Het schot moet op dichten afstand zijn

afgevuurd, want het overhemd is licht geschroeid.

Hij richtte zich op en zeide tot een der agenten die hem hadden

vergezeld:

—Als het nog niet gedaan is, moet er dadelijk om den coroner

getelefoneerd worden, opdat hij het lijk zal kunnen schouwen. Een

geneesheer zal hier echter niets meer kunnen uitrichten!

Juist op dat oogenblik verscheen er een heer op den drempel, die eenige

woorden met de agenten wisselde, die voor de deur stonden, en daarop

het vertrek binnen trad.

Hij ging op de kleine groep voor de divan toe, en zeide, terwijl hij

zich tot Sullivan wendde:

—Ik ben dokter Hayslop. Men heeft mij hier ontboden in verband met een

moordzaak. Gij zijt zeker van de politie?

—Mijn naam is Sullivan, detective, antwoordde deze. Mag ik vragen of

gij de huisdokter van majoor Wigmore zijt?

—Zoo kan ik mijzelf bijna niet noemen, mijnheer, antwoordde de

geneesheer. Ik behandelde den majoor, als hij ziek was, maar dat

gebeurde zoo goed als nooit. Wilt gij mij toestaan, dat ik hem even

onderzoek? Ik heb reeds gezien, dat hier geen hulp meer kan baten.

—Ga uw gang, dokter, zeide Sullivan.

De geneesheer klemde een lorgnet op zijn neus en bukte zich over den

doode.

Hij bekeek de wonde nauwkeurig, haalde een klein étui uit zijn

binnenzak, opende het en nam er een instrument uit, een sonde, welke

hij voorzichtig in de wonde bracht en er daarop weder uithaalde.

—De kogel heeft juist het hart kunnen treffen, zeide hij toen. Maar hij

is zeker afgevuurd uit een minderwaardig wapen en als majoor Wigmore

een dikke jas had aan gehad inplaats van een smoking, dan geloof ik

niet, dat de kogel er door zou zijn gegaan!

—De dood is natuurlijk onmiddellijk ingetreden? vroeg Dorrit Evans, die

naderbij was getreden, en nauwlettend had toegezien.

—Onmiddellijk, miss! antwoordde Hayslop.

De geneesheer had zich weder opgericht en zeide:

—Ik heb hier niets meer te doen, mijnheer! Ik kan slechts den dood

constateeren—het overige zal ik moeten overlaten aan mijn collega van

de rechtbank!

Hij maakte een buiging voor de aanwezigen, noteerde onder het loopen

iets in zijn zakboekje en verliet het vertrek.

—Nu zullen wij ons onderzoek maar eerst eens voortzetten, zeide

Sullivan, toen de deur weder gesloten was.

Hij ging naar de groote schrijftafel die bij een der ramen stond en

bekeek het meubel aandachtig.

Verscheidene laden waren geopend, maar het was nergens aan te zien, dat

er geweld was gebruikt. Blijkbaar waren zij allen geopend met de

sleutels welke er op pasten.

Maar allen waren zij doorzocht, dat was duidelijk te zien aan de

verwarring, welke er in alle laden heerschte.

Dat was des te meer het geval in het aangrenzende vertrek, waar de

brandkast stond, want daar lag alles overhoop.

De kast zelve, een klein, maar stevig meubel, was eerst van den muur

gerold waartegen zij geleund had, en daarop had men de achterzijde,

denkelijk met behulp van een zuurstofvlam, welke een vreeselijke hitte

kan ontwikkelen, open gesmolten.

De boeken, welke in de kast hadden gelegen, benevens een paar houten en

ijzeren kistjes, lagen over den vloer verspreid, na van hun inhoud te

zijn ontdaan, voor zoover die eenige waarde had, en de meubelen waren

van hun plaats verschoven.

Op het prachtige vloerkleed waren de sporen te zien van modderige

laarzen, maar die stonden zoo kris en kras door elkaar, dat men er niet

veel aan had.

Uit een wandkastje hadden de inbrekers—want er waren er stellig

minstens twee geweest, daar één man alleen onmogelijk de zware kast van

haar plaats had kunnen krijgen—een flesch port genomen, er de hals

afgeslagen en zich aan den inhoud te goed gedaan.

Sullivan overzag dit alles met een vluchtigen blik, zich voorbehoudend,

later een grondiger onderzoek in te stellen, en daarop ging hij weder

naar het eerste vertrek terug, waar de oude bediende onbewegelijk op

dezelfde plek was blijven staan.

De detective ging op Brix toe, en vroeg:

—Wie heeft majoor Wigmore het eerst gevonden?

—Ik, mijnheer! Ik kom hem iederen morgen roepen, en daar ik op mijn

kloppen geen gehoor kreeg, opende ik de deur van de slaapkamer en zag

tot mijn verbazing, dat het bed in het geheel niet beslapen was! En

toch wist ik, dat mijn meester het huis niet meer verlaten had, nadat

hij van de opera was teruggekeerd met een weinig hoofdpijn, zoodat hij

het einde niet had afgewacht. Ik ging dus eens kijken of mijnheer

misschien ergens anders was—en vond hem hier, midden in de kamer

uitgestrekt op den grond liggen—dood!

—Wat deed gij toen?

—Ik schrok hevig, en wilde mij natuurlijk allereerst overtuigen, of er

wellicht nog leven in het lichaam school. Toen ik mijn hand op de borst

van den majoor legde, raakte ik een klein papiertje aan, dat op zijn

lichaam was nedergelegd.

