Snelle tocht.--Voorzichtige besluiten.--Aanhoudende
plasregens.--Gao.--De Niger.--Golberry, Geoffroy,
Gray.--Mungo-Park.--Laing.--Réné Caillié.--Clapperton.--John
en Richard Lander.
De dag van den 17den Mei was kalm en er had geen merkwaardig voorval
plaats; de woestijn begon weder; een zachte wind voerde den ballon
naar het zuidwesten, hij week noch rechts noch links af, zijne schaduw
beschreef op het zand eene volkomen rechte lijn. Voor zijn vertrek
had de doctor voorzichtig zijn voorraad water hernieuwd, daar hij
vreesde niet te zullen kunnen dalen in deze streken, die onveilig
werden gemaakt door de Aoueglimminiaansche Touaregs. De vlakte,
die 1800 voet boven het oppervlak der zee verheven was, daalde in
het zuiden. De reizigers, den weg van Aghadès naar Mourzouk, die
dikwijls door kameelen werd bereden, afgesneden hebbende, kwamen des
avonds op 16° breedte en 4°55' lengte, na een eentonigen tocht van 190
mijlen. Gedurende dien dag maakte Joe de laatste stukken wild gereed,
hij gaf bij het avondmaal eenige zeer lekkere kleine snippen. Daar
de wind goed was, besloot de doctor zijn tocht dezen nacht voort te
zetten, terwijl de maan, die nog bijna vol was, helder scheen. De
Victoria steeg tot op 500 voet hoogte en, op dien nachtelijken tocht
van zestig mijlen zou de lichte slaap van een kind zelfs niet zijn
gestoord. Zondagmorgen was er weder eene verandering in de richting
van den wind, die hen naar het noordwesten voerde; eenige raven vlogen
in de lucht en aan den horizon een troep gieren, die gelukkig veraf
bleven. Het gezicht van die vogels gaf Joe aanleiding zijn meester zijn
compliment te maken over zijn denkbeeld der twee ballons.--"Wat zou
er van ons geworden zijn," zeide hij, "met een enkel omkleedsel? Deze
tweede ballon is even als de sloep van een schip, welke men in geval
van schipbreuk bij de hand heeft om zich te redden."--"Gij hebt
gelijk, mijn vriend, maar mijne sloep verontrust mij een weinig, zij
is niet zoo goed als het schip zelf."--"Wat wilt gij zeggen?" vroeg
Kennedy.--"Ik wil zeggen dat de nieuwe Victoria niet zoo goed is
als de oude; het zij dat het weefsel te veel is op de proef gesteld,
hetzij dat de gutta percha gesmolten is door de hitte der slang, ik
bemerk een zeker verlies van gas; tot hiertoe bedraagt dit niet veel,
maar eindelijk wordt het beduidend; wij hebben eene neiging tot dalen,
en om op dezelfde hoogte te blijven ben ik gedwongen het gas meer te
doen uitzetten."--"Duivels!" zeide Kennedy, "daartegen zie ik geen
hulpmiddel."--"Er is er geen, mijn waarde Dick, daarom zullen wij wel
doen ons te haasten en zelfs den nacht door te reizen."--"Zijn wij
nog ver van de kust?" vroeg Joe.--"Welke kust? mijn jongen? Weten
wij dan waarheen het toeval ons zal voeren; al wat ik u kan zeggen
is, dat Tombuctou nog 400 mijlen westwaarts van ons ligt."--"En
hoeveel tijd zullen wij besteden om er te komen?"--"Als de wind
ons niet te veel afvoert, reken ik die stad tegen Dinsdagavond te
bereiken."--"Dan zullen wij," zeide Joe, terwijl hij eene lange rij
menschen en beesten aanwees, die midden door de woestijn trokken,
"spoediger aankomen dan die karavaan."
