Toorn van Joe.--De dood eens rechtvaardigen.--De wacht bij het
lijk.--Dorheid.--De begrafenis.--De stukken kwarts.--Zinsbedrog
van Joe.--Een kostbare ballast.--Hoogte-opneming der
goudbergen.--Begin der wanhoop van Joe.
Een prachtige nacht verspreidde zich over de aarde, de priester
sliep kalm in.--"Hij zal er niet van opkomen," zeide Joe. "Arme
jongeling! nauwelijks dertig jaar!"--"Hij zal in onze armen
ontslapen! Zijne reeds zoo zwakke ademhaling verzwakt nog meer, en
ik kan niets doen om hem te redden," zeide de doctor wanhopig.--"Die
ellendelingen!" riep Joe uit, die van tijd tot tijd plotseling toornig
werd. "En als men bedenkt, dat deze waardige priester nog woorden
heeft gevonden om hen te beklagen, om hen te verontschuldigen en te
vergeven!"--"De hemel geeft hem een goeden nacht, Joe, zijn laatsten
nacht misschien! Hij zal voortaan weinig lijden, en zijn dood zal
slechts een vreedzame slaap zijn."
De stervende sprak eenige afgebroken woorden uit; de doctor naderde,
de ademhaling van den zieke werd belemmerd, hij hijgde naar lucht. De
gordijnen werden geheel geopend en hij ademde met wellust de koeltjes
van den helderen nacht in; de sterren wierpen haar flikkerend licht op
hem, en de maan omgaf hem met hare blanke stralen.--"Mijne vrienden,"
zeide hij met zwakke stem, "ik sterf! Dat God u naar eene goede
haven geleide! dat Hij u voor mij deze schuld van dankbaarheid
betale!"--"Hoop nog," antwoordde Kennedy, "het is slechts eene
voorbijgaande verzwakking. Gij zult niet sterven! Kan men in zoo'n
schoonen zomernacht sterven?"--"De dood is daar," hernam de zendeling,
"ik weet het! Laat mij hem in het gelaat zien! De dood, het begin der
eeuwigheid, is slechts het einde der aardsche zorgen. Leg mij op de
knieën, mijne broeders, ik bid het u!"
Kennedy hief hem op; het was droevig te zien hoe zijne krachtelooze
ledematen ineenkrompen.--"Mijn God! mijn God!" riep de stervende
apostel uit, "heb medelijden met mij!"
Zijn gelaat schitterde. Ver van deze aarde, welker vreugde hij nooit
had gekend, te midden van dezen nacht, die zijn zachtste licht op hem
wierp, op den weg ten hemel, naar welken hij zich verhief als in eene
wonderbaarlijke hemelvaart, scheen hij reeds in een nieuw bestaan te
herleven. Zijn laatste gebaar was eene laatste zegening voor zijne
vrienden van één dag. Hij viel achterover in de armen van Kennedy,
wiens gelaat baadde in tranen. "Dood!" zeide de doctor, zich over hem
buigende, "hij is dood!" En de drie vrienden knielden, om in stilte
te bidden.--"Morgen ochtend," zeide Ferguson na eenige oogenblikken,
"zullen wij hem begraven in de aarde van Afrika, die met zijn bloed
besproeid is."
Gedurende het overige gedeelte van den nacht werd het lijk beurtelings
door de drie reizigers bewaakt en geen woord stoorde deze plechtige
stilte.
Des anderen daags woei de wind uit het zuiden en de Victoria ging vrij
langzaam over eene uitgestrekte bergvlakte; met onvruchtbare kloven en
uitgebluschte kraters; geen enkele druppel water was op deze verdroogde
toppen te vinden; opeengehoopte rotsen, gespleten steenmassaas,
witachtige mergelgroeven, alles toonde eene groote onvruchtbaarheid
aan. Tegen den middag besloot de doctor, om het lijk te begraven,
in een bergkloof neder te dalen, te midden van door een plutonische
uitbarsting ontstane rotsen der eerste vorming; de omringende bergen
moesten hem beschutten en veroorlooven zijn schuitje tot aan den grond
te doen komen, want er was geen boom om het aan vast te leggen. Maar,
zoo als hij aan Kennedy had uitgelegd, hij kon ten gevolge van zijn
verlies van ballast bij de ontvoering van den priester, slechts dalen
door eene geëvenredigde hoeveelheid gas te laten ontsnappen; daarom
opende hij de buitenste klep van den ballon. Het gas stroomde weg en
de Victoria daalde bedaard in de kloof. Zoodra het schuitje de aarde
aanraakte sloot de doctor de klep, Joe sprong op den grond, zich met
de eene hand aan den uitersten rand vasthoudende en met de andere
raapte hij een zeker aantal steenen op, die weldra zijn eigen gewicht
vervingen; toen kon hij zijne twee handen gebruiken en had weldra in
het schuitje meer dan 500 pond steenen opgestapeld, die aan den doctor
en Kennedy veroorloofden op hunne beurt uit te stappen. De Victoria
was in evenwicht en hare stijgkracht was onmachtig om haar te doen
rijzen. Overigens was er geene groote hoeveelheid van deze steenen
noodig, want de rotsblokken door Joe opgeraapt waren buitengewoon
zwaar, hetgeen een oogenblik de oplettendheid van Ferguson gaande
maakte. De grond was bezaaid met kwarts en tot poeder verweerde
