De weg naar het westen.--Het ontwaken van
Joe. Zijne koppigheid.--Einde der geschiedenis van
Joe.--Tagelet.--Ongerustheid van Kennedy.--Weg naar het
noorden.--Een nacht dicht bij Aghadés.
De wind werd bedaarder gedurende den nacht en de Victoria bleef stil
boven een grooten wilden vijgenboom. De doctor en Kennedy waakten
beurtelings en Joe maakte van die gelegenheid gebruik om een goeden
slaap te doen, vier-en-twintig uren achtereen.--"Dit geneesmiddel
heeft hij noodig," zeide Ferguson, "de natuur zal zich met zijne
genezing belasten." Op den dag werd de wind weder vrij sterk maar
veranderlijk, dan eens was hij noord, dan weder zuid, maar ten
laatste werd de Victoria westwaarts gevoerd. De doctor met de kaart
in de hand, herkende het koninkrijk Damerghou, een golvenden grond
van groote vruchtbaarheid, met de hutten der dorpen, vervaardigd van
riet en takken van de asclepia; de korenmolens verhieven zich in de
bebouwde velden op kleine stellages, die bestemd waren om hen tegen de
muizen en termiten te beschermen. Weldra bereikte men de stad Zinder,
herkenbaar aan haar uitgestrekt plein van strafoefeningen; in het
midden verheft zich de boom des doods, de beul waakt aan zijn voet,
en al wie onder zijn lommer doorgaat, wordt terstond opgehangen. Het
kompas raadplegende, kon Kennedy niet nalaten te zeggen: "Nu nemen wij
weder een weg naar het noorden!"--"Wat beteekent dat? Als hij ons naar
Tombuctou voert, zullen wij ons niet te beklagen hebben! Nooit zal er
schooner reis onder betere omstandigheden volbracht zijn!...."--"Noch
in betere gezondheid," antwoordde Joe, die zijn opgeruimd gelaat door
de gordijnen van de tent stak. "Daar is onze brave vriend!" riep
de jager uit, "onze redder! Hoe gaat het?"--"Zeer natuurlijk,
mijnheer Kennedy, zeer natuurlijk, nooit ben ik zoo wel geweest! Er
is niets dat een mensch zoozeer op zijn streek brengt, als een klein
uitspanningsreisje, voorafgegaan door een bad in het meer Tchad! Is
het niet zoo, meester?"--"Edel hart!" antwoordde Ferguson hem de hand
drukkende. "Hoeveel angst en onrust hebt gij ons veroorzaakt."--"Welnu,
en gij dan! gelooft gij dat ik gerust was over uw lot? Gij kunt u
beroemen mij een grooten schrik te hebben aangejaagd!"--"Wij zullen
elkander nooit verstaan, Joe, als gij de zaken zoo opvat."--"Ik zie
dat zijn val hem niet heeft veranderd," voegde Kennedy er bij. "Uwe
opoffering is verheven geweest, mijn jongen, en heeft ons gered,
want de Victoria zou in het meer zijn gevallen en eens daar zijnde,
had niemand hem er uit kunnen halen."--"Maar als mijne opoffering,
zoo als het u behaagt mijne buiteling te noemen, u gered heeft, heeft
het mij dan ook niet gered, daar wij allen eene goede gezondheid
genieten? Bij gevolg hebben wij elkander niets te verwijten."--"Men
zal zich nooit met dien knaap verstaan," zeide de jager.--"Het beste
middel om elkander eens te verstaan," zeide Joe, "is niet meer daarover
te spreken; wat gedaan is, is gedaan, hetzij goed of slecht, er valt
niets aan te veranderen."--"Stijfkop," zeide de doctor lachend, "gij
zult ons toch wel uwe avonturen willen verhalen?"--"Als gij er veel
aan hecht! Maar vooraf zal ik deze vette gans braden, want ik zie dat
mijnheer Dick zijn tijd niet heeft laten verloren gaan."--"Zoo als
gij zegt, Joe."--"Welnu! wij zullen weldra zien hoe dit afrikaansche
wild zich in een europeesche maag gedraagt."
