Vertrek in den nacht.--Alle drie.--Het instinct van
Kennedy.--Voorzorgen.--De loop van den Shari.--Het meer
Tchad.--Het water van het meer.--Het rivierpaard.--Een
verloren kogel.
Ongeveer drie uur in den morgen zag Joe, die de wacht had, eindelijk de
stad onder zich verdwijnen. De Victoria ging weder vooruit. Kennedy
en de doctor ontwaakten. Deze raadpleegde zijn kompas en zag met
voldoening dat de wind hen naar het noord-noord-oosten voerde.--"Wij
zijn gelukkig," zeide hij, "alles gaat goed, wij zullen nog heden het
meer Tchad zien."--"Is dat eene groote uitgestrektheid water?" vroeg
Kennedy.--"Van belang, mijn waarde Dick; op zijne grootste lengte
en breedte kan dit meer 120 mijlen halen."--"Dat zal in onze reis
eenige afwisseling geven, als wij over een water gaan."--"Maar het
komt mij voor dat wij geen klagen hebben; zij is zeer afwisselend
in gebeurtenissen en vooral zijn wij in den best mogelijken
toestand."--"Zonder twijfel, Samuel, behalve de ontberingen der
woestijn, hebben wij geen ernstig gevaar geloopen."--"Het is zeker
dat onze brave Victoria zich altijd goed heeft gedragen. Wij hebben
heden den 12den Mei, wij zijn den 18den April vertrokken en hebben
dus 25 dagen gereisd. Nog tien dagen dan zullen wij aangekomen
zijn."--"Waar?"--"Daar weet ik niets van, maar wat komt het er op
aan!"--"Gij hebt gelijk, Samuel, laat ons aan de Voorzienigheid de
zorg overlaten om ons te richten en ons gezond te doen blijven, zoo
als tot nu toe! Wij zien er niet naar uit, dat wij de ongezondste
landen der wereld hebben doorreisd."--"Wij waren in staat te stijgen
en wij hebben het gedaan."--"Leven de luchtreizen!" riep Joe uit;
"wij zijn na vijf-en-twintig dagen welvarend en goed uitgerust,
te veel misschien, want mijne beenen beginnen stijf te worden; ik
zou wel eenige mijlen ver willen loopen."--"Gij zult dit genoegen
smaken in de straten van Londen; maar om te besluiten, wij zijn met
ons drieën vertrokken, evenals Denham, Clapperton en Overweg, gelijk
Barth, Richardson en Vogel, en gelukkiger dan onze voorgangers zijn
wij nog allen bijeen. Maar het is van belang niet te scheiden. Als
echter een van ons op den grond was en de Victoria moest stijgen om
een plotseling, ongewoon gevaar te ontgaan, wie weet of wij hem wel
ooit zouden wederzien? Daarom, ik zeg het rondborstig aan Kennedy, ik
heb niet gaarne dat hij zich verwijdert om te jagen."--"Gij zult mij
toch wel toestaan, vriend Samuel, dezen lust nog eens bot te vieren;
het kon geen kwaad onzen voorraad te vernieuwen; overigens hebt
gij vóór ons vertrek mij deze reeks van jachtpartijen zoo heerlijk
afgeschilderd, en tot heden heb ik er weinig aan gedaan."--"Maar,
mijn waarde Dick, uw geheugen schiet te kort, of uwe zedigheid doet u
uwe heldendaden vergeten; ik meen, dat gij, zonder van het kleine wild
te spreken, reeds eene antilope, een olifant en twee leeuwen op het
geweten hebt."--"Mooi! Wat beteekent dat voor een afrikaanschen jager,
die alle dieren der schepping voorbij den loop van zijn geweer ziet
gaan? Kijk, zie dezen troep giraffen eens."--"Giraffen," zeide Joe,
"zij zijn zoo groot als mijn vuist."--"Omdat wij 1000 voet boven
hen zijn, maar van nabij zult gij zien, dat zij driemaal hooger
zijn dan gij."--"En wat zegt gij van dezen troep gazellen?" hernam
Kennedy, "en van deze struisvogels, die met de snelheid van den wind
vluchten."--"Struisvogels!" zeide Joe, "het zijn kippen."--"Laat
ons zien, Samuel, kunnen wij niet naderbij komen?"--"Zeer zeker,
Dick, maar niet op de aarde gaan. Waartoe zou het ook dienen die
dieren te dooden, die ons van hoegenaamd geen nut zijn? Als het nog
te doen was om een leeuw, eene tijgerkat of eene hyena te dooden,
zou ik dat begrijpen, het zou altijd een gevaarlijk dier minder zijn;
maar eene antilope, eene gazelle schieten, zonder ander voordeel dan
de ijdele voldoening van uwe begeerten als jager, dat is waarlijk der
moeite niet waard. Wij zullen op 100 voet van den grond stil blijven,
en als gij een of ander wild dier ziet, zult gij ons een genoegen
doen het een kogel in het hart te jagen."