rotsen.--"Dit is eene zonderlinge ontdekking," zeide de doctor in zich
zelven.--Gedurende dien tijd gingen Kennedy en Joe op eenige schreden
afstands eene plaats voor den grafkuil zoeken. Het was ondraaglijk heet
in deze bergkloof, waarin zij als in eene soort van fornuis besloten
waren. De middagzon schoot hare brandende stralen op hen neder. Men
moest eerst van den grond de brokken rots, die hem bedekten, wegruimen;
vervolgens werd er eene kuil gegraven, diep genoeg dat de wilde dieren
het lijk niet konden opgraven. Het lichaam van den martelaar werd
eerbiedig daarin nedergelegd en met aarde overdekt. Groote stukken
rots werden daarboven geplaatst als een grafteeken. De doctor bleef
echter onbeweeglijk en verdiept in zijne overdenkingen. Hij hoorde
het roepen zijner reisgezellen niet, hij kwam niet bij hen terug om
eene beschutting tegen de hitte te zoeken.--"Waaraan denkt gij toch,
Samuel?" vroeg Kennedy.--"Aan een vreemd contrast der natuur en een
merkwaardig gevolg van het toeval. Weet gij in welke aarde deze man
van zelfverloochening, deze vrijwillig arme naar de wereld begraven
is?"--"Wat wilt gij zeggen?"--"Deze priester, die gelofte van armoede
had gedaan, rust nu in eene goudmijn."--"Eene goudmijn?" riepen Kennedy
en Joe uit.--"Ja," antwoordde de doctor bedaard. "Deze steenen, die
gij vertrapt alsof zij zonder eenige waarde zijn, zijn zeer zuiver
erts."--"Onmogelijk!" zeide Joe.--"Gij zoudt niet lang behoeven
te zoeken in deze spleten van leisteen, zonder belangrijke klompen
ruw goud te vinden."--Joe wierp zich als een gek op de verspreide
stukken. Kennedy had grooten lust hem na te volgen.--"Wees bedaard,
beste Joe," zeide zijn meester.--"Mijnheer, gij kunt er goed over
praten."--"Hoe, een wijsgeer van uwen stempel."--"Hé! mijnheer, hier
komt geene wijsbegeerte te pas."--"Zie, denk eens na. Waartoe zou
ons al die rijkdom dienen? Wij kunnen hem niet medenemen."--"Niet? nu
nog mooier!"--"Het is wat zwaar voor ons schuitje! Ik aarzelde zelfs
u deze ontdekking mede te deelen, uit vrees van uwe spijt gaande
te maken."--"Hoe!" zeide Joe, "deze schatten achterlaten! Onze
fortuin!"--"Wees voorzichtig, mijn vriend! Gij zoudt de goudkoorts
krijgen! Heeft die doode, dien gij begraven hebt, U niet de ijdelheid
der aardsche dingen geleerd?"--"Dat is alles waar," antwoordde Joe,
"maar goud! mijnheer Kennedy, zult gij mij niet helpen om wat van
deze millioenen op te rapen?"--"Wat zouden wij daarmee doen, mijn
arme Joe?" zeide de jager, die niet kon nalaten te glimlachen.--"Wij
zijn hier niet gekomen om ons fortuin te zoeken en wij moeten haar
niet medebrengen."--"De millioenen zijn wat zwaar," hernam de doctor,
"en men steekt ze niet gemakkelijk in den zak."--"Maar toch," zeide
Joe, "zou men in plaats van zand geen erts voor ballast kunnen
medenemen?"--"Welnu! ik stem er in toe," zeide Ferguson, "maar gij
moet niet boos zijn als wij eenige duizenden ponden ballast over
boord werpen."--"Duizenden ponden!" zeide Joe, "is dat mogelijk,
dat dit alles goud is!"--"Ja, mijn vriend, het is een vergaarbak,
waarin de natuur sedert eeuwen hare schatten heeft opgezameld,
daar is genoeg om geheele landen te verrijken! Een Australië en een
Californië vereenigd in het hart der woestijn!"--"En dat alles zal
nutteloos blijven?"--"Misschien! In alle gevallen zie hier wat ik
doen zal om u te troosten."--"Dat zal moeielijk zijn," antwoordde Joe
bedroefd.--"Hoor. Ik zal de juiste plaats van deze mijn opnemen, en bij
uwe terugkomst in Engeland zult gij het aan uwe medeburgers mededeelen
als gij gelooft, dat zooveel goud hun geluk zal uitmaken."--"Komaan,
meester, ik zie dat gij gelijk hebt, ik onderwerp mij, dewijl er
geen middel is om anders te handelen. Laat ons het schuitje met dit
kostbare erts vullen; wat er na het einde der reis overblijft zal
altoos zooveel gewonnen zijn." Joe ging aan het werk, hij deed het
met ijver en had weldra omtrent 1000 pond stukken kwarts opgestapeld,
waarin het goud besloten is, als in een harden gangsteen. De doctor
zag het glimlachend aan; gedurende dien arbeid nam hij zijne hoogte
en vond voor de plaats van het graf des zendelings 22° 23' lengte en
4° 55' noorderbreedte. Vervolgens een laatsten blik werpende op die
ophooging van den grond, waaronder het lichaam van den ongelukkigen
Franschman rustte, keerde hij naar het schuitje terug. Hij zou
gaarne een eenvoudig en ruw kruis op dit verlaten graf te midden der
woestijnen van Afrika hebben willen plaatsen, maar geen enkele boom
groeide in den omtrek.--"God zal het herkennen," zeide hij tot Kennedy.
