„Dat is geheel onmogelijk mijnheer, want daarvoor zou hij het hek

moeten passeeren en vervolgens langs den geheelen achtergevel van het

huis loopen, langs het bediendenvertrek met zijn drie vensters, de

keuken, die er evenveel heeft en de bijkeuken. En daar is natuurlijk

altijd wel iemand aanwezig in een van die drie vertrekken.”

Raffles greep de kruk van de deur—en hij kon haar met het grootste

gemak openen.

De gezant slaakte een kreet van verwondering en schrik en Roadman stond

met open mond toe te kijken, maar Raffles zeide glimlachend:

„Zooals gij ziet is deze deur van haar gewoonte afgeweken, zij is

open!”

„Maar hoe komt dat?” riep Roadman verbaasd uit.

„De oorzaak ligt niet diep, goede vriend, iemand heeft den sleutel in

het slot omgedraaid,” antwoordde Raffles. „Zie maar, daar zijn nog

sporen van olie te zien aan het roestige slot. Het is nu zoo klaar als

de dag. De man, die hier vanmorgen kwam, met zijn Clysma in den mond,

opende de deur met een valschen sleutel, liep snel langs het tuinpad,

dat wij zooeven zijn afgekomen en dat door struikgewas is omgeven,

bereikte ongezien de achterdeur, wierp daar zijn half opgerookte

sigaret in het gras, trad binnen, ging vlug de diensttrap op, schreed

door de zijgang en ging de archiefkamer binnen.”

„Maar dan moet het iemand geweest zijn, die zeer goed op de hoogte was

van de inrichting van mijn huis!” riep Letchitsky uit.

„Niemand belet ons, om dat aan te nemen, Excellentie,” zeide Raffles

bedaard. „In de archiefkamer schakelde hij het telefoontoestel om en

liet u met veranderde stem aan het toestel komen. Zoodra hij u had

hooren vertrekken om naar de vestibule te gaan, trad hij binnen en

maakte zich van het document meester. Het spreekt dus vanzelf, dat hij

het bestaan er van moet hebben gekend. Zoodra hij het in zijn bezit

had, ging hij langs denzelfden weg weder terug.”

„Ja, zoo moet het gegaan zijn,” riep de gezant opgewonden uit. „Maar

wie was die man?”

„Dat is het eenige wat er valt op te lossen, Excellentie—ik erken, dat

het tevens het moeilijkste is,” zeide Raffles glimlachend. „Wij hebben

echter eenige punten van aanknooping—onze man rookt Clysma sigaretten,

hij is een goede bekende hier in huis, hij moet relaties hebben in de

diplomatieke wereld—en in ieder geval moet hij een man zijn, die voor

geen gevaren terugdeinst.”

„Maar als Lonsdale het niet deed, waarom vertrok hij dan toch zoo

plotseling!” riep de gezant uit.

„Dat weet ik niet Excellentie—maar wij doen het best, als wij het hem

zelf vragen. Laat ons maar weder het huis binnengaan, dan kunnen wij

hem opbellen, want het zou mij niets verwonderen als hij thuis was.”

De drie mannen aanvaardden den terugweg weder en in het werkvertrek van

den gezant, waar Irma nog altijd bleek en zwijgend in haar hoek zat,

door den secretaris bewaakt, nam Letchitsky het telefoontoestel ter

hand en liet zich in verbinding brengen met Cedric Lonsdale.

Maar niet de jonge man zelf antwoordde hem, het was zijn huisknecht,

die aan toestel was en die een mededeeling deed, niet geschikt om de

onschuld van den jongen man te helpen bevestigen.

Cedric Lonsdale was dien morgen omstreeks half negen het huis

uitgegaan, en hij was nog niet teruggekeerd, ofschoon hij gezegd had,

dat hij bepaald thuis zou komen lunchen. Hij had zelfs een afspraak

gehad met een vriend, dien hij had uitgenoodigd, maar deze was

onverrichterzake weder vertrokken, na bijna een half uur te hebben

gewacht.

HOOFDSTUK VIII.

EEN ONVERWACHTE OPLOSSING.

Dat was zeker een noodlottige omstandigheid, die niet in het voordeel

sprak van Lonsdale.

Ook Raffles moest dit toegeven.

Waarom had de jonge man niet aan zijn afspraak gevolg gegeven?

Op zichzelf beschouwd, was dit misschien van weinig beteekenis, maar

als men het in verband bracht met zijn plotselinge verdwijning uit het

vertrek van den gezant, dan had het wel degelijk iets te beteekenen.

