Hoeveel is uit dit korte berichtje niet te leeren, vooral voor een
Resident, die hart heeft voor de inlandsche bevolking!
Veertig Javanen, mannen en vrouwen, gaan terug. Terug uit Deli, uit het
land, waar de koelie-ordonnantie de beschermende hand uitstrekt over
den arbeider, uit het land overvloeiend van belangstelling in zijn lot
van bestuurswege, uit het land der zoo goed verdeelde
Gouvernements-zorg!
En nu van zelf rijzen de vragen: Waarom gaan die menschen terug? Hoe is
het mogelijk, dat zij zich in een deerniswaardigen toestand bevinden?
Hoe kan kan het zijn, dat zij doodarm zijn en door en door ziek? Waarom
hebben zij zelfs geen voldoende kleeren aan het lijf? Zou het mogelijk
zijn, dat die koelie-ordonnantie toch theoretisch en practisch niet zoo
geheel voldoet?
Aan den anderen kant, zoo overpeinst de ernstige bestuursman, hoe komt
het, dat niettegenstaande dit afschrikwekkend voorbeeld weer anderen
gereed staan, zich voor Deli te verkoopen? De Pembrita Betawi van 7
April d. a. v. levert hem het antwoord, dat ik hier (vertaald) laat
volgen:
„In het afgeloopen jaar zijn uit de residentie Bagelen alleen 1420
menschen naar Deli gegaan, en er zijn nog veel Javanen uit die
residentie in den vreemde. Dit is wel een bewijs, dat er in die
residentie veel armoede heerscht.
Och ja, ieder weet het, alleen de man die er voor betaald werd om het
te weten, wist het niet: armoede, nijpende armoede alleen en het
verlokkende voorschot, waardoor hij tijdelijk gered is, doen den Javaan
besluiten zijn ziel te verkoopen (zooals hij het noemt) en naar Deli te
gaan. En ieder—behalve weer de Oud-Resident—weet, dat onder de
inlandsche bevolking van Nederlandsch-Indië Deli als een hel bekend
staat.
Mocht de heer Kooreman, die dit moeilijk zal kunnen aannemen, mij niet
gelooven op mijn woord, welnu ik verzoek hem het volgend berichtje te
willen lezen, dat ik knipte uit de Deli-Courant van 12 Januari 1903.
Het voorbeeld is dus zeer recent. Hier is het:
Men schrijft uit Batavia aan Het Centrum te Djokdjakarta:
Niettegenstaande de Assistent-Resident van Soerakarta strenge
maatregelen heeft genomen, tot tegengang van den, destijds daar zoo
welig tierenden sluikhandel in Deli-koelies, blijft die plaats tot
heden toch nog een gemakkelijk en voordeelig exploitatie-terrein, voor
de wervers.
Onder de contractanten, die hier dezer dagen aankwamen, waren twee
vrouwen, Bok Jati uit Paras (Solo) en Bok Saminah uit Moentilan, Kedoe,
die geweigerd hadden voor de bevoegde autoriteit te worden gebracht,
tot het sluiten van een zoogenaamd koelie-contract, omdat zij geenszins
van plan waren naar de buitenbezittingen te gaan.
Bok Marto van Balapen (Solo), die haar heeft afgeleverd, verzekerde
haar onder schoone beloften, dat zij niet naar Deli gezonden zouden
worden, maar als kokki in dienst moesten komen bij een toewan aan de
kalibesar, door welke mededeeling zij gerust gesteld werden, en om haar
in dezen waan te bevestigen, moesten zij niet, evenals de andere
contractanten, met wie zij hierheen samen reisden, zich voorzien van
vergunning der respectievelijke regenten, maar konden zij zich behelpen
met soortgelijke stukken van twee contractvrouwen, die een maand te
voren aan de firma Soesman & Co. te Semarang waren gezonden, doch
afgekeurd werden wegens lichaamsgebreken.
Deze twee vrouwen scharrelen hier nog dagelijks rond, in de hoop door
prostitutie wat geld bij elkaar te krijgen voor de kosten van de
terugreis naar hare kampongs.
Op mijn aandringen om over deze schandelijke misleiding zich bij het
bestuur te beklagen, verklaren zij eenparig zulks niet te durven, en
wilden ze, zoo haar bedrijf niet zoo voordeelig is om daarmede
voldoende contanten te krijgen, desnoods te voet de terugreis
aanvaarden. Intusschen bewonder ik den moed van deze vrouwen, omdat
zoovelen vóór haar aldus verschalkt, door den bitteren nood gedwongen,
ten slotte buigen voor den onversaagden dwang van den rusteloozen
werver.
