Het was der vereeniging „Moederland en Koloniën” moeielijk gevallen,
iemand te vinden, die „De Millioenen uit Deli” wilde behandelen. Aldus
de heer P. H. van der Kemp, toen hij in den avond van 22 December 1902
in de vergadering dier Vereeniging den heer P. J. Kooreman,
Oud-Resident der Oostkust van Sumatra, als verhandelaar introduceerde.
En ook deze was slechts noode hiertoe overgegaan. Evenwel, de
overweging, dat het noodig kon zijn verschillende punten te weerleggen,
had hem zijn toestemming doen geven.
Daar nu eenmaal deze Oud-Resident op zich genomen had, mijn boekje te
behandelen, mocht men redelijker wijze een behandeling van het door mij
geschrevene verwachten. In plaats van echter aan dezen eersten en
eenigen eisch te voldoen—meer werd toch niet van den spreker gevraagd
en minder niet verwacht—verliet, geheel uit eigen beweging, de heer
Kooreman den hem vriendelijk aangeboden rechterstoel en plaatste zich
op de bank der beschuldigden.
Wat dreef hem hiertoe?
Zelfverwijt? Wroeging? Berouw? Schuldbewustzijn?
Ik wil daar niet over oordeelen: ik ken den heer Kooreman daartoe te
weinig. Nu hij zich evenwel zelf zijn plaats heeft gekozen, moet ik hem
daar laten en valt mij de onaangename taak ten deel, tegen den
Oud-Resident het openbaar-ministerie te moeten waarnemen.
Hoe ongaarne ook, ik ben er toe verplicht, doordien de heer Kooreman de
behandeling mijner algemeene beschuldigingen heeft omgezet, voor een
groot gedeelte, in een persoonlijke verdediging.
De uitroepen „waarom heeft Mr. van den Brand mij nooit ingelicht?”
„Waarom heeft Dr. Tschudnowsky niet gesproken?” „Waarom zweeg die
Hollandsche geleerde van den heer Deen?” kunnen toch alleen uitgelegd
worden in den zin van: „Ziet gij wel, ik wist er niets van, ik ben
onschuldig!”
Waarom toch die herhaalde betuiging van onschuld door iemand, wien
niets ten laste is gelegd?
Behalve zichzelf heeft ook de heer Kooreman zich geroepen geacht de
koelie-ordonnantie te verdedigen. In plaats van de onpartijdige rol van
den beschouwer, den criticus, te aanvaarden, voelde hij zich geroepen
als tegenstander op te treden en mij te bestrijden. Dit, natuurlijk,
stond hem vrij. En ik ben hem er dankbaar voor.
Ik meen toch te mogen aannemen, dat zoowat al het wapentuig, waarover
de voorvechters der koelie-ordonnantie kunnen beschikken, door den
Oud-Resident te voorschijn is gehaald en dat hij dezen keer zijn
zwaarste harnas heeft aangetrokken. Wel is het een zonderlinge ridder,
dien ons oog aanschouwt, met het „pro servitute” op zijn wapenschild.
En ook de geleende advocaten-toga, die de rusting omhult, verbetert
zijn figuur niet, daar zij den ridder blijkbaar ongewoon is en hij zich
er onhandig in beweegt.
Het is juist door de rol van verdediger, die de heer Kooreman meende op
zich te moeten nemen, dat hij vervalt tot handigheden, welke den
rustigen toeschouwer spoedig ònhandigheden blijken en waardoor hij zijn
zaak meer kwaad dan goed heeft gedaan.
Ziehier twee voorbeelden.
Waar de heer Kooreman wijzen wil op de groote uitbreiding der
bestuurstaak, deelt hij ons mede dat er zich in de residentie Oostkust
van Sumatra in 1881 bevonden 16 ondernemingen, terwijl er tegenwoordig
139 tabaksondernemingen zijn, ongerekend 29 koffieondernemingen en 3
petroleumondernemingen. Bij de beschouwing der gemaakte winsten spreekt
hij niet van ondernemingen, doch van maatschappijen. Van de 38
maatschappijen, zegt de heer Kooreman, hebben dit jaar slechts 13
dividend uitgekeerd. De argelooze toehoorder staat verbaasd over deze
verhouding, en meent, dat het den planters erg treurig gaat. Indien de
verhandelaar niet vergeten had erbij te zeggen, dat onder die 13
dividend uitkeerende maatschappijen was de Deli-Maatschappij met 22
ondernemingen, de Arendsburg met 6, de Amsterdam Deli-Cie met 4, enz.,
dan zou de indruk heel anders en meer overeenkomstig de waarheid
geweest zijn. Men zou dan gezien hebben, dat slechts een klein deel en
niet het verreweg grootste deel, geen winst heeft opgeleverd. Dezen
indruk echter wenschte de heer Kooreman blijkbaar niet, vandaar zijn
eigenaardige voorstelling.
