Er is van verschillende zijden bij de bespreking mijner brochure „De
Millioenen uit Deli” gewezen op mijn Calvinistische geloofsbelijdenis
en in verband daarmede op mijn anti-revolutionnaire gevoelens. Mij
dunkt, dat men de laatste beter achterwege hadde gelaten, daar het
boekje allerminst de strekking had een of andere politieke partij te
dienen. Uit een politiek oogpunt was zelfs voor de
anti-revolutionnairen de verschijning mijner brochure ongewenscht, daar
zij den Minister van Koloniën op het onverwachtst voor de oplossing van
een vraagstuk plaatste, waaraan hij naar alle waarschijnlijkheid nog
niet de noodige aandacht had geschonken, en hem toestanden onthulde,
waarvan hij zelfs het bestaan niet kon vermoeden. Daar uit den aard der
zaak het tegenwoordig Ministerie mijn sympathie heeft, heb ik er een
oogenblik aan gedacht, de uitgave van het „schrikwekkende” boek uit te
stellen tot latere gelegenheid. Doch ook slechts een oogenblik heeft
bij mij het opportuniteitsbezwaar gegolden.
Tegenover het schrikkelijk onrecht, tegenover het lijden van duizenden,
tegenover het nadeel aan de eere Gods kon de overweging, dat de
Minister van Koloniën, al ware hij ook een politiek partijgenoot, in
een moeielijke positie zou komen, in de weegschaal gelegd, de naald
niet naar de andere zijde van het huisje doen overslaan. Hier mocht
geen partijbelang gelden, hier verloren persoonlijke sympathieën haar
gewicht, hier gold het zuiver en zonder aanzien des persoons op te
komen voor de eer van Hem, bij wien alle belang van partij en persoon
in het niet zinkt.
Op het oogenblik, dat de copy mijner brochure naar Holland verzonden
werd, was de krachtige Van Asch van Wijck reeds overleden en wachtte
ieder in Nederlandsch-Indië met spanning, wie zijn opvolger zou zijn.
Toen het bekend werd, dat Idenburg als Minister van Koloniën was
opgetreden, spraken de meeste Indische bladen een onwelwillend oordeel
uit. Ik geloof, dat men daartoe geen voldoende reden had; in ieder
geval was men voorbarig. Mij was het bericht zijner benoeming niet
onwelkom. Het weinige, dat ik van particuliere zijde van hem vernomen
had en vooral zijn optreden het vorig jaar in de Tweede Kamer als
afgevaardigde voor Gouda, deden mij de hoop koesteren, dat mijn kreet
om recht niet ledig zijn oor voorbij zou gaan. Ziehier, zoo dacht ik,
een geloofsman, naar hetgeen men van hem vertelt, een geloofsheld, die
eigen eere niet achtende, op zal komen voor de Gerechtigheid. Een man,
die den gruwel ziende, hem weg zal nemen.
En nu?
Nog is de tijd niet gekomen, een oordeel over de daden van dezen
Minister uit te spreken. Ik wil blijven hopen en vertrouwen. Wel had ik
verwacht iets anders te hooren, iets krachtigers, iets minder
dubbelzinnigs, minder vaags, dan wat hij zeide bij de bespreking der
koelie-ordonnantiën in de Tweede Kamer. Ik geef toe, dat de toestand
van den Minister verre van benijdenswaardig was. Nauwelijks de
politieke loopbaan ingetreden, belast met het opperbeleid in het
koloniaal bestuur, bijna onvoorbereid voor zijn rekening hebbend de
verdediging van de Indische begrooting, heeft Idenburg aan mede- en
tegenstander zonder twijfel bewondering moeten afdwingen. Het ligt dan
ook niet in mijn bedoeling iets te zijnen nadeele te zeggen. Zoo iets,
dan is het de houding van den Minister in het algemeen bij het
begrootingsdebat, die mij vertrouwen doet stellen in de toekomst. En
mij hoop geeft voor der koelieszaak.
Dat neemt niet weg, dat ik, zooals ik reeds zeide, gaarne iets meer
beslists, meer positiefs van de zijde des Ministers vernomen had. Hoe
gaarne had ik in plaats van „Ik zal deze brochure speciaal onder de
aandacht van den Gouverneur-Generaal brengen” de belofte vernomen, dat
de Minister een algemeen en grondig onderzoek zou bevelen. Van een
onderzoek van regeeringswege, dat de meesten na de woorden des
Ministers verwachtten, is tot nog toe niets gekomen en—ben ik goed
ingelicht—dan zou er hiervan zelfs geen sprake zijn. Wel werden mij
door den resident der Oostkust van Sumatra inlichtingen gevraagd over
het toetoepen van zaken te Medan. Ook ontving ik bezoek van den
assistent-resident, in zijn kwaliteit van hulp-officier van Justitie,
die den naam vroeg van den bedrijver der schanddaad, bedoeld op blz. 29
der „Millioenen uit Deli”. Men schijnt de zaak strafrechtelijk te
willen vervolgen.
Op beide verzoeken heb ik geantwoord, dat ik alleen aan de Regeering of
Hare vertegenwoordigers bereid ben inlichtingen te geven in geval van
een door Haar bevolen algemeen onderzoek en wel onder voorwaarde van
straffeloosheid voor de betrokken personen.
Mijn eerzucht toch is allerminst als politie-spion op te treden! En
indien men meenen mocht door posthume strafvervolging het euvel weg te
nemen, dan moet ik twijfelen aan goede trouw. Ik roep om den
heelmeester, niet om den rechter. Ik strijd voor een beginsel, niet
tegen personen. Mijn streven spruit niet uit wraakgevoel, doch vindt
zijn oorsprong in liefde voor de Gerechtigheid.