Hierna geeft de heer Kooreman een geschiedkundig overzicht van de
ontwikkeling der residentie Oostkust van Sumatra. Het eenige, wat ons
hierdoor duidelijk wordt, is, dat de verhandelaar wenscht te
concludeeren, dat het Gouvernement van Nederlandsch-Indië bij lange
niet tegenover Deli zijn plicht heeft gedaan, een conclusie, waarmede
ik mij geheel kan vereenigen. De heer Kooreman beklaagt zich terecht
over het feit, dat de Indische Regeering aan het Bestuur ter Oostkust
geen voldoende middelen gaf, om de ordonnantie te handhaven. Het gevolg
hiervan ligt voor de hand: misbruik van de zijde der machthebbers, i.
c. de planters. Dezen, geen voldoende hulp en steun kunnende vinden bij
het Gouvernement, waren verplicht het recht in eigen hand te nemen. Tot
welke uitspattingen dit—oogluikend toegestaan—privilegie moest leiden,
weet ieder, die eenigszins met Deli’s verleden op de hoogte is.
Vandaar de ergernis bij velen over de houding van den heer Cremer, toen
hij minister was. Ieder moest verwachten, dat de man, die in de tijden
der grootste bandeloosheid zijn fortuin heeft gemaakt, in het gewest,
waarvan hij de ongeoorloofde verhoudingen zoo goed kende, voor goed
orde en regel zou hebben gevestigd. Een verwachting, waarin men
deerlijk is teleurgesteld.
De bewering van den heer Kooreman, dat het Bestuur thans op elk gebied
den toestand meester is, kan ik evenwel niet onderschrijven, al voegt
hij er ook bij, dat het Bestuur „de middelen mist, om overeenkomstig de
eischen van elke geordende maatschappij in voldoende mate te voorkomen
misdrijven, overtredingen, ontduikingen, ook van de
koelie-ordonnantie.” Het hoofdstuk „Rechtspraak” mijner brochure zal
trouwens den onpartijdigen Lezer wel anders geleerd hebben.
Een voorbeeld: Op het oogenblik, dat ik dit schrijf—11 Februari 1903—is
het nog geen week geleden, dat ik van een planter, met wien ik over
zaken correspondeerde, uit Britsch-Borneo bericht kreeg, dat hij in der
haast Deli had moeten verlaten, wegens een koelie-perkara. Wat de man
misdreven heeft, weet ik niet. Zijn overhaaste vlucht wijst echter niet
op een kleinigheid. In geen der beide plaatselijke bladen is hierover
iets te vinden.
Dit bewijst: primo, dat het Bestuur niet alleen preventief machteloos
is; secundo, dat het beweren van den heer Kooreman, als zou in Deli
alles terstond ruchtbaar worden, niet op de werkelijkheid is gegrond.
In tegendeel, er is geen land ter wereld, waar beter gezwegen wordt dan
juist in Deli. Et pour cause!
Van rechtsveiligheid, wat de Oud-Resident ook moge beweren, is in Deli
geen sprake. In dat opzicht hebben de Europeanen zich bijna even sterk
te beklagen als de inlanders. Ik zeg bijna, omdat den Europeaan, die
gerechtelijk vervolgd wordt, de middelen van getuigen-verduistering en
vlucht nog steeds ten dienste staan, den inlander bijna zonder
uitzondering niet. Pleegt dus een inlander een misdrijf, dan is er
kans—hoewel niet veel, met het oog op de geheel onvoldoende politie—dat
de schuldige gestraft wordt. Is de bedrijver een Europeaan, dan is het
zoo goed als zeker, dat de Gerechtigheid te kort schiet. De Europeaan
is dus eenigszins tegenover den inlander gedekt, omgekeerd niet.
Wij zijn nu gekomen aan wat ik eenige bladz. vroeger de
martelcasuistiek van den heer Kooreman noemde. Deze dan, geheel in zijn
rol van verdediger opgaande, pleit voor de plegers der door mij
verhaalde gruwelen verzachtende omstandigheden.
Naar de meening van den verdediger zou de politierol, die immers
bewaard wordt, ons inlichting kunnen geven over het geval van den
koetsier, die wegens liegen gestraft werd. Deze onnoozelheid zal wel
niemand willen slikken, daar ieder begrijpt, dat de betrokken
Magistraat de domheid niet zal hebben begaan, in de rol te boeken, dat
den man wegens liegen de straf werd opgelegd. Daar zal natuurlijk iets
anders genoemd zijn.