—Wat zegt gij daar? riep Sullivan in de hoogste verbazing uit. Een

papiertje? Maar daar hebt gij mij niets van gezegd!

—Mijnheer heeft er mij immers nog niet naar gevraagd, zeide de oude man

deemoedig.

—Waar is dat papiertje? vroeg Sullivan haastig.

—Ik heb het in mijn zak gestoken, mijnheer!

—Laat het aanstonds eens zien! kwam de detective.

Brix stak de hand in den zak en haalde er een klein, blijkbaar van een

grooter stuk afgescheurd vodje papier uit, hetwelk hij Sullivan

overhandigde.

Deze wierp er een blik op en las op halfluiden toon het eenige woord,

hetwelk er met groote letters op geschreven stond.

Dat woord luidde: „Waverghem”.

HOOFDSTUK II.

HET ONDERZOEK DUURT VOORT.

De aanwezigen keken elkander verbluft aan, en eenigen tijd heerschte er

stilte in het groote vertrek.

Toen liet de heldere stem van Sullivan zich weder hooren.

—Waverghem—wat kan dat te beteekenen hebben?

Niemand antwoordde.

—Lag dit papiertje dus op de borst van uwen meester? vroeg de

detective, terwijl hij zich opnieuw tot den ouden bediende wendde.

—Ja, mijnheer—op de rechterzijde van de borst!

—Merkwaardig! bromde Sullivan voor zich heen. Dat is niet de gewoonte

van inbrekers! Nu, wij zullen later wel ontdekken, wat dit zonderlinge

woord beteekent!

Hij vouwde het papiertje op, maar bedacht zich, opende het weder, en

trad op de schrijftafel toe.

Hij zocht onder de papieren en riep na eenigen tijd zegevierend uit:

—Hier is het vel, waarvan dit stukje papier is afgescheurd! Wij hebben

dus in ieder geval te doen met een spontane handelwijze, pas door den

moordenaar verzonnen, nadat de daad gepleegd was!

Hij stak het stukje papier nu in zijn zakportefeuille en vroeg Brix:

—Hoe laat zeidet gij ook weer, dat gij gisteravond naar bed zijt

gegaan?

—Om elf uur.

—Juist. Is dat de gewone tijd?

—O neen! Het wordt wel eens veel later! Dat hangt er natuurlijk geheel

en al van af, tot hoe lang mijnheer ons noodig heeft. Soms werd het wel

eens één uur of nog later.

—Waarom was het dan gisteren zoo vroeg?

—Ik zeide u reeds, dat mijnheer met een weinig hoofdpijn uit de opera

was thuis gekomen. Toen ik hem van hoed en overjas ontdeed, zeide hij,

dat wij wel naar bed konden gaan als wij er lust in hadden, daar hij

ons niet meer zou noodig hebben.

—Hoe laat was dat?

—Kwart over tienen ongeveer.

—Zei uw meester, dat hij ook dadelijk naar bed zou gaan?

—Hij zei, dat hij in de rookkamer nog even de bladen zou lezen, en een

antipyrinepoeder zou innemen.

—Weet gij, of hij dat inderdaad gedaan heeft?

—Dat kon hij niet doen, want toen kwam de bezoeker.

Sullivan meende niet goed verstaan te hebben.

—De bezoeker? herhaalde hij verbaasd. Welke bezoeker?

—Wel, de heer, die den majoor had willen spreken!

Sullivan zoowel als Dorrit Evans begrepen als bij instinct, dat de zaak

een onverwachten keer ging nemen, en dat zij misschien spoedig in staat

zouden zijn zich een duidelijke voorstelling te vormen van de toedracht

der feiten.

De detective vroeg:

—Wie was die heer?

—Dat weet ik niet. Ik had hem nooit van te voren gezien.

—Noemde hij dan geen naam?

—Hij zeide, dat dat niet noodig was, daar mijnheer hem toch niet kende.

—En liet de majoor dan een onbekenden heer zoo laat op den avond bij

zich toe?

—De bezoeker zeide, dat hij den majoor over een zeer gewichtige zaak

moest spreken. Daarom is hij ook zeker twee keer geweest!

Sullivan begon in te zien, dat hij met een man te doen had, die zeker

niet uit zich zelf een aaneengeschakeld verhaal van het gebeurde zou

geven, en telkens met nieuwe, opzienbarende mededeelingen kwam

aandragen, waarvan hij blijkbaar zelf de draagkracht niet begreep.

Hij besloot dus geduldig te zijn en den ouden man niet door

onderbrekingen van de wijs te brengen.

Rustig hernam hij:

—Die bezoeker was er dus vroeger in den avond ook al geweest?

—Ja, mijnheer.

—Hoe laat ongeveer?

—Het moet omstreeks acht uur zijn geweest, want de majoor was juist

naar het operagebouw gereden.

—Hoe laat kwam hij voor de tweede maal?

—Om kwart over tien, zooals ik u zooeven al zeide.

—Dus juist, nadat majoor Wigmore was thuis gekomen?

—Ja, het kan niet veel meer dan vijf minuten later zijn geweest.

—Maakte de majoor in het geheel geen bezwaren, om dien laten bezoeker

te ontvangen?

