zacht:
„Die derde deur aan uw linkerhand.”
Raffles wenkte hem, dat hij kon heengaan en sloop op zijn teenen over
den looper, die de gang bedekte.
Hij bracht zijn oor voor het sleutelgat aan de derde deur en mompelde
voor zich heen:
„Ik was er al bang voor, de jonge dame zit al met haar hoed op, en
schrijft of haar leven er van af hangt. Een telegram waarschijnlijk of
een kort briefje, dat de heeren Oostenrijkers moet waarschuwen, dat er
een vuiltje aan de lucht is gekomen. Nu, wij zullen haar kalm laten
doorschrijven—misschien heeft zij de knippen wel op de deur gedaan en
dan krijgen wij een heele scène!”
Raffles bleek goed te hebben geraden, want een paar minuten later
hoorde zijn scherp oor het terugschuiven van grendels, en daarop werd
de deur op een kier geopend.
Een kleine hand lag op den deurknop en nu werd die hand gevangen in een
veel grootere hand—en die niet meer los liet.
Irma slaakte een gedempten kreet en wilde de deur weder sluiten.
Maar het was te laat ..... Raffles had de deur met den voet verder
opengedaan, en trok nu de spionne naar buiten, op de gang.
Zij hield de vrije hand op den rug en keek Raffles met van haat en
woede fonkelende oogen aan.
„Wat moet dat beteekenen, mijnheer?” vroeg zij op sissenden toon. „Wij
zijt gij, en wat wilt gij van mij?”
„Dat zult gij spoedig genoeg vernemen, schoone jonge dame,” antwoordde
Raffles spottend. „Begin bijvoorbeeld maar eens, met mij het briefje te
geven, dat gij daar achter uw rug verborgen houdt.”
Met een bliksemsnelle beweging had Irma het stukje papier naar den mond
gebracht, maar Raffles was toch nog een klein weinigje vlugger en had
haar het papier ontrukt voor zij het kon opkauwen.
„Een oude truc—die wel eens slaagt, als men haar tenminste met de
noodige snelheid meent ten uitvoer te brengen,” zeide Raffles
glimlachend, terwijl hij het briefje in den zak liet glijden. „En wees
nu zoo goed, mede te gaan, want wij zullen wel het een of ander te
bespreken hebben!”
En met zijn hand stevig om den pols van de gewaande gouvernante
geklemd, daalde Raffles snel de trappen weder af, en trad het vertrek
binnen, waar de gezant hem in spanning wachtte.
Zwijgend wees hij Irma een stoel en zwijgend gaf hij het papiertje aan
den gezant, die het vlug doorlas en toen uitriep:
„Gij hadt wel gelijk, mijnheer. Die mooie feeks had haar medeplichtigen
willen waarschuwen, dat er misschien onweer aan de lucht was. Nu, wij
zullen haar spoedig bewijzen, dat zij goed gezien heeft. Wij zullen
haar nu toch dadelijk in arrest laten nemen mijnheer?”
„Zonder twijfel. Dan zullen we hedennacht de anderen zelf wel binnen
laten.”
„Maar in ieder geval wil ik het document aanstond naar een veiliger
plaats laten overbrengen,” riep de gezant uit. „Ik ben niet gerust,
voor het mijn huis uit is.”
„Gij zijt natuurlijk wel overtuigd, dat het stuk nog altijd op dezelfde
plaats is?” vroeg Raffles op zijn gewonen rustigen toon.
„Twee uur geleden heb ik mij daarvan nog overtuigd, mijnheer!”
antwoordde de gezant. „Maar uw vraag heeft mij verontrust .....”
Hij trad haastig op de brandkast toe, haalde een bos sleutels uit zijn
zak, opende de deur .....
Hij nam er de groote portefeuille uit, welke Raffles al eens meer had
gezien, en opende ze.
En bijna op hetzelfde oogenblik gaf hij een luiden kreet, en bleef met
een waanzinnige uitdrukking stokstijf naar de portefeuille zien.
„Wat is er, Excellentie?” vroeg Raffles verschrikt, terwijl hij op den
gezant toetrad.
Letchitsky liet een dof gekreun hooren en viel op een stoel neer.