Dit voorbeeld—hoewel teekenend voor ’s heeren Kooreman’s beschouwingen
in het algemeen—is nog zoo erg niet. Wij weten dat de oud-resident niet
verhandelt, maar verdedigt. En een weinig handigheid willen wij in zijn
pleidooi over het hoofd zien, al zullen wij niet nalaten den goochelaar
op de vingers te kijken.
Het tweede voorbeeld—en dit is veel erger—is het overslaan bij de
mondelinge voordracht van wat wij in de gedrukte lezing vinden over het
sjoekoeliën. Ware het een bijzaak geweest, die de redenaar uit gebrek
aan tijd of om eenige andere reden had overgeslagen, ik zou er niets op
aan te merken hebben. Maar dit hoofdstuk mijner brochure, waarvan de
heer Kooreman in zijn gedrukte lezing moet erkennen, dat het in
hoofdzaak waar is, kan niet anders zijn voorbijgegaan dan met
bedoeling. En het schijnt mij dan ook toe, dat wij het alleen aan de
openhartige erkenning van deze terugstootende herwerving door den
Oud-Resident Scherer te danken hebben, dat thans de Oud-Resident
Kooreman het feit niet langer verheelt. Het is een hard woord, doch men
zou hier werkelijk aan de goede trouw van den verhandelaar moeten gaan
twijfelen.
Ook schijnt het mij toe, dat waar de heer Kooreman er voortdurend op
terug komt, dat wat ik mededeelde, steeds zou zijn voorgevallen buiten
het eigenlijk Deli, waarop mijn brochure volgens den titel alleen
betrekking zou kunnen hebben, daar volgens het zeggen van den
Oud-Resident alleen de millioenen uit die streek komen—een bewering
wier onjuistheid terstond in het oog valt, wanneer men slechts aan de
petroleum-ondernemingen denkt—het schijnt mij toe, zeg ik, dat hier de
heer Kooreman den onnoozele speelt. Het kan hem toch niet onbekend
zijn, dat in de spreektaal gewoonlijk Deli voor de geheele Oostkust van
Sumatra genomen wordt. Ik ken hem ook voldoende begripsvermogen toe, om
te hebben opgemerkt, dat mijn brochure niet enkel over het landschap
Deli, doch over de geheele residentie handelt. Het lijkt mij, om de
waarheid te zeggen, kinderachtig toe uit den titel „De Millioenen uit
Deli” de gevolgtrekking te willen maken, dat ik alleen het landschap
van dien naam en niets anders bedoelde. Ieder zegt gemakshalve Deli,
waar hij het heele gewest wil aanduiden.
Zoo doet o. a. ook de Oud-Resident Kooreman in zijn lezing van 22
December 1902.
Maar de kinderachtigheid der opmerking daargelaten, zij is nog onjuist
bovendien.
Het geval, verhaald op blz. 31 mijner brochure, van de vrouw, die
vastgebonden werd en door den administrateur mishandeld, is wis en
degelijk gebeurd in het landschap Deli, en wel op de onderneming
Sempali van de Deli-Maatschappij, nog geen half uur rijdens van Medan,
dus bijna in het gezicht van het Residentiekantoor.
Dit wist de heer Kooreman heel goed, en ik noem het oneerlijk, het
tegengestelde te beweren.
Of bedoelt hij misschien een ander geval dan ik? Het zou zeker niet
onmogelijk zijn, hoewel ik het niet gelooven mag, waar de Oud-Resident
zoo pertinent beweert het geval te kennen. Het is trouwens onder zijn
bestuur voorgevallen.
En dan het onderzoek bij de British-Deli? Zeker, ik geef toe, dat een
gedeelte der ondernemingen dezer maatschappij in Langkat ligt. Doch
doet dit wel iets ter zake?
