Het waren slechts weinige woorden, maar zij waren voor Raffl

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 356 HET VERDRAG MET DE OEKRAÏNE.

HET VERDRAG MET DE OEKRAÏNE.

HOOFDSTUK I.

EEN SOIRÉE BIJ DEN OEKRAÏNISCHEN ZAAKGELASTIGDE.

De partijen van Wladimir Letchitsky, den zaakgelastigde van de

Oekraïne, waren meestal druk bezocht.

Het is niet uit te maken of dit misschien een gevolg was van de

voortreffelijke hoedanigheden van zijn kok, dan of het wellicht ook

eenigszins was toe te schrijven aan de bekoorlijkheden van zijn

dochter, een zeer bevallig meisje van het zuiver Slavische type, dat

het grootste deel van haar opvoeding had genoten op een Engelsche

kostschool en die het Engelsch dan ook vloeiend sprak, zonder het

minste accent.

Sonja was een voortreffelijke musicienne en zij bespeelde de mandoline

even goed als de vleugel-piano, terwijl haar prachtige, volle sopraan,

haar, als zij dit gewenscht had, een plaats zou hebben verschaft

tusschen de beste concertzangeressen van den tegenwoordigen tijd.

Maar dat behoefde het jonge meisje zeker niet te doen, want haar vader

was een zeer rijk man en men fluisterde, dat zij bij haar huwelijk een

bruidsschat van een half millioen pond Sterling zou meekrijgen—en dat

was zelfs voor de huidige omstandigheden zeer veel te achten.

Wladimir Letchitsky was gehuwd en zijn vrouw had hem naar de Engelsche

hoofdstad vergezeld.

Zij was een Engelsche van geboorte en de zaakgelastigde had haar leeren

kennen, toen hij, vele jaren geleden, geruimen tijd in Londen had

doorgebracht als legatiesecretaris bij de Russische Ambassade.

Hij werd beschouwd als een der bekwaamste diplomaten van zijn land en

aanstonds, nadat de Oekraïne zich onafhankelijk had verklaard en zoodra

deze onafhankelijkheid door de entente erkend was, had de Regeering van

de nieuwgevormde republiek hem naar Londen gezonden, teneinde daar hare

belangen te behartigen, totdat de tijd zou zijn aangebroken, waarop hij

tot gezant zou kunnen worden benoemd, welken titel hij intusschen reeds

officieus droeg.

Ten koste van groote geldelijke offers had Letchitsky zich een huis

verworven in een der deftige wijken van Londen en daar was het, dat hij

zijn befaamde partijen gaf—niet veel, maar die dan ook alle iets

bijzonders hadden, want de zaakgelastigde was een man van smaak en zijn

vrouw en dochter wisten telkens iets nieuws te verzinnen, om hunne

gasten aangenaam bezig te houden.

Het groote, deftige huis van Berkeley Square leende zich voortreffelijk

voor het geven van dergelijke feesten, met zijn ruime, prachtige zalen

en zijn grooten tuin, welke des zomers gelegenheid bood om er

Venetiaansche feesten en soortgelijke uitspanningen te organiseeren.

De Oekraïnische zaakgelastigde stond ook bekend als een voortreffelijk

gastheer, die zich de gebruiken en de zeden van Engeland volkomen had

eigen gemaakt.

Op het oogenblik, waarop ons verhaal een aanvang neemt, heerschte er

groote opgewektheid onder de gasten, welke zich verzameld hadden in een

der grootste zalen van het huis, waar nu gedanst werd.

De zaal was fraai versierd met palmen en andere exotische gewassen en

er was een soort verhooging gemaakt, vanwaar de ouderen van dagen, of

zij die de danskunst niet machtig waren, konden toezien.

Aan het tegenovergestelde einde van de zaal was het kleine orkest

opgesteld, hetwelk dansmuziek liet hooren.

Met vier doorgangen, door portières afgesloten, kon men van deze zaal

in het aangrenzende vertrek komen, dat niet veel kleiner was en waar

een heerlijke koelte heerschte, ofschoon het warme jaargetijde reeds

had ingezet, want de vier breede balkondeuren stonden wagenwijd open en

de frissche nachtlucht kon dus vrijelijk naar binnen stroomen.

Wie lust had kon het breede terras betreden, en van daar naar den tuin

afdalen, die zwakjes verlicht was door enkele lampions.

De Oekraïnische zaakgelastigde was een zeer vrijzinnig man en in zijn

salon vereenigde hij burgers en edellieden, militairen en geleerden,

mannen van de wetenschap en van de balie, eenvoudige journalisten en

professoren met een wereldmacht en zij kwamen allen gaarne, want, wij

zeiden het reeds, dat Letchitsky een ontwikkeld man was, die het

grootste belang stelde, niet alleen in de zaken van zijn eigen land

maar ook in die van de natie, waar hij thans geaccrediteerd was.

En die belangstelling was niet platonisch, want het was van algemeene

bekendheid, dat hij herhaaldelijk zeer groote bedragen had beschikbaar

gesteld voor een of ander wetenschappelijk doel en het kwam nimmer

voor, dat hij iemand met leege handen liet heengaan, die hem een

inteekenlijst voorlegde tot bijeenbrenging voor een steunfonds voor

oude kunstenaars, voor de stichting van een monument, of iets

dergelijks.

Er waren echter weinig uniformen dien avond, en dan nog maar alleen van

jonge luitenants, want de hooger geplaatste officieren hadden van het

Ministerie een wenk gekregen, dat zij er beter aan deden, zich

vooralsnog een weinig terzijde te houden, en zooals men dat noemt,

eerst de kat eens uit den boom te zien.

Want in ieder geval waren de toestanden daarginds in Rusland nog altijd

zeer onzeker en wie zou kunnen zeggen, of de Oekraïne over een jaar nog

wel een onafhankelijke republiek zou zijn?

Het was dus zaak, zich aanvankelijk niet te ver te wagen—en toch had de

Engelsche Regeering zich blijkbaar geheel vertrouwd gemaakt met het

denkbeeld, dat de Oekraïne nooit weder tot Rusland zou terugkeeren,

zooals uit het vervolg van dit verhaal zal blijken.

Op de verhooging, welke men vanuit de zaal langs drie treden kon

bereiken, zaten verscheidene gasten, in hoofdzaak oude dames en heeren,

die op het vroolijk gewoel neerkeken.

Daaronder waren twee heeren, die, naar hun leeftijd te oordeelen, nog

zeer goed een werkzaam aandeel hadden kunnen nemen aan het dansvermaak.

De oudste was ongeveer veertig jaren oud, misschien een jaar ouder,

wiens haar aan de slapen een weinig begon te grijzen.

Zijn gelaat was volkomen glad geschoren en daardoor kwam de energieke

uitdrukking van zijn trekken des te beter uit.

