den chauffeur het adres op en reed op zijn beurt naar Berkeley Square
terug.
Het was omstreeks half vier toen hij daar weder aankwam.
En hij trof er Charly Brand, die daar juist zijn post had betrokken, en
niet weinig verrast was, toen hij Raffles niet op de afgesproken plaats
aantrof.
Hij had echter aanstonds begrepen, dat de Groote Onbekende iets ontdekt
moest hebben en dat hij iemand was nagegaan.
De ontmoeting had plaats in het fraaie plantsoen, vanwaar men, met een
kijker gewapend, het fraaie huis van den gezant voortreffelijk kon
bespioneeren, zonder zelf gevaar te loopen op dien vrij grooten afstand
te worden gezien, laat staan te worden herkend.
Er bevond zich daar ter plaatse een melkhuis, dat omgeven was door
prachtig geboomte, en aan het einde van een laantje kon men, verborgen
opgesteld achter een boschje, voortreffelijk nagaan, wie het huis van
den gezant in of uitging.
„Ik ben blij, dat je er reeds bent, Charly,” zeide Raffles op zachten
toon, terwijl hij den jongen man de hand drukte.
„En ik was een weinig verwonderd, je hier niet aan te treffen, toen ik
je om drie uur kwam aflossen. Je bent zeker iemand nagegaan? De
gouvernante misschien? Zij is hoogstens een paar minuten geleden
teruggekomen met een huurauto.”
„Dat wist ik Charly—ik ben haar nagegaan.”
HOOFDSTUK IV.
BERAADSLAGINGEN.
En nu deelde Raffles Charly in korte woorden mede, wat hem zooeven
wedervaren was.
Charly hoorde hem vol verwondering aan en riep nu uit:
„Dat was het dus, je had het dus wel goed gezien!”
„Ik moet erkennen, Charly, dat ik niet aanstonds aan een verdrag met de
Oekraïne gedacht had, maar in ieder geval ben ik blij, dat ik zoo
wantrouwend ben geweest—wij zijn nu tenminste in staat ons land voor
een ernstig nadeel te bewaren.”
„Wat wil je doen?”
„Wat een vraag! Natuurlijk wil ik den gezant waarschuwen!”
„Maar dat kun je toch niet doen in je hoedanigheid als Lord William
Aberdeen?”
„Natuurlijk niet. Het zou wel wat vreemd zijn als Zijne Lordschap boven
op een in volle vaart zijnde auto klauterde en bovendien zou het ons
naderhand misschien in moeilijkheden kunnen brengen. Ik zal hem
eenvoudig zeggen dat ik een particulier detective ben, in geheimen
dienst en hij zal me wel moeten gelooven, want ik zal wel de eenige
zijn, die iets van het bestaan van dat geheim verdrag afweet, behalve
hij zelf—en dan natuurlijk de Oostenrijkers, ofschoon ik moet verklaren
niet te begrijpen, hoe zijzelven er achter zijn gekomen. De
spionagedienst schijnt dus nog altijd voortreffelijk te zijn
georganiseerd.”
„Dus dan is de gouvernante een Oostenrijksche?”
„Neen, dat is zij zeker niet. Zij is een Poolsche of een Russin,
misschien een Oekraïnische, want zij spreekt het Duitsch met een sterk
accent. Maar daar in de gegeven omstandigheden de belangen van Polen en
Oostenrijk samengaan, is het niet zoo verwonderlijk, dat men zich te
Weenen ditmaal van Poolsche spionnen bedient.”
„Het is mij een raadsel, hoe dergelijke menschen ons land binnenkomen,”
riep Charly uit.
Maar Raffles haalde de schouders op en antwoordde:
„Het zou je volstrekt niet raadselachtig voorkomen als je goed op de
hoogte was van de methodes van onze vroegere vijanden. Ik zal het hun
steeds ter eere nageven dat zij het bijzonder ver gebracht hadden op
dit gebied en ons daarin een lesje konden geven. Waarschijnlijk zijn
zij met nagemaakte passen aan land gegaan, of anders zijn zij des
nachts met een visscherspink op een vrijwel onbewoond gedeelte van de
kust aan land gestapt. Maar dit zijn zaken van minder belang—de
hoofdzaak is, dat zij het bestaan van het verdrag kennen en dat het in
ieder geval belet moet worden, dat zij van den inhoud kennis nemen.”