Raffles dacht ingespannen na en riep plotseling uit:

„Zoudt gij mij willen toestaan, Excellentie, mejuffrouw uw dochter

eenige vragen te stellen, desnoods alleen in uw tegenwoordigheid?”

„Wanneer gij dat volstrekt noodzakelijk acht,” antwoordde de gezant,

„dan zal ik haar laten roepen. Maar ik kan mij niet goed voorstellen,

wat zij met deze zaak uitstaande kan hebben”

„Met de zaak zelve niets, Excellentie, maar zij heeft Lonsdale lief,”

liet hij er op zachten toon op volgen, „zij weet misschien meer van

hem, dan wij op dit oogenblik, misschien voldoende, om hem te kunnen

redden.”

„Wees dan zoo goed, mij even te volgen, mijnheer.”

De gezant en Raffles verlieten het vertrek en begaven zich haastig door

een aantal gangen naar een fraai boudoir, waar Sonja juist gereed stond

uit te gaan, want zij was voor den spiegel bezig haar hoed op te

zetten.

Zij wendde eenigzins verbaasd het hoofd om, toen de twee mannen

binnentraden, maar Raffles begon aanstonds:

„Ik vraag u duizendmaal verschooning, Miss, dat ik u even kom lastig

vallen. Ik ben particulier detective. Er is iets zeer ernstigs geschied

met een document, dat zich in de brandkast van uw vader bevond en ik

hecht zeer veel aan uw antwoord op een paar vragen, welke ik met

toestemming van mijnheer uw vader zou willen stellen.”

Het meisje had verschrikt haar handen gevouwen en keek haar vader

vragend aan.

„Antwoord dezen heer, kind,” zeide Letchitsky. „Ik geloof, dat hij een

schrander man is—hij heeft reeds veel ontdekt.”

„Vraag dan, mijnheer,” zeide het meisje.

Raffles keek haar onderzoekend aan en stelde toen, als het ware à bout

portant de vraag:

„Hebt gij mijnheer Cedric Lonsdale vanmorgen gesproken, Miss?”

Het meisje kleurde hevig, wierp toen een schuwen blik op haar vader en

scheen te aarzelen.

„Antwoord mijnheer naar waarheid, Sonja,” zeide haar vader op vasten

toon. „Ik had je weliswaar verboden den jongen Lonsdale nogmaals te

ontmoeten, voor ik daartoe mijn toestemming had gegeven, maar—de zaak

is van te groot gewicht en als je ongehoorzaam bent geweest, dan zal ik

je dat vergeven.”

„Ik heb Cedric vanmorgen gesproken vader—maar werkelijk het was louter

toeval en het heeft zeker niet langer dan een paar minuten geduurd.”

„Deel het mij mede Miss, wat ik u verzoeken mag,” drong Raffles aan.

„Ik ging vanmorgen naar het vertrek van Papa om hem iets te vragen en

toen ik de deur opende zag ik alleen Cedric ..... mijnheer Lonsdale

zitten. Toen viel mij in, wat Papa gezegd had en ik deed haastig de

deur weer dicht, ofschoon het mij moeite genoeg kostte, dat moogt gij

gerust gelooven,” voegde zij er met een droevig glimlachje aan toe,

„maar hij had mij al gezien, sprong op, rukte de deur open en haalde

mij op de gang in, toen ik vluchtte.”

„Bijzonderheden verlang ik niet te weten Miss,” zeide Raffles

glimlachend, want het meisje bloosde opnieuw en scheen zeer verlegen te

zijn. „Gij moet mij alleen maar zeggen, hoe lang dit voor u zoo

belangwekkende gesprek heeft geduurd.”

„Ik zeide het u al, niet langer dan hoogstens een paar minuten,

mijnheer. Toen meende ik voetstappen te hooren, ik rukte mij los en

snelde weg.”

„En Lonsdale, wat deed mijnheer Lonsdale?”

„Dien zag ik het vertrek van Papa weder binnengaan.”

„Gij weet niet, van wien die voetstappen afkomstig waren, die zoo

ontijdig een einde maakten aan uw onderhoud?” vroeg Raffles verder.

„Ik durf het niet zeker te zeggen—maar ik geloof dat het de voetstappen

van Papa waren.”

