Cascabel was niet in staat een woord uittebrengen. Kayette vertelde

hem nu uitvoerig hoe het kwam dat zij de twee matrozen van den

aanvang af niet goed vertrouwd had. Zij had de stem van Kirschef wel

degelijk méér gehoord; thans herinnerde zij het zich, het was dien

nacht op de grens van Alaska, toen de twee roovers graaf Narkine

en zijnen bediende overvielen, zonder toen nog te weten dat hij

een russisch edelman was, die in Amerika eene schuilplaats gezocht

had. Nu echter, een nacht of wat geleden, had Kayette hen beide,

terwijl zij samen de wacht hielden bij den wagen, met een vreemden

man zien heengaan. Zij was hen nageloopen en had het gesprek, dat

zij met zeven hunner vroegere makkers voerden, afgeluisterd. Zij

was nu op de hoogte van alles wat Ortik in zijn schild voerde. Hij

had met opzet de _Schoone Zwerfster_ door den Petchora-pas geleid

omdat hij overtuigd was daar andere bandieten te zullen aantreffen,

en hij zou er niet tegen opgezien hebben mijnheer Sergius en de

geheele familie Cascabel te vermoorden. Maar sedert hij vernomen

had dat mijnheer Sergius niemand anders was dan graaf Narkine, had

hij begrepen dat het voordeeliger zou zijn hem te dwingen om eene

groote som gelds te betalen, teneinde niet aan de russische politie

te worden verraden. Daarmede wilde Ortik echter wachten tot zij te

Perm zouden zijn; hij noch Kirschef zouden zich met de zaak bemoeien

teneinde hunne handen geheel vrij te hebben indien dit plan mislukken

mocht. De andere roovers zouden mijnheer Sergius schriftelijk doen

weten dat zij hem voor dringende zaken noodzakelijk spreken moesten.

Het kostte Cascabel niet weinig moeite zijne verontwaardiging te

bedwingen terwijl Kayette dit verhaal deed. Zulke schavuiten, die

hij op allerlei manieren geholpen, die hij uit de handen der wilden

verlost, te eten gegeven en in hun land gebracht had! Nu, dat was

een mooi paar onderdanen dat hij zijne majesteit den Czaar terug kwam

brengen! Waren het nog engelschen geweest! Een paar gauwdieven meer of

minder kwamen er voor Engeland niet op aan. Zulke ellendelingen! zulke

gemeene bedriegers!

--Maar wat denkt gij nu te beginnen, mijnheer Cascabel? vroeg Kayette.

--Wat ik beginnen ga, Kwakkeltje? Wel, dat is heel eenvoudig. Bij de

eerste kozakkenpost de beste die wij tegenkomen, vertel ik wie Ortik

en Kirschef zijn, en dan worden ze allebei opgehangen.

--Gij zult u nog wel eens bedenken, mijnheer Cascabel, hernam het

meisje. Dat zult gij zeker niet doen.

--En waarom niet?

--Omdat Ortik en Kirschef dan dadelijk graaf Narkine zullen verraden,

en meteen degenen die hem behulpzaam zijn geweest om naar Rusland

terugtekeeren, aan de politie zullen overleveren.

--Wat ons aangaat, wat kan mij dat schelen? riep Cascabel uit. Als

het ons alleen betrof! Maar met mijnheer Sergius is het een ander

geval. Gij hebt gelijk Kayette, wij moeten iets anders bedenken.

Hij was zeer opgewonden en blijkbaar niet dadelijk in staat zijn

gedachten te verzamelen. Hij liep eenige oogenblikken op en neder

en sloeg zich voor het hoofd om er een plan uit te halen. Toen bleef

hij weder voor Kayette staan.

--Hebt gij mij niet gezegd, vroeg hij, dat het Ortik's plan was

te wachten tot wij te Perm zijn en daar met die andere schurken

te handelen?

--Ja mijnheer Cascabel, hij heeft hun uitdrukkelijk aanbevolen,

vóór dien tijd niets te ondernemen.

--Dat is een hard geval, barstte Cascabel uit, een heel hard

geval! Met zulke schavuiten samen te moeten reizen tot Perm toe,

met hen te moeten praten en een vriendelijk gezicht tegen hen te

moeten zetten! De duivel mag mij halen als ik geen lust heb hen bij

den kraag te pakken en hen te pletter te slaan... zoo!... zoo!

En met zijne krachtige handen zwaaide hij en sloeg die op elkaar,

alsof hij Ortik en Kirschef te pakken had en hen tegen elkaar sloeg,

als de bekkens op eene turksche trom.

--Gij moet toch doen alsof gij er niets van weet, mijnheer Cascabel,

hernam Kayette, en hen niets laten merken.

--Zeker, zeker meisje.

--Alleen zou ik willen weten of gij het raadzaam acht, mijnheer

Sergius op de hoogte te brengen?