Een hooggeplaatst ambtenaar te Medan deelde mij indertijd mede, hoe het
hem bekend was, dat een geheele rol valsch was opgemaakt: gefingeerde
getuigen, etc. De rol zou ten deze niet het minste bewijzen. Op het
verzoek van den heer Kooreman, er mee voor den dag te komen, moet ik
antwoorden als aan den Resident op blz. 11: „Alleen aan de Regeering
bij een door haar bevolen algemeen onderzoek en onder beding van
straffeloosheid van den betrokkene, wil ik mededeeling doen.”
De lezing, die de heer Kooreman geeft van het geval der mishandelde
vrouw (blz. 29 der brochure) en welke hij zegt te hebben van den pas
teruggekeerden resident Van der Steenstraaten verschilt aanmerkelijk
van hetgeen ik gehoord heb. Toch meen ik de lezing van mijn
berichtgever voorloopig te moeten vertrouwen. Het schijnt mij n. l.
toe, dat de heer Van der Steenstraaten zijn voorstelling van zaken pas
opgedaan heeft na zijn terugkeer in Holland. Immers zou hij, indien het
geval hem was gerapporteerd, toen hij nog in functie was, zeker de zaak
hebben vervolgd en zou dan minstens de huishoudster, als hoofddaderes,
zijn gestraft. Een feit is echter, zooals ik reeds mededeelde, dat het
Bestuur in Deli niets van de zaak wist op het oogenblik, dat mijn
brochure het licht zag. Waarom kwam de Assistent-Resident anders bij
mij om inlichting? Een andere vraag is, of het gemakkelijk zal zijn, de
geheele waarheid aan het licht te brengen.
Waarom ik het geval der vijf afgeranselde Chineesche wegloopers, die ik
zelf gezien heb in al hun ellende, niet aan de overheid mededeelde?
Eenvoudig omdat ik de gast was van den bedrijver dezer wreedheid, toen
ik toevallig de ongelukkigen ontdekte. Ik ging nl. de droogschuur in,
waar zij lagen, omdat ik de stem van mijn gastheer hoorde, dien ik
zocht. Ik achtte mij niet geroepen, den man te verraden, en ik geloof,
dat wel niemand in mijn geval anders zou hebben gehandeld.
Bij het volgende geval—de mishandeling eener vrouw door den beheerder
eener onderneming—vindt de heer Kooreman mijn uitdrukking „het was
afgrijselijk” niet gewettigd, daar die vrouw nog in staat was naar den
controleur te loopen, nadat zij de mishandeling had ondergaan. Ik voor
mij vind het slaan eener vrouw op zich zelf reeds afgrijselijk, en
zeker in dit geval, waarbij de billen een vuile, vieze, etterige en
bloederige massa vertoonden, al zij het ook waar, dat de mishandelde
nog in staat is geweest, zich naar den controleur te slepen. De heer
Kooreman moge zoo iets de allergewoonste zaak ter wereld vinden, mij en
anderen lijkt zij afschuwelijk.
Het volgende, de beschrijving van den toestand in een hospitaal in
Serdang, is niet van mij. Ik nam het over uit de Java-Bode. Ik geloof
echter niet, dat al ware deze beschrijving, gelijk de heer Kooreman
beweert, op effect berekend, dit gebrek in den stijl de schandelijkheid
der toestanden wegneemt. Want, op effect berekend of niet, de
beschrijving is, wat de feiten betreft, der waarheid getrouw.
De overige gevallen worden door den heer Kooreman zonder meer erkend
als te zijn geschied of zijn reeds door mij besproken, behalve het
geval op blz. 52 mijner brochure vermeld, waarvan de heer Kooreman
zegt, dat het niet geheel waar kan zijn, omdat volgens het werkcontract
de vrouwen ook recht hebben op loon voor de dagen, dat zij niet werken,
het geval van ziekte gedurende meer dan dertig dagen uitgezonderd. Hoe
komt de heer Kooreman hierbij? Hij leze het model-contract voor de
Javaansche vrouwen op blz. 66 mijner brochure eens na! Doch al ware het
zoo als hij meent, zou het een onmogelijkheid zijn, dat de
administrateur zich niet aan de bepaling van het contract gehouden had?
Trouwens, ik heb het verhaal van den assistent, die er den beheerder
een opmerking over maakte.