Hij nam Charly den kijker uit de handen, richtte hem op den gevel van
het groote huis aan den overkant en bromde voor zich heen:
„Zij laat er geen gras over groeien, daar zie ik haar waarachtig geloof
ik al in de kamer van den secretaris.”
„En denk je, dat het haar zal gelukken hem over te halen?”
„Geen denken aan,” antwoordde Raffles. „Daartoe ken ik dien man te
goed. Hij is gelukkig getrouwd—wat intusschen nog geen beletsel zou
zijn—en zijn plichtsgevoel is boven iedere verdenking verheven. Je kunt
er gerust onder verwedden, wat je wilt, dat zij vanavond het sein zal
moeten geven, dat alles mislukte. En nu wil ik je groeten, Charly—blijf
hier rustig op je post, let goed op de vensters en kijk ook uit naar
stilstaande auto’s. Je weet, dat het sein in gewone Morse-teekens zal
worden gegeven—ik denk door tikken op de ruit of iets dergelijks.”
De twee vrienden drukten elkander weder de hand en Raffles verwijderde
zich terwijl Charly plaats nam op een bank en het huis van den gezant
opnieuw begon gade te slaan.
Hij had ongeveer een half uur zoo gezeten, toen er een kleine auto kwam
voorrijden, achter welks stuurwiel een jonge man was gezeten, dien hij
door den kijker aanstonds herkende.
Het was Cedric Lonsdale, de jonge legatie-attaché.
Hij had zeker geen dienst, want hij droeg een lichtgrijs zomercostuum.
Hij had daar nauwelijks een paar minuten gestaan en eenige malen den
hoorn laten weerklinken, of de deur ging open en Sonja verscheen in een
allerliefst blauw toiletje.
Zij kwam haastig de stoep af, stak Lonsdale de kleine hand toe en nam
naast hem plaats.
En op hetzelfde oogenblik, dat de kleine sportwagen zich in beweging
zette, kwam Edgar Macpherson toeloopen, die blijkbaar op weg was naar
het huis van den gezant, maar nu stokstijf bleef staan en de auto
nastaarde.
Wel vijf minuten bleef hij als uit marmer gehouwen op dezelfde plek
staan en daarop maakte hij rechtsomkeer en verdween, zooals hij gekomen
was, groote stappen nemend en het hoofd naar den grond gebogen.
„Een ongelukkige liefde is toch steeds een onaangename zaak,” merkte
Charly op wijsgeerigen toon op. „Het humeur van het jonge mensch dat
daar met zulke groote stappen den terugtocht aanvaardt, lijkt mij op
dit oogenblik zeer weinig benijdenswaardig. Het is ook een ellendige
gewaarwording, met een ruiker in de hand je opwachting te willen maken
bij het meisje, dat je lief hebt en haar dan met een ander een
rijtoertje te zien maken. Kijk daar werpt hij het nu nuttelooze
voorwerp al woedend tegen den grond.”
Inderdaad scheen Macpherson nu pas te beseffen, dat hij nog altijd met
een prachtigen bouquet in de handen liep en hij had zooeven den ruiker
met een toornig gebaar neergekwakt, zonder acht te slaan op de
spottende blikken en gelach van eenige voorbijgangers, voor wie dit
driftige manuaal maar al te duidelijk moest zijn.
De uren verliepen traag en Charly begon zich tamelijk wel te vervelen.
Hij mocht zich echter niet laten afleiden door het gesnater en het
geschreeuw van de kinderen om hem heen en hij bleef onafgewend het oog
gevestigd houden op den voorgevel van het huis van den gezant, waarbij
hij nu en dan den kijker gebruikte.
Er deed zich echter niets bijzonders voor.
Wladimir Letchitsky was zooeven thuisgekomen, waarschijnlijk van een
officieel bezoek, want een jongmensch, dat achter hem aanliep, droeg
een groote en zware portefeuille.