„Het verdrag is verdwenen!” klonk het steunend van zijn bevende lippen.
HOOFDSTUK VI.
WIE IS DE DADER?
Raffles slaakte een kreet van verbazing en woede.
Een oogenblik vergat hij de tegenwoordigheid van de spionne en Irma
wilde dadelijk van de gelegenheid gebruik maken om te vluchten.
Zij stond op en vloog naar de deur.
Maar Raffles had spoedig zijn tegenwoordigheid van geest terug
gekregen.
Met een paar sprongen was hij bij de deur, en juist toen de spionne
haar openrukte, greep hij haar tamelijk onzacht bij den arm en trok
haar terug.
„Blijf daar zitten en beweeg u niet, anders zou het uw berouwen,” zeide
hij op bevelenden toon.
Hij sloot de deur met den sleutel en liet dien in zijn zak glijden.
Daarop snelde hij naar den gezant, die geheel verpletterd scheen te
zijn door deze vreeselijke ontdekking, en zeide op dringenden toon:
„Ik smeek uwe Excellentie, kalm te blijven, en rustig alle
mogelijkheden te overdenken. Misschien kunnen wij de daders nog wel
ontdekken, voor het te laat is!”
„Zij, zij en niemand anders kan het gedaan hebben,” riep de gezant op
wanhopigen toon, terwijl hij opsprong en met bevende hand op de vrouw
wees, die met bleek gelaat en samengetrokken wenkbrauwen in een hoek
zat.
„Neen, Excellentie—dat is onmogelijk,” antwoordde Raffles. „Ik ben te
zeker van mijn zaak. Laat mij het briefje eens lezen.”
Hij nam het papiertje van het tafelblad, en las de weinig regels vlug
door.
„Gij ziet het!” riep hij uit. „Zij waarschuwt haar medeplichtigen, de
onderneming nog wat uit te stellen, tot de lucht weder zuiver is. Dat
zou geen zin hebben gehad, indien zij het document had gestolen. Maar
om u dienaangaande zekerheid te verschaffen, kunnen wij dadelijk haar
kamer laten onderzoeken. Zij heeft immers het huis sedert vanmorgen
niet verlaten?”
„Dat weet ik niet,” antwoordde de gezant hijgend. „Dat zoudt gij den
butler moeten vragen of mijn vrouw.”
„Later, Uwe Excellentie. Als het stuk werkelijk in haar koffer zou
zitten, dan zullen wij het daar wel vinden—maar ik voor mij geloof dit
geen oogenblik. Neen, het stuk moet door iemand anders zijn
gestolen—maar door wien?”
Hij trad opnieuw op Letchitsky toe en vroeg:
„Weet gij hoe laat het precies was, toen gij het stuk voor het laatst
in de portefeuille hebt gezien?”
„Het kan niet later dan negen uur geweest zijn.”
„Waart gij alleen, toen gij u overtuigdet, of het stuk er nog was?”
„Ja.”
„Waar was uw secretaris dan?”
„Die komt gewoonlijk pas om half tien—zoo ook vanmorgen.”
„Zijt gij voortdurend hier in het vertrek gebleven sedert dien?”
„Neen. Ik ben een paar maal in de kamer van mijn secretaris geweest,
die hiernaast zit, en omstreeks kwart over negenen ben ik aan de
telefoon geroepen.”
„Waarvoor?”
„O, het had niets te beteekenen—een afspraak met een vriend.”
„Hoe heet die vriend?”
„Stephen Mellow, een der beambte van het Ministerie van Schoone
Kunsten. Maar acht gij het noodig, mijnheer, mij dit alles te vragen?”
„Indien ik dit niet deed, zou ik u die vragen niet stellen,
Excellentie,” antwoordde de Raffles kortaf.
Met een paar stappen was hij bij de telefoon en had zich in verbinding
gesteld met het genoemde Ministerie.
Hij sprak eenige oogenblikken, legde toen het toestel weder weg en
zeide op ernstigen toon:
„Gij zijt in het geheel niet opgebeld door uw vriend Mellow,
Excellentie! Hij kon dat niet doen, want hij is ongesteld, en op raad
van zijn dokter gisteren naar een badplaats vertrokken .....”