Ferguson en Kennedy keken naar omlaag en zagen een groote verzameling
van wezens, van allerlei soort; er waren meer dan honderd vijftig
kameelen, en wel van die welke voor twaalf gouden mutkals [53] van
Tombuctou naar Tafilet gaan, beladen met 500 pond; allen droegen
onder de staart een kleinen zak, bestemd om hunne uitwerpsels op te
vangen, hetgeen de eenige brandstof is, waarop men in de woestijn kan
rekenen. Deze kameelen der Touaregs zijn van het beste ras; zij kunnen
van drie tot zeven dagen zonder drinken blijven en twee dagen zonder
eten; hunne vlugheid overtreft die der paarden en zij gehoorzamen
vernuftig aan de stem van den Khabir, den aanvoerder der karavaan. Men
kent hen in het land onder den naam van Mehari. Deze bijzonderheden
verhaalde de doctor, terwijl zijne reisgezellen deze menigte mannen,
vrouwen en kinderen beschouwden, die met moeite liepen op half
beweeglijk zand, dat nauwlijks werd tegengehouden door eenige distels,
verdord gras en lage doornstruiken. Joe vroeg hoe de Arabieren zich
in de woestijn konden richten en de hier en daar in deze onmetelijke
eenzaamheid verspreide putten bereiken.--"De Arabieren," antwoordde
Ferguson, "hebben van de natuur een wonderbaar instinct ontvangen om
hun weg te herkennen. Daar waar een Europeaan geheel van de wijs zou
zijn, aarzelen zij nooit. Een onbeduidende steen, een keisteen, eenige
boomen, de verschillende kleuren van het zand zijn hun voldoende om
veilig te reizen; des nachts richten zij zich naar de poolster; zij
leggen niet meer dan twee mijlen per uur af en rusten slechts bij de
groote middaghitte; denk nu eens hoeveel tijd zij noodig hebben om
de Sahara, die meer dan 900 mijlen lang is, door te trekken." Maar
de ballon was reeds uit de oogen der verbaasde Arabieren verdwenen,
die zijne snelheid moesten benijden. Des avonds passeerde hij op 2°
20' lengte [54] en legde des nachts nog meer dan een graad af.
Des Maandags veranderde het weder geheel; er begon een hevige regen
te vallen; men moest weerstand bieden aan dien stortvloed en de
vermeerdering van gewicht waarmede de ballon en het schuitje belast
werden; deze voortdurende stortregen verklaarde het aanwezig zijn
der moerassen en poelen die de oppervlakte van het land bedekten; de
plantengroei verscheen er weder met de mimosa's en de tamerindenboomen.
Dit was Sonray met zijne dorpen, bedekt met omgekeerde daken even als
armenische mutsen; er waren weinig bergen, maar juist heuvels genoeg
om kloven en beken te vormen, welke de afrikaansche hoenders en de
kleine snippen in hunne vlucht doorkliefden; hier en daar doorsneed een
hevige stortvloed de wegen; de inlanders trekken die over door zich
aan eene kleine plant, die van den eenen boom tot den anderen loopt,
vast te houden; de bosschen maakten plaats voor biezen, waarin zich
alligators en rivierpaarden bewogen. "Wij zullen weldra den Niger
zien," zeide de doctor; "de landstreek verandert bij het naderen der
groote rivieren. Deze wegen, die als het ware loopen, hebben eerst
den plantengroei met zich medegevoerd, zooals zij later de beschaving
zullen brengen. Dan heeft de Niger in zijn loop van 2500 mijlen aan
zijne oevers de belangrijkste steden van Afrika."--"Kijk," zeide Joe,
"dat herinnert aan de geschiedenis van dien grooten bewonderaar der
goedheden van de Voorzienigheid, die hij prees omdat zij gezorgd had
dat de rivieren in het algemeen door de groote steden loopen."--Des
middags zweefde de Victoria boven eene vereeniging van vrij ellendige
hutten, Gao, dat vroeger eene groote hoofdstad was. "Daar stak
Barth den Niger over bij zijne terugkomst van Tombuctou," zeide de
doctor. "Zie hier dus dien stroom, zoo beroemd in de oudheid, als