Doet het echter veel af of toe, of er misschien kleine fouten schuilden
in de verhalen, die door mij werden gedaan? Het blijkt toch ten
duidelijkste, dat de kern van alles wat ik mededeelde waar was, en
waarom zouden nu, waar de voorstelling der zaken door den Oud-Resident
en die door mij slechts in de details verschillen, de inlichtingen
omtrent die bijzaken door den Resident ontvangen steeds juist moeten
zijn en die, welke ik ontving, onjuist?
Zie, als ik op blz. 6, 2de kolom van de lezing, zooals die in het
bijvoegsel van de Deli-Courant te vinden is, lees, dat „men op Java de
ringgit boeroeng of Mexicaansche dollar even goed kent als de ringgit
kompenie of rijksdaalder”, dan moet ik gelooven, dat er onder de
hoofden in de Preanger, aan wie de heer Kooreman zegt deze enormiteit
te ontleenen, veel grappenmakers gevonden worden, die het zelfs wagen,
een loopje met een Resident te nemen.
Daarom, zoolang ik nog geen betere tegenbewijzen heb dan loutere
verzekeringen van een bestrijder, wiens goede trouw niet geheel buiten
verdenking is, blijf ik bij de door mij gegeven détails. Intusschen
dank ik den heer Kooreman voor zijn erkenning der feiten.
Aan deze gruwel-casuistiek des heeren Kooreman sluit zich heel
geleidelijk aan, wat hij over de Javaansche vrouwen en haar loonen
meent te moeten verkondigen. Zoo beweert de Oud-Resident, dat het werk
der vrouwen, in onkruid wieden, wormen zoeken, vegen, het aanleggen der
kweekbedden en dergelijk licht werk bestaat. Indien hij gezegd had, dat
het in deze bezigheden behoorde te bestaan, zou ik hem om zijn
menschlievendheid hebben geprezen, evenzeer als ik den heer Kooreman nu
laken moet over zijn gebrek aan waarheidsliefde, of—indien hij
werkelijk niet beter weet—over zijn gebrek aan wetenschap. Een feit
toch is het, dat men herhaaldelijk vrouwen ziet gebezigd voor werk,
waar in Nederland polderjongens voor worden gebezigd. Grint uit de
rivier baggeren, steenen kloppen, beertonnen van Chineezen wegdragen en
leegen, e. d. zijn werkzaamheden, welke, behalve de door den heer
Kooreman genoemde, aan de vrouwen worden opgedragen. Ook stemt het niet
met de waarheid overeen, waar de Oud-Resident beweert, dat van de
ongehuwde vrouwen niets tot aanzuivering van het voorschot wordt
gekort.
Dat de heer Kooreman het met de waarheid zoo nauw niet neemt, blijkt o.
m. hieruit, dat hij zijn hoorders tracht wijs te maken, dat de sedert
een paar jaar bestaande loonsverhooging van 6 op 7 dollars voor een man
en van 3 op 4½ dollar voor een vrouw, het nadeelig verschil van den
dollarkoers vergoedt. Deze loonsverhooging dateert van ongeveer Juli
1902, dus ruim een half jaar, en is waarschijnlijk een gevolg van de
vergadering van den Indischen Bond van 29 Maart 1902, waar op het lage
peil der loonen gewezen was. De loonsverhooging der vrouwen in Serdang,
wier loonen met 1 dollar per maand op verzoek van den tegenwoordigen
Resident door de planters verhoogd zijn, dateert van 1 Januari 1903, en
ik meen te mogen gelooven, dat zij te danken is aan den invloed mijner
brochure.
Van deze dingen vindt men in de plaatselijke bladen niets vermeld.
Zelfs zulke zaken, waarover men zich betrekkelijker wijze gesproken
niet behoeft te schamen, worden verzwegen. De planters haten—en met
reden—alles wat naar publiciteit zweemt. In geheimzinnigheid doen de
administraties der ondernemingen niet onder voor de ambtenaren van het
Binnenlandsch Bestuur.
De conclusie van den heer Kooreman is, dat de ongehuwde vrouw, als zij
dat wil, best kan rondkomen en zich voldoende kleeden, zonder dat zij
zich behoeft te prostitueeren.
In deze meening staat de Oud-Resident te midden van al zijn
bondgenooten alleen: al de anderen erkennen ten minste eerlijk, dat de
loonen dezer vrouwen te laag zijn. Zelfs doet dat de Sumatra Post in
haar door den heer Kooreman aangehaald hoofdartikel van 27 November
j.l. Maar de Oud-Resident, zich, zooals ik reeds opmerkte, beschuldigd
wanende, tracht zich schoon te wasschen, en zijn systeem van
verdediging brengt mede, zoo weinig mogelijk te erkennen en zooveel
mogelijk te ontkennen of te vergoelijken.