„Dus ..... dan ..... dan ben ik bedrogen,” stiet de gezant op heeschen
toon uit. „Wie heeft mij dan gesproken?”
„Dat is natuurlijk zeer moeilijk uit te maken, Excellentie. Hebt gij
die stem misschien herkend?”
„Het leek mij de stem van Mellow, alleen en weinig omfloerst, als van
iemand die verkouden is.”
„Hebt gij hedenmorgen bezoek gehad?”
„Alleen van Cedric Lonsdale.”
„Waar heb gij hem ontvangen?”
„Hier in dit vertrek.”
„Zijt gij steeds in elkanders gezelschap gebleven?”
„Op enkele oogenblikken na—dat was, toen ik mijn secretaris iets moest
vragen.”
„In verband zeker met de komst van Lonsdale?”
„Ja, het betrof een dienstzaak, Lonsdale is gezantschapsattaché.”
„Dat weet ik, had zijn komst een gewichtige reden?”
„In het geheel niet. Wat hij wilde weten, had hij evengoed schriftelijk
kunnen vragen.”
„Hoe lang duurde uw gesprek met den secretaris?”
„Hoogstens vijftien seconden. Misschien een halve minuut, maar zeker
niet langer.”
„Was de deur van uw brandkast gesloten, toen gij het bezoek van
Lonsdale ontvingt?”
De gezant greep zich naar het hoofd en stamelde:
„Ik ..... ik weet het niet zeker. Het is wel mogelijk, dat de sleutels
er op staken. Ik heb mij overwerkt in den laatsten tijd en ben een
weinig vergeetachtig geworden.”
„Gij zijt dus bij uw secretaris geweest, en keerdet toen terug in het
vertrek waar Lonsdale u wachtte. Hebt gij toen volstrekt niets
bijzonders aan hem opgemerkt?”
In plaats van te antwoorden, liet de gezant zich met het hoofd voorover
op de tafel vallen, als overweldigd door wanhoop.
„Welnu, Excellentie?” drong Raffles aan.
„Ik kan u op die vraag geen antwoord geven, mijnheer!” riep Letchitsky
uit. „Toen ik weder binnentrad—was Lonsdale er niet meer”
„Wat?” riep Raffles in de hoogste verbazing. „Hij had dus niet eens
afgewacht, wat gij hem zoudt antwoorden op zijn vraag?”
„Neen, ik zeg u, dat hij was heengegaan. O, het is vreeselijk. En ik
had zoo vurig gehoopt, dat mijn dochter ..... maar dat zijn dingen,
welke met de zaak zelve niets te maken hebben,” voegde hij er haastig
aan toe.
„Ik denk er ook niet aan in uw familieomstandigheden door te dringen,
Excellentie,” hernam Raffles. „Maar ik zou u nog gaarne enkele vragen
willen stellen, welker beantwoording van groot gewicht kunnen zijn.”
„Ga uw gang, mijnheer.”
„Hebt gij u in het geheel niet verwonderd, dat Lonsdale zoo eensklaps
verdwenen was?”
„Natuurlijk wel, maar ik had zeer veel te doen en daarom ging het mij
al spoedig door het hoofd.”
„Kunt gij u herinneren, of gij de sleutels op de kast vondt, toen hij
reeds vertrokken was?”
„Ik weet alleen zeker dat ik ze om tien uur uit mijn zak moest halen,
toen ik iets in de kast te zoeken had. De portefeuille lag toen juist
op de plek, waar ik haar den dag tevoren had neergelegd.”
„Weet uw secretaris iets van den inhoud van het Verdrag?”
„Neen, hij weet alleen, dat het bestaat.”
„Zou ik hem even een paar vragen mogen stellen?”
„Zeker! Doe alles wat ge denkt, dat geschieden moet. Dat stuk moet tot
iederen prijs aan de handen van de spionnen worden ontrukt.”
Raffles was reeds op de tusschendeur toegetreden, die met groen laken
was bekleed, en opende ze.
„Mijnheer Limanof!” zeide hij. „Zoudt ge zoo goed willen zijn een
oogenblik hier te komen?”