Eene ernstige bekommering sloop ook in den geest van Ferguson;
hij zou veel van dit goud hebben gegeven om een weinig water te
vinden, ten einde te vervangen, wat hij had moeten wegwerpen bij
het medevoeren van den neger. Maar dit was onmogelijk in deze dorre
streken; het verontrustte hem, hij moest onophoudelijk zijne gasvlam
onderhouden en hij bevond te kort te komen om den dorst te lesschen,
hij besloot dus geen gelegenheid te laten voorbijgaan om zijn voorraad
te vernieuwen. In het schuitje teruggekomen vond hij het bijna gevuld
met de steenen van den hebzuchtigen Joe en klom er in zonder iets
te zeggen. Kennedy nam zijne gewone plaats en Joe volgde hen, niet
zonder een gretigen blik te slaan op de schatten van de bergkloof. De
doctor ontstak zijne gasvlam, de slang werd warm, een stroom van
gas ontstond binnen weinige minuten, het gas zette zich uit, maar
de ballon ging niet van zijne plaats. Joe zag hem ongerust aan en
zeide niets.--"Joe," zeide de doctor.--Joe antwoordde niet.--"Joe,
hoort gij mij?"--Joe gaf een teeken, dat hij hoorde, maar wilde
niet begrijpen.--"Gij zult mij het genoegen doen," hernam Ferguson,
"eene zekere hoeveelheid van dit erts over boord te werpen."--"Maar,
mijnheer, gij hebt mij toegestaan...."--"Ik heb u toegestaan den
ballast te vervangen, ziedaar alles."--"Echter...."--"Wilt gij dan
eeuwig in deze woestenij blijven?"--Joe sloeg een wanhopigen blik op
Kennedy, maar de jager nam de houding aan van iemand, die er niets
aan kon doen.--"Welnu Joe?"--"Uw gas werkt dan niet?" hernam de
halstarrige.--"Mijne gasvlam is aangestoken, gij ziet het wel! maar
de ballon zal niet opstijgen als gij hem niet een weinig verlicht
hebt."--Joe krabde zich achter de ooren, nam een stuk kwarts,
het kleinste van allen, woog en herwoog het, wierp het omhoog en
smeet het toen weg. De Victoria bewoog zich niet. "Hoe!" zeide
hij, "wij stijgen nog niet?"--"Nog niet," antwoordde de doctor,
"ga voort."--Kennedy lachte. Joe wierp nog een tiental ponden weg,
de ballon bleef steeds onbeweeglijk. Joe verbleekte.--"Mijn arme
jongen," zeide Ferguson, "Dick, gij en ik wegen, als ik mij niet
bedrieg, 400 pond, gij moet u dus van een gewicht ontslaan ten minste
gelijk aan het onze, dewijl het onze plaats verving."--"Vierhonderd
pond wegwerpen!" riep Joe op klaaglijken toon uit.--"En nog iets
meer om ons te doen stijgen. Komaan, moed!"--De waardige jongen,
diepe zuchten lozende, begon den ballon te ontlasten. Van tijd
tot tijd hield hij op. "Stijgen wij?" zeide hij.--"Wij stijgen nog
niet," was het onveranderlijke antwoord.--"Hij beweegt zich," zeide
hij eindelijk.--"Ga voort," zeide Ferguson.--"Hij stijgt, ik ben er
zeker van."--"Ga maar voort," antwoordde Kennedy.--En Joe wanhopig een
laatste stuk nemende wierp het buiten het schuitje. De Victoria steeg
omtrent honderd voet en met behulp van het gas steeg hij weldra boven
de omringende toppen.--"Nu blijft u nog een aardig fortuintje over,
Joe," zeide de doctor, "als wij dezen voorraad tot het einde der reis
kunnen behouden, zijt gij voor uw leven bezorgd."
Joe antwoordde niet en ging op zijn bed van erts liggen.
"Zie, mijn waarde Dick, wat toch de macht van dit metaal vermag op
den besten jongen ter wereld. Welke hartstochten, welke hebzucht,
hoeveel misdaden zou de kennis van zulk eene mijn na zich slepen. Het
is bedroevend." Des avonds was de Victoria negentig mijlen westwaarts
voortgegaan, hij bevond zich toen 1400 mijlen in eene rechte lijn
van Zanzibar.