--Dat geloof ik niet, antwoordde Cascabel. Het lijkt mij verstandiger

als wij alles vóór ons houden, want wat zou mijnheer Sergius er aan

kunnen doen? Het is mijn plicht voor zijne veiligheid te waken en

dat zal ik doen ook. Bovendien weet ik vooruit waar hij het eerst

op bedacht zou zijn. Uit vrees van ons aan grooter gevaren bloot

te stellen, zou hij in staat wezen terstond zijn eigen weg te gaan

en ons alleen te laten trekken. In dat geval ware hij naar alle

waarschijnlijkheid verloren en wij moeten er hem dus in het geheel

niet over spreken.

--Maar zult gij Jan er ook niets van zeggen?

--Waar denkt gij aan Kayette? Jan is veel te driftig, hij zou zich

in tegenwoordigheid van die twee gemeene schurken geen oogenblik in

kunnen houden. Hij is niet zoo'n bedaarde man als zijn vader en hij

zou bij de eerste gelegenheid de beste laten merken dat hij alles

wist. Neen, Jan mag er evenmin iets van weten als mijnheer Sergius.

--En juffrouw Cascabel? Moet die ook niet op de hoogte gebracht

worden? vroeg Kayette weder.

--Cornelia? Ja, dat is heel iets anders. Dat is eene heel bijzondere

vrouw: die is altijd in staat om een goeden raad te geven en als het

er op aankomt, ook een stevige hand uit te steken. Voor haar heb ik

nog nooit iets geheim gehouden en bovendien weet zij even goed als

ik dat mijnheer Sergius eigenlijk graaf Narkine heet.

--Juffrouw Cascabel moet het dus weten?

--Ja, met haar zal ik alles overleggen. Aan eene vrouw als zij kan

men het gewichtigste staatsgeheim toevertrouwen. Zij zou het niet

verklappen al dreigden zij haar hare tong aftesnijden en dat is toch

wel het ergste wat eene vrouw kan overkomen! Zeker, zeker, ik zal er

met haar over praten.

--Laat ons dan nu naar de _Schoone Zwerfster_ terugkeeren, hernam

Kayette. Niemand mag er iets van merken dat wij samen gesproken hebben.

--Ge hebt volkomen gelijk, Kwakkeltje, ge hebt gelijk, zooals altijd.

--Maar mijnheer Cascabel, pas vooral op dat ge aan Ortik en aan

Kirschef niets merken laat....

--Dat zal niet gemakkelijk gaan, maar wees maar niet ongerust,

ik zal hen honing om den mond smeren. Zulke bandieten! Het is toch

wat te zeggen, dat wij nog zoo'n tijd met hen in aanraking moeten

blijven! Dat is dus de reden waarom zij mij verteld hebben dat zij

ons de eer zullen aandoen van met ons mede te reizen tot Perm, en

dat zij eerst van daar den tocht naar Riga zullen aanvangen. Zulke

smeerlappen! De ergste schavuiten die er ooit geweest zijn, konden

zich niet gemeener aanstellen!

Deze gedachte maakte Cascabel zóó woedend, dat hij al de boosdoeners,

die hij in zijn leven ooit had hooren noemen, begon op te tellen:

Papavoine, Lacenaire, Tropmann......

--Maar mijnheer Cascabel, viel Kayette hem in de rede, als dàt nu de

manier is om u in bedwang te houden.....

--Neen, neen, Kwakkeltje, wees maar niet bang. Dat heeft mij lucht

gegeven, want ik zou er anders in gestikt zijn. Ik had een gevoel alsof

ik gewurgd werd, maar nu zal ik kalm worden. Ik ben al bedaard. Laat

ons nu naar de _Schoone Zwerfster_ teruggaan. Zulke hondsvotten!

Zij keerden samen naar het dorp terug, maar praatten verder over

niets. Er was dan ook stof genoeg om eene poos over na te denken. Dat

zulk eene wonderbaarlijke reis als zij gedaan hadden, nu die zoo goed

als afgeloopen was, nog mislukken moest door zulk eene onvoorziene

teleurstelling!

Zij waren al in de nabijheid van den wagen, toen Cascabel staan bleef.

--Zeg eens, Kayette, begon hij.

--Wat is er, mijnheer Cascabel.

--Alles wel beschouwd, zal ik Cornelia toch ook niets vertellen.

--Waarom niet?

--Ja, hoe zal ik u dat uitleggen? Ziet ge, ik heb in het algemeen

opgemerkt dat eene vrouw het best in staat is een geheim voor zich

te houden als zij er in het geheel niets van weet. Daarom moet alles

maar tusschen ons tweeën blijven.

Kayette begaf zich naar binnen om moeder Cascabel in het huishouden

te helpen. Zij kwamen Kirschef voorbij en Cesar knikte hem

vriendschappelijk toe, maar bij zichzelf dacht hij:

--Wat heeft die kerel een schelmengezicht!

Twee uren later kwamen de jagers terug en nu was de beurt aan Ortik,

die met een prachtig hert op zijne schouders kwam aandragen, om in

de hartelijkste bewoordingen door Cascabel welkom geheeten te worden.