Trouwens al wat door den Oud-Resident Kooreman over het onderzoek bij
de British-Deli and Langkat Tobacco Cy. gezegd is, mangelt aan goede
trouw. De inlichtingen omtrent deze zaak had de correspondent van de
Java-Bode (C. de Coningh) van den man, die met het onderzoek belast is
geweest, den toenmaligen Assistent-Resident H. van der Steenstraten. En
de heer Kooreman zelf was toen Resident.
Ik verwijs verder naar de verklaring hieromtrent door den heer C. de
Coningh op blz. 50. Hieruit zal men zien, dat de heer Kooreman geen
recht had, de voorstelling der feiten noch de getrokken conclusie
onjuist te noemen.
Zou deze Oud-Resident in gemoede meenen, dat niet, zooals ik schreef,
indien het Gouvernement wilde besluiten tot het houden van een algemeen
en grondig onderzoek er ergerlijker dingen voor den dag zouden komen?
Ten slotte nog dit. Aan het einde zijner verhandeling schrijft de heer
Kooreman: „Integendeel geloof ik, dat uit zijn (Mr. van den Brands)
onjuiste, overdreven verhalen, uit zijn beschrijvingen van stelsels en
verhoudingen, welke niet bestaan, volgt, dat de toestanden in Deli
zeker bevredigend kunnen worden genoemd, al maken zich daar nu en dan
enkele personen schuldig aan daden, die door u evenals door mij ten
zeerste worden gelaakt.”
Hoe kan ik deze uitspraak rijmen met wat de heer Kooreman betoogt op
blz. 4, 2de kolom zijner lezing: „De brochure (De Millioenen uit Deli)
bevat van af omslag tot slot een doorloopend betoog, dat er niets goeds
is in Deli [2], en daar toestanden bestaan zoo verdorven mogelijk.
Zulke toestanden laten zich uit den aard der zaak gemakkelijk
beschrijven, omdat de bewijzen als het ware voor het grijpen liggen.”
Zeker, de bewijzen liggen voor het grijpen. En niemand, die dit beter
weet dan de heer Kooreman. Hij weet dan ook, dat ik werkelijk een greep
deed „in de veelheid der feiten”, dat ik mij niet bezig hield met het
binnenhalen van den oogst, doch slechts een ruikertje gaarde van
grafbloemen uit Deli.
Toen de oude Kranenburg den jongeheer Hendrik Wildschut verweet, dat
zijn vader land van de armen gestolen had en zijn bewering zoodanig met
bewijzen staafde, dat Heintje de beschuldiging niet langer kon
ontkennen, sprak deze de gedenkwaardige woorden: „Al is het waar, dan
lieg je ’t nog.”
Door de boudheid dezer bewering begonnen sommigen aan de
waarheidsliefde van den goeden Kranenburg te twijfelen.
De heer Kooreman, de koelie-ordonnantie door dik en dun willende
verdedigen, meent per se mijn beweringen en feiten te moeten
tegenspreken of vergoelijken en volgt het voorbeeld van den jongen
Hendrik.
Zal hij door de boudheid zijner tegenspraak denzelfden indruk teweeg
brengen?
Niet met mijn toestemming. De stoutheid zijner bewering, de heftigheid
zijner apodictische tegenspraak zal mij niet overbluffen. Ik blijf er
bij, dat als iets waar is, het niet gelogen kan zijn.
Ook in een der Indische bladen las ik de uitspraak „het is zoo en toch
is het niet zoo.”
Laat ons echter bij den heer Kooreman voorloopig blijven en zien,
waarom mijn voorstellingen en gevolgtrekkingen onjuist zijn en in
hoeverre.
Zooveel mogelijk volg ik zijn lezing op den voet.
De heer Kooreman begon met te memoreeren, dat hij op 8 Januari 1901 in
het Indisch Genootschap een lezing hield over Delische toestanden,
waarbij hij in het bijzonder behandelde de rol, die het Bestuur en die
welke de ondernemers in de Delische maatschappij innemen.
Ik herinner mij die lezing zeer goed. Niet dat ik er bij tegenwoordig
was—dan zou zij niet het eigenaardig verloop hebben gehad, dat zij
gehad heeft, n.l. dat niemand met den spreker in debat wenschte te
treden—doch ik las haar in extenso, naar ik meen, in beide plaatselijke
bladen van Medan. Het was bij die gelegenheid, dat de Oud-Resident, die
op de hoogte van de toestanden in zijn gewest behoorde te zijn, het
beruchte voorstel deed, den beheerders van ondernemingen politiemacht
te geven.
