vertrok, had hij hem beloofd dienzelfden nacht terug te komen. De
afstand was maar zes wersten heen en even zooveel terug: dat had
dus niets te beteekenen. Nu hij niet teruggekeerd was, bestonden
er drie mogelijkheden: Sergius kon aangehouden zijn vóór dat hij op
het kasteel kwam; hij kon er gebleven zijn omdat hij zijnen vader in
zulk eenen staat gevonden had dat hij hem niet weder verlaten kon;
of hij was weder vertrokken en op den terugweg in handen der politie
gevallen. Te veronderstellen dat de medeplichtigen van Ortik hem in
eene hinderlaag gelokt hadden, was niet aantenemen, want, antwoordde
Cascabel, toen Kayette hem vroeg of dit niet het geval kon zijn:
--Die schavuit van een Ortik zou niet zoo blijkbaar ongerust geweest
zijn indien er zoo iets gebeurd was. Waarom zou hij mij naar mijnheer
Sergius gevraagd hebben indien zijne maats hem in hunne macht gehad
hadden? O die schurk! Zoo lang ik hem niet met zijnen vriend Kirschef
aan eene galg heb zien bengelen, zal er iets aan mijn geluk op deze
wereld blijven ontbreken.
Cascabel had dus moeite om de anderen niets van zijne bezorgdheid te
laten merken, zoodat Cornelia, die ook niet over het uitblijven van
Sergius op haar gemak was, het noodig vond tegen hem te zeggen:
--Komaan Cesar, maak nu toch zoo'n opschudding niet! Gij moet toonen
dat ge een verstandig man zijt.
--Iemand is niet verstandiger dan hij zijn kan Cornelia, en ieder
redeneert naarmate hij eene zaak inziet. Eén ding is zeker: mijnheer
Sergius had reeds lang weder hier kunnen zijn, en wij kijken nog
altijd naar hem uit.
--Nu ja Cesar, maar niemand vermoedt immers dat hij graaf Narkine is.
--Neen, dat is zoo... ten minste...
--Wat wilt ge zeggen met uw ten minste? Gaat ge nu praten evenals
Kruidnagel? Wat bedoelt ge daarmeê? Er is niemand anders dan gij en
ik die weten wie mijnheer Sergius is. Denkt ge soms dat ik dat aan
iemand verteld heb?
--De hemel beware mij Cornelia! En ik evenmin.
--Welnu, wat kan er dan gebeurd zijn?
--Er kan gebeurd zijn dat er zich te Perm lieden bevinden die graaf
Narkine vroeger gekend hebben en hem nu herkennen. Zij zullen het
immers al iets ongewoons vinden dat er een rus bij onzen troep
is. Kortom Cornelia, het is mogelijk dat ik mij de dingen erger
voorstel dan ze zijn, maar ik houd zooveel van mijnheer Sergius dat
ik niet kan nalaten mij ongerust over hem te maken. Daarom kan ik
ook niet kalm blijven zitten en ben ik voortdurend in beweging.
--Pas dan maar op, Cesar, dat gij zelf geen aanleiding geeft tot kwade
vermoedens, waarschuwde Cornelia zeer terecht. Maak geen slapende
honden wakker en loop niet met onvoorzichtige vragen bij allerlei
menschen rond. Ik vind het ook onaangenaam dat mijnheer Sergius
niet terugkomt en wilde wel dat hij reeds hier was, maar ik denk
niet aanstonds het ergste en houd het er eerder voor dat hij op het
kasteel Walska bij zijnen vader, prins Narkine, gebleven zal zijn. Op
klaarlichten dag durft hij niet terug te komen, dat is dood natuurlijk;
maar van avond of van nacht zullen wij hem wel zien opdagen. Doe dus
geen domme streken Cesar; maar houd u bedaard en denk er liever om
dat ge weer spoedig zult moeten optreden in de rol van Fracassar,
waarmede gij zoo dikwijls zulk eenen schat van lauweren ingeoogst hebt.