De mond met de dunne lippen was scherp geteekend en wees, evenals de

vierkante krachtig ontwikkelde kin, op ontembare geestkracht, de

wenkbrauwen, als met een penseel getrokken, waren nog gitzwart en als

zij gefronst werden, vormden zij bijna een rechte lijn en verborgen de

oogen, groote staalgrijze oogen, die meestal een ironische uitdrukking

hadden, maar die toch ook konden schitteren en fonkelen van heftige

verontwaardiging of van geestdrift—maar dit laatste scheen maar heel

weinig te geschieden.

Meestal lag een koude, strakke trek op het mannelijk, een weinig

gebruind gelaat van Lord William Aberdeen, zoo was de naam van dezen

bezoeker.

Naast hem stond zijn secretaris, Charly Brand, een jonge man met een

blozend bijna vrouwelijk gelaat, waarin twee groote helderblauwe oogen

ondeugend rondkeken.

Zijn huid was merkwaardig blank voor die van een man, zijn hoofdhaar

was dik en blond.

Zooals hij daar stond, de handen losjes op den rug gevouwen, was hij

het toonbeeld van jeugdige zorgeloosheid en vroolijkheid.

En toch had deze jonge man, die er uitzag alsof hij nog aan kinderlijke

spelen zou kunnen deelnemen, reeds vele jaren deelgenomen aan de

gevaarvolle, somtijds vreeselijke avonturen van den man, die naast hem

stond.

Want wel was deze op dit feest verschenen onder den naam van Lord

William Aberdeen, maar inderdaad luidde zijn naam: Lord Edward Lister,

geheeten: John Raffles.

Wie echter onder de gasten zou een oogenblik hebben durven vermoeden,

dat zich daar onder het mom van een bekend Londensch filantroop, die

jaarlijks duizenden Ponden Sterling besteedde aan liefdadige

doeleinden, een man verborg, die reeds geruimen tijd door de Engelsche

politie werd gezocht en op wiens aanhouding een premie van duizend Pond

Sterling was gesteld?

Men zou dengene, die zooiets durfde beweren, niet eens hebben laten

uitspreken, maar hem eenvoudig en zoo spoedig mogelijk als een

gevaarlijken gek hebben opgesloten.

Er waren slechts weinig personen, die den waren aard van Lord Aberdeen

kenden en die zouden zich liever hebben laten dooden, dan ooit zijn

kostbaar geheim te verraden, het geheim, dat hem in staat stelde, zijn

dubbel leven te leiden en zijn zonderlinge praktijken ten uitvoer te

brengen.

John Raffles, zoowel als Charly Brand hadden eenige maanden geleden op

een soirée bij den Amerikaanschen Gezant kennis gemaakt met Letchitsky,

en aanstonds had deze hen op zijn beurt uitgenoodigd.

Reeds eenige malen hadden Raffles en Charly Brand een bezoek gebracht

aan het prachtige huis aan Berkeley Square en ook ditmaal hadden zij

gevolg gegeven aan de invitatie.

Nadat zij een tijdje hadden toegekeken, zeide Raffles glimlachend:

„Mijn waarde Charly, er is iets in mij, dat mij zegt, dat je het

gezelschap van een jong meisje, dat je ten dans zou kunnen voeren, ver

boven het mijne zou stellen. Wat ik je bidden mag, laat je niet

weerhouden—daal de drie treden af, die je van het dansparadijs

scheiden, trek den rubicon over, en geniet van de lichaamverdraaiingen,

de heupwiegingen en de teenverrekkingen welke die dwazen daar beneden

te aanschouwen geven.”

„Je zult dus nooit tot een ander inzicht komen, Edward?” vroeg Charly

hoofdschuddend en zoo zacht, dat alleen Raffles hem verstaan kon. „Zie

je dan zelf niet, dat deze dansen, die je zoo verguist, veel sierlijker

zijn, dan de eeuwige wals, die feitelijk niets anders is dan de

imitatie van een draaitol?”

„Het is mogelijk, dat het sierlijker is Charly—maar het is ook heel wat

obscener. Je moet mij deze opmerking ten goede houden—maar ik kan de

houding van de dansende jongelieden niet bepaald aesthetisch vinden.”

„Kom, kom—je overdrijft!” riep Charly. „Het is waar—niet iedereen danst

even goed en mooi—maar wanneer je onbevooroordeeld bent, dan zul je

moeten toestemmen, dat een goed gedanste Foxtrott lang niet

verwerpelijk is.”

„Ik geloof niet, dat ik mijn meening zal wijzigen, Charly,” gaf Raffles

ten antwoord. „Het zal je natuurlijk ook wel bekend zijn, dat al deze

dansen afstammen van een enkelen oerdans, en dat is de Maxixe, die in

de gemeenste kroegen van Mexico, Chili, Peru en andere

Zuid-Amerikaansche republieken wordt gedanst door Cowboys,

spoorwegroovers, straatmeiden, lichtekooien en ander lichtschuw

gespuis. Maar—in die sfeer, in dat milieu, hoorde die dans thuis en als

zoodanig kon men er dan ook genieten, evengoed als van de Italiaansche

Tarantella en van de Spaansche, Russische en andere nationale dansen.

Maar van het oogenblik af, dat men die dansen overbracht naar de

Westelijke salons, zijn zij van hun waren aard vervreemd, verknoeid en

bedorven. De Maxixe moest gedanst worden door een man in een zeer wijde

broek met geitevel bekleed, gespoord, een vuurrooden halsdoek om den

nek, de revolvertasch op de heup, een eindje sigaret tusschen de lippen

en een sombrero achter op het hoofd, door een vrouw in een korten

rooden rok, blootsvoets en met geen enkel ander kleedingstuk aan dan

een openhangend hemd. Maar nu zie ik menschelijke schepsels in een

zwart foudraal, met glimmende etuis om hun voeten en een stijven witten

halsband om hun nek, of wel gewikkeld in een baal kanten en zijde en nu

bevalt mij die dans niet meer—en iets anders kan ik er waarlijk niet

van zeggen.”

Charly onderdrukte den schaterlach, die hem naar de lippen drong en

zeide met een boos gezicht:

„Je bent onuitstaanbaar. Je draagt toch immers zelf ook zulk een zwart

foudraal.”

„Verbeeld je je soms, dat ik het voor mijn plezier doe?” vroeg Raffles

verwonderd.

„Mijn hemel—je kunt hier toch niet in je pyjama komen?”

„Waarom eigenlijk niet? Wat is er tegen? De dames komen immers toch ook

wel hier in een soort nachttoilet? Misschien, als wij een jaar of tien

verder zijn, zal men ook het onzinnige in gaan zien van deze sombere

zwarte uniformen voor de heeren der schepping, die volstrekt niet past

bij het zware werk, dat zij hier moeten verrichten. Men trekt een

stratenmaker toch ook geen dwangbuis aan, nietwaar? Als ik iets te

zeggen had, als men mijn raad volgde, dan werden alle dames en heeren,

die ik hier zie voorbij huppelen, schuiven, draaien, wentelen en op een

eigenaardige wijze drentelen, juist als een kip, die zijn ei niet kan

kwijtraken—ik zeg, dan zou ik al die lieden in een wijd, gemakkelijk

zittend badpakje steken!”

