XXVIII.

Aangename avond.--De keuken van Joe.--Verhandeling over rauw

vleesch.--Geschiedenis van James Bruce.--Het bivouak.--De

droomen van Joe.--De barometer daalt.--De barometer

rijst.--Toebereidselen tot het vertrek.--De orkaan.

De avond was heerlijk en ging voorbij onder het lommer van

minosaas, na een versterkend maal; de thee en grog werden er niet

gespaard. Kennedy had deze kleine ruimte in alle richtingen doorkruist,

en alle struiken onderzocht; onze reizigers waren de eenige levende

wezens van dit aardsche paradijs; zij strekten zich op hunne dekens

uit en brachten een rustigen nacht door, die hun de geleden smarten

deed vergeten. Des anderen daags, den 7den Mei, schitterde de zon

in al haren glans, maar hare stralen konden het dikke lommer niet

doordringen. Daar er levensmiddelen genoeg waren, besloot de doctor

op deze plaats een gunstiger wind af te wachten. Joe had er zijne

draagbare keuken heengebracht en deed verscheidene keukenoefeningen,

het water zorgeloos verkwistende.--"Welk eene vreemde opeenvolging

van smart en vreugde!" riep Kennedy uit, "deze overvloed, na die

ontbering, deze weelde volgende op die ellende! Ik was bijna gek

geworden!"--"Mijn waarde Dick," zeide de doctor, "zonder Joe zoudt

gij nu niet redeneeren over de onstandvastigheid der menschelijke

zaken."--"Brave vriend!" zeide Dick, Joe de handen toereikende.--"Het

heeft niets te beduiden," antwoordde deze. "Ik hoop echter niet dat

de gelegenheid zich zal aanbieden, dat gij mij denzelfden dienst

bewijst."--"Hoe arm is onze natuur, dat zij zich door zoo weinig laat

ter nederslaan."--"Door zoo weinig water, wilt gij zeggen, meester,

dit moet toch wel noodzakelijk zijn voor het leven."--"Zonder twijfel,

Joe, en de menschen zonder eten zouden langer kunnen leven dan zonder

drinken."--"Ik geloot het, en des noods eet men wat men ontmoet,

zelfs zijns gelijke, hoewel dit eenmaal moet wezen, dat u langen

tijd zal heugen."--"De wilden doen het toch," zeide Kennedy.--"Ja,

maar dat zijn wilden, die gewoon zijn rauw vleesch te eten, mij zou

het zeer tegenstaan."

"Het is inderdaad zoo tegennatuurlijk," antwoordde de doctor,

"dat niemand geloof heeft willen slaan aan de verhalen der eerste

reizigers in Afrika; deze verhalen, dat verscheidene volksstammen zich

met rauw vleesch voedden, en men hechtte daaraan in het algemeen geen

geloof. Onder deze omstandigheden overkwam een zonderling avontuur

aan James Bruce."

"Verhaal ons dat, mijnheer, wij hebben den tijd om naar u te

luisteren," zeide Joe, zich met wellust op het frissche gras

uitstrekkende.