Het gezonde verstand van deze kloeke vrouw bleek weder duidelijk uit
die woorden, en het was bijna onbegrijpelijk dat haar man haar niet
van alles op de hoogte bracht; maar toch was het misschien beter dat
hij zijn mond bleef houden. Cornelia was, bij al haar kloekheid, toch
kort aangebonden, en indien zij geweten had wat Ortik en Kirschef in
hun schild voerden en op het punt stonden uit te voeren, wie weet of
zij zich dan wel bedaard had kunnen houden.
Cascabel trad dus niet in verdere uitleggingen en ging naar het circus
om een oog te laten gaan over de toebereidselen die daar gemaakt
werden. Ook Cornelia had druk werk met de kostuums, de pruiken en
baarden en alles wat verder bij de voorstelling te pas kwam in orde
te brengen, waarbij Kayette en Napoleona haar trouw hielpen.
Al dien tijd brachten de twee russen door, zooals zij zeiden, met
de politie de noodige inlichtingen te geven over de schipbreuk
die zij geleden hadden en over hetgeen zij nu voornemens waren
te doen. Hiervoor moesten zij herhaaldelijk allerlei boodschappen
verrichten.
Terwijl Cascabel met Kruidnagel druk bezig was de stoffige banken
van het circus schoon te maken en de manége, waar de kunsten vertoond
moesten worden, aantevegen, versjouwden Jan en Sander alles wat bij
de vertooning noodig was, muziekinstrumenten, werktuigen, enz., uit
den wagen naar het gebouw. Toen dit afgeloopen was gingen zij allen
aan het werk om datgene wat in hunne kermistaal "de schitterende,
geheel nieuwe decoratiën" genoemd werd, gereed te zetten teneinde
eene waardige omlijsting te vormen bij "de luisterrijke opvoering
van het beroemde drama-pantomime _De Roovers van het Zwarte Woud_."
Jan was en bleef droevig gestemd. Hij wist nog niet dat Sergius graaf
Narkine heette en dat deze een staatkundig veroordeelde was, die
onmogelijk in zijn vaderland kon blijven; hij hield hem voor een rijk
grondbezitter, die weder op zijne goederen teruggekomen was en daar
blijven wilde, met zijne aangenomen dochter bij zich. Zeker zou hij
veel minder verdriet gehad hebben, indien het hem bekend was geweest
dat Sergius niet in het Russische rijk mocht blijven; dat zijn eenige
doel was prins Narkine, zijnen vader, een bezoek te brengen; dat hij
voornemens was daarna weder te vertrekken en bij voorkeur in Frankrijk
eene schuilplaats te gaan zoeken, en dat hij Kayette daarheen mede
wilde nemen. Er moesten dus nog ettelijke weken verloopen eer er van
eene scheiding sprake behoefde te zijn, en wat zijn ettelijke weken
niet een lang vooruitzicht voor twee jongelieden die elkaar liefhebben!
--Helaas neen! zeide Jan aanhoudend bij zichzelven, mijnheer Sergius
zal hier te Perm blijven en Kayette bij zich houden. Nog slechts
weinige dagen en wij gaan van hier, en dan zal ik haar nimmer
terugzien. Mijne lieve Kayette zal zeker gelukkig wezen in het huis
van mijnheer Sergius... en toch... wie weet...
Als de arme jongen aan dit alles dacht, kostte het hem moeite zich
voor de anderen nog eenigszins goed te houden.
Te negen uur was Sergius nog niet in de _Schoone Zwerfster_
terug. Cornelia had wel voorspeld dat hij niet vóór den nacht of in
elk geval laat in den avond zich op straat zou wagen, als niemand
hem herkennen kon; maar het was toch alweer laat genoeg om aan zijne
komst te gaan twijfelen.