„Edward—ik kan het niet langer aanhooren,” zeide Charly verontwaardigd.

„Ik heb geen badpakje aan, maar ik zal toch eindelijk mij gaan voegen

bij die lieden, die op zulk een eigenaardige wijze ronddrentelen.”

„Dan wil ik je voorloopig groeten, Charly—en ik hoop dat je het ei

kwijtraakt!” zeide Raffles glimlachend.

Het volgend oogenblik was Charly de drie treden afgesprongen en

toegetreden op een bevallig jong meisje.

Raffles ging hem na, maar hij sloeg terzijde af en liep kalm, nu en dan

uitwijkend voor een niets ontziend voorbijstormend danserpaar, naar den

kant van de danszaal, waar zich de vier uitgangen bevonden.

Hij had spoedig een dezer doorgangen bereikt en stond daar een

oogenblikje stil, om zijn blikken te laten gaan over de dansende paren.

Toen sloeg hij de hand aan het gordijn, teneinde in de aangrenzende

zaal een weinig frissche lucht te gaan inademen.

Maar hij bleef stilstaan, en keek door de rest van het gordijn naar een

der vensters, waar de gouvernante van de jongste kinderen van het

echtpaar Letchitsky stond te praten met een der bedienden.

Dit was op zich zelf niet zoo bijzonder, maar Raffles werd

onwillekeurig getroffen door de wijze waarop het gesprek gevoerd werd.

Het nam namelijk juist een aanvang, toen Raffles het gordijn wilde

terugslaan, en het duurde ter nauwernood eenige seconden.

En het eindigde hiermede, dat de gouvernante als het ware in het

voorbijgaan den bediende een papiertje, tenminste iets wits, in de hand

drukte.

En daarop gingen zij ieder weder huns weegs, na een snellen blik op de

doorgangen te hebben geworpen.

De zaal was nu weder geheel verlaten, en Raffles trad er binnen.

Hij ging op een der ramen toe en trad op het terras.

De nacht was buitengewoon stil en warm.

Als van heel ver klonken de tonen van het kleine orkest in de danszaal.

De tuin zond zijn zoete geuren naar omhoog.

Raffles leunde over de balustrade en snoof vol behagen die bedwelmende

lucht op.

Zijn oogen sloten zich en zijn gelaat verloor een oogenblik zijn

hardheid, het masker der onverzettelijke wilskracht verkreeg zelfs een

ongewone teerderheid.

„Hetgeen ik nu gevoel, voor eenige seconden slechts, dat moest de

mensch voortdurend kunnen gevoelen,” fluisterde hij op zachten toon

voor zich heen. „Maar helaas—hoe spoedig versterft deze zaligheid.

Reeds hoor en zie ik alleen weder de wulpsche muziek, de half ontkleede

vrouwen, de mannen met hun leege, onnoozele gezichten, oud voor zij nog

jong zijn geweest.”

Hij richtte zich op en ging zuchtend de trappen van het terras af.

Maar nauwelijks had hij den tuin bereikt, en zich nedergezet in het

volkomen duistere prieel, of achter hem klonken voetstappen.

Door het houten raamwerk, met klimop begroeid, kon hij vaag twee

gedaanten onderscheiden—waarschijnlijk een danserpaar, die hier kalmte

en ..... eenzaamheid kwam zoeken.

De gedaanten richtten zich tamelijk snel naar het prieel en reeds wilde

Raffles door te hoesten zijn aanwezigheid doen blijken, toen een der

gestalten stil stond, en een mooie vrouwenstem begon te spreken.

En dadelijk herkende Raffles die stem.

Het was Sonja Letchitsky die daar sprak.

„Ik heb er in toegestemd, Edgar, je naar den tuin te volgen, maar ik

had het niet moeten doen, al ben je nu mijn neef. Ik kan mij ook niet

goed voorstellen, wat je mij wel te zeggen kunt hebben, dat niet

evengoed in de balzaal gezegd had kunnen worden.”

„Je drijft den spot met mij, Sonja!” sprak een hooge eenigzins schelle

mannenstem, welke Raffles herkende als toe te behooren aan Edgar

Macpherson, den tweeden zoon van een broeder van Sonja’s moeder, en die

sedert eenige weken was teruggekeerd van een reis door Indië, waar hij

op klein wild gejaagd had.

„Volstrekt niet, Edgar!”

„Je zoudt dus niet weten, wat mij je deed vragen, mij hierheen te

volgen?” hernam de jonge man. „Waarom laat je mij lijden, Sonja? Ik kan

toch niet denken, dat je niet weet, wat er in mij omgaat? Ik heb je

lief—en ik bracht je hier, om dat te zeggen—ofschoon je het heel goed

weet!”

„Ik wist het niet, op mijn woord, Edgar—want als ik het had kunnen

vermoeden, dan zou ik je nooit naar den tuin gevolgd zijn!”

Macpherson slaakte een gesmoorden kreet van woede en gekwetste

ijdelheid—smart kon Raffles er tenminste niet in hooren—en hernam toen

op veranderden toon:

„Je hebt het moeten weten, Sonja. Ik heb het duidelijk genoeg laten

merken. Als je dit nu zegt—dan moet je met mij hebben gespeeld. Dan ben

je een hartelooze kokette!”

„Ik verbied je om zoo tegen mij te spreken, Edgar!” zeide Sonja op

vasten toon. „Ik heb je met genoegen terug gezien, want je bent mijn

neef, en ik mocht je wel lijden. Ik heb met je getennist, en

gegolfd—maar ik begrijp niet, hoe je daaruit durft afleiden, dat ik je

hoop heb gegeven. Kom, laten we weder naar de danszaal teruggaan. En

als wij goede vrienden willen blijven—beloof mij dan, dat je nooit weer

over dit onderwerp zult spreken!”

„Dat kan ik je niet beloven, Sonja,” hernam de jonge man op

hartstochtelijken toon. „Ik heb je lief—en ik kan mij niet vertrouwd

maken met de gedachte, dat je aan een ander zoudt toebehooren dan mij!

Zeg—er is toch ... geen ander?” voegde hij er op dreigenden toon aan

toe.

„Ik geloof niet, dat gij het recht hebt, mij die vraag te stellen,”

zeide Sonja op koelen toon. „Ik ga weder terug—als gij hier achter wilt

blijven, zoo doe het dan.”

Maar Macpherson trad haar in den weg en riep op gedempten toon, waarin

zijn hartstocht weer klonk:

„Zoo laat ik je niet gaan, Sonja. Je hebt mij nooit zoo schoon, nooit

zoo verleidelijk toegeschenen. Je maakt mij waanzinnig. Een kus—ik

smeek je er om.”

„Je waagt het!” riep het jonge meisje met een stem, die trilde van

verontwaardiging. „Ga onmiddellijk heen—je schijnt je te vergeten

aangaande de persoon die voor je staat. Nooit zou ik dulden, dat je me

aanraakte!”