„Ik behoef niets verder te doen Miss, dan u dank te zeggen voor uw

bereidwilligheid en de duidelijkheid, waarmede gij op mijn onbescheiden

vragen hebt geantwoord,” zeide Raffles met een buiging.

„Maar wilt gij mij niet zeggen, wat er met Cedric is Papa?” vroeg het

meisje op vleienden toon, terwijl zij zich tot den gezant wendde.

Deze keek Raffles met een vragenden blik aan, maar toen de gewaande

detective krachtig ontkennend het hoofd schudde, antwoordde hij:

„Het heeft niets te beteekenen, meisje, wij meenden dat Cedric Lonsdale

ons misschien van nut zou kunnen zijn bij het opsporen van ...... den

dader van het misdrijf, dat hier in huis gepleegd is. En vraag nu niet

verder, later zul je alles wel te hooren krijgen.”

En voor het jonge meisje nog iets had kunnen vragen, hadden de beide

mannen het vertrek reeds verlaten.

En terwijl zij zich weder naar het werkvertrek van den gezant begaven,

begon Letchitsky:

„De zaak wordt er voor mij niet duidelijker op. Het verdwijnen van

Lonsdale zou verklaard zijn als hij mijn dochter gesproken had, maar

zij heeft zelf gezegd, dat hij daarna mijn vertrek weder is

binnengetreden. Hoe komt het dan, dat ik hem daar niet meer heb

aangetroffen?”

„Gij raakt daar het kardinale punt aan,” gaf Raffles ten antwoord.

„Daarin schuilt het geheele geheim. Ik voor mij ben zeker, dat het

natuurlijk niet uw voetstappen zijn geweest, die uw dochter gehoord

heeft, want gij waart, toen Lonsdale alleen zat, bij uw secretaris.

Toen Lonsdale weder binnentrad, moet hij iets gezien hebben in uw

werkvertrek, dat hem dwong dit onmiddellijk weder te verlaten.”

„Maar wat kan dat dan wel geweest zijn?”

„Wat kan het anders geweest zijn, Excellentie, dan dat hij den dief op

heeterdaad betrapte?”

De gezant stond midden op de trap stil en keek Raffles met groote oogen

aan.

„Maar als dat zoo is, waarom heeft hij dan niet dadelijk alarm

gemaakt?” barstte hij uit.

„Een jonge krachtige man begint niet om hulp te schreeuwen,

Excellentie, maar hij doet heel wat beters, hij vliegt op den dader aan

en tracht hem het gestolen stuk weder afhandig te maken. Ik denk

echter, dat Lonsdale juist den dief met het stuk onder den arm door de

zijdeur zag vluchten en hem toen dadelijk is achterna gerend.”

„Maar dat alles zijn veronderstellingen, mijnheer,” riep de gezant uit.

„En bovendien, dit alles klopt toch volstrekt niet met de theorie, dat

de dief mij door middel van de telefoon uit mijn vertrek heeft gelokt?”

„Op het eerste gezicht niet, Excellentie, maar wie kan zeggen, waardoor

de dief in zijn opzet gestoord werd? Hij kon misschien niet aanstonds

de sleutels vinden, hij kon misschien de kast niet spoedig genoeg

openen, hij hoorde misschien gerucht in de kamer van den

secretaris—wellicht zijt gij te spoedig terug gekomen, kortom, er kan

wel iets gebeurd zijn, dat hem dwong weder naar de archiefkamer te

vluchten en daar een betere kans af te wachten. Maar nu hebben wij

genoeg over de zaak getheoretiseerd, Excellentie, het woord moet nu aan

de praktijk zijn.”

Raffles zeide dit laatste, toen de twee mannen reeds weder in het

werkvertrek van den gezant stonden.

Plotseling scheen hem iets in te vallen.

Hij nam zijn hoed en snelde het vertrek uit, voor iemand hem iets kon

vragen.

Hij ging weder de diensttrap af, ijlde door den tuin, snelde naar de

tuindeur en opende haar.

Hij bevond zich in een tamelijk stille zijstraat en aan den overkant

waren eenige winkels, waar niet veel om scheen te gaan en een paar

deftige woonhuizen.

Met onuitputtelijk geduld begon Raffles een voor een de huizen

tegenover de tuinpoort te bezoeken en het dienstpersoneel te

ondervragen en na een half uur wist hij wat hij wilde weten: twee

winkelbedienden konden hem een duidelijke beschrijving geven van den

persoon, die dien morgen om negen uur met een huurauto was komen

aanrijden en de tuinpoort met een sleutel had geopend, zoodat zij niet

anders dachten of hij had het volste recht om daar binnen te gaan.