--Hij zal dus niet eens onze eerste voorstelling met zijne
tegenwoordigheid opluisteren, zeide Cascabel bij zichzelf. Nu, voor
mijn part laat hij wegblijven... ik heb er geen spijt van. Het zal
wat moois zijn, die langverwachte debuut-voorstelling van de familie
Cascabel op de kermis te Perm. Met alles wat ik in mijn hoofd heb,
zal er van mijne rol niets terecht komen, en die prachtige figuur
van Fracassar, die zoo dikwijls mijn grootste triomf geweest is,
zal nu niets dan een groot _fiasco_ wezen. En dan Cornelia, die zich
wel groot houdt, maar toch ook onder een hoedje te vangen is! En Jan,
die aan niets denkt dan aan zijne Kayette! En Sander en Napoleona,
wier gezicht meer naar schreien dan naar lachen staat, als zij aan het
afscheid denken! Wat moet er, met al die narigheid, van ons terecht
komen? Per slot van rekening is Kruidnagel de eenige die de eer van
den troep moet ophouden!
Cascabel was niet in staat ergens rust te vinden en ging dus de stad
in om te zien of hij niets te weten komen kon. Perm was zoo groot
niet of als er iets bijzonders voorviel, moest het spoedig bekend
wezen. De familie Narkine was algemeen geacht, indien dus Sergius in
handen van de politie gevallen was, zou ieder daar den mond vol van
hebben. De een of de ander zou wel weten te vertellen of de gevangene
reeds in het fort opgesloten of ergens anders heengebracht was.
Hij liet dus aan Kruidnagel de zorg over om het circus verder geheel in
orde te brengen en ging zelf eene wandeling in de stad doen, langs de
Kama-rivier, waar de schuitenvoerders aan hunne gewone werkzaamheden
bezig waren. Ook in de boven- en de benedenstad viel niets bijzonders
optemerken. Cesar maakte op onderscheidene plaatsen een praatje en
luisterde of hij nergens iets op kon vangen, maar wat er ook gepraat
en verteld werd, over graaf Narkine geen woord.
Dit stelde hem echter nog niet gerust. Hij wandelde den weg van
Perm naar het dorp Walska op, waarlangs Sergius teruggebracht moest
worden als de politie de hand op hem gelegd had. Telkens als hij in
de verte een troepje voorbijgangers zag aankomen, verbeeldde hij zich
dat hij den gevangene reeds, door eene kozakkenpatrouille begeleid,
in het oog kreeg.
Er was maar één ding waar Cascabel op het oogenblik aan dacht. Over
zichzelf, over zijne vrouw en kinderen, die aan het grootste gevaar
blootgesteld konden wezen indien graaf Narkine ontdekt was, bekommerde
hij zich in het minst niet. Toch kon het niet anders of de politie
moest er spoedig achter komen op welke manier Sergius op russisch
grondgebied teruggekeerd was en wie hem daarbij behulpzaam geweest
waren. Kwam zij dat te weten, dan kon de familie Cascabel er leelijk
afkomen.
Met al dat heen en weer dwalen van Cascabel en met zijn voortdurend
uitkijken op den straatweg naar Walska, was het den volgenden ochtend
tien uur geworden en bevond hij zich niet in het circus toen daar
een man naar hem kwam vragen.
Kruidnagel was er op dat oogenblik alleen, nog druk bezig te midden
van de stofwolken die hij boven zijn hoofd deed opgaan. Hij kwam
daaruit te voorschijn om den man te woord te staan, die eenvoudig
een _moujik_ bleek te zijn. Nu verstond Kruidnagel evenmin de taal
van den _moujik_ als de _moujik_ de taal van Kruidnagel verstond,
zoodat zij volstrekt niets van elkaar begrepen. Kruidnagel bleef hem
dus met open mond aanstaren, terwijl de ander hem aan het verstand
trachtte te brengen dat hij zijnen patroon wenschte te spreken, en
dat hij dien in het circus kwam opzoeken dewijl hij begrepen had dat
hij in de _Schoone Zwerfster_ niet te vinden zou zijn. Daarna eerst
deed de _moujik_ datgene, waarmede hij eigenlijk had moeten beginnen
en overhandigde hij eenen brief aan het adres van mijnheer Cascabel.
Ditmaal begreep Kruidnagel er alles van. Een brief met den
doorluchtigen naam van Cascabel er op, kon voor niemand anders bestemd
wezen dan voor het hoofd van het gezin... ten minste als hij niet
aan juffrouw Cornelia, aan den jongeheer Jan, den jongeheer Sander
of de jongejuffrouw Napoleona gericht was.