Hoe verkeerd mijn streven begrepen wordt, hoezeer mijn bedoelingen
worden miskend, blijkt wel hieruit, dat de eerste daad van het Bestuur
ter Oostkust na de verschijning mijner brochure was, den
procureur-generaal van het Hoog-Gerechtshof te Batavia advies te
vragen, of er mogelijkheid bestond mij onder de in Indië vigeerende wet
op de drukpers strafrechtelijk te vervolgen! Het antwoord van den
procureur-generaal heb ik niet gelezen, doch het moet lang niet malsch
geluid hebben.
Een onderzoek, ten minste een openlijke enquête, zooals ik gehoopt en,
om de waarheid te zeggen, verwacht had, komt er dus niet. Toch meen ik
reden te hebben, te vermoeden dat het geenszins in het plan van den
Minister ligt, de zaak te laten doodbloeden en in den doofpot te
stoppen. Welke mijn gronden voor deze meening zijn, acht ik mij niet
geoorloofd, hier te openbaren.
Moest ik ten dezen opzichte teleurstelling ondervinden, ook op andere
punten bevredigde mij de rede van den Minister niet.
In de eerste plaats hinderde mij de onjuistheid, waaraan de Minister
zich schuldig maakte, toen hij verklaarde te meenen, dat ook ik de
behandeling der koelies bij de Deli-Maatschappij zoo zeer had geroemd.
In mijn brochure toch is geen woord te vinden, waaruit men die
conclusie trekken kan. Wanneer ik een voorbeeld van goede behandeling
der koelies zou hebben willen noemen, dan had ik een mij bekende kleine
particuliere onderneming gekozen en niet de Deli-Maatschappij.
Om dit duidelijk te maken, behoef ik alleen mede te deelen, dat de
feiten, verhaald op blz. 29 en blz. 31 der brochure, op ondernemingen
der Deli-Maatschappij zijn gepleegd. Het doet er wel weinig af of toe,
daar overal meer of minder groote onregelmatigheden zijn voorgekomen,
doch tot recht verstand van zake dient deze onjuistheid van den
Minister te worden hersteld. Evenmin toch als Alter vor Thorheit
schützt, evenmin behoeden de beste bedoelingen van het bestuur eener
maatschappij in Holland voor uitspattingen zijner vertegenwoordigers in
Indië, zoolang deze over de koelies meer rechten uitoefenen dan hun
volgens Gods ordinantiën mogen worden toegestaan.
Trouwens over de meer of minder goede behandeling der koelies loopt de
kwestie niet. Laat ons bij de zaak blijven, het gaat over het al of
niet geoorloofde van de koelie-ordonnantie, zooals zij in Deli bestaat.
Goede of slechte behandeling doet er au fond niets af of toe. In
Amerika hadden op de meeste plantages de slaven het ook goed. Toch
heeft een edelmoedig volk naar de wapens gegrepen, om aan den
onmenschwaardigen toestand een einde te maken.
Zoo ook hier.
Mijn meening daaromtrent zette ik reeds uiteen op blz. 14 der
Millioenen uit Deli, doch wil ze ten overvloede hier nog eens herhalen:
„Het deert mij niet, of die toestand al of niet valt onder de
rechtskundige definitie van slavernij; het laat mij koud, of de
koelie-ordonnantie al dan niet in strijd is met onze Grondwet of
Burgerlijke Wet; het is mij onverschillig, of ondernemers of
maatschappijen min of meer philantropisch zijn en hunne werklieden
beter of slechter behandelen of verplegen. Het eenige wat mij raakt is,
dat zij is in strijd met de eere Gods, in strijd met de
menschelijkheid.
Waarlijk, met een mooi hospitaal en een paar guldens is het gemis der
vrijheid niet goed te maken.
Zeer gezocht, om niet te zeggen sophistisch, is de redeneering van den
Minister, waar hij ongeveer zegt: „Zie, van alle zijden dringt men hier
in Nederland aan op wettelijke regeling van den arbeid; in Deli is het
gebeurd en nu moppert gij.”
Zeker, Excellentie, men dringt aan in Nederland op wettelijke regeling
van het arbeidscontract. Maar niet op een zoodanige, als wij in de
koelie-ordonnantie belichaamd vinden. En ook ik heb tegen een
wettelijke regeling dezer zaak niets, ik ben er zelfs voor. Doch, mij
dunkt, dat zulk een regeling een behoorlijke dient te zijn. Durft Uwe
Excellentie deze qualificatie aan de vigeerende koelie-ordonnantie
geven? Welnu, laat dan Uw collega van Binnenlandsche Zaken er eens de
proef mee nemen en voorstellen de koelie-ordonnantie naar
omstandigheden gewijzigd, in Nederland in te voeren.
Men zie in de laatste zinsnede allerminst valsche scherts. Geen
onrechtmatigheid wordt beter gevoeld, dan door het slachtoffer, en door
dengene die in gelijkvormige omstandigheden verkeert. Nu is er
ongetwijfeld niemand, die niet inziet, dat het Nederlandsche volk een
wettelijke regeling van den arbeid, die zelfs maar in de verte op de
beruchte koelie-ordonnantie geleek, niet zou verdragen.
Waarom zou dan de Javaan haar moeten verduren?
Zooals ik reeds gezegd heb, heb ik vertrouwen in dezen Minister, in
zijn werkkracht, zijn eerlijkheid en zijn Geloof. Dr. Schaepman in een
zijner Chronica’s noemde hem „dapper” en vertrouwde dat de zaak in
Idenburgs handen gesteld, zou terecht komen en tot zijn recht. Bij deze
woorden wensch ik mij aan te sluiten. Doch ik dring aan op spoed. Hier
is de uitdrukking periculum in mora geen phrase.