Later ben ik pas te weten gekomen, wat aan de heele zaak ten grondslag
lag. De Nieuwe Deli Race club, die haar paarden op de boven besproken
renbaan bij Medan laat loopen, had den Sulthan die ontruiming verzocht.
Er waren n.l. onder de eigenaars der woningen ook rijtuigverhuurders en
men was bang voor mogelijke besmetting der renpaarden, indien zich een
ziek paard in de stallen der eigenaars mocht bevinden. In de notulen
der raceclub moet hierover nog wel het een en ander te vinden zijn.
De voorzitter van de raceclub was de secretaris van het Gewest.
Verschillende bestuursambtenaren, waaronder ook de Resident, hadden de
zoogenaamde B. B. Kongsie gevormd en lieten paarden loopen. En nu moge
men mij duizendmaal verwijten, dat ik insinueer, doch ik kan niet
nalaten tusschen deze feiten en de houding van den Resident in deze
zaak verband te zoeken.
Tot nog toe groeit er op de betwiste gronden geen rijst.
De huizen zijn trouwens nooit afgebroken. De Sulthan heeft de erfpacht
weer verkocht aan een ander voor drieduizend dollar.
De ondervinding door mij in deze zaak opgedaan, moedigde mij niet aan,
met den Resident over koelietoestanden te gaan praten, evenmin als over
andere zaken, die naar mijn inzien indruischten tegen het Recht. Waar
mogelijk, sloeg ik steeds, zonder voorafgaande pourparlers, de weg van
rechten in en verkoos te vechten, waar minnelijke besprekingen toch
niet zouden baten. Trouwens, hoe kon ik vermoeden, dat het Hoofd van
het Gewest zooveel minder zou weten dan ik? Het kwam mij niet in het
hoofd, mij te verbeelden, dat ik meer van de feitelijke toestanden af
zou weten dan de Resident. En nog sta ik er verbaasd van, dat wat drie
eenvoudige burgers—een dokter, een geleerde en een advocaat—binnen
betrekkelijk korten tijd opmerkten, een voortdurend geheim is gebleven
voor den man, die gecenseerd werd op de hoogte te zijn. Het beroep van
den Oud-Resident Kooreman op zijn niet-weten is een testimonium
paupertatis, zich zelf uitgereikt, en tevens het tegengestelde van een
loftuiting aan zijn vroegere ondergeschikten, die hem—zooals de
Oud-Resident zegt—dergelijke dingen nooit rapporteerden.
Laat ons hopen, dat het tegenwoordig Bestuur zijn oogen wat beter open
zal hebben.
Medan, 29 Januari 1903.
Den Heer Mr. J. van den Brand,
Medan.
Geachte Heer!
Naar ik zie uit het verslag van „Omega” in de Sumatra-post over de
rede van den oud-resident Kooreman, gehouden in de Vereeniging
„Moederland en Koloniën” te ’s-Gravenhage, zoude deze heer daar o.
m. gezegd hebben: „En dan de questie van den heer Tripp en de
British-Deli (blz. 35 en volgende). De voorstelling van de feiten
en de conclusie zijn weer onjuist.”
Indien dit verslag het door den heer Kooreman gesprokene juist
weêrgeeft, komt het mij voor dat deze heer, met volmaakt gemis aan
goede trouw, om het door U behandelde en bedoelde heeft
heengepraat.
Immers U begint: „Wat er voor den dag zou komen, indien het
Gouvernement wilde besluiten tot het houden van een algemeen en
grondig onderzoek, leert ons de geschiedenis van den heer Tripp en
de British-Deli and Langkat Tobacco Company.” Het door U uit mijne
correspondentie in de Java-bode van 10 Juli 1899 geciteerde
eindigt: „Dat de directie der British-Deli zou overgaan tot eene
klacht wegens laster tegen den heer Tripp, acht ik niet
waarschijnlijk, daar zij wel zal denken aan het spreekwoord, dat
ons leert dat er sommige stoffen zijn, die hoe meer men er in
roert, een des te onaangenamer geur verspreiden. Al ware ook te
bewijzen, dat elk woord van den heer Tripp een leugen geweest was,
dan zijn hier toch altijd nog de verslagen der terechtzittingen,
die dan voor den dag zouden komen en waaruit minder mooie dingen
zouden blijken. Klachten over geknoei met de uitbetaling van het
loon; vervolging van een administrateur wegens mishandeling,
waarbij de klacht werd ingetrokken tegen betaling van ƒ 50.— aan de
vrouw, die afgeranseld was; vervolging om dezelfde reden van een
ander administrateur, waarbij de zaak niet kon doorgaan wegens
verdwijning van alle getuigen—zooals in Deli wel meer gebruikelijk
is—; vervolging van een assistent, die eindigt met veroordeeling
tot een jaar gevangenisstraf wegens doodslag onder verzachtende
omstandigheden, al zulke dingen maken geen erg mooien indruk,
wanneer zij voor het groote publiek komen.”
Uwe conclusie is dus: zulke en dergelijke dingen zouden voor den
dag komen, indien het Gouvernement wilde besluiten tot een algemeen
en grondig onderzoek.
Welnu, deze conclusie is volkomen juist, want deze dingen zijn
inderdaad voor den dag gekomen bij het toen gehouden onderzoek naar
de faits et gestes van de British-Deli, en daaruit te concludeeren
dat vele dergelijke zaken voor den dag zouden komen bij een
algemeen onderzoek, is zeker niet gewaagd. Er is geen enkele reden
om aan te nemen, dat juist de British-Deli eene uitzondering zou
zijn. De heer Kooreman behoeft volstrekt niet te denken, dat ik de
bovengenoemde bijzonderheden zoo maar eens uit mijn duim zoog, daar
zij mij werden medegedeeld door den heer H. van der Steenstraten,
toenmaals assistent-resident te Medan, die met het onderzoek belast
geweest was.
Ik geloof dus niet te ver te gaan met den heer Kooreman van kwade
trouw te beschuldigen, waar hij het blijkbaar wil doen voorkomen,
alsof het iets er toe afdeed of de heer Tripp praatjes verkocht of
niet. De dingen die voor den dag kwamen naar aanleiding van de
affaire Tripp, dáárop komt het aan.
Hoogachtend,
(w. g.) C. de Coningh.