XXXVIII.

Snelle tocht.--Voorzichtige besluiten.--Aanhoudende

plasregens.--Gao.--De Niger.--Golberry, Geoffroy,

Gray.--Mungo-Park.--Laing.--Réné Caillié.--Clapperton.--John

en Richard Lander.

De dag van den 17den Mei was kalm en er had geen merkwaardig voorval

plaats; de woestijn begon weder; een zachte wind voerde den ballon

naar het zuidwesten, hij week noch rechts noch links af, zijne schaduw

beschreef op het zand eene volkomen rechte lijn. Voor zijn vertrek

had de doctor voorzichtig zijn voorraad water hernieuwd, daar hij

vreesde niet te zullen kunnen dalen in deze streken, die onveilig

werden gemaakt door de Aoueglimminiaansche Touaregs. De vlakte,

die 1800 voet boven het oppervlak der zee verheven was, daalde in

het zuiden. De reizigers, den weg van Aghadès naar Mourzouk, die

dikwijls door kameelen werd bereden, afgesneden hebbende, kwamen des

avonds op 16° breedte en 4°55' lengte, na een eentonigen tocht van 190

mijlen. Gedurende dien dag maakte Joe de laatste stukken wild gereed,

hij gaf bij het avondmaal eenige zeer lekkere kleine snippen. Daar

de wind goed was, besloot de doctor zijn tocht dezen nacht voort te

zetten, terwijl de maan, die nog bijna vol was, helder scheen. De

Victoria steeg tot op 500 voet hoogte en, op dien nachtelijken tocht

van zestig mijlen zou de lichte slaap van een kind zelfs niet zijn

gestoord. Zondagmorgen was er weder eene verandering in de richting

van den wind, die hen naar het noordwesten voerde; eenige raven vlogen

in de lucht en aan den horizon een troep gieren, die gelukkig veraf

bleven. Het gezicht van die vogels gaf Joe aanleiding zijn meester zijn

compliment te maken over zijn denkbeeld der twee ballons.--"Wat zou

er van ons geworden zijn," zeide hij, "met een enkel omkleedsel? Deze

tweede ballon is even als de sloep van een schip, welke men in geval

van schipbreuk bij de hand heeft om zich te redden."--"Gij hebt

gelijk, mijn vriend, maar mijne sloep verontrust mij een weinig, zij

is niet zoo goed als het schip zelf."--"Wat wilt gij zeggen?" vroeg

Kennedy.--"Ik wil zeggen dat de nieuwe Victoria niet zoo goed is

als de oude; het zij dat het weefsel te veel is op de proef gesteld,

hetzij dat de gutta percha gesmolten is door de hitte der slang, ik

bemerk een zeker verlies van gas; tot hiertoe bedraagt dit niet veel,

maar eindelijk wordt het beduidend; wij hebben eene neiging tot dalen,

en om op dezelfde hoogte te blijven ben ik gedwongen het gas meer te

doen uitzetten."--"Duivels!" zeide Kennedy, "daartegen zie ik geen

hulpmiddel."--"Er is er geen, mijn waarde Dick, daarom zullen wij wel

doen ons te haasten en zelfs den nacht door te reizen."--"Zijn wij

nog ver van de kust?" vroeg Joe.--"Welke kust? mijn jongen? Weten

wij dan waarheen het toeval ons zal voeren; al wat ik u kan zeggen

is, dat Tombuctou nog 400 mijlen westwaarts van ons ligt."--"En

hoeveel tijd zullen wij besteden om er te komen?"--"Als de wind

ons niet te veel afvoert, reken ik die stad tegen Dinsdagavond te

bereiken."--"Dan zullen wij," zeide Joe, terwijl hij eene lange rij

menschen en beesten aanwees, die midden door de woestijn trokken,

"spoediger aankomen dan die karavaan."