—In het eerst wel. Hij vroeg mij, hoe hij er uitzag, en hoe oud hij

zoowat kon zijn, maar toen ik hem had gezegd, dat hij er heel deftig

uitzag, en dat ik hem een jaar of vijf-en-twintig gaf, haalde de majoor

de schouders op en zeide dat ik den bezoeker dan maar bij hem moest

laten.

—Waar waart gij toen?

—Hier, in deze kamer.

—Hoe lang is die bezoeker gebleven?

—Dat weet ik niet, mijnheer.

—Weet gij dat niet? Gij zult hem toch wel hebben moeten uitlaten? kwam

Dorrit Evans verbaasd.

—Neen, miss, antwoordde Brix. De majoor belde in het geheel niet om

mij, en toen ik om elf uur nog eens langs de kamer liep, was alles

stil, en dus dacht ik dat de majoor zelf zijn bezoeker naar de deur had

gebracht, en zich daarop dadelijk naar zijn slaapkamer had begeven.

—Dus het kwam niet bij u op, dat uw meester misschien met zijn bezoeker

het huis had verlaten?

—Als hij dat gedaan had, dan zou hij mij of den butler zeker

gewaarschuwd hebben! Bovendien—toen ik door de vestibule liep, hingen

daar alle overkleederen van den majoor—zijn duffel, zijn overjas en

zijn pels.

—Hoe stond het met de andere bedienden? Wisten die van dat alles niets

af?

—De butler had gisteravond vrijaf, en kwam pas om half twaalf thuis.

Aan den kamerbediende heb ik niets gezegd. De kok was al lang weg.

—Zoudt gij den bezoeker herkennen als gij hem terug zaagt?

De bediende scheen even te aarzelen en antwoordde toen:

—Ik weet het niet—ik geloof het haast wel. Hij had zijn hoed diep in de

oogen gedrukt en nam dien pas af, toen hij de kamer van den majoor zou

binnentreden.

—Waar waart gij gedurende den tijd, dien het bezoek volgens u ongeveer

moet hebben geduurd?

—In het dienvertrek.

—Is dat ver van deze kamer verwijderd?

—Ja, het is gelijkvloers in het achterhuis.

—Het is dus mogelijk, dat er in deze kamer een schot is gelost, zonder

dat de bedienden dat hebben gehoord? vroeg Dorrit.

De oude man haalde de schouders op en antwoordde:

—Ik geloof—een geweerschot zou men toch zeker wel hooren!

—Wij zullen aanstonds wel zien! hernam Sullivan. Ik geloof dat daar de

coroner reeds aankomt.

Inderdaad werd de deur geopend en er traden twee heeren binnen, de

coroner, vergezeld door een anderen gerechtsgeneesheer.

De eerste liet zich snel door Sullivan op de hoogte brengen, met wien

hij reeds herhaaldelijk had samengewerkt, en trad daarop met zijn

collega op de divan toe, waar het lichaam van den vermoorde lag.

Een oogenblik later waren de beide heeren in hun onderzoek verdiept,

waarbij zij op fluisterenden toon een gesprek voerden, dat door niemand

gehoord werd.

Sullivan en Miss Evans hadden hun onderzoekingen zwijgend en zonder

gerucht te maken voortgezet.

Eindelijk richtte de coroner zich weder op, en kwam naar Sullivan toe.

Hij had een klein voorwerp in de hand, hetwelk hij met zijn zakdoek

scheen af te wrijven.

Het was een kleine revolverkogel, die slechts in geringe mate misvormd

was.

Hij legde het op de palm van zijn hand, en liet het Sullivan zien.

—Wat zegt gij daarvan, mijn waarde Sullivan?

De detective nam het kogeltje tusschen duim en wijsvinger en behoefde

er slechts een blik op te werpen, om met zekerheid te zeggen:

—Een kogel uit een ordinaire bazarrevolver, een prul van een paar

shilling. Geheel van lood, zonder stalen mantel en van gering kaliber.

Naar ik schat stak de kogel zes of zeven millimeter in het hart,

dokter.

—Voor zoover ik met de sonde kon nagaan, had het projectiel juist den

hartwand doorboord! Als de majoor een dikke jas gedragen had, zou de

kogel er waarschijnlijk niet doorheen zijn gegaan.

—Diezelfde opmerking heb ik zooeven ook reeds hooren maken, kwam

Sullivan glimlachend. Dit doet intusschen niets af aan het

afschuwelijke van deze misdaad—ten minste dat zou ik zeggen!

Maar nu trad Dorrit op hen toe en zeide:

—Vindt gij het niet vreemd, dat inbrekers zich bedienen van zulk een

minderwaardig wapen?

—Ja, dat is eigenaardig genoeg! gaf Sullivan peinzend te kennen. Want

het is natuurlijk buiten twijfel, dat die bezoeker den weg heeft

gebaand voor zijn makkers en hen waarschijnlijk later heeft binnen

gelaten.

Maar het jonge meisje schudde langzaam het hoofd en zeide:

—Ik weet het niet—ik vind het wel wat zonderling om op deze wijze op te

treden. Hebt gij er ooit van gehoord, meester, dat inbrekers een hunner

vooruit zenden om het slachtoffer te vermoorden en pas daarop

binnendringen?

Sullivan knikte bevestigend.

—Daar weet ik zelfs verscheidene gevallen van, Dorrit! kwam hij. Laat

ik er echter dadelijk aan toevoegen, dat het hier inbraken gold in een

afgelegen huis op het platte land, dat slechts door een paar oude

menschen bewoond werd.