De gans was weldra gebraden en opgegeten; Joe nam er een goed deel
van, als een mensch, die in vele dagen niets heeft genuttigd. Na
het gebruik van thee en grog verhaalde hij zijn reisgezellen zijne
avonturen; hij sprak met eene zekere ontroering; terwijl hij de zaken
op zijne hem gewone wijze beschouwde. De doctor drukte hem herhaalde
malen de hand, toen hij dezen waardigen dienaar meer bekommerd zag
over het lot zijns meesters, dan over het zijne; de overstrooming van
het eiland der Biddiomahs verklaarde hij hem uit de menigvuldigheid
van dit verschijnsel op het meer Tchad. Eindelijk kwam Joe aan het
oogenblik waarin hij in het moeras stekende een laatsten kreet van
wanhoop slaakte.
"Ik hield mij voor verloren," zeide hij, "en mijne gedachten waren u
gewijd, meester; en ik begon te worstelen om er uit te komen. Hoe? dat
zal ik u niet zeggen, ik was vast besloten mij niet te laten verzwelgen
zonder pogingen te doen om mij te redden, toen ik op twee schreden
afstands van mij een stuk pas afgesneden touw bemerkte: ik deed eene
laatste poging, en zoo goed en zoo kwaad als het ging gelukte het mij
dat te grijpen; ik trok en eindelijk was ik weder op vasten grond. Aan
het einde van het touw vond ik een anker! O, meester, ik heb wel
recht om 't het anker der redding te noemen, als gij daar ten minste
niets tegen hebt. Ik herkende het voor een anker van den Victoria,
gij waart dus daar geweest. Ik volgde de richting van het touw, dat
mij uwe richting aanwees, en na nieuwe pogingen trok ik mij uit het
slik. Ik had met mijn moed ook mijne krachten herkregen en ik liep
gedurende een gedeelte van den nacht, mij van het meer verwijderende;
eindelijk kwam ik aan den zoom van een onmetelijk woud. Daar was
eene beslotene ruimte, waar paarden graasden zonder eenig kwaad
te vermoeden; er zijn oogenblikken in het leven, dat iedereen kan
paard rijden, is het niet waar? Ik bedacht mij geene minuut, sprong
op den rug van een dezer dieren, en joeg met alle snelheid naar het
noorden. Ik zal u niet spreken van steden, die ik niet heb gezien,
noch van de dorpen die ik heb vermeden. Neen. Ik snelde over bezaaide
velden, ik sprong over kreupelhout, beklom pallissaden, en zette
mijn paard steeds aan. Ik kwam eindelijk aan de grens der bebouwde
velden. Mooi, daar was de woestijn! dat stond mij aan, want toen kon
ik beter en verder voor mij uitzien. Ik hoopte altijd den Victoria te
ontdekken. Maar niets daarvan. Na drie uren belandde ik als een gek
in eene legerplaats van Arabieren! Welk eene jacht!.... Ziet gij,
mijnheer Kennedy, een jager weet niet wat eene jacht is, als men
nooit op hem zelven jacht gemaakt heeft! En echter geef ik hem den
raad het nooit te beproeven. Mijn paard viel neer van vermoeienis,
men drong op mij aan, ik spring achter een Arabier op het paard! Ik
was niet boos op hem en ik hoop dat hij het mij vergeven zal dat ik
hem heb gewurgd; maar ik had u gezien en gij weet het overige. De
Victoria volgde mijn spoor en gij naamt mij op in de vlucht, even
als een ruiter een ring bij het ringsteken. Had ik niet gelijk op
u te rekenen? Welnu, mijnheer Samuel, gij ziet hoe eenvoudig dat
alles is. Niets ter wereld is natuurlijker! Ik ben gereed weder te
beginnen, als het u nogmaals een dienst kan bewijzen! En overigens,
zooals ik u zeide, meester, het is niet der moeite waard daarover
te spreken." "Mijn brave Joe!" antwoordde de doctor ontroerd, "edel
hart! Wij hadden geen ongelijk vertrouwen te stellen in uw vernuft
en uwe behendigheid."--"Bah! mijnheer, men laat zich slechts door de
omstandigheden leiden, en men redt zich uit den brand! Het veiligste,
ziet gij, is nog de zaken te nemen zoo als zij zich voordoen."