Ferguson en Kennedy keken naar omlaag en zagen een groote verzameling

van wezens, van allerlei soort; er waren meer dan honderd vijftig

kameelen, en wel van die welke voor twaalf gouden mutkals [53] van

Tombuctou naar Tafilet gaan, beladen met 500 pond; allen droegen

onder de staart een kleinen zak, bestemd om hunne uitwerpsels op te

vangen, hetgeen de eenige brandstof is, waarop men in de woestijn kan

rekenen. Deze kameelen der Touaregs zijn van het beste ras; zij kunnen

van drie tot zeven dagen zonder drinken blijven en twee dagen zonder

eten; hunne vlugheid overtreft die der paarden en zij gehoorzamen

vernuftig aan de stem van den Khabir, den aanvoerder der karavaan. Men

kent hen in het land onder den naam van Mehari. Deze bijzonderheden

verhaalde de doctor, terwijl zijne reisgezellen deze menigte mannen,

vrouwen en kinderen beschouwden, die met moeite liepen op half

beweeglijk zand, dat nauwlijks werd tegengehouden door eenige distels,

verdord gras en lage doornstruiken. Joe vroeg hoe de Arabieren zich

in de woestijn konden richten en de hier en daar in deze onmetelijke

eenzaamheid verspreide putten bereiken.--"De Arabieren," antwoordde

Ferguson, "hebben van de natuur een wonderbaar instinct ontvangen om

hun weg te herkennen. Daar waar een Europeaan geheel van de wijs zou

zijn, aarzelen zij nooit. Een onbeduidende steen, een keisteen, eenige

boomen, de verschillende kleuren van het zand zijn hun voldoende om

veilig te reizen; des nachts richten zij zich naar de poolster; zij

leggen niet meer dan twee mijlen per uur af en rusten slechts bij de

groote middaghitte; denk nu eens hoeveel tijd zij noodig hebben om

de Sahara, die meer dan 900 mijlen lang is, door te trekken." Maar

de ballon was reeds uit de oogen der verbaasde Arabieren verdwenen,

die zijne snelheid moesten benijden. Des avonds passeerde hij op 2°

20' lengte [54] en legde des nachts nog meer dan een graad af.

Des Maandags veranderde het weder geheel; er begon een hevige regen

te vallen; men moest weerstand bieden aan dien stortvloed en de

vermeerdering van gewicht waarmede de ballon en het schuitje belast

werden; deze voortdurende stortregen verklaarde het aanwezig zijn

der moerassen en poelen die de oppervlakte van het land bedekten; de

plantengroei verscheen er weder met de mimosa's en de tamerindenboomen.