—Het nadere onderzoek zal ons wel wijzer maken! meende het jonge

meisje.

Sullivan had zich weder tot den coroner gewend en vroeg nu:

—Waarde dokter, zoudt ge mij ook reeds kunnen zeggen, of hier aan

zelfmoord kan worden gedacht?

De gerechtsgeneesheer dacht even na, en gaf toen ten antwoord:

—Geheel onmogelijk is het niet, maar dan zou de doode het wapen op een

eigenaardige, geforceerde wijze hebben moeten vasthouden, want het

kogelkanaal staat loodrecht op de oppervlakte van de borst. Als de

majoor zichzelf van het leven had willen berooven, dan zou dat kanaal

zeker veel schuiner hebben geloopen, en er is nog iets—een oud-soldaat

zal zich maar hoogstzelden door het hart en in de allermeeste gevallen

door het hoofd schieten, waaraan dat is toe te schrijven weet ik niet,

maar ik kan u verzekeren dat het zoo is!

—Uit medisch oogpunt kunnen wij dus wel vaststellen, dat zelfmoord zeer

onwaarschijnlijk is, merkte Sullivan op. Nu zullen wij eens zien hoe

het er mee staat op technisch gebied! Om te beginnen kunnen wij het

gerust als vaststaande beschouwen, dat een man als majoor Wigmore geen

bazar-prul in zijn zak zal dragen als waarmede dit kogeltje is

afgedrukt!

Hij wendde zich tot Brix, die onbewegelijk bij het raam was blijven

staan.

—Hebt gij hier een wapen, een revolver of een pistool op den grond

gevonden?

—Neen, mijnheer, antwoordde de bediende.

—Hebt gij de kleederen van uw meester onderzocht?

—Wij hebben hem niet aangeraakt, mijnheer, behalve om hem op den divan

te leggen.

Sullivan trad op het lichaam van den doode toe, stak de hand in den

revolverzak en haalde er een Browning van klein kaliber uit, een

voortreffelijk wapen, dat nog op drie honderd pas afstand een stalen

kogel door een eiken plank van twee duim dikte joeg.

De detective schoof de sluitplaat van de kolf terug, en zag dat de

pistool met zeven kogels geladen was, een in den loop, en zes in het

magazijn.

—Het is duidelijk, dat de majoor zelfs geen gelegenheid heeft gehad,

naar dit wapen te grijpen en dat hij dus waarschijnlijk bij verrassing

overvallen is! mompelde Sullivan voor zich heen.

Hij keerde zich opnieuw tot Brix, en vroeg:

—Hebt gij den indruk gekregen, alsof uw meester den bezoeker kende,

toen gij deze bij hem binnen liet?

—Daarop zou ik u geen antwoord kunnen geven, mijnheer—ik heb alleen

maar de deur geopend en den bezoeker binnen gelaten.

De majoor stond uit zijn stoel op en trad hem een paar passen tegemoet.

Ik heb slechts een seconde zijn gelaat gezien, maar ik geloof niet dat

hij den bezoeker herkende—met zekerheid durf ik het echter niet te

zeggen.

Sullivan had de browning op de schrijftafel neêrgelegd, en begon nu

alle zakken leeg te halen van de kleederen welke de doode droeg. Hij

vond daar een portefeuille in, een gouden cigarettenkoker, een klein

schildpadden zakmes, een zilveren sigarenaansteker en nog eenige andere

voorwerpen, welke hij allen zorgvuldig bij elkander op de tafel legde.

Den sleutelbos had hij reeds vroeger op een der laden van de groote

schrijftafel gevonden.

Hij stond nu in gedachten verdiept midden in de kamer met de gebalde

vuisten in de zijde gesteund, en liet zijn blikken langzaam in het rond

waren.

Toen richtte hij eensklaps het hoofd met een energieke beweging op, en

riep:

—Wij zullen nu eens verder zoeken, vrienden! En wij willen mijnheer den

coroner hier rustig zijn rapport laten opmaken.

De politiebeambten begaven zich nu naar het aangrenzend vertrek en

onderzochten daar zoo nauwkeurig mogelijk de brandkast, in de hoop,

ergens een vingerafdruk te zullen zien.

Zij waren bijna een kwartier bezig geweest, maar toen was Dorrit ook

zoo gelukkig een zeer duidelijken afdruk te vinden op den bovenkant van

de kast, waar blijkbaar iemand met de volle hand op had gerust.

—Dat is werk voor onzen fotograaf en onzen conservator! riep zij

tevreden uit. Een scherpe indruk, nietwaar mijnheer Sullivan.

Sullivan knikte voldaan en antwoordde:

—Dit is althans iets waaraan wij houvast hebben! Wat de inbraak

betreft, deze kast is met groote bekwaamheid geopend door lieden die

blijkbaar over een langjarige ervaring beschikken.

—Gelooft gij niet dat...... hij het misschien gedaan heeft? vroeg

Dorrit op fluisterenden toon.

—Wien meen je? John Raffles? kwam Sullivan even zacht. Neen, dat acht

ik volkomen onmogelijk. Er zijn honderd redenen voor één die het tegen

spreken.

Ten eerste zou Raffles zijn slachtoffer nimmer om het leven brengen,

ten tweede zou hij deze kast op een geheel andere wijze hebben geopend,

en ten derde zou hij stellig geen vingerafdrukken nalaten.