Hij nam dus den brief aan en gaf door teekenen te verstaan dat hij
dien aan den patroon zou bezorgen, Vervolgens nam hij met veel zwier
van den _moujik_ afscheid, zonder er iets van begrepen te hebben waar
deze van daan kwam of wie hem zond.
Een kwartier uur later, toen Kruidnagel op het punt stond zich naar
de _Schoone Zwerfster_ te begeven, vertoonde Cascabel zich aan de
deur van het circus, altijd nog uit zijn humeur en ongerust.
--Patroon, patroon! begon Kruidnagel met een gewichtig gezicht.
--Nu, wat is er?
--Ik heb een brief gekregen.
--Wat voor een brief?
--Ja, een brief die hier bezorgd is.
--Voor mij?
--Ja, voor u.
--Wie heeft hem gebracht?
--Een _moujik_.
--Wat weet jij van een _moujik_?
--Ten minste, als het niet iemand anders dan een _moujik_ was.
Cascabel greep naar den brief dien Kruidnagel hem toereikte, en toen
hij op het adres de hand van Sergius herkende, werd hij plotseling
zoo bleek, dat zijn trouwe dienaar uitriep:
--Mijnheer Cascabel, wat scheelt er aan?
--Niemendal scheelt er aan!
Niemendal? Maar het had er veel van alsof de krachtige man in
Kruidnagel's armen in zwijm zou vallen.
--Wat kon Sergius hem medetedeelen hebben? Waarom schreef hij? Het
kon niet anders zijn dan om hem de oorzaak te melden die hem belet had
den vorigen dag en nacht te Perm terug te komen.... Zou hij misschien
toch in de gevangenis zitten?
Cascabel scheurde den brief open, veegde eerst zijn rechter- en daarna
zijn linkeroog uit en overzag toen met eenen oogopslag wat er in te
lezen stond.
De schreeuw, dien hij toen gaf, was een geluid, zooals alleen uit
eene half toegeknepen keel kan komen. Met verwrongen gelaatstrekken,
starende oogen en heelemaal buiten zichzelven, trachtte hij iets te
zeggen, maar was niet in staat een woord uittebrengen.
Kruidnagel begon bang te worden dat zijn patroon stikken zou en maakte
zijne das los.
Maar Cascabel sprong op van den stoel waarop hij neergevallen was en
gaf dien een schop, zoodat hij tusschen de voorste banken van het
circus terecht kwam. Als een dolle begon hij daarna in het rond te
loopen en plotseling, in de nabijheid van Kruidnagel komende, gaf hij
dezen een trap tegen zijn achterste, zooals hij bij de voorstellingen
gewoon was te krijgen, doch die, dewijl hij er ditmaal volstrekt niet
op rekende, behoorlijk in het vleesch terecht kwam....
Was de patroon misschien gek geworden?
--Heidaar, mijnheer Cascabel, riep de paljas, het is geen
parade-voorstelling.
--Wat? Geen parade-voorstelling? schreeuwde Cesar. Of het! Een
parade-voorstelling zooals er nog nooit eene geweest is, op geen van
onze grrrroote rrrrreprrrresentatiën!
Dit was een antwoord, waar Kruidnagel niets op wist te zeggen. Hij
berustte er dus in, maar voelde nog naar de plek waar de trap
aangekomen was, want het was terdege een parade-trap geweest!
Nu echter had Cascabel zijne bedaardheid teruggekregen en op
geheimzinnigen toon fluisterde hij hem in het oor:
--Kruidnagel, kan ik je iets toevertrouwen?
--Stellig patroon. Ik heb nog nooit een geheim, dat iemand mij gezegd
had, verraden.... ten minste....
--Houd je mond! Zie je dezen brief?
--Den brief van den _moujik_?
--Denzelfde. Als het je overkomt dat je aan iemand ter wereld vertelt
dat ik dien gekregen heb...
--Nu, wat dan?
--Aan Jan, aan Sander, of aan Napoleona...
--Jawel, wat dan?