„Je toorn, Sonja, maakt je des te schooner. Ik wil—ik moet je kussen!”

Hij had de beide polsen van het meisje gegrepen, die een lichten kreet

van pijn slaakte en op datzelfde oogenblik trad Raffles uit het prieel

te voorschijn.

Hij was uiterst kalm en deed niets anders dan met een langzaam gebaar

zijn sigarettenkoker uit den zak halen, er een sigaret uitnemen en deze

met een kleinen gouden sigarenaansteker te doen ontbranden.

Maar terwijl hij dit deed, had hij zijn blik geen oogenblik van Edgar

afgewend en hij behoefde ook volstrekt niet te spreken.

De jonge man had dadelijk de polsen van Sonja losgelaten.

Hij uitte nu een gesmoorden vloek en wendde zich toen tot Raffles met

de opmerking:

„Het schijnt—dat Mylord een weinig voor spion heeft gespeeld?”

Raffles deed een enkelen stap vooruit en er lag een uitdrukking in zijn

oogen die tengevolge had, dat Edgar er veel vlugger twee achteruit

deed.

„Ik zou u aanraden mijnheer Macpherson,” zeide Raffles op kouden toon,

„dit vermoeden niet nogmaals te uiten. Voor uw eigen bestwil niet. Het

is niet mijn gewoonte te spionneeren—tenminste niet in liefdeszaken.”

En hij wendde zich met een galante buiging tot Sonja, die bleek

terzijde was blijven staan, bood haar den arm en zeide op den

gewoonsten toon van de wereld:

„Het wordt een weinig koel, Miss—sta mij toe, dat ik u weder naar

binnen begeleid.”

HOOFDSTUK II.

DE NIEUWE GOUVERNANTE.

Toen Raffles in de balzaal met een buiging en enkele hoffelijke woorden

afscheid had genomen van Sonja, zonder haar ook maar met een enkel

woord te hebben herinnerd aan hetgeen er zooeven in den tuin was

voorgevallen, stond hij van aangezicht tot aangezicht met Charly Brand,

die zich zeer vermaakt scheen te hebben.

„Naar je verhoogde kleur te oordeelen, Charly, moet je een drietal

dansen achter den rug hebben. Wanneer je nu genoeg hebt van deze

kangeroesprongen, ga dan met mij een glas champagne drinken aan het

buffet; ik meen, dat ik vrij goede champagne in mijn kelder heb, maar

zij is niet te vergelijken bij den godendrank van dezen Aziaat. Hoe hij

er aan komt, weet ik niet—maar zij zoekt tevergeefsch haar wedergade.”

„Dat is een uitstekend plan en ik vergezel je, mits je het woord

kangeroesprong weer terugneemt.”

„Ik neem het terug, Charly—om het bij een volgende gelegenheid door een

beteren term te vervangen,” antwoordde Raffles glimlachend.

De beide vrienden verlieten de danszaal en toen Raffles nog eens een

blik achter zich wierp, zag hij Sonja op levendigen toon een gesprek

voeren met een jongen man in luitenantsuniform.

Op tien meters afstand stond Macpherson met duisteren blik naar hen te

kijken.

Raffles en Charly gingen door de nevenzaal, die op den tuin uitkwam en

waarnaast het buffet was aangebracht, in een groot vertrek, waaruit

alle meubelen waren verwijderd, met uitzondering van twee lange, aan

elkaar geschoven tafels, haast bezwijkend onder de vracht van flesschen

en glazen en versnaperingen van allerlei aard: sandwiches, pralines,

fijne zuidvruchten en andere lekkernijen.

Achter de tafel stonden twee bedienden, die de handen vol hadden om

wijnflesschen te ontkurken en „Galantine de veau” te snijden.

Raffles en Charly lieten zich een glas champagne geven, wat niet zoo

gemakkelijk viel, want men verdrong zich in het kleine vertrek, en

trokken zich toen naar een hoekje terug om het kostelijke vocht met

kleine teugen te genieten.

En toen begon Raffles op zachten toon:

„Een van de bedienden achter de tafel heb ik zooeven in de groote

zijzaal gezien, waar hij een samenkomst scheen te hebben met de

gouvernante.”

„Wat! Met de oude Miss Hopson!” riep Charly proestend uit. „Die

pokdalige dame met haar rossig haar?”

„Die is er sedert een paar weken niet meer, Charly, zij is vervangen

door Miss Irma Stanilof, een jonge en voor zoover ik er over oordeelen

kan, zeer schoone Russin, die echter onze taal voortreffelijk spreekt.”

„Dat wist ik niet!” riep Charly uit. „Wie was het van de twee?”

„Die met dat breede, bleeke gezicht, en de zwarte oogen.”

„Maar dat is een man van een jaar of vijf en veertig. Ik kan hem ook

niet zeer aantrekkelijk vinden. En had die man een apartje met die

mooie nieuwe gouvernante?”

„Zij duwde hem een papiertje in de handen en het tweetal scheen er

bijzonder op gesteld te zijn niet te worden gestoord.”

„Hé, dat is vreemd!” zeide Charly verbaasd.

„Iets dergelijks zeide ik ook tot mezelf, toen ik het zag, Charly. Je

moet weten, dat ik, als ik gezant was van een buitenlandsche

mogendheid, volstrekt niet gesteld zou zijn op mooie buitenlandsche

gouvernantes en een bepaalden afkeer zou hebben van briefjes, die door

deze dame in handen worden gespeeld van een bediende, die noch jong

noch knap is en hoogstwaarschijnlijk ook niet zal uitblinken door geest

en nog veel minder door rijkdom—attributen, welke bij ons mannen anders

gelukkig menigmaal het gemis aan jeugd en schoonheid vergoeden.”

„Zij waren dus geheel alleen in dat vertrek?”

„Geheel alleen en zij haastten zich hun kort gesprek te beëindigen. Zij

begaf zich waarschijnlijk weder naar de kinderkamer en hij verdween

door de deur, waardoor wij zelven zoo even binnenkwamen, om zijn plaats

weer achter de tafel in te nemen.”

„Die man ziet er ook niet als een landgenoot uit,” merkte Charly op,

terwijl hij den bediende met het bleeke gezicht aandachtig gadesloeg.

„Neen, hij heeft bepaald een Slavisch type, met zijn donkere, eenigzins

scheef geplaatste oogen, zijn breeden neus en zijn een weinig

vooruitspringende jukbeenen. Kom eens mede—ik zal hem eens wat vragen,

misschien hooren wij wel aan de uitspraak, of hij een vreemdeling is.”

De twee vrienden slenterden weer naar de tafel toe, zetten hun geledigd

glas neer en nu vroeg Raffles, terwijl hij zich tot den bediende met

het bleeke gelaat wendde:

„Ik zou gaarne een sandwiches met kaviaar hebben—hebt gij er nog van,

vriend?”