Op dit oogenblik kwam Brix, die zich weder had mogen verwijderen,

verschrikt aanloopen, en riep uit:

—Ik heb zooeven gelijkvloers een openstaand raam gevonden, mijnheer!

—Waar? vroeg Sullivan haastig.

—Aan de achterzijde van het huis! Er is daar een kleine tuin met een

vrij lagen muur, waarover men gemakkelijk kan heen klimmen, als men

over vlugheid en moed beschikt.

—Was er iets gebroken?

—Niets mijnheer! het luik was eenvoudig aan de binnenzijde geopend.

—Aan de binnenzijde? riep Sullivan verwonderd uit, breng er ons

aanstonds eens heen!

Brix geleidde Sullivan en Miss Evans door een paar gangen en langs een

diensttrap naar de achterzijde van het groote huis, en voerde hen naar

een met groote tegels geplaveide gang, waarop een raam uitkwam.

—Dat is het, mijnheer, zeide hij.

Sullivan trad haastig op het raam toe en onderzocht het luik.

Hij had aanstonds ontdekt, dat men er eenvoudig den bout had afgenomen

en dat er volstrekt niets was verbroken.

Hij wierp een blik naar buiten en zag op eenige passen afstand een

regenton aan den voet van den muur staan.

Hij klom door het raam en onderzocht met de grootste zorgvuldigheid den

bodem, terwijl hij op de ton toeliep.

De grond bestond voor een deel uit kleine klinkers, verder op was een

grintpad en ten slotte kwam een stuk van een bloembed, waarin nu

slechts de rulle zwarte aarde te zien was.

Het noodlot wilde echter dat het dien nacht zwaar geregend had en de

voetstappen waren grootendeels uitgewischt.

Maar toch meende de detective aan de indrukken te kunnen zien dat er

hier niet alleen in een enkele richting, maar dat er heen en weer was

geloopen.

Hij wisselde een blik met miss Evans en sprak:

—Het wordt geloof ik al iets duidelijker! De bezoeker heeft denkelijk,

nadat hij den majoor had neergeschoten, dit raam voor zijn

medeplichtigen geopend, en dezen zijn, na de inbraak te hebben

volbracht, weder op dezelfde wijze vertrokken als zij gekomen zijn!

—Ja, dat geloof ik ook, antwoordde de jeugdige detective. Ik kan mij

vergissen, maar ik geloof, dat hier minstens drie mannen hebben

geloopen. Ondanks den regen kan men dat nog tamelijk goed zien.

—Ja, je hebt gelijk, Dorrit! zeide Sullivan. En laten wij nu maar weder

naar binnen gaan. Hier valt niets meer te zoeken!

De beide politiebeambten klommen weder door het openstaande raam naar

binnen en daarop vroeg Sullivan aan Brix, die was blijven wachten:

—Alle ramen worden natuurlijk des nachts goed gesloten?

—Ja, daar stond de majoor bijzonder op.

—Zoo, dus hij was steeds een beetje bang voor inbrekers! kwam Sullivan.

—Dat weet ik niet! kwam de oude bediende kortaf.

De detective wilde nog iets vragen, maar hij bedacht zich en ging weder

den zelfden weg terug naar het vertrek, waar hij en Dorrit zich zooeven

hadden bevonden.

De coroner had juist zijn rapport beëindigd en nam zijn hoed, teneinde

zich te verwijderen.

—Ik ben gereed, waarde Sullivan, zeide hij. En ik kan u wel reeds

zeggen, dat het schot is gelost op een afstand van ongeveer drie passen

uit een ordinaire revolver, waarvan de kogels weinig doorslagskracht

hebben. De dood is bijna onmiddellijk ingetreden en wel omstreeks elf

uur in den avond van gisteren! Als gij nog meer wilt weten ben ik op

Scotland Yard gaarne tot uw dienst!

—Dat is voorloopig meer dan voldoende, dokter! zeide Sullivan, terwijl

hij den gerechtsgeneesheer de hand drukte.

Deze maakte een buiging voor Dorrit Evans en had het volgende oogenblik

het vertrek verlaten.

Het jonge meisje was weder begonnen half instinctmatig het vertrek

opnieuw te onderzoeken, toen zij eensklaps een lichten kreet slaakte en

zich bukte, om iets op te rapen van een berenvel, dat midden in de

kamer onder een kleine rooktafel lag.

Zij kwam dadelijk naar Sullivan toe, die verrast had omgezien op het

hooren van dien kreet, en liet het voorwerp zien, dat zij op de palm

van haar hand had gelegd.

Sullivan slaakte op zijn beurt een uitroep van verbazing.

Het ding, zooeven door de jonge detective opgeraapt, was een haarspeld!

HOOFDSTUK III.

WAAR RAFFLES ZICH MET DE ZAAK BEMOEIT.

Sullivan en miss Evans keken elkander een oogenblik verstomd aan, en

daarop wendde de eerste zich dadelijk tot Brix met de vraag:

—Is hier gisteravond ook een dame gekomen?

—Een dame? Neen, mijnheer! antwoordde de oude bediende verbaasd.

—In den loop van den dag dan?

—Ook niet!

—Ontving de majoor nooit damesbezoek?

—Enkele keeren! antwoordde de bediende stug.

—Hoelang is de laatste keer geleden?

—Ongeveer een maand!

—Kan er hier gisteren een dame geweest zijn, zonder dat gij het zoudt

hebben gemerkt?