Een paar tellen later trad de secretaris binnen, een breed gebouwd,
krachtig gespierd man met een intelligent gelaat, dat duidelijk zijn
Zuid-Russische afkomst verried.
Hij bleef stilstaan en keek verbaasd in het rond, tot zijn blikken
gevestigd bleven op de vrouw in den hoek.
„Mijnheer Limanof,” begon Raffles. „Zijne Excellentie heeft mij verlof
gegeven, u een paar vragen te stellen. Ik ben particulier detective. Er
heeft hier een zeer ernstig misdrijf plaats gegrepen—het Verdrag
tusschen Engeland en de Oekraïne is hedenmorgen uit deze brandkast
gestolen!”
De secretaris verschrok hevig en riep uit:
„Mijn God—hoe is dat mogelijk?”
„Dat willen wij juist trachten te onderzoeken,” antwoordde Raffles
kalm. „Zeg mij eens—hoe laat zijt gij hedenochtend gekomen?”
„Omstreeks kwart over negenen. Ik was vroeg, want wij hadden het
bijzonder druk.”
„Zijne Excellentie is een paar malen bij u geweest om u iets te vragen,
nietwaar?”
„Ja, twee keeren.”
„Hebt gij uw vertrek soms verlaten, sedert gij gekomen zijt?”
„Geen enkele maal!”
„Gij waart het zeker, die de telefonische boodschap voor Zijne
Excellentie hebt opgenomen?”
„Welke bedoelt gij, mijnheer? Ik heb vanmorgen minstens tien
telefoongesprekken moeten voeren uit naam van Zijne Excellentie.”
„Ik bedoel de boodschap van mijnheer Mellow.”
„Daar weet ik niets van,” antwoordde de secretaris verwonderd.
Raffles wierp den gezant een veelzeggenden blik toe, en hernam:
„Dan hebt gij dus het vertrek moeten verlaten, om door de telefoon met
den persoon te spreken, die u had opgebeld!”
„Dat is ook zoo, mijnheer!” zeide Letchitsky. „Wij hebben natuurlijk
een afzonderlijke telefoon voor onze particuliere gesprekken.”
„Wie kwam u zeggen, dat er iemand voor u aan het toestel was?”
„Roadman.”
„Waar hangt het toestel ergens?”
„Het toestel bevindt zich in de vestibule. Daar is natuurlijk altijd
wel een van de bedienden, die dan even luistert en ons komt
waarschuwen. Het gebeurt echter zelden, dat men mij op die wijze
opbelt.”
„Hoe lang denkt gij dat gij zijt weggeweest.”
„Een minuut of vijf.”
„En gij zegt, dat het omstreeks kwart over negenen gebeurde?”
„Ja, het kan onmogelijk veel later zijn geweest.”
„Ik zou nu gaarne den butler eenige vragen willen stellen,
Excellentie.”
Zonder iets te zeggen, ging de gezant naar zijn schrijftafel en drukte
tweemaal op de schel.
Een oogenblik later trad Roadman binnen, die verbaasd en verlegen bleef
staan toen hij de zwijgende groep ontwaarde, de gouvernante met bleek
gelaat in een hoek.
„Roadman,” begon de gezant, „antwoordt dezen heer naar waarheid en
duidelijk op alle vragen, die hij je zal stellen.”
„Om u te dienen, Excellentie,” zeide de butler.
„Hoe laat was het ongeveer,” begon Raffles, zich tot den butler
wendend, „toen gij hedenmorgen de telefoon in de vestibule hoordet
overgaan, en de boodschap voor zijn Excellentie aannaamt?”
„Het zal een uur of negen geweest zijn.”
„Wie was er aan het toestel?”
„Mijnheer Mellow.”
„Hebt gij zijn stem herkend?”
„Hij sprak zacht en een weinig schor, ik meende dat hij heesch was.”
„Gij zijt toen dadelijk Zijne Excellentie gaan halen?”
„Ja. Ik wist, dat mijn meester het zeer druk had, en daarom vroeg ik,
of ik de boodschap niet kon aannemen, maar mijnheer Mellow zeide dat
het een zaak van groot gewicht betrof.”
„Kan men met die telefoon ook hier in huis spreken?”
„Zeker! Dan heeft men niets anders te doen, dan even om te schakelen.