En hij kon nauwelijks goed en wel binnen zijn, of daar kwam het kleine
sportwagentje weder aanrijden en nu stapten de beide jongelieden uit en
gingen haastig naar binnen.
Charly had zijn kijker aan het oog gebracht en hij kon nu tamelijk goed
zien, hoe in het groote werkvertrek van Letchitsky, eerst de gezant
binnentrad, die nu zelf de groote portefeuille droeg, en daarop Sonja
en Cedric Lonsdale.
„Wat drommel, vergis ik mij of niet, de jongelui houden elkaar bij de
hand vast. Is het al zoo ver? Zou hij al om haar hand komen vragen?
Maar mijn hemel—heeft hij dan heelemaal geen eerbied voor onze
eerwaardige gebruiken? Het meisje mag er heelemaal niet bij zijn. Nu,
misschien is dat Oekraïnisch. In ieder geval schijnen zij Papa
Letchitsky dringend iets te vragen. Stil—daar opent hij zijn
brandkast—en nu legt hij er de groote portefeuille er in. Hij sluit de
deur en schijnt een ernstig vertoog tot de beide jongelieden te houden,
die met gebogen hoofd voor hem staan.”
Deze toespraak duurde een minuut of vijf en daarop maakte Cedric een
korte buiging voor den gezant, kuste Sonja de hand en verliet haastig
het vertrek.
En een oogenblik later zag Charly hem de deur uitkomen en vlug op zijn
sportauto toeloopen.
Zijn jong gelaat had een ernstige uitdrukking, maar zijn oogen
glansden.
„Niet bepaald afgewezen—maar ook niet bepaald aangenomen,” zeide Charly
tot zich zelf. „Ik kan mij zoo begrijpen, wat Papa Letchitsky zooeven
gezegd heeft: „Jongeman, ik heb goede informaties over je ingewonnen.
De kleermaker weet je goed te kleeden, je bent recht van lijf en leden,
je hebt een goede positie voor je—maar je bent nog te jong, en dat is
mijn dochter ook. Wacht nog een jaartje en als jelui elkaar dan nog
liefhebt, dan krijg jullie mekaar mijnentwege!””
De kleine sportauto was weder weggereden en Charly kon nu zijn aandacht
weder bij het huis bepalen.
Er verliep nog een uur en de jonge man moest zich zelf erkennen, dat
hij zich niet alleen tamelijk erg verveelde, maar dat ook de honger hem
begon te plagen.
Het was bijna zeven uur, toen er eensklaps een huurauto kwam aanrijden,
die voor het hek van het plantsoen, recht tegenover het huis stilhield.
En op hetzelfde oogenblik verscheen Irma achter het venster op haar
kamer op de derde verdieping, waar Raffles en Charly een paar dagen
tevoren het lichtschijnsel hadden gezien.
Snel bracht Charly den kijker weder aan de oogen, juist op tijd om te
zien, hoe zij met den vinger over de ruit streek, of er korte tikken op
gaf—juist zooals de bedieners van het Morse-toestel, wanneer zij een
telegram verzenden.
Voor Charly had het telegramschrift geen geheimen en hij kon even
duidelijk alsof hij een krant las de boodschap spellen:
„Alle pogingen vruchteloos. Een stokvisch heeft meer gevoel. Kon
even goed tegen de tafel gepraat hebben. Heb van alles tevergeefsch
geprobeerd. Hij heeft mij tenslotte grof bejegend. Ik geef het op.
Van avond om elf uur op de gewone plek!”
en daarop trad zij snel weder achteruit in de kamer.
Charly had de boodschap snel op een stukje papier geschreven en toen
hij daarmede gereed was, was ook de huurauto weder weggereden.
Daar hij wel begreep dat het volstrekt geen nut zou hebben, hier nu nog
langer te blijven, verliet hij zijn observatiepost en begaf zich
haastig naar het dichtstbijzijnde telegraafkantoor, om daar Raffles te
waarschuwen, dat hij op weg was naar de Regent Street, waar het fraaie
heerenhuis van Lord Aberdeen gelegen was.