Zou de heer Kooreman dat voorstel nog durven doen?
Ik moet het veronderstellen, waar hij zegt thans een vervolg te geven
op die voordracht van 1901.
Politiemacht aan de beheerders! Dat wil zeggen, aan menschen, wien
reeds over hun medemensch meer macht is gegeven, dan geoorloofd is, nog
die macht toe te staan, welke alleen aan de Overheid toekomt. Hoe het
mogelijk is, dat een gewezen Magistraat, die resident in Deli was, zulk
een gruwelijk voorstel deed, verklaar ik niet te kunnen begrijpen.
Na zich op dit menschlievend antecedent te hebben beroepen, verwijt de
heer Kooreman mij, dat ik Deli schilderde met schrille kleuren, en
verzekert dat, indien mijne schilderingen de werkelijkheid weergaven,
ieder weldenkend mensch zou huiveren van verontwaardiging.
Ik erken, dat ik niet in staat was de werkelijkheid weer te geven; dat
de kleuren, welke ik aanwendde, hoe schril ook, bleven beneden de
realiteit; dat ik niet in staat was, den weedom, de ellende uit te
drukken, die er spreekt uit het rondschrijven van den waarnemend
Assistent-Resident van Medan, dd. 5 Juni 1899, hetwelk ik opnam in mijn
brochure en dat ik hier laat overdrukken.
Aan
de Hoofdadministrateurs en Beheerders der
Landbouwondernemingen in de afdeeling Deli.
Zoowel de hoofden der Javanen, Bojans, Bandjareezen.
Mohammedaansche en Hindoesche Klingen en Bengaleezen, als die der
Chineezen hebben de opmerking gemaakt, dat de lijken der
contract-koelies niet overeenkomstig den adat worden begraven.
Op de meeste ondernemingen zijn er zelfs geen stukken grond
gereserveerd tot begraafplaatsen voor de verschillende
volksstammen.
Bovendien worden de meeste Chineezen ongekist ter aarde besteld en
hunne graven niet voorzien van een pitsjok of pisak (steenen
tablet, vermeldende den naam van den overledene en den naam van het
dorp of de plaats in China of elders, vanwaar de overledene
afkomstig is).
Aangezien nu:
1o. een chineesche doodkist plm. 1.50 dollar en een steenen
tablet plm. 25 cent kost.
2o. er op eene onderneming jaarlijks hoogstens 40 Chineezen
sterven; en
3o. de op de verschillende ondernemingen aan te wijzen drie
stukken grond:
a. voor het begraven van Mohammedanen (Javanen,
Soedaneezen, Bojans, Bandjareezen, Klingen,
Bengaleezen).
b. voor het begraven van Chineezen (Téo Tjioe’s, Keh’s
of Hakka’s, Hailohong’s, Hokien’s, Makau’s, Kangsi’s,
etc.), en
c. voor het begraven of verbranden van Hindoe’s (Klingen
en Bengaleezen),
van geen grooten omvang behoeven te wezen, zoo heb ik de eer,
UEdele beleefd in overweging te geven de bovenaangegeven drie
afzonderlijke begraafplaatsen op uwe onderneming(en) te willen
bepalen, zoo zulks nog niet is geschied—en elken overledene
overeenkomstig zijne godsdienstige gebruiken te doen begraven, ten
einde de godsdienstige gevoelens zijner bloed- of aanverwanten niet
te kwetsen en geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde
der bovenbedoelde hoofden te geven.
De wd. assistent-resident van Medan,
E. L. M. Kühr.
Medan, 5 Juni 1899.
Daarom heb ik van deze circulaire niets anders gezegd, dan dat ze
humaan was. Ik meende, dat dit rondschrijven, zonder meer, in staat zou
zijn het hart van den Lezer te treffen. Dit officieele stuk, in al zijn
soberheid, niet jagend naar eenig effect, behoefde geen commentaar.
Zoo meende ik.
Maar de Oud-Resident Kooreman, wiens plicht het zoovele jaren geweest
is, de inlandsche bevolking te beschermen tegen willekeur van de zijde
der Europeesche ingezetenen (art. 29 Instr.) hoorde dezen schreeuw der
ellende niet. De strijdkreet „Pro Servitute” klonk luider dan de gil
der menschelijkheid, die ’s ridders paard met de hoeven vertrad.
