Maar zou dat alles wel waar zijn?
Levendig kan ik mij voorstellen, dat na het lezen mijner brochure „De
Millioenen uit Deli” deze vraag rees op de lippen van ieder, die, nooit
in Deli geweest zijnde, dit gewest waarschijnlijk alleen kende uit de
koloniale verslagen of de een of andere beurscourant. Wie jaarlijks den
oogst van gouden appelen zag binnenhalen, kon weinig vermoeden, dat de
wonderboom wortelde in zoo drassigen grond; dat de sappen, die de stam
opzoog en omzette in blinkende vrucht, vermengd waren met bloed en
tranen. Hij hoorde alleen het vroolijke lied van de maaiers, maar het
weeklagen der zaaiers bereikte zijn oor niet. En nu eindelijk een
zwakke nagalm van hun klaaglied doordrong tot zijn gehoor, staat hij
verbijsterd en twijfelt, of hij goed heeft gehoord.
Zou het waar zijn?
Deze vraag moest men zich stellen en van alle kanten werd zij dan ook
gesteld. Zij werd onmiddellijk gevolgd door de verzekering, dat indien
alles waar was, indien de helft, een derde een tiende deel slechts waar
was, dan....
De verontwaardiging was algemeen, spontaan en te goeder trouw.
Nadat de verontwaardiging wat bekoeld was, bleek men geneigd
verontschuldigingen aan te hooren, en dit te gretiger naarmate men meer
inzag, hoe groote finantiëele belangen hier op het spel stonden.
Een tijdlang zocht men naar een woord, een leus, waaronder men de in de
brochure latente gevolgtrekkingen bestrijden kon; een gepaste houding,
die men tegenover de beschuldigingen kon aannemen.
Het resultaat was, dat degenen die belang hadden de uitwerking van mijn
boekje te neutraliseeren, in het algemeen kleinigheden toegaven, het
bestaan van zekere misstanden erkenden, punten van ondergeschikt belang
bestreden en de kern der zaak.... lieten voor hetgeen zij was.
Met handige tactiek trachtte men de aandacht van de hoofdzaak af te
leiden, en haar te vestigen op die gedeelten in het boek, welke alleen
als bijzaken bedoeld waren.
Zoo kwam b. v. de Sumatra Post aandragen met het nieuws dat er sarongs
van 80 centen bestonden en dat een inlander desgevorderd zijn leven kan
rekken met 8 centen per dag. En gaf daarbij nog de onnoozele
verzekering, dat het juist op zulke kleinigheden aankomt!
Het lijkt mij de moeite niet waard op deze en dergelijke aanmerkingen
te antwoorden.
Maar de hoofdzaken: de onvrijheid der arbeiders, de misbruiken
voortgevloeid uit de koelie-ordonnantie of daardoor bestendigd, de
onvoldoende rechtspraak, het sjoekoeliën, de te lage loonen der
vrouwen, men ging ze stilzwijgend voorbij of behandelde ze als
nevenzaken.
Een uitzondering moet ik hier maken voor de Deli-Courant, die—hoewel
immer vergoelijkend voor den actueelen toestand—mijn brochure vooral in
haar nummer van 27 November 1902, op eerlijke wijze besprak.
Eindelijk dan was het wapen gevonden, waarmede men meende mij te kunnen
afmaken en werd de beschuldiging van overdrijving uitgesproken. Ook zei
men, dat ik alleen de donkere zijde van Deli liet zien. Mijn plicht zou
het geweest zijn, ook de goede kanten van het gewest te laten kijken.
Komaan! Zal men het den dokter, die de ziekte in het hoofd van een
patiënt bespreekt, kwalijk nemen, dat hij in zijn verhandeling niet den
gezonden toestand der beenen releveert?
En ik stond tegenover Deli in dezelfde verhouding. Ik zei toch (blz. 14
der Mill. uit Deli), dat ik wou wijzen op „de afgrijselijke wonden in
de samenleving der Oostkust.... opdat ieder de wegneming (zou) eischen
van de oorzaak der kwaal, die het gezonde lichaam verteert.”
Maar dit zag men niet in, of men wilde het niet inzien.
En zoo zei men, dat volgens mij er niets goeds in Deli was! En toen
ging men aan het opnoemen, wat er wel goeds in Deli was.
De eerste zei: de hospitalen bij de groote maatschappijen zijn goed.
De tweede zei: de hospitalen bij de groote maatschappijen zijn goed.
De derde zei: de hospitalen bij de groote maatschappijen zijn goed. De
vierde, de vijfde, iedereen en ook ik, mee instemmende in dit algemeene
loflied, zeg: de hospitalen bij de groote maatschappijen zijn goed.
Hetzelfde zei men—en terecht—van de woningen bij sommige groote
maatschappijen. Ook zei men—en ook ik stem weer mee in—de verdiensten
van de Chineezen zijn zoo kwaad niet.
Verder zei men niets. Men was uitgepraat. En ik ben het ook.
Na dit goede te hebben op den voorgrond gesteld, ving men dan aan mij
te beschuldigen van bijbedoelingen, van onvaderlandslievendheid, van
ondankbaarheid tegenover het gewest, waar ik mijn brood verdien, e. d.
Deze dingen raken evenwel mij, niet de zaak en ik veroorloof mij, ze
langs mijn kleeren te laten afglijden.
Het ligt dan ook niet in mijn plan, mijn bestrijders een voor een te
woord te staan. Wel schijnt het mij noodig eenige toelichting op mijn
brochure te geven en in het algemeen de tegen-argumenten voor zoover
zij de zaak raken, te weerleggen.
Het eerste te doen bedoelt het hoofdstuk: „De Minister en de Brochure”,
het tweede „Een Oud-Resident en de Brochure.” Den heer Kooreman
antwoordende, meen ik de zakelijke argumenten van al mijn tegenstanders
te bespreken. Alleen nog het verwijt van de Sumatra Post dd. 7 Februari
j.l., dat ik inconsequent zou zijn, meen ik te moeten terugwijzen.
Reeds in de vergadering van de afdeeling Medan van den Indischen Bond
dd. 29 Maart 1902 toch erkende ik openlijk, dat mijn meening over de
koelie-ordonnantie, toen ik nog niet lang in Deli verblijf hield, een
geheel andere was dan tegenwoordig. De dagelijksche omgang gedurende
anderhalf jaar met koelies in vrijen arbeid en de nadere bestudeering
van het koelie-vraagstuk hebben mijn meening geheel gewijzigd. Daarom
haalde ik ook in „De Millioenen uit Deli” niets aan van wat ik schreef
gedurende den tijd dat ik redacteur was van de Sumatra Post, al zou ik
b. v. wat ik schreef over de begrafenis-circulaire van den
ass.-resident Kühr op het oogenblik nog gaarne onderschrijven. Wat ik
in dien tijd naar aanleiding b. v. van The British Deli Cy en den heer
Tripp schreef, berustte op geheel verkeerde inlichtingen, terwijl mijn
oordeel van dien tijd over koelie-zaken, ik geef het gereedelijk toe,
als praematuur moet worden beschouwd.
Ik kan dit „Voorwoord” niet eindigen zonder mijn dank te hebben betuigd
aan den openhartigen Oud Assistent-Resident Rookmaker, die zoo eerlijk
zijn ondervinding en zijn oordeel in de „Groene Amsterdammer” neerlei,
aan den mij onbekenden Mr. Justus, die in de Java-Bode een lans brak
voor mijn streven, aan den Oud-Resident Scherer, die openlijk het goede
van mijn werk dorst te erkennen en aan allen, die tot nu toe mee
hielpen strijden in dezen strijd om Recht.