Vervolgens riep hij een huurauto aan, welke hem een uur later naar het
huis van John Raffles bracht.
Hij vond deze in de biljartkamer, waar hij doende was, zich een weinig
te oefenen, maar dadelijk, nadat Charly was binnengetreden, zette
Raffles zijn queue weg en vroeg:
„Er is zeker niets? Een uur geleden, juist toen ik wilde uitgaan, kreeg
ik je telegrafische boodschap. Het is dus mislukt en als zij nu hun
woord houden, dan grijpen zij naar het paardenmiddel—de gefingeerde
inbraak!”
„Om elf uur zouden zij een bijeenkomst hebben op de „bekende plaats”.
Waar zou dat kunnen zijn?”
„Vermoedelijk dicht bij het huis of bij den tuinmuur—want het is
duidelijk dat een gouvernante des avonds om dien tijd niet het huis kan
verlaten.”
„Wat zullen wij doen?”
„Dat is een weinig moeilijk te zeggen—natuurlijk zouden wij ons in
hinderlaag leggen, maar daarvoor zou het noodig zijn, dat wij de plek
van samenkomst nauwkeurig wisten. Nu dat niet het geval is moeten wij
het aan het toeval overlaten, en het is natuurlijk niet onmogelijk, dat
zij ons zouden zien en dan was alles verloren!”
„Als wij eens trachtten ons te verspreiden? Een onzer zou in den tuin
kunnen postvatten, een tweede aan de buitenzijde van den tuinmuur en
een derde bij den achtermuur.”
„Dat is een goed plan, Charly—en ik geloof, dat wij ons daaraan zullen
houden,” riep Raffles uit. „En nu hebben wij eenige uurtjes vrij, welke
wij zullen besteden aan het nuttigen van een goed diner, gevolgd door
een paar bedrijven van „De koopman van Venetië”. Er vertoeft hier op
dit oogenblik een Nederlandsche acteur van naam in onze hoofdstad, van
wien ik zeer veel goeds heb hooren zeggen en ik zou het mij zelf nooit
vergeven, als ik de gelegenheid had laten voorbijgaan, dien
bewonderenswaardigen kunstenaar in zijn moedertaal een van de schoonste
werken van ons nationaal tooneel te hooren vertolken. Trouwens, voor
mij heeft de taal van Vondel niet veel geheimen, je weet misschien, dat
ik eenige jaren in het land van Rembrandt gewoond heb en ik heb mij
dien tijd ten nutte gemaakt, om zooveel mogelijk van de taal te
leeren.”
Spoedig kleedden zich de beide mannen en een uur later zaten zij in hun
eigen loge in den schouwburg en waren daar getuige van den triomf van
den grootmeester der Nederlandsche tooneel-speelkunst, van Louis
Bouwmeester!
Geheel onder den indruk van wat zij gezien hadden, verlieten de beide
vrienden om half elf den schouwburg.
Twintig minuten rijdens en zij zouden het huis van den gezant bereikt
kunnen hebben!
„Een van God begenadigd kunstenaar!” zeide Raffles op ernstigen toon,
toen de auto zich in beweging had gesteld.
„Ja, dat is hij!” riep Charly vol geestdrift uit. „Ik versta maar heel
weinig Hollandsch, maar dat is ook volstrekt niet noodig, als men hem
ziet acteeren!”
Nog eenigen tijd bleven de beide vrienden doorspreken, en daarop
vervielen zij in een stilzwijgen hetwelk zij niet verbraken, voordat de
auto stilhield.
Henderson had achter het stuurwiel gezeten van de auto, die er naar het
uiterlijk uitzag als een gewoone taxameter, maar die een buitengewoon
krachtigen motor verborg, waardoor het mogelijk was, met zeer groote
snelheid te rijden.
Snel hadden de drie mannen hun post ingenomen.
Charly was over den tuinmuur gewipt, na er van den kap van de auto als
een kat te zijn opgesprongen, Henderson had zich, na het voertuig op
veiligen afstand te hebben gestationneerd, verdekt opgesteld bij de
kleine tuinpoort, en Raffles was om den muur heengeloopen en stond aan
den anderen kant van den tuin op de loer.