Deze circulaire, evenmin als het terugstootende sjoekoeliën achtte de
verhandelaar een woord waardig. Wel achtte hij het de moeite waard,
zich te verdiepen in het vraagstuk, of het wel zoo erg is, een vrouw
ten bloede toe te geeselen, als zij toch nog loopen kan.
Laat ik niet afdwalen. Wij zijn nog niet aan ’s Residenten
martel-casuistiek.
De heer Kooreman verzekert ons, dat het niet in zijn plan ligt, het
gewest geheel te zuiveren van alle vlekken. Hij erkent, dat er
misstanden zijn, maar daarom zijn de wangedragingen van enkelen niet de
ondeugden van allen en wel nergens ter wereld is er een land zonder
misbruiken, waar misdrijven noch overtredingen voorkomen.
Hier herinnert de spreker mij aan mijn huisbaas, die, nadat ik mij had
beklaagd, dat het overal doorregende, mij antwoordde: „kom, kom, het
lekt wel eens in ieder huis.” Zeker, dat doet het ook. Maar ik vind,
dat men in ieder geval een behoorlijk dak moet hebben.
Alvorens verder te gaan, verzoek ik den vriendelijken Lezer verlof uit
te mogen gaan van de volgende stellingen:
a. De heer Kooreman kan behoorlijk lezen;
b. De brochure „De Millioenen uit Deli” kan door een middelmatig
Resident-in-ruste begrepen worden.
Mijn brochure begint met een inleiding, waarin in hoofdzaak een verslag
wordt gegeven van de vergadering der afdeeling Medan van den Indischen
Bond op Zaterdag 29 Maart 1902. Eerst krijgt men de rede van den heer
De Coningh. Deze beweerde, dat het koelie-systeem ter Oostkust van
Sumatra is „een vermomde en niet eens zwaar vermomde, zij het ook
tijdelijke slavernij, minstens pandelingschap.” Wat geeft nu den heer
Kooreman het recht te beweren, dat ik dat gezegd heb? Ik, die juist op
den voorgrond heb gesteld, dat het mij niet deert, of die toestand al
of niet valt onder de rechtskundige definitie van slavernij (blz. 14
Millioenen uit Deli). Wel doet het minder ter zake, daar ik gaarne de
beweringen van den heer De Coningh voor mijn rekening zou willen nemen.
Maar het teekent weer de wijze van optreden van den heer Kooreman, die
mij misschien straks nog de humoristische denkbeelden van den heer
Lefèbre in de schoenen schuift.
De heer Kooreman zegt, dat deze bewering van den heer De Coningh (ik
verbeter) op geen enkel bewijs steunt, omdat door deze geen speciale
gevallen worden behandeld.
Komaan. De heer De Coningh zegt:
„Het is eenvoudig eene vermomde en niet eens een zwaar vermomde, zij
het ook tijdelijke slavernij, minstens pandelingschap en vermoedelijk
zal wel niemand slavernij willen verdedigen, anders dan op
utiliteitsgronden ten behoeve van cultuur- of nijverheidsondernemers,
die, terecht of ten onrechte, meenen, hun bedrijf zonder slavernij niet
winstgevend te kunnen uitoefenen.
Dat de koelies in onze Delische samenleving in de praktijk als slaven
beschouwd worden, daarvan zijn voorbeelden te over.
Dat zij het ook in werkelijkheid zijn en ook van regeeringswege als
zoodanig beschouwd worden, blijkt uit de koelie-ordonnantie en uit de
model-werkcontracten, beide vastgesteld door den Gouverneur-Generaal.
Wij vinden, bijvoorbeeld, in de koelie-ordonnantie in artikelen 9 en 10
straffen van boete of tenarbeidstelling voor den kost zonder loon
bedreigd tegen desertie, tegen voortgezette weigering om te werken,
verregaande luiheid, dienstweigering en dergelijke. Allemaal zaken, die
een vrij werkman hoogstens zijne betrekking zouden kunnen kosten en
misschien eene civiele actie tot vergoeding van kosten, schaden en
interessen.