"Gaarne. James Bruce was een Schot uit het graafschap Stirling, die

van 1768 tot 1772 geheel Abyssinië tot aan het meer Tyana doorreisde,

om de bronnen van den Nijl te zoeken; hij kwam in Engeland terug, waar

hij eerst in 1790 zijne reizen door den druk bekend maakte. Zijne

verhalen werden met groot ongeloof ontvangen, een ongeloof dat

zonder twijfel ook de onzen wachten. De gewoonten der Abyssiniërs

schenen zoo zeer verschillend van de Engelsche, dat niemand ze wilde

gelooven. Onder andere bijzonderheden had James Bruce verzekerd dat

de volken van Oostelijk Afrika rauw vleesch aten; dit joeg iedereen

tegen hem in het harnas."--"Hij kon er gemakkelijk van spreken," zeide

men, "men zou het niet gaan onderzoeken." Bruce was zeer moedig en

oploopend. Deze twijfelingen verbitterden hem ten hoogste. Eens kwam

een Schot, in een salon van Edinburg, in zijne tegenwoordigheid weder

op de dagelijksche spotternijen terug en, wat het rauwe vleesch betrof

verklaarde hij ronduit, dat de zaak noch mogelijk noch waar was. Bruce

zeide niets, hij ging uit het vertrek en kwam eenigen tijd daarna

terug met een rauwen biefstuk, op de Afrikaansche wijzen gezouten en

gepeperd. "Mijnheer," zeide hij tot den Schot, "als gij twijfelt aan

eene zaak, die ik heb verhaald, hebt gij mij eene groote beleediging

aangedaan, en als gij haar onuitvoerbaar acht, hebt gij u bedrogen. En

om het aan allen te bewijzen, zult gij terstond een rauwen biefstuk

opeten, of mij voldoening geven voor uwe woorden." De Schot werd bang

en gehoorzaamde niet zonder tegenzin. Toen voegde James Bruce er met

de grootste koelbloedigheid bij: "Als men aanneemt dat de zaak niet

waar is, mijnheer, zult gij niet meer beweren, dat zij onmogelijk is."

"Goed geantwoord," zeide Joe. "Als de Schot eene indigestie had

gekregen, zou hij niets meer hebben gehad dan hij verdiende en als men,

bij onze terugkomst in Engeland onze reis in twijfel trekt...."--"

Welnu! wat zult gij dan doen? Joe."--"Ik zal de ongeloovigen de

stukken van den Victoria zonder zout en peper laten opeten!"

Iedereen begon te lachen om Joe. De dag ging met aangename gesprekken

voorbij, met de kracht herleefde de hoop, de moed. Het verledene

verdween voor de toekomst. Joe zou deze bekoorlijke verblijfplaats

niet hebben willen verlaten; zij was het rijk zijner droomen, hij vond

zich te huis; zijn meester moest hem de juiste plaats opgeven en met

grooten ernst schreef hij in zijn zakboekje, 15° 43' lengte en 8° 32'

breedte. Kennedy had slechts spijt dat hij in dit kleine woud niet kon

jagen; volgens hem was er te veel gebrek aan wilde dieren. "Echter,

mijn waarde Dick," hernam de doctor, "vergeet gij spoedig dien leeuw

en die leeuwin?" "Dat!" zeide hij met de verachting van een waar

jager voor het neergeschoten dier! "Maar hunne tegenwoordigheid in

deze oase kan doen vermoeden dat wij niet ver van vruchtbare streken

verwijderd zijn."--"Dit is een zwak bewijs, Dick; deze dieren,

door honger of dorst gedreven, leggen soms groote afstanden af; den

volgenden nacht zullen wij zelfs zeer wel doen zorgvuldiger te waken

en vuren te ontsteken."--"In deze temperatuur," zeide Joe. "Maar, als

het noodig is, zullen wij het doen. Het zal mij echter zeer spijten dit

fraaie hout, dat ons van zooveel nut is geweest, te verbranden."--"Wij

zullen oppassen het niet in brand te steken," antwoordde de doctor,

"opdat anderen er eene toevlucht zullen kunnen vinden te midden der

woestijn."--"Men zal er op passen, mijnheer, maar denkt gij dat deze

oase bekend is?"--"Zeker. Het is een rustplaats voor de karavanen,

die het midden van Afrika bezoeken, en hun bezoek zou er wel eens

niet aangenaam kunnen zijn, Joe."--"Zijn er hier nog meer van die

afschuwelijke Nyam-Nyam?"--"Zonder twijfel; het is de algemeene

naam van al deze volken, en onder hetzelfde klimaat moeten dezelfde

stammen dezelfde gewoonten hebben."--"Pouah!" zeide Joe. "Maar alles

bijeengenomen is het heel natuurlijk. Als wilden een smaak als heeren

hadden, waar zou het verschil dan zijn? Bij voorbeeld, zie daar brave

lieden, die zich niet zouden laten noodigen, om den biefstuk van

den Schot en zelfs den Schot op den koop toe te verslinden." Na deze

verstandige opmerking ging Joe het hout voor den nacht opstapelen. De

voorzorg was echter onnoodig, en beurtelings genoten zij een diepen,

vreedzamen slaap. Des anderen daags veranderde het weder nog niet;