Dit was Sonray met zijne dorpen, bedekt met omgekeerde daken even als

armenische mutsen; er waren weinig bergen, maar juist heuvels genoeg

om kloven en beken te vormen, welke de afrikaansche hoenders en de

kleine snippen in hunne vlucht doorkliefden; hier en daar doorsneed een

hevige stortvloed de wegen; de inlanders trekken die over door zich

aan eene kleine plant, die van den eenen boom tot den anderen loopt,

vast te houden; de bosschen maakten plaats voor biezen, waarin zich

alligators en rivierpaarden bewogen. "Wij zullen weldra den Niger

zien," zeide de doctor; "de landstreek verandert bij het naderen der

groote rivieren. Deze wegen, die als het ware loopen, hebben eerst

den plantengroei met zich medegevoerd, zooals zij later de beschaving

zullen brengen. Dan heeft de Niger in zijn loop van 2500 mijlen aan

zijne oevers de belangrijkste steden van Afrika."--"Kijk," zeide Joe,

"dat herinnert aan de geschiedenis van dien grooten bewonderaar der

goedheden van de Voorzienigheid, die hij prees omdat zij gezorgd had

dat de rivieren in het algemeen door de groote steden loopen."--Des

middags zweefde de Victoria boven eene vereeniging van vrij ellendige

hutten, Gao, dat vroeger eene groote hoofdstad was. "Daar stak

Barth den Niger over bij zijne terugkomst van Tombuctou," zeide de

doctor. "Zie hier dus dien stroom, zoo beroemd in de oudheid, als

de mededinger van den Nijl, aan wien het heidensche bijgeloof een

goddelijken oorsprong toekende; evenals de Nijl, en meer zelfs, heeft

zijn onderzoek talrijke slachtoffers gekost." De Niger liep tusschen

twee ver van elkander gelegen oevers, zijne wateren stroomden met

eene zekere snelheid zuidwaarts; maar de reizigers konden, daar zij

snel mede werden gevoerd, er nauwelijks de omtrekken van zien. "Ik

zal u van dien stroom iets vertellen," zeide Ferguson, "en hij is

reeds ver van ons! Hij doorloopt onder den naam van Dhiouleba, Mayo,

Egghirreou, Quorra en nog anderen eene ontzaglijke uitgestrektheid

lands, hij zou bijna in lengte met den Nijl gelijk zijn. Deze namen

beteekenen eenvoudig 'den stroom', volgens de taal der landstreken,

die hij doorloopt."--"Had doctor Barth dien weg gevolgd?" vroeg

Kennedy.--"Neen, Dick, toen hij het meer Tchad verliet, ging hij

door de voornaamste steden van Bornou en den Niger over te Say, vier

graden beneden Gao; vervolgens drong hij in die ondoorzochte streken,

welke de Niger in zijn elleboog omsluit, en na acht maanden van nieuwe

vermoeienissen, kwam hij te Tombuctou; dit zullen wij met dezen snellen

wind, in minder dan drie dagen doen."--"Heeft men de bronnen van den

Niger ontdekt?" vroeg Joe.--"Reeds sedert langen tijd," antwoordde

de doctor; "de kennis van den Niger en zijne takken gaf aanleiding

tot talrijke expeditiën, en ik kan u de voornaamste opnoemen. Van

1749 tot 1758 bezocht Adamson de rivier en Gorea; van 1785 tot 1788

doorkruisten Golberry en Geoffroy de woestenijen van Senegambië en

drongen door tot het land der Mooren, die Sagnier, Brisson, Adam,

Riley, Cochelet en zoo veel andere ongelukkigen vermoordden. Daarna

volgt de beroemde Mungo Park, de vriend van Walter Scott en even

als deze Schot. In 1795 door het Afrikaansch gezelschap te Londen

gezonden, kwam hij te Bambarre, bezocht den Niger, reisde 500 mijlen

met een slavenhandelaar, verkende de rivier Gambia en kwam in 1797

in Engeland terug. Hij vertrok weder den 30sten Januari 1805 met zijn

schoonbroeder Anderson, Scott den teekenaar en eenige werklieden; hij

kwam te Gorea, voegde zich bij een detachement van 35 soldaten, zag den

19den Augustus nogmaals den Niger, maar toen bleven er, ten gevolge der

vermoeienissen, ontberingen, slechte behandelingen, de guurheid van

het weder en de ongezondheid van het land slechts elf van de veertig

Europeanen over; den 16den November ontving de vrouw van Mungo Park

zijne laatste brieven en een jaar later vernam men door middel van

een handelaar, dat de ongelukkige reiziger, den 23sten te Boussa aan

den Niger gekomen, zijne boot zag omverwerpen door de watervallen der

rivier en dat hij zelf door de inboorlingen werd vermoord."--"En dit

verschrikkelijke einde schrikte de onderzoekers niet af?"

"Integendeel, Dick, want toen moest men niet alleen de rivier opnemen,

maar ook de papieren van den reiziger wedervinden. In 1816 werd

eene expeditie te Londen uitgerust, waaraan majoor Gray deel nam;

deze kwam aan den Senegal, drong in Fouta-Djallon door, bezocht

de Foullahs en Mandingo's en kwam onverrichter zake in Engeland

terug. In 1822 onderzocht majoor Laing het geheele westelijk

gedeelte van Afrika, dat aan de Engelsche bezittingen grenst en

hij was de eerste, die de bronnen van den Niger bereikte; volgens

zijne aanteekeningen zijn de bronnen van die onmetelijke rivier

geene twee voet breed."--"Gemakkelijk om over te springen," zeide

Joe.--"He! he! gemakkelijk!" antwoordde de doctor. "Als men aan de

overlevering geloof slaat, wordt hij, die beproeft deze bronnen over

te springen, onmiddellijk verzwolgen, en die er water uit wil putten,

wordt door eene onzichtbare hand teruggestooten."--"En het staat ons

vrij, daarvan geen woord te gelooven?" vroeg Joe.--"Zeker. Vijf jaar

later moest majoor Laing de Sahara doortrekken; te Tombuctou gekomen

en eenige mijlen hooger op, werd hij gewurgd door de Ouelad-Shiman, die

hem wilden dwingen muselman te worden."--"Weder een slachtoffer!" zeide

de jager.--"Toen ondernam een moedig jongeling met zijne zwakke

hulpmiddelen de verbazendste der hedendaagsche reizen, dat was

de Franschman Réné Caillië. Na verschillende pogingen in 1819 en

1824 vertrok hij op nieuw den 19den April 1827 van den Rio-Nunez;

