hersenen voortgekomen, dat in het circus te Perm vertoond stond te
worden. Er behoefde niet aan getwijfeld te worden of het stuk zou
denzelfden bijval vinden als anders, indien de vertooners slechts op
de hoogte van hunne taak waren.
Dit liet in den regel niets te wenschen over. Cascabel was erg woest,
Cornelia toonde zich heel ijdel op hare geboorte en rijkdommen; Jan
verscheen als een ridder zonder vrees of blaam; Sander als een jonge
verliefde met wien ieder te doen had en Napoleona's ongelukken persten
tranen uit de ongevoeligste oogen. Het was in dit stuk zooals meer
voorkomt: de rollen hieven de spelers omhoog. Maar het viel niet te
ontkennen dat het gezelschap voor de thans op handen zijnde vertooning
niet best gestemd was. Allen hadden treurige gedachten in hun hoofd, en
was het oogenblik van optreden eenmaal dáár, dan zouden zij zeker niet
op hun dreef zijn. De uitdrukking hunner gelaatstrekken, waar in eene
pantomime zooveel op aankomt, zou minder duidelijk zijn dan anders; de
gebaren zouden niet met de noodige juistheid op elkaar slaan. Alleen
daar waar er tranen gestort moesten worden zouden zij goed in hunne
rol wezen, want allen stond het schreien nader dan het lachen. Maar
de vroolijke tafereelen, die zouden stellig in het water vallen.
Toen allen tegen het middaguur aan tafel plaats namen, maar de plaats
van Sergius ledig bleef, hetgeen als het ware een voorteeken was
van de op handen zijnde scheiding, werd de algemeene treurigheid nog
grooter. Niemand had trek in eten, niemand had lust in drinken. Het
was akelig om te zien.
Dat verdroot den directeur van het gezelschap en hij besloot er een
stokje voor te steken. Wat hemzelf betreft, hij at voor vier. En toen
hij zijne portie op had, nam hij de dischgenooten onder handen.
--Hoe heb ik het? vroeg hij. Is dat gezeur haast uit? Ik zie allemaal
gezichten van eene el lang, te beginnen met Cornelia, als de oudste,
en te eindigen met Napoleona, de jongste. Kruidnagel is waarachtig
de eenige die er ten naastenbij toonbaar uitziet. Voor den drommel
kinderen, dat staat mij in het geheel niet aan. Ik zeg u allen dat
wij vroolijk moeten zijn, dat er met een vroolijk hart gespeeld moet
worden en dat ieder zijn beste beentje voor moet zetten, zóó dat
het publiek op de banken pleizier heeft in hetgeen er in de manége
vertoond wordt. Zoo moet het zijn en zoo zal het wezen, of je zult
me zoo nijdig zien als een razende spin.
Dit was eene uitdrukking die Cascabel slechts in den uitersten nood
gebruikte, maar als hij dit onwaarschijnlijke beeld van zichzelf had
opgehangen, dan wist ook ieder dat hij gehoorzaamd wilde worden--en
gehoorzaamd werd hij.
Buitendien was er in zijn vernuftig brein alweder een gansch
buitengewoon plan opgekomen, wat trouwens bij hem het geval was in
alle ernstige omstandigheden van zijn leven. Hij had besloten eene
nieuwe en verbeterde uitgaaf van zijn drama optevoeren, of om juister
te spreken, er meer handelende personen in te doen optreden. Wij
zullen dadelijk vertellen hoe hij dat aan wilde leggen.
Wij hebben reeds gezegd, dat uithoofde van het niet aanwezig zijn
van de noodige figuranten, er nog nooit struikroovers of gendarmes
op het tooneel verschenen waren. Nu vertegenwoordigde Cesar wel in
eigen persoon den heelen bandietentroep, maar hij zag toch heel goed
in dat het eene veel grooter uitwerking hebben zou wanneer er bij de
ontknooping eene wezenlijke rooverbende present was.