Evenals de serviliteit der planters voor de ambtenaren B. B., bestaat
volgens den heer Kooreman het toetoepstelsel geheel in mijn verbeelding
(blz. 7, 2de kolom). Twee alinea’s verder erkent hij het echter
volmondig voor zoover de zoogenaamde klapzaken betreft, hoewel onder
het voorbehoud, dat in de laatste jaren van het toetoepen van zaken
geen sprake meer was. Daarover heb ik een geheel andere meening en
blijf er bij, dat in de laatste jaren herhaaldelijk zaken getoetoept
zijn. Deze zaken betroffen niet alleen klapzaken, doch ook
verduistering, oplichting, misbruik van vertrouwen, zware mishandeling
e. d. Het ligt, ik herhaal het nogmaals, niet op mijn weg de namen der
betrokkenen bekend te maken en ik ben alleen op de bekende voorwaarden
geneigd, mijn beschuldigingen te staven. Trouwens, wie, die slechts een
kennis heeft, die in Deli geweest is, heeft wel nooit van dat toetoepen
vernomen? Het feit is in Nederland bijna even goed bekend als hier.
De heer Kooreman echter weet er niets van. Welnu, er zijn zooveel
dingen in Deli, die de heer Kooreman zegt niet te weten, dat ook dit er
gerust bij kan. Zijn blindheid bewijst niets tegen anderen, die hun
oogen open hadden. Ik maak van deze gelegenheid gebruik, uitdrukkelijk
te verzekeren, dat het in „De Millioenen uit Deli” aangehaalde
voorbeeld van de laatste residents-vendutie in de verte niet de
bedoeling had, een smet te werpen op het karakter van den Oud-Resident
Van der Steenstraten. Mijn bedoeling was, zooals ik op blz. 19 dier
brochure reeds zeide, uit te doen komen de drie groepen, welke belang
hebben bij slapheid van bestuur en het slapen der Justitie: de
inlandsche Vorsten, de Chineesche hoofden, de planters. De hooge
prijzen op zoo’n vendutie besteed, dienen dan ook vaak om te laten
zien, wat de opvolger verwachten mag, indien zijn opvatting van zijn
taak in overeenstemming zal blijken te zijn met die der
belanghebbenden.
Nu blijven er nog enkele zaken, waarover weinig te argumenteeren valt,
en waarbij men door heen en weer geschrijf niet veel verder komt dan
kijvende jongens met hun „’t is wellis” en „’t is nietis.” Zoo zeg ik
b. v. dat de planters tegenover de ambtenaren B. B. serviel zijn, de
heer Kooreman spreekt ervan, dat de ambtenaren ter Oostkust „hoog
staan” bij de planters en door hen „geacht worden”, wat hieraan is te
wijten (sic), dat zij hen dagelijks onvermoeid bezig zien in het zoo
nauwgezet mogelijk vervullen hunner plichten.
Zoo is de Oud-Resident (blz. 6, 2de kolom) hoogelijk er mede ingenomen,
dat de Chineesche hoofden de bezitters zijn van de publieke huizen, en
deelt hij dus blijkbaar mijn verontwaardiging niet, dat in den Landraad
als Rechters deze menschen zitting hebben [5]. Ook zal het hem dus niet
ergeren, dat de hoogste ambtenaren met hunne dames bij dergelijke
bordeelbezitters visites maken en op receptie gaan, iets, laat ik dit
er ter verontschuldiging bijvoegen, waartoe zij wel officieel zijn
gedwongen, daar immers deze lieden Chineesche Hoofden zijn en dus
ambtenaren van het Gouvernement.
Zoo is het mij onbegrijpelijk, hoe de heer Kooreman in zijn conclusie
de toestanden in Deli „zeker bevredigend” kan noemen, waar hij op blz.
7 spreekt van de „werkliedenkoloniën, zonder wettig dagelijksch bestuur
en in den regel zonder politie.”