den 3den Augustus kwam hij zoo uitgeput en ziek te Timé, dat hij

niet vóór Januari 1828, dat is zes maanden daarna, zijne reis kon

hervatten; hij voegde zich toen bij eene karavaan, beschermd door

zijn oostersch kleed, bereikte den 10den Maart den Niger, drong

in de stad Jenné door, scheepte zich op de rivier in en zakte haar

af tot aan Tombuctou, waar hij den 30sten April aankwam. Een ander

Franschman, Imbert, in 1670, een Engelschman, Robert Adams in 1810,

hadden misschien deze merkwaardige stad gezien; maar Réné Caillié

was de eerste Europeaan, die nauwkeurige berichten heeft gegeven;

den 4den Mei verliet hij de koningin der woestijn, den 9den herkende

hij de plaats, waar de majoor Laing was vermoord, den 19den kwam hij

te El-Araouan en verliet de handelsstad om, te midden van duizend

gevaren de uitgestrekte woestenijen tusschen Soudan en de noordelijke

streken van Afrika door te trekken; eindelijk kwam hij te Tanger en

den 28sten September scheepte hij zich in naar Toulon; in 19 maanden,

ondanks 180 dagen ziekte, had hij Afrika van het westen tot het noorden

doorkruist. Als Caillié in Engeland was geboren, zou men hem vereerd

hebben als den onverschrokkensten reiziger der hedendaagsche tijden,

even als Mungo Park! Maar in Frankrijk werd hij niet op rechten prijs

gesteld [55]."--"Het was een moedig man." zeide de jager. "Wat is

er van hem geworden?"--"Hij is 39 jaar oud gestorven aan de gevolgen

zijner vermoeienissen; men geloofde genoeg gedaan te hebben met hem

den prijs van het Aardrijkskundig Gezelschap in 1828 toe te kennen;

de grootste eer zou hem in Engeland bewezen zijn. Voor het overige

beraamde een Engelschman, terwijl Caillié zijne verwonderlijke reis

volbracht, dezelfde onderneming en beproefde haar met evenveel moed,

al is het dan niet met evenveel geluk. Het was kapitein Clapperton,

de reisgezel van Denham. In 1829 ging hij weder naar Afrika langs

de westkust van de golf van Benin, volgde het spoor van Mungo-Park

en Laing, vond in Boussa de aanteekeningen, betrekking hebbende op

den dood des eersten weder, kwam den 20sten Augustus te Sackatou,

waar hij gevangen gehouden zijnde den laatsten adem uitblies in de

armen van zijn getrouwen bediende Richard Lander."--"En wat werd er

van dien Lander?" vroeg Joe belangstellend.--"Het gelukte hem de kust

weder te bereiken en te Londen terug te komen, de papieren van den

kapitein en een nauwkeurig verhaal zijner eigene reis medebrengende;

toen bood hij aan het gouvernement zijne diensten aan om de kennis

van den Niger te voltooien; hij nam zijn broeder John, tweeden zoon

van arme lieden uit Corn-Wallis mede, en beiden zakten zij van

1829 tot 1831 de rivier af van Boussa tot aan hare uitwatering,

dorp voor dorp, mijl voor mijl beschrijvende."--"Dus ontsnapten

die twee broeders aan het algemeene lot?" vroeg Kennedy.--"Ja, ten

minste op deze expeditie; want in 1833 ondernam Richard eene derde

reis naar den Niger en stierf, door een onbekenden kogel getroffen,

aan den mond der rivier. Gij ziet dus, mijne vrienden, dat dit land,

dat wij doortrekken, getuige is geweest van edele zelfopofferingen,

die al te dikwijls slechts den dood tot belooning hebben gehad."

Vijf weken in een luchtballon · 第 41 / 56 题