En toen Raffles deze beschrijving had gehoord, slaakte hij een kreet

van zegepraal en vreugde: De beide winkelbedienden hadden daar trek

voor trek Edgar Macpherson beschreven.

Zijn grootte, zijn gelaatskleur, zijn oogen, zijn kleederen, de sigaret

in zijn mond—alles klopte.

Raffles drukte den beiden jongelieden ieder een goudstuk in de hand,

wat hun wel een weinig verraste en ijlde weder de trap op en naar het

vertrek van den gezant.

Hij nam hem terzijde en fluisterde:

„Ik weet wie de dader is, Excellentie. Het is uw neef Edgar Macpherson.

Hij heeft gehandeld uit wraak over de afwijzing van Miss Sonja en ook

misschien wel, omdat het met zijn geldelijke omstandigheden zeer

treurig gesteld is. Neen, vraag mij nu niet verder niets, ik heb nu

geen oogenblik meer te verliezen. Houd deze vrouw hier nog eenige uren

vast, totdat ik u bericht zal hebben gezonden.”

En na een diepe buiging te hebben gemaakt, was Raffles het vertrek

uitgesneld.

Het eerste wat hij deed, was zich van de hulp van Henderson en Charly

Brand te verzekeren.

Zijn beide trouwe metgezellen werden met eenige woorden op de hoogte

gesteld en in de snelste auto, die ter beschikking was, reden de drie

mannen, nu allen goed vermomd, naar het huis van Macpherson, waar zij

een half uur later aankwamen.

Terwijl Henderson achter het stuurwiel bleef zitten, stapten Raffles en

Charly uit en gingen het huis binnen.

De portier trad hen tegemoet en vroeg, wat zij wenschten.

„Is mijnheer Macpherson thuis?” vroeg Raffles.

„Mijnheer is vanmorgen vroeg de deur uitgegaan en hij is nog niet

teruggekeerd,” antwoordde de man.

„Wijs ons zijn kamer, wij zijn detectives.”

De verschrikte man ging hun voor naar een paar weelderig gemeubelde

vertrekken, die beide gesloten waren, maar waarvan Raffles de deuren in

een oogwenk met zijn looper had geopend.

Raffles nam het eene vertrek voor zijn rekening en Charly het andere,

en reeds na eenige minuten hoorde de Groote Onbekende een luiden kreet

slaken.

Even later trad de jongeman binnen met een portret in zijn handen,

hetwelk hij Raffles ter hand stelde.

„Irma Stanilof,” riep Raffles in de grootste verbazing uit.

Hij draaide het portret om en vervolgde:

„En wat er achterop geschreven staat, laat aan duidelijkheid niets te

wenschen over. Wel, wel, dat is een onverwachte vondst. Dat lieve kind

was dus de minnares van onzen vriend Macpherson. Op die wijze zou het

ook verklaard worden, hoe hij wist, dat zich het geheime Verdrag met de

Oekraïne in de brandkast van zijn oom bevond. Zijn minnares heeft hem

dit waarschijnlijk medegedeeld, in de vaste overtuiging, dat het geheim

bij hem veilig zou zijn.”

„Maar kan zij dan niet in het complot zijn geweest?”

„Neen, daarvan ben ik overtuigd. Hij heeft dit geheel alleen gedaan—hij

is haar en haar kornuiten eenvoudig voor geweest en ik denk ook wel,

dat hij volstrekt niets afwist van haar voornemen, om zich van het

document meester te maken. Laten wij eens verder zoeken—misschien

ontdekken wij wel de plek, waar hij het document kan hebben

heengebracht.”

De beide mannen hervatten hun onderzoek, snuffelden in het groote

schrijfbureau, maar zij konden volstrekt niets ontdekken.

„Maar voor den drommel, waar heeft hij het gestolen stuk dan toch

heengebracht?” riep Charly woedend uit.

„Misschien is hij er dadelijk mee haar het buitenland vertrokken,”

meende Raffles. „Hij heeft natuurlijk wel geen pas en dat zou groote

moeilijkheden kunnen opleveren, maar misschien ziet hij kans het land

tersluiks te verlaten.”

„Maar dan kunnen wij onze nasporingen evengoed opgeven, Edward, dan

tasten wij volkomen in het duister.”

Raffles balde de vuisten, hij moest de juistheid van deze opmerking wel

erkennen, hoezeer ook tegen zijn zin.