--Of vooral aan mijne vrouw Cornelia, dan zweer ik dat ik je laat
opzetten...
--Levend en wel?
--Levend en wel, anders doet het geen pijn, ezel!
Dit was een dreigement, dat Kruidnagel eene rilling deed gaan door
al zijne leden.
Toen legde Cascabel de hand op zijnen schouder en fluisterde hem in,
op den toon van een fat van de ergste soort:
--Je moet weten, dat Cornelia erg jaloersch is. En zie je,
Kruidnagel, iemand is een knap man, of hij is het niet. Er is hier
eene betooverende vrouw, eene echte russische prinses.... Nu begrijp
je er alles van. Die brief is van haar; zij vraagt mij om bij haar
te komen.... Zoo iets zal jou nooit overkomen, met zoo'n neus als
jij er op na houdt.
--Ten minste... dat wil zeggen... begon Kruidnagel; maar wat hij
daarmede eigenlijk zeggen wilde, begreep hijzelf niet en iemand anders
nog veel minder.
XIV.
EEN SLOT DAT DOOR IEDEREEN WORDT TOEGEJUICHT.
Het tooneelstuk dat den even nieuwen als aantrekkelijken titel voerde
van _De Roovers van het Zwarte woud,_ was een alles behalve alledaagsch
stuk. Het was gemaakt naar de klassieke regelen der dramatische kunst,
met inachtneming der eenheid van plaats, van handeling en van tijd. In
de inleiding werden de personen duidelijk geteekend; de knoop werd
vervolgens kunstig gelegd; tenslotte had de ontknooping op verrassende
wijze plaats, en ofschoon ieder voorzag hoe het af moest loopen,
miste de oplossing niettemin hare machtige werking niet. Er ontbrak
niets aan, ook niet datgene wat de strengste kunstrechters verlangen,
want het heele stuk zat goed in elkaar.
Cesar Cascabel was er trouwens de man niet naar om te offeren
aan den wansmaak van den dag, en allerlei bijzonderheden uit het
familieleven, de meest kiesche niet uitgezonderd, op de planken te
brengen, of stukken te vertoonen waarin òf de misdaad zegeviert,
òf voor het minst, de deugd niet naar verdienste beloond wordt. In
geenen deele. In het slot-tafereel van _De Roovers van het Zwarte
woud_ zag men de onschuld zoo schitterend bekroond, dat niemand er
over in twijfel verkeeren kon, en de schuld gestraft op eene manier
die indruk maken moest. Op het oogenblik dat alles verkeerd scheen
te loopen kwamen de gendarmes, en als zij den verrader bij de kraag
pakten en "in de wacht" sleepten, daverde het gebouw van toejuichingen.
Geen twijfel of dit drama zou ook in een krachtigen, eenvoudigen,
taalkundig zuiveren stijl geschreven zijn, zonder bijmengsel van
onverstaanbare uitdrukkingen en duistere wendingen, aan allerlei
wetenschap ontleend, zooals de jongere tooneelschrijvers ze gaarne
te pas brengen,--indien het namelijk een geschreven stuk was
geweest. Maar het bestond niet in handschrift, want het was eene
pantomime en als zoodanig kon het gespeeld worden op elk theater, in
iedere plaats der oude en der nieuwe wereld. Dat is een groot gemak
van zulke vertooningen in gebarentaal, waarbij nog komt dat het op die
manier niet mogelijk is, eene enkele fout tegen de regelen der taal-
of stijlleer te maken.
Ook hierop was van toepassing wat wij zooeven gezegd hebben:
Cesar Cascabel was er de man niet naar om zulke fouten toetelaten,
want niemand anders dan hij was de maker van het meesterstuk. Een
meesterstuk mocht het wel genoemd worden. In de onderscheidene
werelddeelen had het reeds drieduizend eenhonderdzeventig
opvoeringen achter den rug. Er bestaat maar één stuk, _De Beer en de
Schildwacht_, van het circus-Franconi, dat een hooger cijfer behaald
heeft. Dit is dan ook het hoogste getal dat van eenige dramatische
schepping geboekstaafd is, maar in letterkundige waarde staat dit
paardenspeldrama buiten eenigen twijfel ver beneden _De Roovers van
het Zwarte woud_.