„Hier is het verlangde, Sir!” antwoordde de man, terwijl hij Raffles

een broodje toereikte.

Het waren slechts weinige woorden, maar zij waren voor Raffles

voldoende, om te kunnen constateeren, dat de man zeer goed Engelsch

sprak, maar niettemin met een tamelijk goed verneembaar buitenlandsch

accent.

Raffles at de helft van zijn sneedje brood op en wierp daarbij telkens

een onderzoekenden blik naar den bediende. Hij zou er nu zeker van

zijn, dat gezicht nooit meer te vergeten, waar hij het ook zou zien.

De twee vrienden begaven zich weder naar de danszaal, waarbij zij

opnieuw door de zijzaal gingen.

Raffles scheen in gedachten verdiept te zijn.

„Het is natuurlijk zeer wel mogelijk, dat die geheele episode van dat

briefje niets te beteekenen heeft,” zeide hij op zachten toon. „Maar ik

ben toch wel nieuwsgierig te weten, wat het beduidde. Het is toch niet

gewoon, dat een jonge en mooie gouvernante op zulk een geheimzinnige

wijze een briefje in handen speelt van een bediende, om dan dadelijk

weer te verdwijnen.”

„Misschien gaf zij den man een briefje dat bestemd was voor iemand

buitenshuis.”

„Dat is heel wel mogelijk!” kwam Raffles.

„Een minnaar misschien!”

„Ik zou het niet graag ontkennen, maar ik moet er dadelijk aan toe

voegen, dat ook dit niet gebruikelijk is. Nu, misschien zullen wij

binnenkort wel de oplossing van het raadsel vernemen. In ieder geval

zullen wij die gouvernante en dien bediende eens nagaan. Voor zoover ik

weet, hoort de man hier niet thuis en is hij slechts aangenomen voor

dit feest, zooals het tegenwoordig menigmaal geschiedt. De Oekraïnische

gezant heeft hoogstens drie bedienden en die zouden natuurlijk lang

niet toereikend zijn om zulk een menschenmenigte te bedienen.”

Het was tamelijk laat in den avond en langzamerhand begonnen de gasten

afscheid te nemen.

Om een uur waren er nog slechts weinige intimi en daaronder scheen ook

de jonge man te worden gerangschikt in den luitenantsuniform, met wien

Raffles Sonja Letchitsky zooeven had zien praten.

Raffles was vroeger wel eens aan hem voorgesteld en hij herinnerde zich

ook zijn naam—Cedric Lonsdale.

De jongeman had de diplomatieke loopbaan gekozen en laatstelijk was hij

attaché geweest aan het Russische hof, voor de omwenteling een einde

maakte aan het monarchistische regime—en aan het leven van alle

Romanofs.

Hij had zelfs met levensgevaar de grens moeten bereiken, want de woede

van het Russische gepeupel ontzag in die tijden niets, zelfs geen

vreemdelingen.

Hij vervulde hier thans zijn dienstplicht maar daarna zou hij weder

naar Parijs of New-York vertrekken als secretaris bij een van de

Britsche legaties.

Maar ook deze intieme vrienden namen afscheid en om half twee was het

groote huis in diepe rust verzonken.

De hulpbedienden waren vertrokken en iedereen had zich naar bed

begeven.

Het huis lag in duisternis gehuld.

Maar, aan den kant van het groote plantsoen in het midden van het

prachtige plein, stonden de twee mannen in de schaduw van een dikken

boom, die daar geduldig schenen te wachten.

Het waren John Raffles en Charly Brand.

Een heel eind verder stond een prachtige blauw gelakte limousine,

achter welks stuurwiel een chauffeur van reusachtigen lichaamsbouw was

gezeten.

Die man was James Henderson, de derde man bij tal van avonturen van den

Grooten Onbekende.

„Luister eens, Edward,” begon Charly nadat de twee vrienden hier

ongeveer een half uur hadden gestaan. „Hoe zou je er over denken als

wij nu maar eens naar huis gingen? Ik erken, dat het weder zeer fraai

is, dat het hier een der mooiste plekjes van Londen is, maar ik moet

mij tevens zelf wel bekennen, dat al die dansen mij wel een weinig in

de beenen zijn geschoten.”

„Ja, dat kan ik mij voorstellen, je hebt een achturigen arbeidsavond

achter den rug—het scheelt tenminste niet veel. Maar laat ons nog even

wachten. Geef mij nog een kwartier, dan vertrekken wij.”

„Maar wat verwacht je dan toch eigenlijk wel?” ging Charly eenigszins

ongeduldig voort.

„Dat kan ik je volstrekt niet zeggen—eigenlijk verwacht ik niets. Maar

je weet, hoezeer ik altijd word aangetrokken door alles wat

geheimzinnig en romantisch is—en dat briefje wil mij maar niet uit den

geest.”

Raffles had nauwelijks deze woorden gezegd, of hij trok Charly snel met

zich mede, nog verder achterwaarts, totdat zij volkomen tegen het hek

van het plantsoen gedrukt stonden.

„Zet den kraag van je regenjas op en doe hem over je overhemd dicht,

zoodat die witte plek niet te zien is!”

Charly gehoorzaamde verwonderd.

„Wat is er eigenlijk?”

„Kijk eens naar dat venster op de derde verdieping—het vierde van den

hoek af”

Charly richtte zijn blik naar het aangewezen venster en zeide verrast:

„Daar brandt licht achter het rolgordijn.”

„Juist—en ik zou wel eens willen weten, door wie dat vertrek bewoond

wordt.”

„Misschien een van de bedienden, die nog niet naar bed is.”

„Het kan een van de bedienden zijn, maar dan is hij weer uit zijn bed

gekomen, want zooeven was alles donker. Maar stil eens—daar gebeurt

alweer wat anders. Hoe laat is het op dit oogenblik?”

„Precies halfdrie,” antwoordde Charly, die op zijn horloge had gekeken.

Juist op dat oogenblik hield er voor het huis een kleine open auto

stil, blijkbaar een zeer snelle wagen.

Er zat slechts een enkel persoon in, maar van zijn gelaat viel op dezen

afstand niets te bespeuren, want hij had den breeden rand van zijn pet

diep in de oogen getrokken.

Wel echter konden de twee mannen zien, dat hij het gezicht had

opgeheven naar het raam op de derde verdieping.

Plotseling werd het lichtschijnsel daarachter verduisterd, om een

oogenblik later opnieuw zichtbaar te worden—en zoo eenige malen achter

elkaar, met ongeregelde tusschenpoozen.

„Zij geven elkaar seinen,” fluisterde Charly.

„Daar valt niet aan te twijfelen”

„Maar wie zouden het toch zijn voor den drommel?”

„Zeer waarschijnlijk de gouvernante en de bediende met het bleeke

gezicht. Laten wij snel en ongemerkt naar onze auto zien te komen—ik

wil zien, waar die man blijft.”