En aan Charly zou het gegeven zijn, het gesprek af te luisteren,
hetwelk tusschen de zoogenaamde gouvernante en een man buiten den muur
van den tuin gevoerd werd.
Want juist om elf uur kwam de jonge vrouw haastig den tuin in, met een
donkeren omslagdoek over hoofd en schouders en liep snel over den
grasrand naar den achterkant van den zijmuur, waar zij voorzichtig een
steen lostrok, op eigenaardige wijze kuchte, van buiten antwoord
ontving en toen begon:
„Ik heb al geseind, dat alles mislukt is. Wat moet er nu gebeuren?”
„Dan moet het stuk met geweld worden weggenomen,” klonk de zachte stem
aan den anderen kant van den tuinmuur.
„Hoe zal het gaan?”
„Zorg, dat je de tuindeur voor ons opent—dat is alles. Wij zullen met
ons drieën komen en natuurlijk als gewone inbrekers, want het moet den
schijn hebben, alsof het hier een gewone inbraak geldt. Wij moeten, als
wij er den tijd voor hebben, snel het stuk overschrijven en anders moet
het maar worden meegenomen!”
„Hoe laat komt gij?”
„Wanneer is hier alles ter ruste?”
„Om twaalf uur uiterlijk.”
„Dan komen wij om half twee, dan is het verkeer hier in deze deftige
buurt ook geheel opgehouden.”
„Gij zult toch in geen geval geweld gebruiken?”
„Natuurlijk niet, als het vermeden kan worden tenminste. Maar—als dat
niet kan, je weet onze leuze: Het vaderland boven alles.”
„Wat moet ik verder doen?”
„Ons den weg wijzen naar de werkkamer van den gezant. Daar staat
natuurlijk een brandkast en het is even natuurlijk, dat hij daar het
document bewaart!”
„Maar hoe zul je dat meubel openen?”
„Je moet in de eerste plaats trachten de sleutels in handen te krijgen.
Is dat volstrekt onmogelijk, dan zullen wij de kast moeten openbreken.
Ik zal wel zorgen, dat ik een deskundige bij mij heb.”
„Heb je nog iets te zeggen?”
„Neen, als alles is afgeloopen, vertrekken wij natuurlijk dadelijk. Er
is reeds gezorgd voor valsche passen. Maar dat is van later zorg—daar
naderen menschen. Tot morgen en denk om de leuze!”
Irma schoof den steen weder op zijn plaats en sloop haastig weder door
den donkeren tuin naar het huis terug.
Wat Charly betreft, hij wachtte tot hij het geluid van de dichtgaande
deur hoorde en was toen in een wip weder over den muur.
Een oogenblik later waren de drie mannen weder vereenigd en Charly
deelde mede, wat hij zooeven vernomen had.
Raffles luisterde ernstig toe en zeide toen:
„Morgen moet Wladimir Letchitsky gewaarschuwd worden!”
HOOFDSTUK V.
HET VERDWENEN DOCUMENT.
Den volgenden dag omstreeks twaalf uur in den morgen hield er een
huurauto stil voor het prachtige huis aan de Berkeley Square.
Raffles stapte er uit, maar hij was onherkenbaar—niemand zou in hem den
deftigen Lord Aberdeen herkend hebben.
Hij was eenvoudig gekleed en droeg een gummi regenjas.
De bediende, die hem de deur opende, keek hem dan ook tamelijk
argwanend aan, terwijl hij naar het doel van zijn bezoek vroeg.
„Geef dit kaartje aan mijnheer Letchitsky, en zeg hem, dat ik hem
dadelijk moet spreken omtrent een hoogst gewichtige aangelegenheid, die
geen uitstel kan dulden.”
De bediende wierp een snellen blik op het kaartje en las:
„Guy Mayland, detective in particulieren dienst.”
De man trok zijn wenkbrauwen even verbaasd op, maar hij ging toch met
het kaartje heen, na de deur voor den bezoeker te hebben dicht gedaan.