Immers wij vinden in het Burgerlijk Wetboek voor Nederlandsch-Indië
artikel 1239, luidende:
„Alle verbindtenissen om iets te doen of niet te doen, worden opgelost
in vergoeding van kosten, schaden en interessen, ingeval de schuldenaar
niet aan zijne verplichting voldoet.”
Dit is dus het wetsartikel, dat toepasselijk zou zijn op een vrij
werkman, die inbreuk zou maken op een werkcontract. In de
koelie-ordonnantie wordt dit artikel eenvoudig op zij gezet en, zonder
nu te willen beoordeelen of de tegen de contract-koelies deswegen
bedreigde straffen zwaar of licht zijn, komt het mij voor, dat
rechtspreken buiten de wet om, die voor vrije menschen geldt, alleen
ten opzichte van slaven kan geschieden.
Ook kan alleen een slaaf zich tegenover een particulieren werkgever aan
„desertie” schuldig maken.
In artikel 11 der koelie-ordonnantie komt ’s koelies positie van slaaf
bijzonder duidelijk uit. Daar namelijk wordt onder meer straf bedreigd
tegen dengene, die een weggeloopen koelie huisvesting verleent.
Dit huisvesting verleenen aan iemand, die van een particulieren
werkgever is weggeloopen kan, dunkt mij, alleen ten opzichte van een
slaaf een van overheidswege strafbaar feit opleveren. Het herinnert
levendig aan de dagen der Amerikaansche „underground railway.”
Wie zal na de lezing dezer woorden durven beweren, dat de heer De
Coningh zijn stelling niet argumenteert en behoorlijk bewijst?
De bewering van den heer Kooreman, dat art. 1239 van het Burg. Wetboek
van Ned.-Indië niet op inlanders toepasselijk is, verraadt ons
onmiddellijk den dilettant-jurist.
Want zie, hoe wonderlijk het misschien den heer Kooreman in de ooren
klinke, wel is het Burgerlijk Wetboek van Ned.-Indië niet op inlanders
van toepassing in zijn geheel, doch speciaal dit artikel 1239 wel.
Art. 75 al. 3 van het Regeerings-Reglement toch bepaalt: Behoudens de
gevallen.... waarin zich inlanders vrijwillig hebben onderworpen aan
het voor de Europeanen vastgestelde burgerlijke en handelsrecht, worden
door den inlandschen rechter toegepast de godsdienstige wetten,
instellingen en gebruiken der inlanders, voor zoover die niet in strijd
zijn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en
rechtvaardigheid.
Nu staat het vast, dat indien de godsdienstige wetten, instellingen en
gebruiken der inlanders gevangenisstraf medebrachten, wanneer de
schuldenaar bij een verbintenis om iets te doen of niet te doen niet
aan zijn verplichting voldeed, dit door den Rechter in strijd zou
worden geacht met de algemeen erkende beginselen van billijkheid en
rechtvaardigheid, en art. 1239 zou worden toegepast.
Het zal dan ook in geheel Nederlandsch-Indië—behalve dan natuurlijk in
Deli—niemand in het hoofd komen, bij contractbreuk door een inlander,
iets anders van den Rechter te eischen dan vergoeding van kosten,
schaden en interessen.
In Deli echter, en ziedaar weer een ontegensprekelijk bewijs, hoe de
ongeoorloofde verhouding van meester en dienaar den mensch
onbevattelijk maakt voor de meest elementaire rechtsbegrippen, kan men
zoo iets—en erger—verwachten. Een vermakelijk staaltje geeft ons Mr. R.
Z. Dannenbergh, de eerste gegradueerde Landraadspresident te Medan [3],
waar hij schrijft:
„Kreeg ik dan ook aan het begin mijner werkzaamheid ter Sumatra’s
Oostkust van Europeanen wel eens brieven met het verzoek om Inlanders
of Vreemde Oosterlingen, die zoo brutaal waren geweest om tegen hen een
civiele actie in te stellen, eens flink te straffen, ik meen mij te
mogen vleien met de hoop, dat mijn vierjarige werkzaamheid aan
dergelijke wanbegrippen voor goed een einde zal hebben gemaakt.”
Ik noemde dit staaltje vermakelijk, is het niet eigenlijk in-treurig en
staat het niet daar als een teeken ter waarschuwing, waarheen de
practijk der koelie-ordonnantie leidt?