Dit stuk was bovendien bepaaldelijk gemaakt om de onderscheidene
talenten van den troep van Cascabel te doen uitkomen, en die talenten
waren zoo degelijk en zoo veelzijdig, dat er geen tweede voorbeeld te
vinden zou zijn van een dergelijk samenspel van zulke kunstenaars,
door welken impresario ook, in vaste of in blijvende theaters aan
het publiek voorgesteld.
De leermeesters der dramatische kunst gaan zeer terecht van dit
beginsel uit: Laat de toeschouwers lachen of schreien, indien gij niet
wilt dat zij gapen. Indien dit de grondslag is van alle tooneelpoëzie,
dan verdient _De Roovers van het Zwarte woud_ ook in dit opzicht
ten volle den naam van meesterstuk. Er worden tranen in gelachen
en er wordt in geschreid--ook al met heete tranen. Er komt niet één
tafereel, niet één stukje van een tafereel in voor, waarin de stugste
toekijker een oogenblik behoefte krijgt om zijnen mond open te doen
en te geeuwen. Of in het bijna ondenkbare geval dat hij daar lust in
mocht hebben, als gevolg misschien van eene slechte spijsvertering,
zou zijn geeuw aanstonds overgaan in eenen snik van ontroering of in
eenen lach van pleizier.
De handeling was, even als in ieder welgebouwd stuk het geval is,
duidelijk; er zat gang in: het was eenvoudig gedacht en geleidelijk
uitgewerkt. Alles volgde logisch op elkander, zoo natuurlijk en
geregeld, dat ieder denken moest dat het "waar gebeurd" was.
Om dit te doen beseffen, laten wij hier een overzicht volgen, dat
alle verslaggevers wèl zullen doen zich tot voorbeeld te stellen.
Het behelsde de zeer treffende lotgevallen van twee jongelieden
die smoorlijk op elkaar verliefd waren. Teneinde beter verstaan te
worden, merken wij op dat Napoleona voor het meisje en Sander voor
den verliefden jongeling speelde. Ongelukkig is Sander arm, en de
moeder van Napoleona, de hoovaardige Cornelia, wil van hun huwelijk
niets weten.
Er komt iets bij, dat nog nooit in eenig stuk vertoond is geworden,
namelijk dat de liefde van deze twee gedwarsboomd wordt door
een grooten lummel, Kruidnagel, rijk aan goed, maar arm naar den
geest. Deze brandt van liefde voor Napoleona en wil haar trouwen. En
de moeder--is dit niet vernuftig bedacht?--die geducht op de duiten is,
verlangt niets liever dan den lummel de hand van hare dochter te geven.
Het is niet mogelijk eene verwikkeling op kunstiger manier inteleiden,
noch haar belangwekkender te maken. Onnoodig te zeggen dat het
uilskuiken van een Kruidnagel den mond niet open kan doen zonder iets
zots te zeggen. Hij ziet er bespottelijk uit, opgeschikt als een gek,
met een ellenlangen neus dien hij overal in steekt waar hij niet in
noodig heeft. Als hij met zijne bruiloftsgeschenken aan komt dragen,
waarbij John Bull, de aap, hem aangrijnst en Jako, de papegaai--de
eenige persoon in het stuk die praat--hem uitscheldt, dan houdt ieder
zijn buik vast van het lachen.
Maar dit lachen verstomt als men de diepe smart ziet van de twee
jongelieden, die elkaar niet anders ontmoeten kunnen dan ter sluiks,
met andere woorden: bij nacht en ontijden.
Juist is de dag aangebroken waarop het huwelijk voltrokken staat
te worden, waar Cornelia haar kind gedwongen heeft in toe te
stemmen. Napoleona heeft hare fraaiste kleederen aangetrokken, maar
met een bloedend hart, de wanhoop in het gemoed. Is het niet iets
verschrikkelijks, dit mooie meisje de prooi te zien worden van zoo'n
hatelijken vogelverschrikker?