het bleef even schoon. De ballon bleef onbeweeglijk, zonder dat een

schommeling een koeltje verried. De doctor begon verder ongerust

te worden; als de reis zoo veel langer moest duren, zouden zij geene

levensmiddelen genoeg hebben. Na uit gebrek aan water bijna bezweken te

zijn, zouden zij van honger moeten omkomen. Maar hij stelde zich weder

gerust, toen hij eene aanmerkelijke daling van den barometer waarnam;

er waren blijkbare teekenen van eene aanstaande verandering in den

dampkring; hij besloot dus zich tot het vertrek gereed te maken om

van de eerste gelegenheid gebruik te maken; beide bakken werden geheel

gevuld. Hij moest ook het evenwicht in den luchtballon herstellen en

Joe was verplicht een aanzienlijk deel van zijn kostbaar erts op te

offeren. Met de gezondheid was zijne eerzucht weergekeerd; hij keek

herhaalde malen onvriendelijk voordat hij zijn meester gehoorzaamde,

maar deze bewees hem, dat hij een zoo groot gewicht niet kon optillen,

hij gaf hem de keus tusschen het water of het goud; Joe aarzelde niet

meer en wierp eene groote hoeveelheid kwarts in het zand.--"Dat is voor

hen, die na ons komen," zeide hij, "zij zullen zeer verbaasd zijn, hun

fortuin op deze plaats te vinden."--"En als een geleerd reiziger deze

staaltjes vindt?...."--"Twijfel er niet aan, mijn waarde Dick, dat hij

zeer verwonderd zal zijn en zijne verwondering in talrijke folianten

zal bekend maken. Wij zullen een of anderen tijd hooren spreken van

eene wonderbare soort van kwarts in het zand van Afrika."--"En Joe

zal daarvan de oorzaak wezen."

Gedurende het overige gedeelte van den dag wachtte de doctor te

vergeefs eene verandering in den dampkring; de temperatuur werd hooger

en zou onverdraaglijk zijn geweest zonder het lommer der oase. De

thermometer wees in de zon 149 graden, een regen van vuur doorkruiste

de lucht. Het was de grootste hitte, die zij hadden waargenomen. Joe

maakte, even als den vorigen avond, hun bivouak gereed, en gedurende

de wacht van den doctor en Kennedy had er niets bijzonders plaats. Maar

tegen drie uur des morgens, toen Joe de wacht had, werd de temperatuur

eensklaps lager, de hemel bedekte zich met wolken en de duisternis

werd grooter.--"Op!" riep Joe, zijne twee reisgezellen wekkende, "zie

hier den wind."--"Eindelijk," zeide de doctor, den hemel beschouwende,

"maar het is een storm! Naar den Victoria!" Het was meer dan tijd om

er te komen. De Victoria boog zich onder den invloed van den orkaan

en sleepte het schuitje door het zand. Als een gedeelte van den

ballast bij toeval ter aarde ware geworpen, zou de ballon verdwenen

zijn en alle hoop om hem weder te vinden zou voor altijd verloren

zijn geweest. Maar de vlugge Joe liep wat hij loopen kon en hield

het schuitje tegen, terwijl de luchtballon op het zand ging liggen,

op gevaar af van te scheuren. De doctor nam zijne gewone plaats in,

stak de gasvlam aan en wierp het overtollige gewicht weg. De reizigers

zagen voor de laatste maal naar de boomen der oase, die onder den

storm bogen, en weldra verdwenen zij in den nacht, den wind vangende

op tweehonderd voet boven den grond.

Vijf weken in een luchtballon · 第 31 / 56 题