Brix dacht even na en antwoordde toen:

—Onmogelijk is het niet—maar wel zeer onwaarschijnlijk! De majoor

geneerde zich volstrekt niet voor ons—een oud-militair! Maar als die

dame wellicht gehuwd was—dan—misschien heeft hij haar zelf binnen

gelaten door de zijdeur. Ik ben echter den geheelen dag thuis geweest

en ik durf wel verzekeren, dat ik dat gemerkt moest hebben.

—Hoezoo?

—De gang, die naar die zijdeur loopt, gaat langs het dienvertrek, en

men zou het daar dus wel hebben opgemerkt!

—Maar voor den drommel—die haarspeld kan daar toch niet vanzelf zijn

gekomen! riep Sullivan ongeduldig uit. Gij hebt mij immers gezegd, dat

hier alleen mannelijk dienstpersoneel in huis is?

—Ja, dat is zoo!

—Nu, dan moet er hier een vrouw geweest zijn, dat is duidelijk!

—Kan de majoor die haarspeld misschien niet van buiten hebben

meegebracht? vroeg miss Evans.

—Dat klinkt niet erg waarschijnlijk, Dorrit! antwoordde Sullivan. Men

kan een haar van een vrouw mede naar huis nemen—maar een

haarspeld—neen, dat komt mij ongeloofwaardig voor! En toch—er is bijna

geen andere oplossing mogelijk, als deze man het bij het goede einde

heeft!

Op dit oogenblik trad Grim het vertrek binnen, die zijn tijd nuttig had

besteed met een ondervraging van de andere bedienden, den butler en den

kamerbediende.

—Hebt gij iets naders kunnen ontdekken? vroeg hij, nadat hij de deur

achter zich gesloten had.

—Een haarspeld! antwoordde Sullivan lakoniek.

—Wat? Hier? riep Grim verwonderd uit. Er is dus een vrouw hier geweest?

—Dat zou men er tenminste uit afleiden, maar volgens de verklaringen

van dezen man is daar geen sprake van!

—Dan moet hij haar zelf in zijn kleederen hebben medegebracht! hernam

Grim.

—Dat zeide ik ook al, Grim! riep Dorrit uit. Maar mijnheer Sullivan

meent, dat zooiets onmogelijk is!

—Onmogelijk of tenminste zeer onwaarschijnlijk! gaf Sullivan te kennen.

—Dan moet er hier een vrouw zijn geweest, sprak Grim kortaf. Een

tusschenweg is er niet.

Hij keek Brix strak aan, en zeide toen op strengen toon:

—Gij spreekt toch de waarheid? Bedenk, dat gij voor de rechtbank onder

eede zult worden gehoord!

—Dat weet ik, mijnheer! antwoordde de oude bediende eenvoudig. En voor

de heeren rechters zal ik juist hetzelfde zeggen wat ik zooeven aan

mijnheer daarginds heb gezegd!

De drie detectives zwegen en schenen ieder in hun eigen gedachten

verdiept te zijn.

Toen vroeg Sullivan, terwijl hij zich tot Grim wendde:

—Heeft de ondervraging van de bedienden u iets nieuws opgeleverd?

—Niet veel, waarde collega! Zooals je weet, is de butler gisteravond

uit geweest, want hij had een uitgaansavond. Hij keerde pas om twaalf

uur terug, na met zijn meisje een variété te hebben bezocht en ging

regelrecht naar zijn slaapkamer, daar hij wel wist, dat zijn meester

tehuis was en zich reeds ter ruste had begeven. Diens kleederen hingen

in de vestibule aan de haken en alles was donker in huis.

—En de kamerbediende?

—Die is al om half elf gaan slapen, nadat Brix—dat zal deze man hier

wel zijn—hem gezegd had, dat zijn meester hoofdpijn had, en zich

aanstonds te bed zou begeven.

—Is dat zoo? zoo wendde Sullivan zich tot den ouden man, die zwijgend

had toegeluisterd.

Brix knikte bevestigend.

—Hebt gij soms gevraagd, of iemand van de twee andere bedienden den

laten bezoeker in het gezicht hebben gezien? aldus wendde Sullivan zich

opnieuw tot zijn collega.

—Ja. De butler, Farrington geheeten, had het huis reeds verlaten, toen

de bezoeker zich voor de eerste maal aanmeldde, en de kamerbediende

Clifford zegt, dat hij hem noch den eersten, noch den tweeden keer

gezien heeft.

—Dat is ook de waarheid, mijnheer, liet de vlakke stem van Brix zich

hooren. Ik zelf heb den bezoeker beide malen open gedaan.

—Brix zeide mij zooeven, dat de bezoeker de tweede maal aanschelde,

juist even nadat Wigmore van de opera was thuis gekomen, zeide

Sullivan. Ik vermoed dus, dat hij ergens in de buurt is blijven wachten

en het huis in het oog heeft gehouden, om dadelijk bij de hand te zijn,

zoodra hij den heer des huizes zag terugkeeren.

—Dat klinkt niet onwaarschijnlijk, collega! zeide Grim.

—Dan zouden wij eens kunnen onderzoeken, of men hier in de buurt iemand

op wacht heeft zien staan, hernam de detective. Wellicht is hier een

café of een wijnhuis aan de overzijde, vanwaar de moordenaar het huis

in het oog heeft kunnen houden.

Hij trad naar het venster, sloeg de gordijnen geheel ter zijde, en

wierp een blik op straat.