Al het hier verhaalde wordt vertoond vóór de deur der dorpskerk. De
klok luidt, de deuren staan open, ieder kan binnen komen. Maar Sander
is neergeknield op de trappen van het kerkportaal. Slechts over zijn
lichaam heen zal de stoet het altaar kunnen bereiken. De toeschouwers
snikken van aandoening.
Op eens--en ziehier weder eene wending, waarvan de wedergade in de
dramatische letterkunde te vergeefs gezocht wordt--op eens verschijnt
er een jong krijgsman, wiens stap het achterdoek doet sidderen. Dat is
Jan, de vleeschelijke broeder van de jonge bruid. Hij komt terug van
den oorlog, waarin hij de vijanden verslagen heeft, welke vijanden
verschillend van landaard kunnen zijn naar gelang van het land waar
de vertooning gegeven wordt. Het kunnen in Amerika engelschen, in
Duitschland franschen, in Turkije russen zijn, enz. enz.
De dappere en ridderlijke Jan is op het juiste oogenblik gekomen. Wat
hij wil zal geschieden, en niets anders. Hij heeft vernomen dat Sander
Napoleona liefheeft en dat Napoleona Sander bemint. Met zijn geweldigen
arm stoot hij eerst Kruidnagel van het altaar af en vervolgens daagt
hij hem uit, waar die bloodaard zoo doodelijk van verschrikt dat hij
op staanden voet van het huwelijk afziet.
Ieder moet erkennen dat dit drama vernuftig bedacht is en dat alles
sluit als een bus. Maar het is nog niet uit.
Terwijl zij bezig zijn Cornelia te zoeken, aan wie Kruidnagel haar
woord terug wil geven, komt er iets heel onverwachts. Cornelia is
nergens te vinden. Allen loopen door elkaar, maar zij laat zich niet
meer zien!
Daar hoort men op eens een hulpgeschrei weerklinken in de diepte van
het nabijgelegen woud. Sander herkent de stem van moeder Cascabel,
en al is het ook maar zijne toekomstige schoonmama, toch aarzelt hij
geen oogenblik, maar vliegt haar te hulp. Er is geen twijfel aan: de
heerschzuchtige dame is geschaakt door de rooverbende van Fracassar,
misschien wel door Fracassar in eigen persoon, den beruchtsten bandiet
die ooit het Zwarte Woud onveilig maakte.
Dit is ook werkelijk het geval. Terwijl Jan bij zijne zuster blijft
om deze tegen mogelijk gevaar te beschermen, luidt Kruidnagel de
alarmklok en roept om hulp. Daar valt een schot.... Het publiek hijgt
van spanning. Geweldiger ontroering kan door eene vertooning op het
tooneel onmogelijk teweeg worden gebracht.
Op dat oogenblik vertoont zich Cascabel, in het kostuum van een
Calabreeschen struikroover, als de vreeselijke Fracassar, met zijne
bende, in wier midden Cornelia, ondanks haren tegenstand, wordt
voortgesleept. Maar nu komt de dappere verliefde held weer op de
proppen, vergezeld van eenen troep marechaussées, met laarzen aan die
hun tot het middel reiken. Hij bevrijdt zijne dierbare schoonmoeder,
de roovers worden gevangen genomen en de edelmoedige Sander trouwt
met Napoleona, zijne teedere bruid.
Wij moeten hierbij nog opmerken, dat aangezien het personeel van den
troep niet talrijk genoeg is, zoo min de roovers als de marechaussées
zich op het tooneel vertoonen. De taak om achter de schermen hun
geschreeuw en andere geluiden te doen hooren, even alsof ze er
werkelijk zijn, is aan Kruidnagel opgedragen, en deze kwijt zich
voortreffelijk daarvan. Daar er echter niemand anders meer over is,
moet Cascabel de moeite nemen om zichzelf, als Fracassar, de handboeien
aan te doen. Doch wij kunnen niet genoeg herhalen dat de ontknooping,
door deze eenvoudige en duidelijke hulpmiddelen voorgesteld, een
machtigen indruk teweeg brengt.