de mededinger van den Nijl, aan wien het heidensche bijgeloof een
goddelijken oorsprong toekende; evenals de Nijl, en meer zelfs, heeft
zijn onderzoek talrijke slachtoffers gekost." De Niger liep tusschen
twee ver van elkander gelegen oevers, zijne wateren stroomden met
eene zekere snelheid zuidwaarts; maar de reizigers konden, daar zij
snel mede werden gevoerd, er nauwelijks de omtrekken van zien. "Ik
zal u van dien stroom iets vertellen," zeide Ferguson, "en hij is
reeds ver van ons! Hij doorloopt onder den naam van Dhiouleba, Mayo,
Egghirreou, Quorra en nog anderen eene ontzaglijke uitgestrektheid
lands, hij zou bijna in lengte met den Nijl gelijk zijn. Deze namen
beteekenen eenvoudig 'den stroom', volgens de taal der landstreken,
die hij doorloopt."--"Had doctor Barth dien weg gevolgd?" vroeg
Kennedy.--"Neen, Dick, toen hij het meer Tchad verliet, ging hij
door de voornaamste steden van Bornou en den Niger over te Say, vier
graden beneden Gao; vervolgens drong hij in die ondoorzochte streken,
welke de Niger in zijn elleboog omsluit, en na acht maanden van nieuwe
vermoeienissen, kwam hij te Tombuctou; dit zullen wij met dezen snellen
wind, in minder dan drie dagen doen."--"Heeft men de bronnen van den
Niger ontdekt?" vroeg Joe.--"Reeds sedert langen tijd," antwoordde
de doctor; "de kennis van den Niger en zijne takken gaf aanleiding
tot talrijke expeditiën, en ik kan u de voornaamste opnoemen. Van
1749 tot 1758 bezocht Adamson de rivier en Gorea; van 1785 tot 1788
doorkruisten Golberry en Geoffroy de woestenijen van Senegambië en
drongen door tot het land der Mooren, die Sagnier, Brisson, Adam,
Riley, Cochelet en zoo veel andere ongelukkigen vermoordden. Daarna
volgt de beroemde Mungo Park, de vriend van Walter Scott en even
als deze Schot. In 1795 door het Afrikaansch gezelschap te Londen
gezonden, kwam hij te Bambarre, bezocht den Niger, reisde 500 mijlen
met een slavenhandelaar, verkende de rivier Gambia en kwam in 1797
in Engeland terug. Hij vertrok weder den 30sten Januari 1805 met zijn
schoonbroeder Anderson, Scott den teekenaar en eenige werklieden; hij
kwam te Gorea, voegde zich bij een detachement van 35 soldaten, zag den
19den Augustus nogmaals den Niger, maar toen bleven er, ten gevolge der
vermoeienissen, ontberingen, slechte behandelingen, de guurheid van
het weder en de ongezondheid van het land slechts elf van de veertig
Europeanen over; den 16den November ontving de vrouw van Mungo Park
zijne laatste brieven en een jaar later vernam men door middel van
een handelaar, dat de ongelukkige reiziger, den 23sten te Boussa aan
den Niger gekomen, zijne boot zag omverwerpen door de watervallen der
rivier en dat hij zelf door de inboorlingen werd vermoord."--"En dit
verschrikkelijke einde schrikte de onderzoekers niet af?"
"Integendeel, Dick, want toen moest men niet alleen de rivier opnemen,
maar ook de papieren van den reiziger wedervinden. In 1816 werd
eene expeditie te Londen uitgerust, waaraan majoor Gray deel nam;
deze kwam aan den Senegal, drong in Fouta-Djallon door, bezocht
de Foullahs en Mandingo's en kwam onverrichter zake in Engeland
terug. In 1822 onderzocht majoor Laing het geheele westelijk
gedeelte van Afrika, dat aan de Engelsche bezittingen grenst en
hij was de eerste, die de bronnen van den Niger bereikte; volgens
zijne aanteekeningen zijn de bronnen van die onmetelijke rivier
geene twee voet breed."--"Gemakkelijk om over te springen," zeide
Joe.--"He! he! gemakkelijk!" antwoordde de doctor. "Als men aan de
overlevering geloof slaat, wordt hij, die beproeft deze bronnen over
te springen, onmiddellijk verzwolgen, en die er water uit wil putten,
wordt door eene onzichtbare hand teruggestooten."--"En het staat ons