Maar Raffles nam dit besluit een paar seconden te laat, want juist op

dit oogenblik hielden de seinen op, de automobilist liet een paar malen

zijn hoorn weerklinken, deed zijn wagen een boog beschrijven en was het

volgende oogenblik op de hoogste versnelling weggereden.

Een paar seconden later was er van den wagen niets meer te zien of te

hooren.

„Dat is jammer,” bromde Raffles voor zich heen, „maar al is de bediende

ons ontsnapt—de gouvernante hebben wij in ieder geval nog bij de hand.”

Maar terwijl zij op de prachtige auto toeliepen, zeide Raffles

hoofdschuddend:

„Ik vrees zeer, Edward, dat wij ons al deze moeite gerust hadden kunnen

besparen. Het zal zeer waarschijnlijk niets anders zijn dan een kleine

amourette, daar komen altijd briefjes bij te pas en nachtelijke

rendezvous.”

„Waarlijk? Het is mogelijk dat ik mij vergis, maar ik heb mij een

rendezvous altijd een weinig anders voorgesteld. Ik wist niet dat de

gewoonte was van een minnaar om vliegensvlug met een auto te komen

aanrijden, te kijken naar een verlicht venster, om tien seconden later

weder rechtsomkeer te maken, alsof de duivel hem op de hielen zat.

Neen, Charly, hier zit iets anders achter. En ik heb mij voorgenomen om

eens te onderzoeken, wat dat wel kan zijn!”

HOOFDSTUK III.

SPOORZOEKERS.

Raffles was er de man niet naar, om een eenmaal opgevat plan niet

aanstonds ten uitvoer te brengen.

En zoo begon hij van dat oogenblik at meer aandacht te besteden aan het

huis van den Oekraïnischen Gezant, dan hij tot dusverre gedaan had.

Maar vooral concentreerde hij de aandacht op de persoon van de jeugdige

gouvernante, aan wie de beide kinderen van den Gezant, die nog op

school gingen, waren toevertrouwd.

Hij had haar een paar maal gezien en was telkens getroffen door hare

exotische schoonheid, het gelaat met zijn zuiver ovalen vorm, de

schitterende zwarte oogen, het fijne neusje en het weelderige zwarte

haar.

Hij bracht den tweeden dag na de partij een beleefdheidsvisite in het

huis van den gezant en door een paar handige vragen ontdekte hij,

wanneer de gouvernante haar vrijen middag had.

Dat zou over een paar dagen zijn en Raffles nam het besluit, de jonge

vrouw bij die gelegenheid te volgen.

Hij had ook Henderson en Charly onder een goede vermomming het huis

laten bespieden, maar geen van beiden had den bediende teruggezien.

Wel wisten zij reeds iets meer van zijn omstandigheden.

Hij heette: Paul Lubowsky, hij vertoefde reeds bijna een jaar in Londen

en sedert vijf maanden was bij bij een groot verhuurkantoor bekend als

losse bediende, die zich ter beschikking stelde voor groote partijen,

maar alleen in de deftigste kringen.

Hij was een zwijgzaam, eenigzins norsch man, maar als bediende was hij

voortreffelijk.

Dat was ongeveer alles wat zij van hem te weten konden komen.

Bij een onderzoek naar zijn woning, bleek hij wel degelijk te wonen aan

het adres, hetwelk hij aan het verhuurkantoor had opgegeven—de Green

Street, een smalle straat in de buurt van de St. Paul, waar hij op

kamers woonde.

Zijn hospita werd zeer voorzichtig uitgehoord door Charly Brand, die

zich uitgaf voor belastingbeambte, maar de vrouw wist niets dan goeds

van haar huurder te zeggen—een rustig, stil man, met zeer geregelde

gewoonten, maar die soms een week achter elkaar uitbleef, bijvoorbeeld

wanneer zijn verhuurkantoor hem had meegezonden met een pleizierjacht,

dat een toer langs de kust ging doen.

Hij ontving weinig bezoek, maar dan ook altijd van landgenooten, met

wie hij sprak in een taal, door de hospita als „koeterwaalsch”

bestempeld en dat hoogstwaarschijnlijk Russisch of Poolsch was geweest.

Die bezoekers kwamen meestal ten getale twee of drie en bleven altijd

langen tijd.

De hospita moest bier binnen brengen, als zij er waren en naar hun

uiterlijk te oordeelen, waren zij goed betaalde arbeiders, maar het

kwam ook wel voor, dat zij er uitzagen als „specifieke heeren”, welke

uitdrukking alweder afkomstig was van de oude kamerverhuurster.

Dat alles hielp Raffles weinig verder, want alles welbeschouwd, was er

niets tegen te zeggen dat een Pool of een Rus in een vreemde stad het

liefst omgang zocht met zijn landgenooten.

Er was echter nog geen gelegenheid voor geweest Lubowsky na te gaan en

men kon dus nog niet zeggen, of hij wellicht nog andere dingen deed,

dan alleen tafeldienen.

De dag, waarop Irma Stanilof des middags vrij had, brak aan en Raffles

zorgde, dat hij reeds vroeg in de nabijheid van het prachtige

heerenhuis van Berkeley Square was.

Hij had zich voorzien van een zeer snel motorrijwiel en zich gestoken

in de livrei van een besteller van een groot magazijn, teneinde zoo

weinig mogelijk in het oog te vallen en argwaan op te wekken.

Het was half twee toen de deur van het groote huis openging en van zijn

schuilplaats,—een breede portiek—zag Raffles de jonge gouvernante naar

buiten treden, terwijl zij hare handschoenen dichtknoopte.

Zij bleef eenigen tijd op de stoep staan keek aandachtig om zich heen,

daalde toen langzaam de paar treden af en liep langs het smalle pad van

den kleinen voortuin naar het openstaande gouden hek.

Toen zij de straat bereikt had, bleef zij opnieuw staan en wenkte toen

een huurauto, die juist voorbij reed.

In een oogwenk had Raffles zijn motorfiets bestegen en de achtervolging

had een aanvang genomen.

Raffles zorgde, dat hij zoo dicht mogelijk achter de huurauto reed,

teneinde te voorkomen, dat het voertuig hem zou ontsnappen.

Hij begreep, dat hij voorzichtig zou moeten zijn, want als de

gouvernante inderdaad zaken zou verrichten, die het daglicht niet

mochten zien, dan zou zij haar voorzorgsmaatregelen wel nemen en

voorzichtig zijn.

De huurauto zette snel haar weg voort door een groot aantal straten en

onverdroten volgde Raffles haar met zijn motorrijwiel.

De huurauto had aan de achterzijde, zooals de meeste van deze

voertuigen, een klein rond venstertje en dat was een onaangename

omstandigheid, want als de jonge vrouw daarbinnen een paar maal naar

buiten zou kijken, dan zou het haar ten slotte moeten bevreemden, als

zij steeds denzelfden besteller achter zich zag en op zijn best zou zij

de onderneming tot een betere gelegenheid uitstellen.

