En de zaak werd in der minne bijgelegd. [8]

Later ben ik pas te weten gekomen, wat aan de heele zaak ten grondslag

lag. De Nieuwe Deli Race club, die haar paarden op de boven besproken

renbaan bij Medan laat loopen, had den Sulthan die ontruiming verzocht.

Er waren n.l. onder de eigenaars der woningen ook rijtuigverhuurders en

men was bang voor mogelijke besmetting der renpaarden, indien zich een

ziek paard in de stallen der eigenaars mocht bevinden. In de notulen

der raceclub moet hierover nog wel het een en ander te vinden zijn.

De voorzitter van de raceclub was de secretaris van het Gewest.

Verschillende bestuursambtenaren, waaronder ook de Resident, hadden de

zoogenaamde B. B. Kongsie gevormd en lieten paarden loopen. En nu moge

men mij duizendmaal verwijten, dat ik insinueer, doch ik kan niet

nalaten tusschen deze feiten en de houding van den Resident in deze

zaak verband te zoeken.

Tot nog toe groeit er op de betwiste gronden geen rijst.

De huizen zijn trouwens nooit afgebroken. De Sulthan heeft de erfpacht

weer verkocht aan een ander voor drieduizend dollar.

De ondervinding door mij in deze zaak opgedaan, moedigde mij niet aan,

met den Resident over koelietoestanden te gaan praten, evenmin als over

andere zaken, die naar mijn inzien indruischten tegen het Recht. Waar

mogelijk, sloeg ik steeds, zonder voorafgaande pourparlers, de weg van

rechten in en verkoos te vechten, waar minnelijke besprekingen toch

niet zouden baten. Trouwens, hoe kon ik vermoeden, dat het Hoofd van

het Gewest zooveel minder zou weten dan ik? Het kwam mij niet in het

hoofd, mij te verbeelden, dat ik meer van de feitelijke toestanden af

zou weten dan de Resident. En nog sta ik er verbaasd van, dat wat drie

eenvoudige burgers—een dokter, een geleerde en een advocaat—binnen

betrekkelijk korten tijd opmerkten, een voortdurend geheim is gebleven

voor den man, die gecenseerd werd op de hoogte te zijn. Het beroep van

den Oud-Resident Kooreman op zijn niet-weten is een testimonium

paupertatis, zich zelf uitgereikt, en tevens het tegengestelde van een

loftuiting aan zijn vroegere ondergeschikten, die hem—zooals de

Oud-Resident zegt—dergelijke dingen nooit rapporteerden.

Laat ons hopen, dat het tegenwoordig Bestuur zijn oogen wat beter open

zal hebben.

Medan, 29 Januari 1903.

Den Heer Mr. J. van den Brand,

Medan.

Geachte Heer!

Naar ik zie uit het verslag van „Omega” in de Sumatra-post over de

rede van den oud-resident Kooreman, gehouden in de Vereeniging

„Moederland en Koloniën” te ’s-Gravenhage, zoude deze heer daar o.

m. gezegd hebben: „En dan de questie van den heer Tripp en de

British-Deli (blz. 35 en volgende). De voorstelling van de feiten

en de conclusie zijn weer onjuist.”

Indien dit verslag het door den heer Kooreman gesprokene juist

weêrgeeft, komt het mij voor dat deze heer, met volmaakt gemis aan

goede trouw, om het door U behandelde en bedoelde heeft

heengepraat.

Immers U begint: „Wat er voor den dag zou komen, indien het

Gouvernement wilde besluiten tot het houden van een algemeen en

grondig onderzoek, leert ons de geschiedenis van den heer Tripp en

de British-Deli and Langkat Tobacco Company.” Het door U uit mijne

correspondentie in de Java-bode van 10 Juli 1899 geciteerde

eindigt: „Dat de directie der British-Deli zou overgaan tot eene

klacht wegens laster tegen den heer Tripp, acht ik niet

waarschijnlijk, daar zij wel zal denken aan het spreekwoord, dat

ons leert dat er sommige stoffen zijn, die hoe meer men er in

roert, een des te onaangenamer geur verspreiden. Al ware ook te

bewijzen, dat elk woord van den heer Tripp een leugen geweest was,

dan zijn hier toch altijd nog de verslagen der terechtzittingen,

die dan voor den dag zouden komen en waaruit minder mooie dingen

zouden blijken. Klachten over geknoei met de uitbetaling van het

loon; vervolging van een administrateur wegens mishandeling,

waarbij de klacht werd ingetrokken tegen betaling van ƒ 50.— aan de

vrouw, die afgeranseld was; vervolging om dezelfde reden van een

ander administrateur, waarbij de zaak niet kon doorgaan wegens

verdwijning van alle getuigen—zooals in Deli wel meer gebruikelijk

is—; vervolging van een assistent, die eindigt met veroordeeling

tot een jaar gevangenisstraf wegens doodslag onder verzachtende

omstandigheden, al zulke dingen maken geen erg mooien indruk,

wanneer zij voor het groote publiek komen.”

Uwe conclusie is dus: zulke en dergelijke dingen zouden voor den

dag komen, indien het Gouvernement wilde besluiten tot een algemeen

en grondig onderzoek.

Welnu, deze conclusie is volkomen juist, want deze dingen zijn

inderdaad voor den dag gekomen bij het toen gehouden onderzoek naar

de faits et gestes van de British-Deli, en daaruit te concludeeren

dat vele dergelijke zaken voor den dag zouden komen bij een

algemeen onderzoek, is zeker niet gewaagd. Er is geen enkele reden

om aan te nemen, dat juist de British-Deli eene uitzondering zou

zijn. De heer Kooreman behoeft volstrekt niet te denken, dat ik de

bovengenoemde bijzonderheden zoo maar eens uit mijn duim zoog, daar

zij mij werden medegedeeld door den heer H. van der Steenstraten,

toenmaals assistent-resident te Medan, die met het onderzoek belast

geweest was.

Ik geloof dus niet te ver te gaan met den heer Kooreman van kwade

trouw te beschuldigen, waar hij het blijkbaar wil doen voorkomen,

alsof het iets er toe afdeed of de heer Tripp praatjes verkocht of

niet. De dingen die voor den dag kwamen naar aanleiding van de

affaire Tripp, dáárop komt het aan.

Hoogachtend,

(w. g.) C. de Coningh.

Nog eens: de millioenen uit Deli · 第 5 / 7 题