vrij, daarvan geen woord te gelooven?" vroeg Joe.--"Zeker. Vijf jaar
later moest majoor Laing de Sahara doortrekken; te Tombuctou gekomen
en eenige mijlen hooger op, werd hij gewurgd door de Ouelad-Shiman, die
hem wilden dwingen muselman te worden."--"Weder een slachtoffer!" zeide
de jager.--"Toen ondernam een moedig jongeling met zijne zwakke
hulpmiddelen de verbazendste der hedendaagsche reizen, dat was
de Franschman Réné Caillië. Na verschillende pogingen in 1819 en
1824 vertrok hij op nieuw den 19den April 1827 van den Rio-Nunez;
den 3den Augustus kwam hij zoo uitgeput en ziek te Timé, dat hij
niet vóór Januari 1828, dat is zes maanden daarna, zijne reis kon
hervatten; hij voegde zich toen bij eene karavaan, beschermd door
zijn oostersch kleed, bereikte den 10den Maart den Niger, drong
in de stad Jenné door, scheepte zich op de rivier in en zakte haar
af tot aan Tombuctou, waar hij den 30sten April aankwam. Een ander
Franschman, Imbert, in 1670, een Engelschman, Robert Adams in 1810,
hadden misschien deze merkwaardige stad gezien; maar Réné Caillié
was de eerste Europeaan, die nauwkeurige berichten heeft gegeven;
den 4den Mei verliet hij de koningin der woestijn, den 9den herkende
hij de plaats, waar de majoor Laing was vermoord, den 19den kwam hij
te El-Araouan en verliet de handelsstad om, te midden van duizend
gevaren de uitgestrekte woestenijen tusschen Soudan en de noordelijke
streken van Afrika door te trekken; eindelijk kwam hij te Tanger en
den 28sten September scheepte hij zich in naar Toulon; in 19 maanden,
ondanks 180 dagen ziekte, had hij Afrika van het westen tot het noorden
doorkruist. Als Caillié in Engeland was geboren, zou men hem vereerd
hebben als den onverschrokkensten reiziger der hedendaagsche tijden,
even als Mungo Park! Maar in Frankrijk werd hij niet op rechten prijs
gesteld [55]."--"Het was een moedig man." zeide de jager. "Wat is
er van hem geworden?"--"Hij is 39 jaar oud gestorven aan de gevolgen
zijner vermoeienissen; men geloofde genoeg gedaan te hebben met hem
den prijs van het Aardrijkskundig Gezelschap in 1828 toe te kennen;
de grootste eer zou hem in Engeland bewezen zijn. Voor het overige
beraamde een Engelschman, terwijl Caillié zijne verwonderlijke reis
volbracht, dezelfde onderneming en beproefde haar met evenveel moed,
al is het dan niet met evenveel geluk. Het was kapitein Clapperton,
de reisgezel van Denham. In 1829 ging hij weder naar Afrika langs
de westkust van de golf van Benin, volgde het spoor van Mungo-Park
en Laing, vond in Boussa de aanteekeningen, betrekking hebbende op
den dood des eersten weder, kwam den 20sten Augustus te Sackatou,
waar hij gevangen gehouden zijnde den laatsten adem uitblies in de
armen van zijn getrouwen bediende Richard Lander."--"En wat werd er
van dien Lander?" vroeg Joe belangstellend.--"Het gelukte hem de kust
weder te bereiken en te Londen terug te komen, de papieren van den
kapitein en een nauwkeurig verhaal zijner eigene reis medebrengende;
toen bood hij aan het gouvernement zijne diensten aan om de kennis
van den Niger te voltooien; hij nam zijn broeder John, tweeden zoon
van arme lieden uit Corn-Wallis mede, en beiden zakten zij van
1829 tot 1831 de rivier af van Boussa tot aan hare uitwatering,
dorp voor dorp, mijl voor mijl beschrijvende."--"Dus ontsnapten
die twee broeders aan het algemeene lot?" vroeg Kennedy.--"Ja, ten
minste op deze expeditie; want in 1833 ondernam Richard eene derde
reis naar den Niger en stierf, door een onbekenden kogel getroffen,
aan den mond der rivier. Gij ziet dus, mijne vrienden, dat dit land,
dat wij doortrekken, getuige is geweest van edele zelfopofferingen,
die al te dikwijls slechts den dood tot belooning hebben gehad."