Vreeslijke hitte.--Zinsbedrog.--De laatste druppels
water.--Nachten van wanhoop.--Poging tot zelfmoord.--De
simoem.--De oase.--Leeuw en Leeuwin.
De eerste zorg van den doctor des anderen daags was, den barometer
te raadplegen. Deze was nauwelijks merkbaar gedaald.--"Niets?" zeide
hij tot zich zelven.--Hij ging uit het schuitje en onderzocht het
verder; het was nog dezelfde hitte, dezelfde helderheid.--"Moeten
wij dan wanhopen?" riep hij uit.--Joe in zijne gedachten verzonken
en zijn plan van onderzoek overdenkende, zeide niets. Kennedy stond
op, zeer ziek en ter prooi aan eene verontrustende overspanning; hij
leed vreeslijk van den dorst. Zijne tong en lippen konden nauwlijks
geluid voortbrengen. Er waren nog eenige druppels water, ieder dacht
er aan en gevoelde zich daartoe aangetrokken, maar niemand durfde
eene schrede doen. Deze drie reisgezellen en vrienden zagen elkander
aan met woeste blikken en met een gevoel van beestachtigen lust,
dat vooral bij Kennedy zich vertoonde; zijne sterke bewerktuiging
bezweek spoediger voor die onverdraaglijke ontberingen. Den geheelen
dag was hij ter prooi aan waanzin; hij ging en kwam, schorre kreten
slakende, zich in de vuisten bijtende, gereed zich de aderen te
openen om het bloed er uit te drinken.--"Ach!" riep hij uit, "land
van dorst! gij moogt wel land van wanhoop genoemd worden!" Daarna
verviel hij in eene groote zwakte, men hoorde slechts het gepiep
zijner ademhaling tusschen zijne dorstige lippen. Tegen den avond
werd Joe op zijne beurt door eene soort razernij aangetast; deze
uitgestrekte zandzee kwam hem voor als een onmetelijke vijver met
heldere en doorschijnende wateren, en meer dan eens wierp hij zich
op dien brandenden grond om te drinken en stond op met den mond vol
stof.--"Vervloekt," zeide hij toornig, "het is zout water!"--Toen werd
hij, terwijl Ferguson en Kennedy onbeweeglijk lagen uitgestrekt, door
de onvermijdelijke gedachte overvallen om die enkele druppels water,
die nog waren bewaard, op te drinken. Deze gedachte was sterker dan
hij zelf, hij naderde het schuitje, zich op de knieën voortslepende,
hij verslond de flesch waarin dit vocht was met zijn blik, greep haar
en bracht haar aan zijne lippen. Op dit oogenblik werden de woorden:
Drinken! drinken! op hartverscheurenden toon uitgesproken. Het was
Kennedy, die zich naar hem toe sleepte, hij smeekte om medelijden,
hij bad knielende en weende. Joe, in tranen uitbarstende, gaf hem
de flesch en de ongelukkige dronk haar tot den laatsten druppel
ledig.--"Dank u;" zeide hij. Maar Joe hoorde het niet, hij was even
als de anderen op het zand nedergevallen.
Wat gebeurde er in dien akeligen nacht? niemand weet het. Maar Dinsdag
morgen zagen de ongelukkigen hunne ledematen langzamerhand uitdrogen
onder deze stortbaden van vuur. Toen Joe wilde opstaan was het hem
onmogelijk, hij kon zijn plan niet ten uitvoer brengen. Hij sloeg zijne
oogen rondom zich. In het schuitje beschouwde de doctor, de armen over
de borst gekruist, een denkbeeldig punt in de ruimte met de strakheid
van een waanzinnige. Kennedy was afgrijselijk om aan te zien, hij
slingerde het hoofd rechts en links even als een wild dier in zijne
kooi. Plotseling vestigden zijn blikken zich op zijne karabijn, wier
kolt boven den rand van het schuitje uitstak.--"O!" riep hij uit, zich
door eene bovenmenschelijke poging opheffende. Hij greep het wapen,
hij richtte den loop naar zijn mond.--"Mijnheer! mijnheer!" zeide Joe,
zich op hem werpende.--"Laat mij," zeide de Schot reutelend.--Beiden
worstelden verbitterd.--"Ga heen, of ik dood u!" zeide Kennedy.--Maar
Joe klampte zich krachtig aan hem vast; aldus kampten zij eene minuut
lang zonder dat de doctor hen kon zien; in de worsteling ging de
karabijn plotseling af. Bij die losbranding stond de doctor recht
op als een spook en zag rond. Maar eensklaps wordt zijn blik helder,
zijne hand strekt zich naar den horizon uit en met eene stem, die niets
menschelijks meer had, roept hij uit: "Daar! daar! daar ginds!" Er
was zooveel kracht in zijn gebaar, dat Joe en Kennedy elkander
loslieten en uitzagen. De vlakte bewoog zich even als eene woedende
zee gedurende een storm; golven zand rolden op elkander te midden van
een dik stof, eene ontzettende kolom kwam van het zuidoosten met eene
groote snelheid draaiende, de zon verdween achter eene dichte wolk,
wier lange schaduw zich tot aan den Victoria uitstrekte; de zandkorrels
gleden voort met het gemak van waterdruppels en dit wassende getij
naderde langzamerhand. Een blik van hoop schitterde in de oogen
van Ferguson.--"De Simoem!" riep hij uit.--"De Simoem!" herhaalde
Joe, zonder recht te begrijpen.--"Des te beter," zeide Kennedy met
wanhopige woede, "dan zullen wij sterven."--"Des te beter," hernam
de doctor, "wij zullen leven."--Hij wierp spoedig het zand weg dat
het schuitje bevrachtte. Zijne reisgezellen begrepen hem eindelijk,
voegden zich bij hem en gingen aan zijne zijde zitten.--"En nu, Joe,"
zeide de doctor,"werp nu vijftig pond van uwe erts weg." Joe aarzelde
niet, hij ondervond echter wel eenige teleurstelling. De ballon
steeg. "Het was tijd," riep de doctor uit. De simoem kwam inderdaad
met bliksemsnelheid, een weinig later, en de Victoria zou verpletterd
zijn geworden. De ontzettende hoos bereikte hem bijna, hij werd met
een regen van zand bedekt.--"Nog meer ballast weg!" zeide de doctor
tot Joe.--"Ziedaar," antwoordde deze een groot stuk kwarts wegwerpende.