Aanstonds liet hij een kreet van voldoening hooren en riep:

—Juist, aan den overkant is een wijnhuis, of een bar! Laat een der

agenten eens dadelijk gaan vragen, of daar gisteravond een bezoeker is

geweest, die van ongeveer acht uur tot kwart over tienen onafgebroken

voor een der ramen heeft gezeten!

Grim opende dadelijk de deur en wisselde eenige woorden met een der

agenten die salueerde, en toen vlug heen liep, om het ontvangen bevel

ten uitvoer te gaan brengen.

Intusschen had Sullivan de telefoon ter hand genomen en zich in

verbinding gesteld met Scotland Yard, teneinde het hoofdbureau van

politie op de hoogte te stellen van hetgeen hij had ontdekt.

Hij liet een fotograaf komen met al het noodige om een afdruk van de

vingervlek op het glimmend metaal van de brandkast te nemen, on daarop

wachtten allen met ongeduld de terugkomst van den agent af.

Ongeveer tien minuten nadat hij was heengegaan, keerde de agent weder

terug en ging in de houding voor Sullivan staan.

—Welnu? vroeg deze haastig.

—De patroon van de zaak zegt, dat er gisteravond inderdaad iemand in

zijn lokaal is geweest, die daar een paar uur gezeten heeft voor een

van de ramen, en die om even over tien uur eensklaps is opgestaan, een

goudstuk op de tafel heeft geworpen en toen overhaast is heengegaan.

Sullivan had met gebogen hoofd staan luisteren, en liet nu een kreet

van zegepraal hooren.

—Dat brengt ons reeds heel wat verder! zeide hij tevreden. Heb je

misschien gevraagd, hoe die man er uitzag? vroeg hij, zich weder tot

den agent wendende.

—Ja, mijnheer! Hij was nog heel jong, een jaar of twee-en-twintig, met

zwart haar en een bleek gezicht. Het was wat men noemt „een knappe

jongen”, met een glad geschoren gezicht, en keurig gekleed. De kellners

dachten dat hij op iemand zat te wachten, met wien hij zeker aanstonds

dacht te vertrekken, want hij had den geheelen avond zijn jas en hoed

aangehouden en scheen zeer zenuwachtig te zijn.

—Dat is onze man! riep Grim uit, terwijl zijn oogen schitterden. Nu zal

het niet zoo lang meer duren, of wij hebben hem! De kellners zullen wel

een nauwkeurig signalement van hem kunnen geven, en daar hij wel niet

te voet zal zijn hier gekomen, hebben wij ook nog houvast aan den

chauffeur, die hem heeft gereden.

Een oogenblik was het stil in het vertrek waar de doode lag.

Toen richtte Sullivan zich tot Brix met de vraag:

—Had uw meester veel geld in huis?

—Dat geloof ik haast wel, wamt hij betaalde dikwijls groote rekeningen

en dan kwam het geld altijd uit de brandkast, die nu is opengebroken.

—Was dat nog al bekend hier in huis?

—Wel, ik denk wel, dat alle bedienden dat wisten! zeide Brix zacht,

terwijl zijn stem eenigszins beefde.

—Wie was de bankier van den majoor?

—Caruthers.

—Dan zullen die wellicht de nummers weten van de bankbiljetten in de

kast, meende Dorrit.

—Wij kunnen er in ieder geval naar vragen, hernam Grim. En nu geloof ik

niet, dat wij hier nog veel te doen hebben, collega’s! Of hebt gij soms

nog iets ontdekt in den tijd dien ik in het dienstvertrek doorbracht?

—Een openstaand raam gelijkvloersch en voetstappen, mijn waarde Grim!

antwoordde Sullivan.

En nu deelde hij den detective mede wat hij zooeven ontdekt had.

—Wij kunnen niets anders doen dan op de komst van den fotograaf

wachten, maar ik wil u niet weerhouden, als gij soms elders het

onderzoek wilt voortzetten, waarde Grim! zeide Sullivan.

—Dat wilde ik u juist voorstellen! Ik ga eens naar het

wijnhuis—wellicht weet men mij daar wel iets meer mede te deelen

omtrent den jongen man, die daar als een kat voor het muizenhol op de

loer heeft gezeten!

En daarop nam Grim afscheid en ging zijns weegs.

Ongeveer twintig minuten later verscheen de gerechtsfotograaf, die

eenige opnamen maakte van de kamer en van den doode, zooals men hem

volgens de getuigenis van den bediende had gevonden, liggende midden in

het vertrek met uitgespreide armen.

Vervolgens nam hij den vingerafdruk op de brandkast zeer zorgvuldig

over door middel van een met roet gesmeerd stuk papier, waarop de

nerven van de vingerhuid zeer duidelijk uitkwamen en nam van dit papier

eenige opnamen, om deze zelfde bewerking nog eens te herhalen aan het

openstaande venster, waar Dorrit, die op eigen gelegenheid nog eens was

gaan kijken, aan de raampost eveneens den indruk van een hand had

gevonden, met behulp van haar vergrootglas.

Dit alles had bijna een vol uur in beslag genomen en het was bijna

twaalf uur toen alle politiebeambten het huis weder verlieten, waar nu

slechts een paar agenten overbleven, om de wacht bij het stoffelijk

overschot van den vermoorde te houden.

Den zelfden avond stonden de bladen vol van den moord op majoor Richard

Wigmore, en vooral de volksbladen hadden er een paar kolommen over,

doorspekt met tal van foto’s.