Daarom was hij op het denkbeeld gekomen om voor deze voorstelling
eenige helpers te huren. Dit lag te eerder voor de hand dewijl hij
Ortik en Kirschef reeds tot zijne beschikking had, want die twee
brave zeelui zouden zeker niet weigeren hem te helpen.
Toen het middagmaal afgeloopen was, bracht Cascabel Ortik dan ook op
de hoogte van den toestand, waarna hij hem vroeg:
--Zoudt gij mij het genoegen willen doen als figuranten bij de
voorstelling mede te werken? Gij zoudt mij daarmede een grooten dienst
bewijzen, als goede vrienden.
--Wel zeker, antwoordde Ortik. Kirschef zoowel als ik, wij verlangen
niets liever dan u van dienst te kunnen zijn.
Beider belang bracht mede dat zij op den besten voet met de familie
Cascabel bleven, zoodat het wel te begrijpen was dat zij het voorstel
bereidwillig aannamen.
--Uitstekend, mijne vrienden. Alles wat gij te doen hebt, is dat gij te
gelijk met mij op het tooneel verschijnt, dat is dus tegen het einde
van het stuk. Alles wat ik doe, moet gij nadoen, gij moet evenals ik,
uwe oogen laten rollen, dezelfde gebaren maken en schuimbekken van
woede, zooals ik ook doe. Gij zult zien dat het niets moeielijk is
en ik sta er voor in dat gij beiden warm toegejuicht zult worden.
Hij dacht eenige oogenblikken na en ging toen voort:
--Maar nu ik er aan denk, maakt gij met u tweeën toch maar één paar
roovers. Dat is toch eigenlijk nog niet genoeg. Fracassar heeft een
heele rooverbende onder zijne benden, en als ik nog een stuk of zes
mannen behalve u krijgen kon, zou het nog veel mooier zijn. Zoudt
gij hier in de stad niet een half dozijn heeren kunnen vinden, die
op het oogenblik niets anders om handen hebben en met eene flesch
vodka en een halven roebel gediend zouden wezen? Na eenen blik met
Kirschef gewisseld te hebben, antwoordde Ortik:
--Dat treft bijzonder goed, mijnheer Cascabel. Wij hebben gisteren
in de herberg juist kennis gemaakt met een stuk of zes flinke kerels...
--Zooveel moeten wij er net hebben, Ortik. Breng hen van middag hier
en dan sta ik er voor in dat alles goed afloopt.
--Dat is dus afgesproken, mijnheer Cascabel.
--Uitstekend. Wat zullen wij een prachtig slot hebben en wat zal het
publiek staan kijken.
Maar nadat de twee matrozen heengegaan waren, kreeg Cascabel zulk een
vervaarlijke lachbui, dat zijn gordel op zijn buik hing te schudden,
zoodat Cornelia bang begon te worden dat hij een toeval zou krijgen.
--Pas op Cesar, zeide zij, het is gevaarlijk zoo te lachen met een
volle maag, terwijl ge pas ontbeten hebt.
--Denkt ge soms dat ik pret heb, vrouw? Het heeft er nog al wat
van! Ik doe maar alsof ik lach, maar ik meen er niets van. In den
grond van mijn hart ben ik erg bedroefd, want het is nu al één uur
en onze goede vriend, mijnheer Sergius, is nog niet eens hier. Hij
zal dus niet voor het eerst als goochelaar voor het publiek zijne
kunsten kunnen vertoonen. Wat is dat jammer!
Cornelia ging weer aan den arbeid om de kostuums klaar te maken en
hijzelf wandelde de stad in om eenige noodzakelijke boodschappen te
doen, zooals hij zeide.
De voorstelling zou te vier uur beginnen, zoodat er geene verlichting
noodig was, want die liet in het circus te Perm veel te wenschen
over. Trouwens de blozende Napoleona zag er frisch genoeg uit en
ook de welgedane Cornelia was knap genoeg van persoon om zich in het
volle daglicht te laten kijken.