Gedurende deze geschiedenis van Joe had de ballon snel eene groote
uitgestrektheid doorloopen. Kennedy maakte weldra aan den horizon
op eene verzameling hutten opmerkzaam, die het aanzien van eene
stad hadden. De doctor raadpleegde zijne kaart en herkende Tagelel
in Damerghou. "Wij vinden hier," zeide hij, "den weg van Barth
weder. Daar scheidde hij van zijne twee reisgezellen, Richardson
en Overweg; de eerste moest den weg van Zinder, de tweede dien
van Maradi volgen en gij herinnert u dat Barth de eenige van deze
drie reizigers is, die Europa wederzag."--"Dus," zeide de jager,
"als wij op de kaart de richting van den Victoria volgen, gaan wij
recht noordwaarts."--"Ja, mijn waarde Dick."--"En verontrust u dit
niet een weinig?"--"Waarom?"--"Omdat die weg ons naar Tripoli voert
en boven de groote woestijn."--"O! wij zullen zoo ver niet gaan,
mijn vriend, ten minste ik hoop het."--"Maar waar wilt gij stil
houden?"--"Laat eens zien, Dick, zoudt gij niet nieuwsgierig zijn
om Tombuctou te bezoeken?"--"Tombuctou?"--"Zonder twijfel," zeide
Joe, "men mag geene reis door Afrika doen, zonder Tombuctou te
bezoeken."--"Gij zult de vijfde of zesde Europeaan zijn, die deze
geheimzinnige stad heeft gezien!"--"Naar Tombuctou dan."--"Laat
ons dan tusschen 17° en 18° breedte aankomen en daar zullen wij
een gunstigen wind zoeken, die ons naar het westen voert."--"Goed,"
antwoordde de jager; "maar moeten wij nog een langen weg noordwaarts
afleggen?"--"Ten minste 150 mijlen."--"Dan ga ik een weinig slapen,"
zeide Kennedy.--"Slaap, mijnheer," antwoordde Joe, "gij, meester,
doe even als mijnheer Kennedy, gij zult rust noodig hebben, want ik
heb u op eene onbescheidene wijze wakker gehouden."
De jager strekte zich onder de tent uit, maar Ferguson, op wien de
vermoeienis weinig invloed had, bleef op zijn post als waarnemer. Na
drie uren trok de Victoria buitengewoon snel over dat keisteenachtige
land, met rijen hooge en naakte bergen met grondvlakken van graniet;
enkele toppen bereikten zelfs eene hoogte van 4000 voet; de giraffen,
antilopen en struisvogels sprongen zeer vlug in de bosschen van
acacia's, mimosa's en dadelboomen; na de dorheid der woestijn hernam
de plantengroei zijn rijk. Het was het land der Kailouas, die zich het
gezicht bedekken met een band van katoen, even als hunne gevaarlijke
buren de Touaregs.
Ten tien uur des avonds, na een tocht van 250 mijlen, hield de Victoria
stil boven eene belangrijke stad; de maan deed zien dat een gedeelte
half verwoest was; eenige toppen van moskeeën verhieven zich door
den maneschijn verlicht; de doctor nam de hoogte der sterren waar,
en bevond dat hij op de breedte van Aghadès was. Deze stad, eertijds
het middelpunt van een levendigen handel, begon reeds te vervallen
toen doctor Barth haar bezocht. Daar men den ballon in den donker niet
had bemerkt, daalde hij neder op twee mijlen ten noorden van Aghadès,
op een groot gierstveld. De nacht was vrij rustig en verdween tegen
drie uur des morgens, terwijl een lichte wind den ballon naar het
oosten en zelfs een weinig naar het zuiden voerde. Ferguson haastte
zich van deze goede gelegenheid gebruik te maken; hij steeg spoedig
en ging voort te midden van heldere zonnestralen.