„Ik weet niet, of dit eigenlijk de ware manier is, om iemand te
ontvangen, die ons komt waarschuwen tegen een groot gevaar,” mompelde
Raffles.—„Maar ik zal in aanmerking nemen, dat de gezant nog in het
geheel niet weet wat er aan de band is, en zijn bediende nog veel
minder.”
Hij behoefde niet lang te wachten, want de bediende keerde na enkele
minuten terug en zeide:
„Mijnheer heeft tien minuten voor u, niet langer, want hij wordt bij
Zijne Excellentie den Minister van Buitenlandsche Zaken verwacht.”
„Aan tien minuten heb ik ruimschoot voldoende, goede vriend,” zeide
Raffles glimlachend.
„Wees dan zoo goed, mij te volgen.”
De bediende ging Raffles voor, en deze was wel gedwongen, zich te
houden, alsof hij nog nimmer een voet in dit huis had gezet, ofschoon
hij er den weg even goed kende als in zijn eigen huis.
Even later stond hij tegenover den gezant, die hem een weinig
verwonderd opnam, en toen een zwijgend gebaar maakte naar een stoel.
„Ik denk u niet lang te zullen ophouden, Sir!” begon Raffles op
ernstigen toon. „En daarom zal ik maar met de deur in huis vallen—ik
kom hier naar aanleiding van het geheim verdrag tusschen mijn land en
het uwe .....”
Letchitsky verschrikte hevig bij het hooren van deze woorden, en met
een paar vlugge stappen was hij vlak voor Raffles.
„Hoe, wat wilt gij zeggen?” stamelde hij. „Wat praat gij van een geheim
verdrag?”
„Excellentie, laten wij geen tijd verliezen—gij behoeft van de zaak
voor mij geen geheim te maken, want ik ben op de hoogte .....”
De gezant liet zich in een stoel neervallen en bedekte het gelaat even
met de handen.
Toen sprong hij weder op, en vroeg op heeschen toon:
„Zeg me wat ge weet en waarom ge hier komt!”
„Ook bij de beantwoording van die vraag zal ik zoo kort mogelijk zijn,
Excellentie—het is mij ter oore gekomen, dat men het verdrag hedennacht
hier uit uw huis wil komen stelen!”
„Groote God!” schreeuwde de gezant, die zich zelf niet langer meester
was. „Waarom denkt ge dat? Hoe weet ge het?”
„Als gij kalm kunt blijven, Excellentie, dan zal ik het u mededeelen!”
„Ik zal trachten kalm te blijven, mijnheer—maar om godswil, zeg mij
spoedig alles wat gij weet!”
En nu deelde Raffles hem mede, wat hij vernomen had, zonder evenwel
iets te verraden van zijn identiteit.
Letchitsky had zwijgend, met gebalde vuisten, het hoofd op de borst
gebogen, toegeluisterd, en toen Raffles gereed was, sprong hij op, en
greep zijn beide handen.
„Ik dank u, dat gij mij zijt komen waarschuwen, mijnheer,” zeide hij op
ernstigen toon: „De gevolgen van een voorbarige publicatie van dit
verdrag, of van de kennisneming er van door de Oostenrijkers of de
Polen zouden onberekenbaar zijn—misschien zou er aanstonds een nieuwe
oorlog uit kunnen ontstaan!”
„Ik deed slechts mijn plicht, Excellentie!” antwoordde Raffles
eenvoudig. „Mag ik uwe Excellentie vragen wat zij nu denkt te doen?”
„Natuurlijk het stuk dadelijk op een veilige plaats brengen!” riep de
gezant uit. „En nu dadelijk om de politie zenden, opdat zij die vrouw
dadelijk kunnen arresteeren!”
„Vreest gij dan niet dat er zoodoende meer ruchtbaarheid aan de zaak
zal worden gegeven, dan wenschelijk is?” ging Raffles voort.
De gezant dacht even na en zeide toen:
„Ik zal aan den Minister van Justitie mededeelen, wat gij mij zooeven
hebt gezegd. Hij kan dan last tot arrestatie geven, zonder dat de
politiebeambten weten, waarom het gaat.”
„Maar kan men die vrouw in dit huis arresteeren?”
„Ja! Dit is niet de ambassade, die onschendbaar is, maar mijn
particuliere woning.”