Tenslotte gaven de beide mannen hun pogingen op om hier iets te

ontdekken en verlieten het huis weder.

„Wij zullen nog eens naar het huis van den Oekraïnischen gezant gaan,”

zeide Raffles. „Misschien laat die mooie feeks wel iets los. Ik kan het

echter alleen wel af—wacht mij maar in het wijnhuis aan den overkant.”

En zoo stond Raffles een half uur later weder tegenover den gezant en

deelde hem het resultaat, of liever het gemis daarvan van zijn

onderzoekingen mede.

„Maar er moet iets gedaan worden,” riep Letchitsky uit. „Die man moet

achterhaald worden. Al was hij mijn broeder—ja mijn zoon—het document

gaat voor alles.”

Op dit oogenblik werd de deur opengeworpen en er trad een man binnen,

die niet dadelijk te herkennen was, want zijn gelaat was bebloed, zijn

kleederen waren gescheurd en over zijn eene wang liep een felle roode

schram.

Deze man wierp een groote enveloppe voor den gezant op tafel en zeide

eenvoudig, maar met een stem, die van vermoeidheid trilde:

„Zie hier het Verdrag, Excellentie—zooals gij ziet, is de enveloppe nog

ongeschonden.”

Het was Cedric Lonsdale, die deze woorden gesproken had.

De gezant gaf een luiden schreeuw van verbazing en vreugde en hij sloot

den jongen man in de armen en klopte hem op den schouder, tot Lonsdale

zich met een pijnlijk gezicht bevrijdde en zeide:

„Ik ben u zeer erkentelijk voor dit bewijs van genegenheid,

Excellentie, maar om u de waarheid te zeggen, gevoel ik mij een weinig

geradbraakt. Ik heb het met drie kerels aan den stok gehad, alvorens ik

deze enveloppe weer in handen kreeg.”

De gezant bracht den jongen man zelf naar een stoel, schelde om een

glas port en zeide toen op levendigen toon:

„Vertel nu Lonsdale—vertel, spoedig!”

„Het is heel eenvoudig, Excellentie—toen gij even het vertrek verlaten

had, trad Sonja binnen, ik vergat het consigne, ik greep haar in de

vlucht op de gang en wij spraken eenige minuten. En toen ik weder

binnentrad, zag ik een man bij de brandkast staan met een enveloppe in

de handen, die met een groot rood lak was voorzien. Zoodra hij mij

hoorde, vloog hij weg—en ik vloog hem achterna. Hij stormde door het

archiefvertrek naar de zijgang, ijlde de diensttrap af en snelde door

den tuin naar de kleine tuindeur. Daar buiten stond een huurauto. Hij

stapte er in en ik had juist den tijd op de achterveeren plaats te

nemen. Maar de schurk moet mij hebben gezien, want hij beraamde een

listig plan. Hij liet de auto naar een der havenbuurten rijden en voor

ik er op verdacht was, was hij een wijnhuis binnengetreden. Hij scheen

daar bekend te zijn en had in een oogenblik een paar ruwe kerels op mij

afgezonden. Er ontstond een gevecht en ik verzeker u, dat ik mij goed

heb moeten weren. Hij mengde er zich tenslotte zelf in, maar dat is hem

duur te staan gekomen, want ik heb hem den neus platgeslagen. Ik kon

mij van het document meester maken, omdat er gelukkig een paar agenten

bijkwamen, en dat is alles!”

Toen de jonge man met zijn verhaal gereed was, sloot de gezant hem

nogmaals in de armen en scheen hem iets in te fluisteren, wat den

jongen man groot genoegen scheen te doen, want hij kreeg een kleur van

vreugde.

Raffles zeide echter glimlachend:

„Het verhaal doet mij in zooverre pleizier, mijnheer Lonsdale, dat het

van begin tot einde mijn theorie bevestigde. Gij echter hebt getoond,

dat de praktijk ten alle tijde den voorrang heeft. Ik wil de heeren

thans niet langer ophouden—bij gelegenheid ontvangt gij wel eens mijn

rekening. Gij hebt nu niet anders te doen, dan de politie te

waarschuwen, opdat deze zich hedennacht kan meester maken van de

spionnen!”

En met deze woorden verliet Raffles het vertrek, een belangwekkende

ervaring rijker.

Lord Lister No. 0356: Het verdrag met de Oekraïne · 第 4 / 4 段