Er zijn in bijna alle groote vertrekken telefoontoestellen, in het
boudoir van Miss Sonja, in de kamer van mevrouw, in de biljartzaal, en
in nog andere kamers. Zij dienen om mij overal in het huis dadelijk te
kunnen bereiken, zonder mij eerst binnen te roepen.”
„Dus—men heeft bijvoorbeeld die boodschap voor Zijne Excellentie hier
in huis kunnen geven?”
„Zeker— —maar— — —”
„Geef alleen maar antwoord op mijn vragen, goede vriend,” hernam
Raffles. „Hoe lang denkt gij dat Zijne Excellentie aan het toestel is
geweest?”
„Ik vermoed een minuut of vijf.”
„Ik dank u. Ga nog niet heen—misschien heb ik nog wat te vragen.”
Raffles wendde zich nu opnieuw tot Limanof en vroeg:
„Kunt gij u wellicht herinneren, of gij omstreeks kwart over negenen,
dus op het tijdstip, waarop Zijne Excellentie zijn eigen vertrek had
verlaten, hier eenig gerucht hebt gehoord?”
De secretaris dacht even na, en antwoordde toen haastig en opgewonden:
„Ik meen zeker te weten, dat ik, even nadat ik was gekomen, met
sleutels heb hooren rammelen. Het was heel zacht, en ik dacht
natuurlijk niet anders of Zijne Excellentie opende zijn brandkast of
zijn schrijfbureau.”
„En ik weet nu heel zeker, dat ik de kast heb geopend, voor ik u hoorde
binnen komen, en dat ik mijn sleutels niet meer heb aangeraakt, voor ik
ze omstreeks kwart voor tienen van mijn bureau nam, om ze in mijn zak
te steken,” riep de gezant uit, terwijl hij zich met zijn zakdoek over
het voorhoofd wischte.
„Dus dan hadt gij de sleutels niet bij u, toen gij naar beneden gingt,
om met Mellow te spreken?” vroeg Raffles levendig.
„Neen. Ik weet het nu zeker. Ik had ze uit de kast genomen, en ze op
het blad van mijn schrijfbureau gelegd,” antwoordde de gezant.
„Nu, dan lijkt me de zaak tamelijk eenvoudig,” hernam Raffles op
ernstigen toon.
„Zeer eenvoudig,” hernam de gezant op bitteren toon. „Lonsdale is de
schuldige. Met hulp van een medeplichtige heeft hij mij uit mijn kamer
gelokt, en toen het Verdrag gestolen!”
HOOFDSTUK VII.
OP ONDERZOEK UIT.
Een oogenblik heerschte er een drukkend stilzwijgen in het vertrek.
Raffles was de eerste, die het weder verbrak.
„Ik moet erkennen, dat er een zware verdenking op hem moet rusten,
Excellentie,” zeide hij. „Maar, als hij het werkelijk gedaan heeft, en
wel met de hulp van iemand anders, dan moet hij ook hier in dit vertrek
zijn geweest op het oogenblik dat gij aan de telefoon werd geroepen. Is
dat zoo?”
„Neen, hij kwam later. Maar dat beteekent niets. De man die mij aan de
telefoon riep, kan wel een weinig te vroeg zijn geweest, en Lonsdale
heeft toen zijn kans waargenomen, toen ik mij naar het vertrek van mijn
secretaris begaf.”
„Dat is natuurlijk niet uitgesloten, maar wie was dan zijn
medeplichtige hier in huis?”
„Wie kan dat zeggen?” riep de gezant uit. „Misschien wel een van de
bedienden.”
„Kunt gij een reden bedenken waarom Lonsdale het Verdrag zou hebben
gestolen?”
„Een reden? Waarom steelt men dergelijke stukken? Om er een paar
millioen voor te vragen aan den staat, die er het meeste belang bij
heeft, kennis te nemen van den inhoud. En bovendien deed hij het
misschien om zich te wreken, omdat ik hem niet dadelijk de hand mijner
dochter schonk!”
„Nu, dat laatste lijkt mij niet erg waarschijnlijk” hernam Raffles.
„Maar zeg mij eens—hoe kon Lonsdale weten, dat het Verdrag bestond?”