Ook zouden er nog grootere en kleinere vergissingen en
tegenstrijdigheden, die echter het hart der zaak niet raken, zijn aan
te toonen in de verdediging van den heer Kooreman. Ik wil mij daar
evenwel niet mee bezig houden. Mijn doel was—en ik meen het bereikt te
hebben—aan te toonen, dat de in „De Millioenen uit Deli” sluimerende
gevolgtrekking onaangetast is gebleven:
DE EERE GODS EN DIE VAN NEDERLAND EISCHT EEN ONMIDDELLIJK EN KRACHTIG
INGRIJPEN DOOR DE REGEERING TOT VESTIGING IN DELI VAN DIE ORDE EN
REGEL, ALS ALLEEN VEREENIGBAAR ZIJN MET DE GRONDSLAGEN VAN EEN
CHRISTELIJKEN STAAT.
Hiermede zou ik kunnen sluiten, ware het niet, dat ik de aandacht van
den Lezer nog wenschte in te roepen ter opheldering van een persoonlijk
feit. Ik ben die opheldering den heer Kooreman en mijzelf verplicht en
geef ze, hoewel ongaarne, openhartig.
Behalve de algemeene klacht over gebrek aan publieke opinie in Deli,
meent de heer Kooreman speciaal drie personen ter verantwoording te
moeten roepen, die nagelaten hebben de overheid, die immers zoo gaarne
zou hebben geluisterd, hun ondervinding mede te deelen.
Deze drie nalatigen zijn: Dr. Tschudnowsky, geneesheer van de
Arendsburg-Maatschappij, die zijn beweerde ervaringen als Delisch
dokter geheim heeft gehouden, om er later in Europa een
sensatiewekkende verhandeling over te schrijven; de Nederlandsche
geleerde, vermeld op blz. 26 van „De Millioenen uit Deli” en de
schrijver dier brochure. De heer Kooreman vraagt, waarom geen van die
drie hem, toen hij resident was, met zijn bevindingen in kennis heeft
gesteld. De redenen, welke Dr. Tschudnowsky, wiens persoon noch
verhandeling mij bekend zijn, en den Nederlandschen geleerde, wiens
naam mij zelfs onbekend is, hebben bewogen tegenover den Resident
Kooreman te zwijgen, kan ik niet beoordeelen. Maar nu hij mij zoo
uitdrukkelijk vraagt, waarom ik niet tot hem gesproken heb, wil ik hem
de reden onomwonden zeggen.
Het was op een avond in de maand October 1897—ik was pas te Medan
gevestigd en woonde nog in het Medan-hôtel—, dat ik na den eten, dus
ongeveer negen uur half tien, zat te lezen op de voorgalerij van mijn
kamer. De krees (rieten valgordijnen) waren neergelaten en alles was
doodstil. Daar werd er tegen een der houten pilaren bij de trap, die
toegang tot de galerij gaf, geklopt. „Binnen!” riep ik, meenende dat
een der gasten van het hôtel mij kwam opzoeken, om den bekenden
Indischen „boom” te komen opzetten. Ik kreeg geen antwoord, doch het
kloppen werd herhaald. „Sapa?” riep ik nu, een inlander met een
boodschap vermoedend. Daar werd de kree een weinig opgelicht, en een
Maleier schoof naar binnen, gevolgd door een tweeden, een derden, een
vierden, een vijfden, een zesden, een zevenden! Om de waarheid te
zeggen, voelde ik mij niet geheel op mijn gemak, doch toen ik ze allen
op een rijtje langs de lambrizeering zag neerhurken, werd ik omtrent
hun bedoelingen gerust gesteld. Na een paar inleidende vragen, deelde
mij de woordvoerder in keurig zoogenaamd Hoog-Maleisch—ik herinner mij
dat, omdat dit de eerste maal was, dat ik die taal hoorde spreken—mede,
wat hen tot mij bracht. Hij dischte mij een verhaal op, zóó echt iets
uit een boek en voor mij, die pas van Java kwam, zóó onwaarschijnlijk,
dat ik het niet kon gelooven. Ik beloofde echter, de zaak te zullen
onderzoeken en vroeg hen over twee dagen, doch ’s ochtends, terug te
komen. Overdag dorsten zij niet, zeiden zij, en daar ik de geschiedenis
romantisch begon te vinden—ik herhaal, dat ik er niets van
geloofde—bepaalde ik het uur van samenkomst op den volgenden avond om
denzelfden tijd.
Den volgenden dag onderzocht ik de zaak en bevond, dat mijn nachtelijke
bezoekers de waarheid hadden gesproken. Ziehier het verhaal, dat zij
mij gedaan hadden, aangevuld met wat mij later bij de behandeling der
zaak is gebleken, en het verloop dat zij had.