Het aanplakbiljet van Cesar Cascabel had heel wat bekijks in de stad
gehad, en bovendien liep Kruidnagel sedert een uur overal rond, op de
trom roffelende uit al zijne macht. De slaperigste en onverschilligste
rus was wakker geworden van dat lawaai.
Het gevolg daarvan was dat er tegen het bepaalde uur een groote
toeloop van menschen in den omtrek van het circus was. Men zag er den
gouverneur van Perm met vrouw en kinderen, verscheidene ambtenaren en
officieren, eenige gezeten burgerlui en een aantal reizende kooplieden
die voor hunne zaken de kermis kwamen bezoeken, en eindelijk de
gewone menigte nieuwsgierigen die bij zulke gelegenheden, als er wat
bijzonders te zien is, er op afkomen.
Voor de deur stond het orkest opgesteld, bestaande uit Sander,
Napoleona en Kruidnagel, met den klephoorn, de schuiftrompet en de
trom, benevens Cornelia in vleeschkleurig tricot gekleed, met rose
rokken, die met hare krachtige handen op de turksche trom beukte. Dat
alles maakte een geweld van de andere wereld, waar al de _moujiks_
versteld van stonden.
Cascabel stond er naast en riep met eene stentorstem in het russisch,
zoodat ieder hem verstond:
--Komt binnen maar! Komt binnen maar, mijneheeren en dames, iedere
plaats kost niet meer dan veertig kopeken op alle rangen. Laat je
niet nooden, dames en heeren!
Het liep spoedig vol en zoodra de heeren en dames op de banken van
het circus plaats hadden genomen, ging het orkest naar binnen, ten
einde met de voorstelling te kunnen beginnen.
Het eerste gedeelte van het programma liep voortreffelijk van
stapel. Napoleona danste op het gespannen koord. Sander vertoonde
zijne mooiste gymnastische toeren. John Bull, de aap, Jako, de
papegaai en de gedresseerde honden traden beurt om beurt op; vader en
moeder Cascabel lieten hunne spierkracht en behendigheid bewonderen
en allen werden om het zeerst toegejuicht. Ook Jan, die gewoonlijk
niet de minste onder al deze kunstenaars van den eersten rang was,
vond bijval, niettegenstaande zijne handen wel eens trilden en zijne
kunsten als equilibrist misschien niet zoo netjes gedaan werden als
anders. Hij dacht aan heel andere dingen, maar het publiek bemerkte
daar niet veel van en alleen het oog van een kenner had kunnen zien
dat er soms iets aan haperde.
De menschen-pyramide, het slotstuk vóór de groote pauze, werd op
algemeen verlangen der toeschouwers nog eens overgedaan.
Wat Cesar Cascabel persoonlijk aangaat, nog nooit was deze buitengewone
man zoo goed op zijn dreef geweest als bij deze gelegenheid. Wat hij al
voor grappen en aardigheden bedacht en uithaalde, telkens wanneer hij
een zijner artisten binnenleidde en aan het publiek voorstelde! Wie
geweten had wat er bij hem omging, had zijne zelfbeheersching moeten
bewonderen. Aan hem in de eerste plaats was het te danken dat de naam
der Cascabels met eer uit deze beproeving te voorschijn trad en dat
alle russen, zoolang de herinnering aan deze kermis te Perm bewaard
blijft, met bewondering over hen zullen spreken.
Met belangstelling was dus het eerste gedeelte van het
programma gezien, maar dit beteekende nog niets vergeleken met de
nieuwsgierigheid, waarmede het tweede verwacht werd. Gedurende de
pauze spraken de bezoekers over niets anders.
De pauze duurde tien minuten. Ieder ging een luchtje scheppen,
maar spoedig stroomde het weder naar binnen zoodat er geene plaats
onbezet bleef.
Een uur geleden waren Ortik en Kirschef reeds van hunne boodschap
teruggekomen, vergezeld van een half dozijn vrienden. Wij behoeven
niet te zeggen dat dit dezelfde kerels waren met wie zij in den bergpas
hunne afspraak gemaakt hadden en die hen naar Perm gevolgd waren.