De Victoria steeg snel boven de hoos, maar werd met eene onberekenbare
snelheid boven deze schuimende zee gevoerd. Samuel, Dick en Joe
spraken niet, zij zagen en hoopten verfrischt door dezen dwarlwind. Ten
drie uur hield die kwelling op; het zand nedervallende, vormde eene
ontelbare menigte bergjes, de hemel werd helder als voorheen. De
Victoria, weder onbeweeglijk geworden, zweefde dicht bij eene oase,
een eiland te midden der zandzee bedekt met groene boomen.--"Het
water is daar!" zeide de doctor.
Terstond de bovenste klep openende, liet hij eenig gas ontsnappen
en daalde zachtjes neder op tweehonderd schreden van de oase. In
vier uren hadden de reizigers 240 mijlen afgelegd. Het schuitje werd
terstond in evenwicht gebracht en Kennedy door Joe gevolgd, sprong op
de aarde.--"Uwe geweren!" riep de doctor uit, "weest voorzichtig." Dick
greep zijn karabijn en Joe een der geweren. Zij naderden spoedig de
boomen en drongen in dit frissche groen door, dat hun overvloedige
bronnen beloofde; zij sloegen geen acht op versche sporen die hier
en daar in den vochtigen grond zichtbaar waren. Plotseling klonk een
gebrul op twintig schreden afstands van hen.--"Het gebrul van een
leeuw?" zeide Joe.--"Des te beter," antwoordde de jager verbitterd,
"wij zullen vechten."--"Voorzichtig, mijnheer Dick! van het leven
van één onzer hangt aller leven af."--Maar Kennedy hoorde hem niet,
hij ging verder met flonkerende oogen, zijne karabijn geladen en
verschrikkelijk in zijne stoutmoedigheid. Onder een palmboom stond
een leeuw met zwarte manen in aanvallende houding. Nauwlijks had hij
den jager bemerkt, of hij sprong vooruit, maar hij was nog niet op den
grond gekomen of reeds werd hij door een kogel in het hart getroffen;
hij viel dood neder.--"Hoezee!" schreeuwde Joe. Kennedy snelde op
den put toe, begaf zich op de glibberige trappen en strekte zich
bij een frissche bron uit, waarvan hij gretig het vocht opslurpte;
Joe volgde hem na en men hoorde slechts het geklap der tong van
menschen die hun dorst lesschen.--"Laat ons oppassen, mijnheer
Dick," zeide Joe adem halende, "en niet te veel drinken." Maar Dick
ging voort met drinken, zonder te antwoorden. Hij dompelde hoofd
en handen in dit weldadige water. "En mijnheer Ferguson?" zeide
Joe.--Dit enkele woord bracht Kennedy tot zich zelven; hij vulde
eene flesch, die hij had medegebracht, en steeg de trappen van den
put op, maar bleef als versteend staan. Een ontzaglijk lichaam sloot
de opening. Joe, die Dick volgde, moest met hem teruggaan. "Wij zijn
opgesloten."--"Dat is onmogelijk! Wat beteekent dit?"--Dick eindigde
niet, een vreeslijk gebrul deed hem begrijpen met welken nieuwen
vijand hij te doen had.--"Een andere leeuw!" riep Joe uit.--"Neen,
eene leeuwin! Ah! vervloekt beest! wacht," zeide de jager, haastig
zijne karabijn ladende. Een oogenblik daarna gaf hij vuur, maar
het dier was verdwenen.--"Voorwaarts!" zeide hij.--"Neen, mijnheer
Dick, neen, gij hebt haar niet gedood, in dat geval zou haar lichaam
hierheen gerold zijn, zij is daar, gereed om op den eersten van ons,
die verschijnen zal, los te springen, en die is verloren."--"Wat te
doen? Wij moeten hier toch uit, Samuel wacht ons."--"Laat ons het
dier lokken, neem mijn geweer en geef mij uwe karabijn."--"Wat is uw
voornemen?"--"Gij zult 't zien."--Joe, zijn linnen vest uittrekkende,
maakte het vast aan het bovenste deel van het wapen en bood het als
lokaas boven de opening aan. Het woedende dier wierp zich daarop,
Kennedy wachtte het in het voorbij gaan op en verpletterde zijn
schouder met een kogel. De brullende leeuwin rolde op de trap. Joe
omverwerpende. Deze meende reeds de vreeslijke pooten van het dier
in zijn lichaam te voelen slaan, toen een tweede schot losbrandde en
doctor Ferguson aan de opening verscheen met zijn nog rookend geweer
in de hand. Joe stond haastig op, sprong over het lichaam van het
dier en gaf zijn meester de met water gevulde flesch over. Haar aan
zijne lippen te brengen en half te ledigen was voor Ferguson het werk
van een oogenblik, en de drie reizigers dankten uit den grond huns
harten de Voorzienigheid, die hen zoo wonderbaarlijk had gered.