„Dat is meer dan ik u zeggen kan,” antwoordde de gezant. „Maar dat
zullen wij uit zijn eigen mond wel hooren, als hij eenmaal gearresteerd
is. Tenminste als het daartoe al niet te laat is. Laten wij geen tijd
verliezen mijnheer, maar dadelijk alles in het werk stellen wat er
noodig is, om hem te achterhalen—hem en vooral het document.”
„Natuurlijk, Excellentie—ik moet bekennen, al is het tegen mijn zin,
dat alle aanwijzingen tegen den jongen man zijn—de onbetekenende reden
van zijn bezoek, het vroegere uur daarvan, zijn plotselinge
verdwijning, het gerammel van uw sleutel. En ik moet u zeggen—ik ken
den jongen Lonsdale een weinig en nooit zou ik hem tot zoo iets
dergelijks in staat hebben geacht. Hij heeft in de laatste jaren van
den oorlog dapper meegestreden, hij is niet onbemiddeld, hij had een
prachtige toekomst voor zich en tenslotte had hij uw dochter lief. Het
wil er nog niet goed bij mij in, dat de jonge man aan dat alles met een
enkelen slag een einde zou hebben gemaakt.”
„Het komt mij zelf raadselachtig voor, mijnheer,” mompelde Letchitsky,
„en toch is het de eenige oplossing. Er is niemand anders geweest—hij
moet het dus wel gedaan hebben!”
„Is er inderdaad niemand anders geweest?” vroeg Raffles, terwijl hij
zich opnieuw tot den butler wendde.
„Voor zoover ik weet, alleen mijnheer Lonsdale,” antwoordde Roadman.
„Doet gij steeds de deur open?”
„Neen, dat is het werk van den huisknecht.”
„Wees zoo goed, dien man aanstonds eens hier te roepen!”
„Maar als Dickson nu zelf in het complot is geweest?” riep de gezant
met gesmoorde stem.
„Als dat het geval is, dan zullen wij hem wel niet meer in huis
aantreffen,” zeide Raffles schouderophalend. „Hij zou zich dan wel
gehaast hebben, eveneens de vlucht te nemen.”
Hij liet zijn blikken weder door het venster dwalen en vroeg op een
tweede deur wijzend:
„Waar voert die deur heen?”
„Naar de Archiefkamer, mijnheer.”
„Ik zou die gaarne willen bezichtigen,” hernam Raffles. „Maar eerst
zullen wij die vrouw daarginds even onschadelijk maken!”
Raffles stak de hand in den zak, trad snel op haar toe—er klonk een
geluid van rammelend metaal en het volgend oogenblik waren de polsen
van de spionne in de stalen boeien gevat.
„Let goed op haar,” zoo wendde hij zich tot den secretaris, die nog
altijd niet bekomen was van den schrik.
„O, gij kunt u op mij verlaten!” bromde Limanof tusschen de tanden.
Raffles wendde zich nu naar de deur van het zijvertrek en trad er
binnen.
Langs de vier wanden stonden loketkasten en in het midden van het
vertrek bevond zich een groote tafel, bedekt met portefeuilles en
verzamelmappen.
Aan den wand hing een telefoontoestel.
Raffles trad er op toe en zag dat het eenige stopcontacten had,
waardoor men aansluiting bij de huistelefoon kon verkrijgen.
Een nummerbord duidde de verschillende vertrekken aan.
„Die deur leidt zeker naar de gang?” zoo wendde hij zich tot Roadman,
die hem was gevolgd.
„Ja mijnheer, naar een zijgang tenminste,” antwoordde de butler.
„Is die deur gesloten?”
„Zelden, alleen maar als hier iets belangrijks moet geschieden. Dan
heeft Zijne Excellentie natuurlijk liever niet, dat hij en zijn
secretaris worden lastig gevallen.”
Raffles was reeds op de deur toegetreden en had haar geopend.
„Vandaag was de deur dan in ieder geval niet gesloten?” vroeg hij den
gezant, die nu ook was binnengetreden.
„Neen, mijnheer, ik heb haar zelf geopend, dadelijk, nadat ik mijn
werkvertrek was binnengegaan.”