Cascabel nam dezen figurantentroep van het hoofd tot de voeten op.
--Knappe kerels! zeide hij goedkeurend. Mooie koppen en ferme
lijven! Zij zien er misschien een beetje te fatsoenlijk uit om
struikroovers voortestellen, maar met een groote pruik en een
geweldigen baard is er van hen wel wat goeds te maken.
Cascabel zelf behoefde eerst tegen het einde van de pantomime op te
treden en had dus tijd om zijne figuranten de noodige aanwijzingen
te geven, en hen zoo toe te takelen dat zij behoorlijk als bandieten
voor den dag konden komen.
Intusschen had Kruidnagel de gebruikelijke drie slagen op de trom
doen hooren.
In eenen goed ingerichten schouwburg ware dit het sein geweest dat
het orkest op moest houden met spelen en het gordijn omhoog ging. Hier
ging er niets omhoog, om de eenvoudige reden dat er in de manége van
een paardenspel geen gordijn te vinden is, ook niet wanneer die voor
tooneel dienst doet.
Hier moet nu echter niemand uit afleiden dat er geen decoraties waren,
of ten minste niet het een en ander dat daarvoor dienst deed. Links zag
men eene kast, waar een kruis op geschilderd was, hetgeen eene kerk,
of liever eene kapel moest voorstellen, waarvan de klok achter de
schermen geluid werd. De ruimte van de manége, netjes aangeveegd, was
zooveel als het kerkplein. Aan de rechterzijde stonden eenige planten
en heesters in potten, welke met zooveel overleg daar neergezet waren,
dat het heel veel van het Zwarte Woud had.
Onder diepe stilte nam de vertooning eenen aanvang. Napoleona zag
er allerliefst uit, al waren hare gestreepte rokjes op de reis ook
een weinig verschoten; met een aardig mutsje op hare blonde lokken,
maar vooral met haar vriendelijk en onschuldig gezichtje. Sander,
de jeugdige minnaar, in een oranjekleurig riddergewaad dat op de
naden ook al min of meer verkleurd was, toonde zijne liefde met
zulke hartstochtelijke gebaren, dat hij zich met woorden onmogelijk
meer verstaanbaar had kunnen uitdrukken. Kruidnagel maakte een
allerpotsierlijksten indruk toen hij optrad, met een geweldige
peenkleurige pruik boven zijn domme gezicht, met zijne spillebeenen
waarmede hij stapte als een ooievaar, met een ontzaglijke bril op zijn
neus, terwijl de aap hem in den weg liep en tegen hem grijnsde, en de
papegaai hem uitjouwde. Zoo'n potsenmaker zou bij ieder kermispubliek
opgeld doen.
Daar verschijnt Cornelia, eene geweldige vrouw, die nog veel geweldiger
belooft te zijn als zij eenmaal tot schoonmoeder bevorderd zal
wezen. Zij verkiest aan Sander de hand van Napoleona niet te geven,
en geen mensch twijfelt er aan of deze middeleeuwsche burchtvrouw is
iemand, met wie niet te spotten valt.
Met toejuichingen wordt ook Jan begroet, gekleed als een Italiaansche
karabinier. Hij is bleek en melancholiek; hij zou wel zoo lief de
rol van Sander in de werkelijkheid spelen; hij zou Kayette naar
het bruidsaltaar willen leiden en voor altijd met haar vereenigd
zijn. Dat hij hier zijnen tijd verbeuzelen moet met deze pantomime,
terwijl zij nog maar zoo kort bij elkaar kunnen zijn!
Maar de dramatische spanning was zóó sterk dat zij den acteur tegen
wil en dank medesleepte. In eene rol als deze kan het niet anders
of iemand moet talent hebben. Denk eens aan, een broeder die uit den
oorlog komt en een karabinierspak draagt, en die de partij van zijne
zuster opneemt tegen de tirannie eener hoovaardige moeder en tegen
het bespottelijke aanzoek van een zot!