Verder verklaart de heer Kooreman zich te scharen aan de zijde van
Prof. Mr. G. A. van Hamel, die reeds in 1892—te onzaliger ure!—zijn
conclusies maakte. Die conclusies, zegt hij, zijn nog altijd juist en
verzekert, dat het stelsel der ordonnantie uit theoretisch en practisch
oogpunt beide uitnemend geslaagd is, ook omdat het—volgens prof. Van
Hamel—de zorg der Overheid zoo uitstekend verdeelt.
Kijk, over dat laatste zou ik behalve den Amsterdamschen hoogleeraar
gaarne den koelie zelf eens willen hooren. Ik denk, dat die hartelijk
naar wisseling verlangt.
Overigens ben ik het met den heer Kooreman en zijn geleerden voorganger
eens, dat het stelsel der koelie-ordonnantie uitnemend geslaagd is, en
op werkgever en werknemer beiden niet heeft nagelaten, dien
verderfelijken invloed uit te oefenen, welke te verwachten was.
Het goede toch, dat in Deli wordt aangetroffen en waarop onze
Oud-Resident zoo trotsch gaat, is er gekomen niet door maar
niettegenstaande de koelie-ordonnantie. Niemand, om maar één voorbeeld
te noemen, behoeft te vreezen, dat de groote maatschappijen, wanneer de
koelie-ordonnantie werd opgeheven, over zouden gaan tot het afbreken
harer hospitalen en het ontslaan der doktoren. Het eigenbelang zou haar
voor het nemen van dergelijke onverstandige besluiten behoeden.
Hetzelfde argument geldt voor de huisvesting. En het beding, dat de
werkman niet tegen zijn wil van zijn gezin zal gescheiden worden,
vervalt dat niet bij afschaffing der koelie-ordonnantie vanzelf? De
loonen kunnen niet geringer, de kortingen daarop voor het genoten
voorschot niet grooter.
Trouwens de hoegrootheid van het loon wordt niet bij de
koelie-ordonnantie geregeld. Zelfs ging het Gouvernement niet in op een
voorstel, door den Resident Van der Steenstraten gedaan, om een
minimum-loon vast te stellen. Het sprak als zijn meening uit, dat het
loon niet aan de economische wet van vraag en aanbod mocht onttrokken
worden door ingrijping van de zijde van het Bestuur. Het schijnt mij
evenwel toe, dat juist de vaststelling van het minimum-loon een der
hoofdpunten behoort te zijn bij elke wettelijke regeling van den
arbeid.
Hierop kom ik later terug bij de toelichting op het
concept-werkcontract, hetwelk ik binnen korten tijd hoop het licht te
doen zien.
De heer Kooreman, zijn pleidooi voortzettende, wil niet beweren, dat de
Delische werkgevers het werkcontract nooit hebben misbruikt, b.v. om
hun werklieden te dwingen na het verstrijken van het contract in dienst
te blijven.
Doch wat beteekenen zulke misbruiken? Zij bewijzen niets tegen de
ordonnantie zelve!
Waartegen bewijzen deze misbruiken dan wel wat? Volgens den heer
Kooreman alleen iets tegen de menschelijke natuur, die onder welke
codificatie ook, tot het kwade geneigd is. Zonder de koelie-ordonnantie
zou echter dit schandelijk misbruik niet mogelijk zijn. Pleit dit niet
voor de wegneming van het euvel en tegen de voortduring van het bestaan
dier ordonnantie?
Kom, kom, vergoelijkt de Oud-Resident, in Nederland komt wel de
zoogenaamde handel in blanke slavinnen voor, een vermomd
pandelingschap, zoo men wil.
Meent de heer Kooreman werkelijk met zulke drogredenen zijn zaak te
kunnen goed praten?
Na nog even den lof der koelie-ordonnantie te hebben gezongen, na te
hebben verklaard, dat zij goed is, omdat zij de zorg erkent van de
overheid voor de belangen van werkgever en werknemer beiden; na te
hebben gestaafd, dat geen van beide partijen zich heeft te beklagen
over gemis aan belangstelling van bestuurswege......
Volkomen met u eens, Resident, doch de aard der belangstelling lijkt
mij niet dezelfde.
.... komt de Oud-Resident met een klacht.