Maar gelukkig scheen Irma Stanilof in gedachten verzonken te zijn, of

zij dacht in het geheel niet aan het venstertje, noch aan de

mogelijkheid, dat zij zou worden achtervolgd, tenminste er verliep ruim

een uur, zonder dat zij er aan dacht, den blik naar buiten te werpen.

De auto had Piccadilly gevolgd, was Grosvernor Place ingeslagen en had

tenslotte Buckingham Palace Road gevolgd, in de richting van de

Chelseabridge.

Zij ging echter de rivier niet over, maar scheen bij het Pompstation te

willen stilhouden.

Raffles had nog maar juist den tijd zich haastig in een zijstraat te

verschuilen, want het portier werd geopend, de jonge gouvernante stak

het hoofd naar buiten en sprak eenige woorden met den chauffeur.

Daarop zette de auto haar weg weder voort en dadelijk toen Raffles het

getoeter van de auto hoorde, bracht hij opnieuw het rijwiel in gang en

de achtervolging begon weder.

De huurauto reed op dit oogenblik langs de uitgestrekte tuinen van het

Chelsea Hospitaal en volgde den Grosvernor Road.

Raffles begreep wel, dat het hem zeer moeilijk zou vallen, zich hier te

verschuilen, want aan den eenen kant van den weg strekte zich de Theems

uit en aan den anderen kant bevond zich het schier eindelooze hek van

het hospitaal zelf.

Maar tot zijn geluk bleef de auto in zeer snelle vaart doorrijden, tot

zij opnieuw stilstond bij het begin van Royal Hospital Road.

Het was een zeer breede straat in een deftige buurt, die regelrecht

uitloopt op de Theems.

Maar nu reed Raffles snel de auto voorbij, want als hij was blijven

stilstaan, zou hij toch dadelijk gezien zijn geweest.

Tot zijn geluk bevond zich op den hoek van de Flood Street en den

zooeven genomen weg een groot café met een groot zonnescherm en hij

haastte zich daar af te stappen en zijn motorfiets daar te laten staan.

Want het was nu wel zeker, dat de jonge vrouw het einddoel van haar

langen tocht bereikt had.

Zij was uitgestapt en had den chauffeur betaald, waarop de man

aanstonds weder wegreed.

Raffles had snel een kellner ter zijde genomen en zeide tot hem, zonder

de gouvernante uit het oog te verliezen:

„Luister eens vriend—hier is een halve guinje, pas op mijn rijwiel want

ik zal het aanstonds wel weer noodig hebben. Is er hier in de buurt

soms een garage?”

„Geen honderd stappen hier vandaan in de Flood Street!”

„Uitmuntend, daar verhuurt men zeker wel auto’s?”

„En heel mooie wagens, mijnheer! Kijk daar komt er juist een aan, die

ik herken—die groote roode wagen.”

Raffles wendde zijn blik naar het hem aangewezen voertuig, een zeer

groote wijnrood gelakte limousine, die juist de straat kwam uitrijden

en langzaam naar den kant van de Theems zijn weg vervolgde.

Maar nauwelijks had de gouvernante de auto gezien, of zij wuifde even

met de hand, de chauffeur bracht het voertuig tot staan en zij opende

het portier.

Zelfs op dezen afstand kon Raffles duidelijk zien, dat er daar binnen

twee mannen zaten, waarvan een haar de hand toestak, om haar bij het

instappen behulpzaam te zijn.

En tot groote verwondering van den kellner, zette zijn gast het

eensklaps als een haas op een loopen en vloog op de auto af, die zich

langzaam weder in beweging stelde.

En de verwondering van den man nam niet weinig toe, toen hij bemerkte,

dat de gewaande besteller met de vlugheid van een acrobaat achter op de

veeren van de auto ging zitten—en met de auto verdween.

„Van tweeën een—of zij spelen voor een film, of die man is een

particuliere detective,” was de conclusie van den kellner, terwijl hij

weder aan zijn werk ging, na te hebben zorg gedragen, dat de motorfiets

in de breede gang van het café was neergezet.

Raffles had het zich intusschen op de veeren zoo gemakkelijk mogelijk

gemaakt en hij trachtte nu te hooren, wat er daar binnen gesproken

werd.

Maar ofschoon de beide portierraampjes openstonden, vernam hij slechts

een vaag gerucht.

Hij nam een kort besluit en werkte zich boven op de auto, hetgeen niet

zoo gemakkelijk ging, want de bovenkant was eenigszins bol en tamelijk

glad, maar hij kon zich vasthouden aan een uitstekenden rand boven den

zetel van den chauffeur.

Natuurlijk wist hij, dat de voorbijgangers hem in die positie moesten

zien, maar dat liet hem volkomen onverschillig.

Ten eerste was hier weinig verkeer, ten tweede reed de auto zeer snel

en ten derde zou hij geen oogenblik aarzelen de politie te waarschuwen,

als men hem soms mocht opmerken en aanhouden.

Dan bestond er zeker kans, dat hij zich toch nog zou blijken te hebben

vergist en dat het geheimzinnige briefje, hetwelk Irma Stanilof dien

avond den bedienden in de handen stopte, inderdaad een zeer onschuldige

beteekenis had, maar dan zou het nog niets te beteekenen hebben en hij

zou er van af zijn, met zich een weinig bespottelijk te hebben gemaakt.

In ieder geval had hij nu gewonnen, dat hij duidelijk kon hooren, wat

er in de auto gesproken werd, want de personen moesten luid spreken, om

zich boven het geraas van den motor verstaanbaar te maken.

En het eerste wat Raffles opmerkte was, dat er daar binnen Duitsch werd

gesproken.

En niet het Duitsch van Berlijn, Leipzig of van Frankfort, maar het

zangerige Duitsch van Weenen.

„Oostenrijkers dus,” mompelde Raffles voor zich heen. „Nu als daar geen

luchtje aan is, dan wil ik gekielhaald worden. En laat ons nu eens

hooren wat zij elkaar te vertellen hebben.”

Hij bukte zijn hoofd zoover mogelijk voorover, teneinde zoo dicht

mogelijk bij het openstaande portier te zijn.

Een der beide mannen, die in de auto zaten, voerde bijna voortdurend

alleen het woord.

Hij had een diepe, zware stem en de ander, die er slechts enkele malen

een opmerking tusschendoor wierp, sprak daarentegen met een hooge

falsetstem, schel en doordringend.

„Je hebt dus de boodschap aan Basserman gegeven?” klonk de stem van een

der twee mannen.

„Ja, gisteravond had ik er gelegenheid voor,” antwoordde Irma. „Hij was

als hulpbediende aangenomen.”