„Stelt gij er geen prijs op, dat ook de andere spionnen worden gevangen
genomen?” ging Raffles voort.
„Zonder eenigen twijfel!” riep de gezant uit
„Dan zult gij hen niet in handen krijgen, wanneer de zoogenaamde
gouvernante aanstonds wordt gearresteerd, tenzij er maatregelen worden
genomen, om de anderen op een dwaalspoor te brengen. Natuurlijk zullen
zij aanstonds wanneer hedennacht de deur niet voor hen geopend wordt,
argwaan krijgen en begrijpen dat er iets verkeerd moet zijn gegaan.”
„Dat is zoo,” hernam de gezant op peinzenden toon. „Weet gij dan soms
een middel?”
„Ja, Excellentie! De vrouw zal desnoods dadelijk in verzekerde bewaring
worden gesteld, maar liefst moeten wij daar nog mede wachten, tot de
avond gevallen is. Wie weet had zij heden nog een afspraak met de
anderen. Ik zeide u reeds dat zij hen vanuit haar kamer seinen geeft.
Blijven die uit dan konden de spionnen eveneens wel achterdochtig
worden. Zij moeten echter hier komen hedennacht en dan zal ik zorgen
dat er politie is, om hun een hartige ontvangst te bereiden!”
„Dat is een goed plan, mijnheer!” kwam Letchitsky. „Op die wijze zullen
zij zeker in den val loopen”
„A-propos—is de bediende, die mij zooeven de deur opende, een
babbelaar?”
„Als zoodanig heb ik hem niet leeren kennen, mijnheer. Waarom vraagt
gij mij dat?”
„Omdat ik zoo onvoorzichtig ben geweest hem niet dadelijk te zeggen,
dat hij in het bediendenvertrek volstrekt niet mocht reppen over mijn
komst hier. Als dit aan Irma Stanilof ter oore komt, zou zij dadelijk
haar gevolgtrekkingen maken en de vlucht nemen.”
Zonder iets te zeggen, trad de gezant op zijn bureau toe, drukte op den
schelknop, die aan de bovenzijde van het blad was bevestigd.
Even later trad een huisknecht het vertrek binnen.
„Laat Roadman dadelijk hier komen!” beval de gezant.
De knecht boog en ging heen.
Weer verliepen er eenige minuten en toen trad de bediende het vertrek
binnen, die Raffles had ontvangen.
„Roadman,” begon zijn meester dadelijk, „heb je in het bediendenvertrek
soms gezegd, dat er bezoek voor mij was? Antwoordt openhartig want het
geldt een zaak van het grootste gewicht.”
„Ja, Excellentie,” antwoordde de man bedremmeld. „Dat deed ik, ik wist
niet dat ik er kwaad mede deed.”
De gezant wilde driftig uitvaren maar Raffles trad met een kalmeerend
gebaar tusschen beide en zeide:
„De man kon niet weten, om welke belangen het gaat, Excellentie. Er is
waarschijnlijk nog niets verloren—al ben ik zelf dan ook zeer onhandig
geweest.”
Hij wendde zich tot den bediende en vroeg:
„Waar is Miss Stanilof op dit oogenblik.”
„In haar kamer, mijnheer,” antwoordde de bediende, die volstrekt niet
begreep, wat hij kon hebben misdaan.
„Breng mij er dadelijk heen—maar niet tot aan de deur—en loop vooral
zacht,” hernam Raffles.
„Wat wilt gij doen?” vroeg de gezant op gedempten toon.
„Haar bespieden en onderzoeken of zij soms iets heeft opgevangen van
mijn bezoek. Zoo ja, dan moeten wij natuurlijk aanstonds handelen, voor
zij gelegenheid heeft gehad, haar medeplichtigen in te lichten. Het is
mogelijk, dat zij van oordeel is, dat mijn bezoek een geheel andere
reden heeft—dan het u bekende. Daarop mogen wij echter niet vertrouwen.
Vooruit Roadman.”
De bediende keek zijn meester vragend aan, maar toen deze haastig
knikte, opende hij de deur, en ging den bezoeker voor.