De twist tusschen Jan en Kruidnagel ging dan ook alles behalve
goedmoedig toe. Kruidnagel sidderde van angst, zijne tanden klapperden,
wild draaiden zijne oogen in hunne kassen, hoe langer hoe spitser
werd zijn neus, alsof het de punt van eene dolk was, die door zijn
hersenpan heen, midden in zijn gezicht naar buiten stak.
Daar klinken kreten achter de schermen, die al weer iets anders
aanduiden. Sander, de minnaar, met ontembaren moed, misschien wel met
het plan om zich dood te vechten dewijl het leven hem toch tot een last
is, verdwijnt in de diepte van het woud, te midden der potplanten. Er
wordt zeker verschrikkelijk gevochten, er valt een schot ...
Nog een oogenblik van spanning en Fracassar, het hoofd der bandieten,
treedt te voorschijn. Hij ziet er uit om bang van te worden, in een
tricot-pak dat bijna wit en met een baard die bijna rood is. Heel een
schelmentroep vergezelt hem, met groote drukte. Ortik en Kirschef,
door een pruik en een rooverspak onkenbaar, bevinden zich te midden
der anderen. Cornelia, belaagd in hare eer, wordt door het rooverhoofd
om haar middel gegrepen. Sander snelt toe om haar te verdedigen,
maar het leek wel alsof ditmaal de ontknooping, waarmede anders het
stuk eindigde, niet zou kunnen plaats hebben, want de toestand was
heelemaal anders geworden.
Bij gewone voorstellingen toch, vertegenwoordigde Cesar Cascabel alleen
de geheele rooverbende van het Zwarte Woud, zoodat Jan met Sander,
hunne moeder, hunne zuster en Kruidnagel met hun allen mans genoeg
waren om den bandiet zoo lang als noodig was in bedwang te houden
totdat de gendarmes, wier nadering achter het tooneel aangekondigd
werd, konden aanrukken. Thans echter stond daar Fracassar aan het hoofd
van acht heuselijke struikroovers, kerels van vleesch en bloed, die
zich niet als lammeren zouden laten wegvoeren. Hoe moest dit afloopen
zonder dat het voor de toeschouwers al te onwaarschijnlijk werd?
Maar zie! daar verschijnt plotseling een detachement kozakken in de
manége. Op zoo iets was geen mensch voorbereid.
Cascabel had niets achterwege gelaten om aan deze voorstelling een
buitengewonen luister bij te zetten. Zijn figurantentroep was kompleet
en schitterend. Dat er geen gendarmes maar kozakken waren, deed er
niets toe. In een oogwenk werden Ortik en Kirschef met de andere zes
spitsboeven aangepakt, op den grond geworpen en gekneveld, hetgeen
zooveel te gemakkelijker ging dewijl zij niet beter wisten of het kwam
zoo in hunne rol te pas, zoodat zij zich in het geheel niet verweerden.
Te midden dezer vertooning, wordt er op eens iets anders geroepen.
--Ik niet, mijn brave kozakken! Met die anderen moogt ge doen wat ge
wilt. Ik doe maar voor de grap meê.
Wie is het die dit zegt? Niemand anders dan Fracassar, of liever Cesar
Cascabel. Ongedeerd, als een vrij man, heeft hij zich opgericht,
terwijl de figuranten, terdege gekneveld, door de kozakken worden
vastgehouden.
Dat was dus het groote plan, door Cascabel bedacht! Eerst had hij
Ortik en de andere schavuiten gevraagd om voor bandieten te spelen,
en vervolgens had hij de politie te Perm gewaarschuwd dat zij in
de gelegenheid was een mooien slag te slaan. Dientengevolge was het
peloton kozakken juist ter rechter tijd, bij de ontknooping van het
stuk, opgedaagd.
De list was gelukt, meesterlijk gelukt. Ortik en zijne maats waren
door de politiemannen "geknipt".