Een klacht, die, ik geef het grif toe, werkelijk gegrond is. Toch was
het wel het laatst uit den mond van een gewezen Indischen magistraat,
dat ik verwacht zou hebben haar te hooren. En ieder, die de
geheimzinnigheid kent, waarmede het Binnenlandsch Bestuur zijn daden
weet te omhullen, en de minachting waarmede opmerkingen in de pers door
de ambtenaarswereld plegen te worden begroet en behandeld—en zeker niet
het allerminst ter Oostkust van Sumatra—, zal met stomme verbazing
vernemen, dat de heer Kooreman zich beklaagt over het ontbreken eener
geprononceerde openbare meening in zijn oud gewest.
Deze klacht zal vreugde en hoop storten in de harten van al wie
journalist is in Nederlandsch-Indië en zij zal zijn als de profetie van
een nieuwen dageraad voor de pers.
Zoo ziet men, dat uit de koelie-ordonnantie zelfs iets goeds kan
geboren worden.
Maar weet de heer Kooreman niet, waarom er in Deli van een openbare
meening, steeds wakker om de Overheid te waarschuwen, weinig of niets
valt te bespeuren?
Welnu, dan wil ik hem, opdat hij zich niet wederom over mijn
stilzwijgen beklage, deze maal eens inlichten.
Het is de vrees uit zijn betrekking ontslagen en nergens elders meer
aangenomen te worden, die iedereen doet zwijgen.
En hiervan levert het bewijs de geschiedenis van den heer v. D., die op
reis zijnde van Asahan naar Deli onderweg aan den Resident Van der
Steenstraten het een en ander mededeelde van de toestanden op de
onderneming, waar hij het laatst gewerkt had. Deze mededeelingen hadden
een onderzoek en een strafzaak ten gevolge. Maar tevens was voor altijd
iedere betrekking voor den heer v. D. ter Oostkust gesloten. Lieden,
als de heer v. D. worden in den regel door het gewone publiek als
„verraders” beschouwd, en al verklaarde dan ook ter terechtzitting de
heer v. D., dat het niet in zijn bedoeling had gelegen, zijn vroegeren
chef in ongelegenheid te brengen, niemand was van hem gediend—men kan
nooit weten.
Het ligt trouwens niet op den weg van den burger, de rol van aanbrenger
te spelen. Het opsporen van misdrijven is het werk van de politie en
het bestuur. Maar, zooals ik reeds in mijn brochure (blz. 24) zeide, de
opsporingsdienst in Deli is volstrekt onvoldoende.
Na het voorgaande zal het niemand—en naar ik hoop ook den heer Kooreman
niet—verwonderen, dat het Bestuur in Deli, wat de opsporing van
misdrijven betreft, op eigen kracht moet steunen. Trouwens, het beroep
van aanbrenger is nergens in eere.
Maar is de Oud-Resident wel geheel verantwoord, waar hij zich door de
afwezigheid eener publieke meening in Deli tracht te dekken? Ik geef
toe, dat er gedurende zijn bestuur in de plaatselijke bladen
betrekkelijk weinig over koelie-schandalen voorkwam. Doch mij dunkt,
dat de Resident ook wel andere couranten las dan juist de plaatselijke.
Heeft hij dan nooit gelezen, wat er zooal over Deli in de Javasche
bladen verscheen? Het is haast niet te veronderstellen. Want behalve in
de Java-Bode, waaruit ik bij het samenstellen mijner brochure
verschillende berichten overnam, bevatten van tijd tot tijd ook de
andere nieuwsbladen artikelen, die den Oud-Resident tot nadenken hadden
kunnen brengen en hem de oogen hadden moeten openen, indien hij had
willen zien. Het zou mij gemakkelijk vallen, de voorbeelden in „De
Millioenen uit Deli” te vertienvoudigen, doch ik wil met één uitknipsel
volstaan, daar ik meen, dat het voor mijn doel, de onbegrijpelijke
blindheid en onwetendheid van den heer Kooreman aan te toonen,
voldoende is.
„Van Deli zijn hier ruim 40 mannelijke en vrouwelijke koelies
aangebracht, die zich in een deerniswaardigen toestand bevonden. Ze
waren doodarm, hadden een vieze plunje aan en waren door en door ziek.
Hoewel ze tot afschrik dienden voor anderen om zich niet als koelie
voor Deli te verbinden, vertrokken twee dagen later 41 mannen en 18
vrouwen daarheen, die voor twee jaren een koelie-contract in het
Timbanglangkatsche hadden geteekend.”