Want dit was ten minste weder eens een ouderwetsche moordzaak, niet een

ordinaire overval op den openbaren weg, waarvan bijna niemand meer

notitie nam, of een gewone diefstal, maar een geheimzinnig voorval,

waarvan niemand goed de ware toedracht begreep—het publiek evenmin als

de politie!

Ja—het was een geheimzinnige zaak, want er hadden zich in den loop van

den dag nog enkele dingen voorgedaan, welke wel in staat waren,

Scotland Yard in opschudding te brengen.

Het was om te beginnen onomstootelijk vastgesteld, dat majoor Wigmore

dien avond zeer stellig niet in damesgezelschap was geweest, en dus kon

hij de haarspeld die op het berenvel in de kamer van den moord was

gevonden, onmogelijk van buiten hebben medegebracht.

En evenzeer was het, dat er noch dien dag, noch geruimen tijd te voren

dames in het huis aan de Ormond Street waren verschenen.

Er bleef dus alleen de mogelijkheid, dat er een vrouw in gezelschap van

de inbrekers was geweest!

Dit nu was een unicum in de geschiedenis der criminaliteit en de

detectives hadden moeite hieraan te gelooven.

En toch was een andere mogelijkheid wel geheel buitengesloten!

Dan moest worden opgehelderd het bezoek aan den majoor.

Want uit het nader verhoor was thans gebleken, dat het late bezoek

minstens een half uur moest hebben geduurd!

Immers had Brix zijn getuigenis nader aangevuld met de verklaring, dat

hij om kwart voor elven, toen hij langs de kamer liep waar de bezoeker

en zijn meester zich ophielden, licht onder de reet van de deur had

zien schemeren, en ook stemmen had gehoord.

En nu was het wel zeer ongewoon, dat een misdadiger, die een inbraak

komt voorbereiden door den bewoner van het huis overhoop te schieten,

eerst een lang gesprek met hem houdt!

Zoo hadden zich al vrij spoedig twee kampen op Scotland Yard

gevormd—een, welke de stelling voorstond, dat de late bezoeker tot de

inbrekers had behoord, en den aanslag had voorbereid, en een, welke de

meening was toegedaan, dat deze bezoeker niets uitstaande had gehad met

de inbrekers, die later kwamen, en dat louter toeval hen in het zelfde

huis bijeen had gebracht.

Het moet gezegd, dat deze laatste lezing slechts weinig aanhangers

vond, en eigenlijk waren in het sombere gebouw in Downing Street

Sullivan en zijn leerlinge Dorrit Evans de eenigen, die deze opvatting

huldigden.

Maar buiten het gebouw waren er enkele personen, die het in dit geval

met hen eens waren.

En onder dezen bevond zich John Raffles, de gentleman-inbreker!

Raffles had de avondbladen, en den volgenden dag de ochtendbladen met

groote aandacht gelezen en aanstonds had hij groot belang in deze zaak

gesteld, juist omdat er zich eenige elementen in voordeden, welke haar

vreemd en geheimzinnig maakten.

Lord William Aberdeen—dit was de naam, waaronder de Groote Onbekende

reeds eenige jaren te Londen leefde, in een fraai huis aan de Regent

Street—zat voor zijn groot schrijfbureau in zijn werkkamer, toen er op

de deur geklopt werd, en het hoofd van een jongeman om de deurreet kwam

gluren.

Het was Charles Brand, de trouwe vriend van Raffles, en in diens

hoedanigheid als Lord Aberdeen zijn secretaris.

—Heb je het druk? vroeg de jonge man, terwijl hij binnen trad.

—Zeer druk Charly—ik denk! antwoordde Raffles, terwijl zijn groote

grijze oogen door het groote raam naar buiten dwaalden, naar den vrij

grooten tuin achter het huis, waar de ontbladerde boomen troosteloos

schenen te druilen in het vale licht van een triestigen Novemberdag.

—En mag men vragen, waarover je denkt? vroeg Charly, terwijl hij zich

in een gemakkelijken stoel liet vallen, en zijn heldere blauwe oogen op

het krachtig gelaat met de scherpe trekken tegenover zich vestigde.

—O ja—het is geen geheim! Ik dacht over de zaak in de Ormond Street!

—De moord op majoor Wigmore?

—Juist! Vind je het geen belangwekkende zaak?

—Ja, hoogst belangwekkend! Maar ik geloof toch niet, dat het lang zal

duren voor de politie de schuldigen op het spoor is gekomen!

—Waarom?

—Wel—daar is om te beginnen de vingerafdruk! Als het beroepsinbrekers

geweest zijn—en daar wijst immers alles op!—dan zal die indruk zich ook

wel bevinden in het afdrukregister op Scotland Yard, en van dat

oogenblik af heeft de recherche niets anders te doen dan den kerel op

te sporen, wiens naam er boven staat!

—Natuurlijk aangenomen, dat de politie van dien man reeds een

vingerafdruk in haar bezit heeft, zeide Raffles, terwijl hij het blad

opvouwde, waarin hij zoo juist had zitten lezen.

—Dat spreekt vanzelf! Wat denk je van die haarspeld?

—Die haarspeld is de hoofdzaak! antwoordde Raffles bedaard.

—Geloof je? vroeg Charly nieuwsgierig.

Lord Lister No. 0308: Het geheim van Waverghem · 第 1 / 4 段