Intusschen was Ortik een weinig van den eersten schrik bekomen. Hij
wees met den vinger op Cascabel en zeide tegen den aanvoerder der
kozakken:
--Dien man moet gij ook gevangen nemen. Hij heeft een staatkundigen
veroordeelde in Rusland teruggebracht. Vervloekte koorddanser, nu
gij mij verklapt hebt, verklap ik u op mijne beurt!
--Klap maar toe, goede vriend, antwoordde Cascabel op goedmoedigen
toon.
--En die staatkundige veroordeelde, dien hij hierheen gebracht heeft,
is graaf Narkine, indertijd uit de vesting Jakoetsk ontvlucht.
--Dat spreek ik volstrekt niet tegen, Ortik.
Cornelia en hare kinderen, evenals Kayette die aan was komen snellen,
stonden verstomd van verbazing.
Op de banken der toeschouwers was iemand opgestaan. Dit was graaf
Narkine in eigen persoon.
--Daar is hij! riep Ortik.
--Ja, ik ben graaf Narkine, bevestigde Sergius bedaard.
--Maar graaf Narkine, die amnestie gekregen heeft en wien niemand iets
maken kan, riep Cascabel, terwijl hij in eenen schaterlach uitbarstte.
Welk eene uitwerking dit alles op de toeschouwers teweegbracht, is
niet gemakkelijk te beschrijven. De slimsten onder het publiek waren
niet in staat wijs te worden uit deze verwarring van werkelijke met
verzonnen gebeurtenissen. Niet weinigen bleven het er voor houden dat
het zóó in het drama _De Roovers van het Zwarte Woud_ te pas kwam en
dat het zoo en niet anders af moest loopen.
Voor onze lezers zal eene korte opheldering voldoende wezen.
Sedert het oogenblik waarop graaf Narkine op de grens van Alaska
door de familie Cascabel opgenomen was, waren er dertien maanden
verloopen, waarin hij volstrekt geen bericht uit Rusland gekregen
had. Zoo min bij de Youkon-Indianen als bij de inboorlingen van
den Liakhoff-archipel worden er dagbladen uitgegeven of telegrammen
overgebracht. Hij had er dus niets van vernomen dat er, nu zes maanden
geleden, door Czaar Alexander II eene ukaze was uitgevaardigd, waarin
aan alle staatkundige veroordeelden, die in dezelfde omstandigheden
verkeerden als graaf Narkine, amnestie verleend werd. Zijn vader,
de prins, had naar Amerika geschreven om zijnen zoon te doen weten
dat hij terug kon komen en hij hem met ongeduld verwachtte; maar de
graaf was toen reeds op reis en de brief was, als onbestelbaar, op het
kasteel Walska terug bezorgd. Ieder kan begrijpen hoe ongerust prins
Narkine zich begon te maken toen de eene maand na de andere voorbij
ging zonder dat hij iets van zijnen zoon vernam. Hij dacht niet anders
of hij was in ballingschap gestorven. De gezondheid van den grijsaard
was niet tegen dit verdriet bestand, en hij was zeer lijdende toen
Sergius eindelijk op het kasteel terugkwam. Zooveel te grooter was
nu de vreugde van prins Narkine, die niet had durven hopen dat hij
hem ooit terug zou zien. Nu was zijn zoon bovendien vrij; nu had hij
van de russische politie niet het minste meer te vreezen. Sergius
kon dan ook niet besluiten zijnen vader, in den toestand waarin deze
verkeerde, weder te verlaten; hij wilde hem ook niet, weinige uren
nadat hij hem teruggezien had, eene poos alleen laten; daarom had
hij Cascabel dien brief geschreven, waarin hij dezen van alles op de
hoogte bracht. Hij gaf hem bovendien kennis dat hij hem in het circus
te Perm, tegen het einde der voorstelling, zou komen opzoeken.
Na dit bericht ontvangen te hebben, was Cesar op den slimmen inval
gekomen dien wij reeds kennen, en had hij zijne maatregelen genomen
om Ortik en Kirschef, en met hen hunne heele bende, in handen van de
politie over te leveren.