„Ik wil je wel zeggen, Irma,” hernam de man met de zware stem, „dat wij

niet bijzonder tevreden zijn. Je bent nu al veertien dagen in dienst

van den Gezant, Basserman gaat door voor een der bekwaamste spionnen en

toch zijn jullie er altijd nog niet in geslaagd, je van het verdrag

meester te maken en wij moeten het tot iederen prijs hebben. Het is

voor ons van het grootste belang te weten, welke geheime afspraak

Engeland met de Oekraïne heeft gemaakt of wil maken. Het is ons bekend,

dat de gezant een afschrift van het verdrag onder zijn berusting heeft

in zijn particuliere woning—en wij moeten kennis nemen van den inhoud,

hoe dan ook!”

„Ik heb gedaan wat ik kon, Graaf, dat verzeker ik u!” zeide Irma. „Ik

heb overal gesnuffeld, in de verwachting, dat hij het ergens verborgen

had buiten zijn werkkamer, maar een paar dagen geleden heb ik Basserman

moeten mededeelen, door het gewone sein, dat er nog niets ontdekt was.”

„Dan zullen er eenvoudig andere maatregelen genomen moeten worden,”

hernam de man, die met den titel van Graaf aangesproken werd, op koelen

toon. „We kunnen hier niet al te lang meer blijven, want, wanneer wij

ontdekt worden, zou ons lot waarschijnlijk dadelijk beslist zijn—men

zou ons onmiddellijk arresteeren en op zijn best naar ons land

terugzenden. Wij zouden ons doel niet bereikt hebben, en ik zou mij

niet meer te Weenen durven vertoonen.”

„Merkwaardig,” bromde Raffles boven op de auto. „Ik heb mij wel eens

laten wijsmaken, dat er door den oorlog onder meer een einde was

gemaakt aan het bestaan van de geheime diplomatie, maar naar het

schijnt, is zij meer dan ooit in leven—met alle uitwassen daarvan:

geheime verdragen, spionage, nagemaakte gouvernantes en soortgelijke

romantische zaken.”

Hij luisterde opnieuw aandachtig toe en het gesprek daar in de auto

werd voortgezet.

„Is er niemand daar in huis, behalve de gezant, van wien gij kunt

vermoeden, dat hij op de hoogte is van het bestaan van het verdrag?”

begon de Graaf weder.

„Misschien zijn secretaris—maar die woont niet in zijn huis. Hij komt

’s morgens en gaat voor het diner weder weg,” antwoordde Irma.

„Is die man jong of oud?”

„Niet zeer jong meer, een jaar of vijftig!”

„Gehuwd?”

„Ja.”

„Dan is hij als het ware aangewezen, om op hem je verleidingskunsten

eens te probeeren!” riep de Graaf uit. „Ik heb al eens opgemerkt, dat

het veel gemakkelijker is een man op zekeren leeftijd te vangen dan een

piepjong broekje. En ik geloof, dat de verklaring voor de hand ligt ...

de jongeling heeft nog de geheele wereld voor zich met alle vrouwen,

welke zij bevat, maar de oude man is maar al te verheugd, wanneer hem

ter elfder ure nog eens een buitenkansje te beurt valt en daarom bijt

hij des te vlugger toe.”

„Ik zal het probeeren,” zeide Irma zuchtend, „maar ik ben zeer

bevreesd, dat ik niet veel succes zal hebben, Graaf. De secretaris

Limanof is een stug, stilzwijgend man, die maar voortdurend zit te

werken—en het zou mij dus moeilijk genoeg vallen hem in mijn positie

als gouvernante te naderen. Ik wil u trouwens wel zeggen, dat ik zelf

reeds op een dergelijk plan ben gekomen en ook al getracht heb het ten

uitvoer te brengen, maar ik had evengoed verliefd naar een straatsteen

kunnen kijken, hij nam volstrekt geen notitie van mij, niet meer, dan

wanneer ik lucht geweest ware.”

„Probeer het dan nog eens,” riep de Graaf ongeduldig uit. „Misschien is

het de eenige weg. Van andere zijde heeft men mij medegedeeld, dat het

verdrag binnen enkele dagen onderteekend zal worden en als het eenmaal

weder naar het Ministerie van Buitenlandsche Zaken is overgebracht dan

zal het mij wel buitengewoon moeilijk vallen, er ons een afschrift van

te verschaffen. Wij hebben nu niet langer tijd om met u te praten, stap

hier uit. Gij kunt hier auto’s in overvloed krijgen en men moet ons

liefst niet samenzien. Doe vandaag nog eens goed uw best en lukt het in

het geheel niet, dan zullen wij morgen tot krassere maatregelen onze

toevlucht moeten nemen. Geef ons nog in den loop van den dag het

afgesproken sein, gewone Morseteekens. Is het u niet gelukt, dan zullen

wij voor morgennacht tot het laatste middel moeten overgaan—een

inbraak!”

„Maar dan wordt immers alles bekend!” riep nu de andere man in de auto

uit.

„In ’s hemelsnaam. Dat moeten wij er voor over hebben. Wij weten dan

tenminste wat er met de Oekraïne zal gebeuren en dat is voor ons land

van het allergrootste gewicht. Als het kan, dan moeten wij tot iederen

prijs trachten Engeland voor te zijn en zijn politiek daarginds te

dwarsboomen.”

Raffles had tot het laatste oogenblik gewacht, maar nu hij tegen de

voorruit hoorde tikken, klom hij ijlings van de auto af en zag, hoe de

auto nauwelijks tien meter verder stilstond.

Hij had juist den tijd gehad zich verdekt op te stellen achter een

zwaren verhuiswagen, die daar ter plaatse stilstond.

Maar in de spiegelende ruit van een grooten winkel zag hij, hoe de

gewaande gouvernante uitstapte, nog eenige woorden wisselende met de

mannen daarbinnen, waarop de auto vlug weder wegreed.

Raffles wierp een blik om zich heen.

Het gesprek had slechts kort geduurd en de auto had de Battersea Bridge

nog niet bereikt en bevond zich thans aan het einde van de Cheyne Walk.

De jonge vrouw stond even rond te kijken en wenkte toen een huurauto.

Zij stapte erin en het voertuig reed weg.

Wat Raffles betreft, hij overhaastte zich volstrekt niet, want hij

begreep wel, dat de jonge vrouw onder een of ander voorwendsel weder

naar het huis zou terugkeeren, waar zij onder een valsch voorgeven in

dienst was gekomen, teneinde een laatsten stormloop te wagen op den

secretaris van den gezant.

En hij wist zeer goed, dat deze poging volkomen nutteloos zou zijn,

want hij kende Limanof zeer goed en hij wist wel, dat hij er zeker niet

de man naar was om zijn plicht te verzaken terwille van een paar

schoone oogen.

Trouwens, Irma zelf moet beseffen, dat de tijd veel te kort was, om nu

nog met succes het plan ten uitvoer te brengen, hetwelk haar beide

lastgevers haar hadden voorgesteld.

Het zou dus zaak zijn, zich dicht bij het huis in Berkeley Square op te

stellen teneinde het sein op te vangen, hetwelk de jonge vrouw nog in

den loop van den dag zou geven.

Lord Lister No. 0356: Het verdrag met de Oekraïne · 第 1 / 4 段