Dicht bij Medan is een renbaan, gewoonlijk racebaan genoemd, waar twee
maal per jaar paarden-wedstrijden worden gehouden, ook weer betiteld
met den Engelschen naam races. Dicht bij deze baan waren door eenige
Maleiers—mijn bezoekers—huizen gebouwd. Zij hadden daartoe het
erfpachtsrecht op een stuk grond, aan het terrein van de renbaan
grenzende, behoorlijk van den eenigen grondeigenaar in Deli, den
Sulthan, gekocht en betaald. Vervolgens hadden zij, gelijk ik reeds
zeide, op de hun in erfpacht afgestane terreinen huizen gebouwd en die
betrokken, terwijl zij op het overschietende terrein aanplanting van
vrucht- en sierboomen hadden gemaakt. Op een goeden dag—datums weet ik
natuurlijk niet—werd hun door den aspirant-controleur van Medan
aangezegd, dat zij daar niet wonen mochten, hun huizen en stallen
moesten afbreken en verhuizen. De reden waarom werd hun niet
medegedeeld; het was eenvoudig een prentah-companie (bevel van het
Bestuur) De eigenaars maakten—zeer natuurlijk—geen haast om aan dat
bevel te voldoen. Zij bepraatten de zaak wat onder elkander en besloten
te blijven, waar zij waren, en den loop der dingen af te wachten.
Nogmaals kregen zij bezoek van denzelfden aspirant-controleur, die
hetzelfde bevel, doch nu nog nadrukkelijker, overbracht. De eigenaars
bepraatten wederom de zaak en besloten weer te blijven zitten. Zulke
brutale rakkers!
Na verloop van eenigen tijd kregen zij bevel voor den karapatan te
verschijnen. De karapatan is de inheemsche rechtbank, voorgezeten door
den Sulthan, waarbij de Magistraat van Medan zitting heeft als
adviseerend lid. Hier werd hun medegedeeld, dat zij hun terrein hadden
te ontruimen en de daarop gebouwde woningen en stallingen moesten
afbreken. Of zij geen schadevergoeding zouden krijgen, vroegen de
eigenaars. Neen, daarvan was geen sprake, zij hadden te verhuizen
zonder meer, zij mochten daar niet wonen. Zij moesten al wat zij
gebouwd hadden afbreken, mochten de afbraak houden, maar
schadevergoeding—daarvan kon geen sprake zijn.
De eigenaars gingen diep mistroostig weg, hielden weer een koempoelan
(vergadering), overlegden de zaak nog eens rijpelijk en—bleven weer
zitten. ’t Was ongehoord, zoo’n lijdelijk verzet, als je ook steeds van
die inlanders hebt! Weer kwam een oproeping vanwege den karapatan en
weer trokken de eigenaars er heen. Waarom zij nog niet verhuisd waren?
Ja, zij wisten nog niet recht, hoeveel karoegian (schadevergoeding) zij
kregen. Karoegian, geen cent! Dat wisten zij heel goed. En als zij het
nog niet wisten, dan werd het hun nu eens en voor altijd gezegd. Zij
moesten verhuizen, pur et simple, want zij mochten daar niet wonen en
daarmee uit. Van schadevergoeding was geen sprake, maar de karapatan
wou dezen keer mild en zachtmoedig zijn, de afbraak mochten zij houden.
En om nu voor goed aan hun praatjes en lijdelijk verzet een einde te
maken, werd hun medegedeeld, dat indien zij niet vrijwillig aan het
bevel voldeden, de Sulthan oppassers (politie-agenten) en
dwangarbeiders zou zenden, om den heelen boel tegen den grond te halen.
De eigenaars zagen in, dat de zaak ernstig begon te worden. Een van
hen, de vendu-afslager Mangaradja Tagor, op wiens naam de erfpachtsacte
stond, sprak er met den vendumeester, den heer Van den Berg, over. Hij
had hem er al meer over gesproken en toen weinig baat er bij gevonden,
maar men kan nooit weten, misschien wist hij nu wel raad. En werkelijk,
de vendumeester wist raad, of eigenlijk hij zelf niet; maar, zei hij,
er is hier een advocaat—een echte, een Meester—gekomen. Die woonde in
het Medan-hôtel. Ze moesten dien maar eens raadplegen. Maar mondje-toe,
dat hij dien raad gegeven had [6].
Vandaar het nachtelijk bezoek.