Toen het publiek te weten kwam hoe de vork in den steel zat, was de
verrukking onbeschrijfelijk. Van alle kanten klonken daverende hoera's,
terwijl de kozakken de booswichten medevoerden, die zoo langen tijd
in werkelijkheid de rol van struikroovers gespeeld hadden en daar nu
ten laatste hunne gerechte straf voor zouden bekomen.
Ook Sergius werd van alles op de hoogte gebracht; op welke manier
Kayette achter het tegen hem gesmede komplot gekomen was; hoe zij haar
leven gewaagd had door des nachts van den 6den Juli de twee russische
matrozen in het woud na te sluipen; hoe zij alles aan Cascabel verteld
had; hoe deze er niemand iets van had willen zeggen, aan graaf Narkine
niet, aan zijne vrouw niet....
--Schaamt gij u niet Cesar, dat gij iets voor mij geheim gehouden
hebt? vroeg moeder Cascabel op verwijtenden toon.
--Het was mijn eerste geheim Cornelia, en het zal het laatste wezen!
Cornelia was al niet boos meer. Zij kon zich echter niet inhouden,
maar riep buiten zichzelve van opgewondenheid:
--Mijnheer Sergius, ik moet u aan mijn hart drukken! Maar terstond
daarna liet zij er verlegen op volgen:
--Neem mij niet kwalijk, mijnheer de graaf, wil ik zeggen....
--Neen mijne vrienden, voor u allen ben en blijf ik Sergius. En ook
voor u mijne dochter, voegde hij er bij, terwijl hij Kayette in zijne
armen sloot.
BESLUIT.
Zij is dus volbracht, de reis van Cesar Cascabel, en goed ten
einde gebracht ook. Alleen Rusland en Duitschland heeft de _Schoone
Zwerfster_ nog doortetrekken om op fransch grondgebied te komen,
en van het Noorden van Frankrijk tot Normandië gaat de weg over den
vaderlandschen grond. Het is nog wel een heel eind, maar vergeleken
met de tweeduizend achthonderd mijlen die zij achter den rug heeft,
is het toch maar eene kleinigheid, een "wandelritje" zooals Cesar zegt.
Het is beter afgeloopen dan iemand durfde hopen, onder zooveel
lotswisselingen als de karavaan ondervonden heeft. Nooit heeft
eene geschiedenis zulk een gelukkig einde gehad, zelfs niet dat
bewonderenswaardige tooneelstuk _De Roovers van het Zwarte Woud_,
waar toch zoowel het publiek als de toeschouwers zoo eenparig over
in verrukking waren--altijd uitgezonderd Ortik en Kirschef. Die
twee booswichten werden eenige weken later opgehangen, en hunne
medeplichtigen werden tot levenslange verbanning naar Siberië
veroordeeld.
Thans echter was het oogenblik daar waarop de scheiding, met alles wat
daar het gevolg van zou zijn, plaats moest hebben. Hoe moest dit gaan?
Het ging op de eenvoudigste manier ter wereld.
Dienzelfden avond, toen allen in de _Schoone Zwerfster_ bij elkaar
zaten, nam graaf Narkine het woord.
--Mijne vrienden, zeide hij, ik voel diep hoeveel ik u verschuldigd
ben en het zou schandelijke ondankbaarheid zijn indien ik dat ooit
vergat. Mijn hart bloedt als ik er aan denk dat wij van elkander moeten
scheiden. Is daar niets aan te doen? Zoudt gij geen lust hebben u in
Rusland te vestigen, en op de goederen mijns vaders u eene woonplaats
te kiezen?
Cascabel was op die vraag in het geheel niet voorbereid. Na eenige
oogenblikken nagedacht te hebben, begon hij:
--Mijnheer de graaf....
--Neen, viel de graaf hem in de rede, gij moet mij Sergius blijven
noemen. Daar zult ge mij genoegen mede doen.