De Victoria daalde langzamerhand, evenwel op eene veilige hoogte
blijvende. In eene wilde en zeer bevolkte streek, moest men op
onverwachte gevaren bedacht zijn. De reizigers volgden toen den loop
van den Shari; de bekoorlijke oevers van die rivier verdwenen onder
het lommer der boomen; klimplanten slingerden er van alle kanten om en
brachten verschillende schakeeringen van kleuren voort. De krokodillen
speelden in de zon of dompelden onder water met de snelheid eener
hagedis; spelende kwamen zij aan de talrijke eilanden, die den loop
der rivier tegenhielden. Aldus trokken zij, te midden eener rijke
en weelderige natuur, door het district Maffatay. Tegen negen uur
des morgens bereikten de reizigers eindelijk den zuidelijken oever
van het meer Tchad. Daar was dan die Kaspische Zee van Afrika, wier
bestaan zoolang tot de fabelen was gerekend, die binnenzee welke
slechts werd bereikt door Denham en Barth. De doctor beproefde den
tegenwoordigen vorm daarvan te bepalen, die zeer verschillend was van
dien van 1847. Inderdaad, het is onmogelijk eene kaart van dit meer
te maken; het wordt omringd door bijna onoverschrijdbare moerassen,
waarin Barth dacht om te komen; van jaar tot jaar veranderen deze
moerassen bedekt met riet en vijftien voet hooge papyrussen, in het
meer zelf; dikwijls ook worden de steden aan zijne oevers ten halve
overstroomd, zooals het Ngornou in 1856 gebeurde; en nu zwemmen de
rivierpaarden op de plaatsen waar de woningen van Bornou stonden. De
zon schoot hare verblindende stralen op dit kalme water, en in het
noorden smolten de twee elementen aan den horizon ineen. De doctor
wilde de natuur van het water onderzoeken, dat hij lang gemeend had
zout te wezen; er stak geen gevaar in de oppervlakte van het meer
te naderen en het schuitje ging er langs als een vogel, op vijf voet
afstands. Joe dompelde er eene flesch in en haalde haar halfvol op;
men beproefde het water en bevond het ondrinkbaar, en met een zekeren
smaak van loogzout aangedaan.
Terwijl de doctor het resultaat van zijn onderzoek opschreef,
hoorde hij een schot aan zijne zijde. Kennedy had geen weerstand
kunnen bieden aan de begeerte een reusachtig rivierpaard een kogel
toe te zenden, het verdween op het geluid van de losbranding en de
kegelvormige kogel van den jager scheen hem niets te deren.--"Het zou
beter geweest zijn hem te harpoeneeren," zeide Joe.--"En hoe?"--"Met
een van onze ankers. Dat zou een passende hoek geweest zijn voor
zulk een dier."--"Maar," zeide Kennedy, "Joe heeft daar waarlijk
een denkbeeld"... "Dat ik u verzoek niet ten uitvoer te brengen,"
antwoordde den doctor. "Het dier zou ons spoedig daarheen gesleept
hebben, waar wij niet noodig hebben."--"Vooral nu wij zekerheid hebben
omtrent het water van het meer Tchad. Kan men dit dier eten, mijnheer
Ferguson?"--"Het is niets anders dan een zoogdier, dat tot het ras der
dikhuidigen behoort; zijn vleesch is uitmuntend, zegt men en maakt een
tak uit van een aanzienlijken handel onder de stammen aan de oevers
van het meer."--"Dan spijt het mij dat het schot van mijnheer Dick
niet beter heeft getroffen."--"Dit dier is slechts kwetsbaar aan den
buik en tusschen de dijen; de kogel van Dick heeft hem zelfs niet
eens geschampt. Maar als het terrein mij gunstig schijnt, zullen
wij aan het noordelijke uiteinde van het meer stilhouden, daar zal
Kennedy als in eene menagerie zijn en zich op zijn gemak schadeloos
kunnen stellen."--"Welnu!" zeide Joe, "laat mijnheer Dick een weinig
jacht maken op het rivierpaard! Ik zou wel eens het vleesch van dit
tweeslachtig dier willen proeven; het is waarlijk niet natuurlijk
tot in het hart van Afrika door te dringen, om slechts van kleine
snippen en patrijzen te leven even als in Engeland."