Toen uit de inlichtingen, die ik den volgenden morgen inwon bij den
heer Van den Berg—want Tagor had mij verteld, dat zijn chef van de zaak
alles afwist—mij bleek, dat er grond bestond om aan het verhaal der
eigenaars geloof te slaan, begaf ik mij, gewapend met de erfpachtsacte,
in Deli gewoonlijk grand genaamd, naar den Resident en lei hem het
geval voor.
Het geheele gesprek, dat volgde, weer te geven, kan ik natuurlijk niet.
Het zakelijke, dat verhandeld werd, komt hierop neer: De Resident kende
de zaak, doch liet het mij voorkomen, of het de wensch van den Sulthan
was, dat de eigenaars daar niet wonen bleven. Als ik mij niet vergis,
beweerde hij, dat deze grond niet met woningen bebouwd mocht worden,
daar de Sulthan die voor rijstvelden beschikbaar wilde houden voor de
inheemsche bevolking. [Later zullen wij vernemen, wat de werkelijke
reden voor de geëischte ontruiming was]. Ik wees den Resident erop, dat
het erfpachtsrecht toch behoorlijk gekocht en betaald was, en dat die
ontruiming zonder meer maar niet zoo maar kon plaats grijpen. De
Resident meende, dat dit zaken waren het inlandsch zelfbestuur rakend.
Ik bracht hem onder het oog, dat onder de verschillende eigenaren
zoogenaamde Gouvernementsonderdanen [7] waren en dat de erfpachtsacte
stond ten name van Mangaradja Tagor, venduafslager, in dienst van het
Ned.-Indisch Gouvernement. Dat deze dus niets met den Sulthan en den
karapatan te maken had en dat wanneer de Sulthan de terreinen wilde
doen ontruimen, Z. H. een vordering deswegen kon instellen bij den
Landraad. De Resident was dit niet met mij eens en wou er zich niet mee
bemoeien, uit vrees voor politieke verwikkelingen!!
Ten slotte kwamen wij overeen, dat ik de zaak verder zou behandelen met
den Controleur, die ook met den Sulthan zou spreken en den Resident
inlichten. Ik sprak dan ook met den controleur en lei hem de zaak
bloot. Deze was een eerlijk man en min of meer met zijn figuur en de
heele affaire trouwens, die hij kende, verlegen.
De onderhandelingen schoten niet erg op, daar ik bleef staan op den
billijken eisch: algeheele schadevergoeding. Wie schetst echter mijn
verbazing, toen op zekeren morgen, dat ik naar den Landraad ging, de
controleur mij aansprak, en zei, dat de Sulthan van geen
schadevergoeding wou weten en over twee dagen de huizen door
politieoppassers zou doen ontruimen en laten afbreken.
Geschiedt dat met toestemming van den resident, vroeg ik.
Ja, antwoordde de controleur, ik kom juist bij hem vandaan en heb in
last u dit mede te deelen.
Nu, zeg hem dan uit mijn naam, dat ik de eigenaars zich laten wapenen
en dat de huizen verdedigd zullen worden. Maar ook, dat zoodra de
oppassers van den Sulthan komen, ik telegrafisch den Resident zal
aanklagen bij den Gouverneur-Generaal.
En ik deed wat ik gezegd had. Ik riep de eigenaars des avonds te zamen,
vertelde hun hoe de zaak stond en raadde hen zich te wapenen en hun
goed tegen den aanval van wie dan ook te verdedigen.
Ik zal niet zeggen, dat die raad in alle opzichten goed was. Maar ik
vermoedde, dat de Resident blufte en dat hij zich wel wachten zou, het
zóó ver te laten komen. Ik wist natuurlijk, dat indien het werkelijk
tot een handgemeen kwam, de eigenaars en ik zelf in moeielijkheden
zouden komen. Aan den anderen kant stond, dat indien de zaak onderzocht
werd, de Resident verloren zou zijn. Hier steunde de Resident zóó
blijkbaar het onrecht, ja handelde zoo geheel tegen zijn eersten
plicht, den inlander te beschermen tegen knevelarij en misbruik van
gezag, dat ik niet vreesde, of hij zou voor de gevolgen terug deinzen.
De Sulthan heeft dan ook nooit zijn oppassers gezonden. Wel kreeg ik
van den controleur bericht, dat den daaropvolgenden Zaterdag de zaak in
den karapatan zou worden behandeld. Hier verklaarde ik namens de
eigenaars, den karapatan niet als rechter in dit geschil te kunnen
erkennen, doch wel geneigd te zijn, op den grond van behoorlijke
schadevergoeding in een minnelijke schikking te treden.