Raffles wierp een blik in de gang, die een eind verder een rechten hoek
maakte, waar zij uitkwam op de hoofdgang en wendde toen het hoofd naar
de andere zijde.
„Ik zie daar het begin van een smalle trap,” zeide hij. „Waar leidt die
heen?”
„Naar de achterzijde van het huis, mijnheer, het is een diensttrap, en
zij wordt alleen door het personeel gebruikt.”
„Wij zullen het eens onderzoeken,” zeide Raffles.
Hij liep haastig op de trap toe, daalde haar af en bereikte
gelijkvloersch een kleine, met stoepsteenen bevloerde vestibule, die
met een glazen deur op den tuin uitkwam.
Raffles draaide aan den knop van de deur—zij ging aanstonds open.
Hij stond in gedachten even stil en zeide toen:
„Des nachts is deze deur natuurlijk gesloten?”
„Ja, en dan komt er het stevige luik voor, dat gij daar in den hoek
ziet staan,” antwoordde Roadman op een luik van plaatijzer wijzend, dat
aan sterke haken aan de deur kon worden gehangen.
„Wie opent die deur ’s morgens?”
„Dat doe ik altijd mijnheer.”
„Gij hebt er dus een sleutel van?”
„Ik heb er een en natuurlijk Mevrouw Letchitsky.”
„Hoe laat gebeurt dat meestal?”
„Nooit later dan acht uur.”
Raffles was naar buiten getreden en keek aandachtig om zich heen,
terwijl de gezant vol spanning was blijven staan.
Maar eensklaps bukte zich Raffles, na een paar stappen terzijde te
hebben gedaan en raapte iets op, hetwelk hij nauwkeurig bekeek.
„Rookt mijnheer Lonsdale sigaretten?” vroeg hij toen.
„Ja,” antwoordde de gezant.
„Kunt gij mij ook zeggen welk merk?”
„Dat heeft Sonja mij wel eens verteld, hij rookt nimmer anders dan
Egyptische sigaretten. Maar waarom vraagt gij mij dat?”
„Omdat ik hier een eindje sigaret vind, een paar centimeter lang, dat
in het gras is geworpen, en zeker slechts weinige uren geleden, want
het is volkomen droog en het heeft gisteravond tot bijna twee uur in
den nacht hard geregend. De zon heeft echter tijd gehad om het gras te
doen drogen, en daarom kan dat eindje sigaret hier niet langer dan
eenige uren liggen.”
„Die redeneering is volkomen juist, mijnheer!” riep de gezant
opgewonden uit.
„Dit is echter geen Egyptische sigaret, Excellentie. Er zijn nog een
paar gouden lettertjes op zichtbaar, namelijk ...sma. Ik vermoed dus,
dat deze sigaret een „Clysma” is geweest, dat wil zeggen, een sigaret
van Inlandsch maaksel”
„Die zou mijnheer Lonsdale zeker nooit gerookt hebben!” riep Roadman
uit. „Dat weet ik het beste, als ik op partijen sigaretten aan de
heeren moest presenteeren!”
Raffles had intusschen het stukje sigaret zorgvuldig in een blaadje
papier gewikkeld en het vervolgens in zijn portefeuille geborgen.
Hij liep nu langzaam het grintpad langs, dat van deze tuindeur af zich
door den grooten tuin kronkelde en ook langs de kleine tuindeur liep,
waar Charly een paar dagen tevoren wacht had gehouden.
Roadman en de gezant waren hem op de hielen gevolgd, zonder een woord
te spreken.
„Deze deur is natuurlijk steeds gesloten?” vroeg Raffles op gedempten
toon, terwijl hij bij den muur stil stond en op de kleine, stevige deur
wees.
„Ik kan mij niet herinneren, mijnheer, dat die deur ooit is open
geweest,” antwoordde Roadman, „en ik ben toch geruimen tijd in dienst
van Zijne Excellentie.”
„Waar komen dan de bedienden van de winkeliers hun bestellingen
afgeven?”
„Aan den anderen kant van den tuin, aan het groote hek.”
„Zou daar iemand kunnen passeeren en zich naar de kleine deur aan den
achterkant van het huis begeven, zonder dat het werd opgemerkt?”