Sergius en Jan hadden bovendien nog twee hazen en eenige koppels

patrijzen geschoten, zoodat Cornelia in staat was een waar feestmaal

aan te richten, waar haar echtgenoot zich terdege aan te goed deed. Die

man was inderdaad ondoorgrondelijk. Hij liet niets merken van hetgeen

er in hem omging en het was hem in het geheel niet aan te zien dat hij

wist dat er twee moordenaars met hem aan tafel zaten, twee spitsboeven

die niets minder in hun schild voerden dan hem en zijn geheele gezin

te vermoorden. Hij was zelfs opgeruimder dan anders en wilde dat al de

anderen in zijne vroolijke stemming zouden deelen; hij liet Kruidnagel

eene fijne flesch opentrekken en hij dronk op hunne behouden terugkomst

in Europa en op hunne spoedige aankomst in Frankrijk.

Den volgenden ochtend, den 10den Juli, werd de reis naar Perm

voortgezet. Toen zij den bergpas uit waren, liet het zich aanzien

dat de tocht verder zonder moeilijkheden en zonder buitengewone

avonturen volbracht zou worden. De _Schoone Zwerfster_ hield den

rechteroever van de Vischera, welke rivier langs den voet van het

Oeral-gebergte stroomt. Den geheelen weg langs vonden zij stadjes,

dorpen en alleenstaande boerenplaatsen, met vriendelijke menschen die

hen goed ontvingen. Er was wild in overvloed en het weder, hoewel

het zeer warm was, werd door een koelen wind uit het noordoosten

opgefrischt. De rendieren stapten wakker voort, maar Sergius had

bovendien in het laatste dorp een span paarden gekocht, die nu hielpen

trekken, zoodat er bijna tien mijlen daags werden afgelegd.

Het was waarlijk een feestelijke intocht dien de karavaan op het

grondgebied van het oude Europa deed, en er zou geen wolkje aan den

hemel van Cascabel's geluk te zien geweest zijn indien hij geen twee

struikroovers bij zich gehad had.

--En dan volgt die andere rooverbende ons nog op de hielen als

jakhalzen achter eene karavaan, dacht hij bij zichzelf. Komaan Cesar

Cascabel, gij moet weer eens toonen wat gij kunt en die schelmen er

in laten loopen!

Het was intusschen maar jammer dat het zoo voortreffelijk

uitgevoerde reisplan op deze manier weder geheel bedorven dreigde te

worden. Cascabel's papieren waren nu volkomen in orde, Sergius maakte

deel van den troep uit en de russische politiebeambten lieten hem

zonder aanmerkingen door. Eenmaal te Perm aangekomen, zou hij alle

gelegenheid hebben om, zoo dikwijls hij verkoos, naar het kasteel

Walska te gaan, vervolgens zou hij, na zijnen vader weergezien en

eenige dagen bij hem doorgebracht te hebben, zonder eenig bezwaar als

kunstenmaker heel Rusland kunnen doortrekken en zich naar Frankrijk

begeven, waar hij volkomen veilig zou wezen. Dan was er dus geen

sprake van afscheid nemen en Kayette zoowel als hij konden bij de

Cascabels blijven. Wie weet of er dan ook niet een middel te vinden

ware geweest om den armen Jan gelukkig te maken. Waarlijk, de galg was

nog te goed voor de booswichten die dit wel overlegde plan in duigen

deden vallen! Als Cascabel daaraan dacht, dan gaf hij somtijds zijn

gemoed lucht in verwenschingen, waar niemand, die niet in het geheim

was, iets van begreep.

Cornelia vroeg hem dan ook eens:

--Wat scheelt er toch aan, Cesar, dat gij zoo te keer gaat?

--Mij scheelt niets, was zijn antwoord.

--Maar gij stelt u aan als een dolleman.....

--Ik stel mij aan als een dolleman, Cornelia, omdat ik anders werkelijk

dol zou worden.

De wakkere vrouw wist niet wat zij van haren man denken moest.

Er gingen weder vier dagen voorbij. De _Schoone Zwerfster_ had een

zestigtal mijlen achter den rug sedert zij het Oeral-gebergte verlaten

hadden, en maakte nu in het stadje Solikamsk halt.

De rooverbende, waar Ortik zijne afspraak mede gemaakt had, was hier

zeker reeds vóór de karavaan aangekomen, maar hij en Kirschef deden

geene moeite om met de anderen in aanraking te komen.

Intusschen bevonden Rostof en zijne maats zich werkelijk in de

stad. Zij waren voornemens dienzelfden nacht verder te gaan. Perm lag

nog een mijl of zestig meer naar het Westen. Eenmaal daar aangekomen,

konden zij hun misdadigen toeleg uitvoeren.

Den volgenden ochtend vroeg verlieten de Cascabels het stadje Solikamsk

en den 17den Juli trokken zij de Koswa-rivier in de veerpont over. Over

drie dagen rekenden zij, als er niets tusschen beide kwam, te Perm

te zullen aankomen en daar hunne voorstellingen aantevangen, teneinde

die op de kermis te Nisjni later voort te zetten. Dit behoorde tot het

programma der merkwaardige "kunstreis," die zij bezig waren te doen.

Sergius verblijdde zich mede in het vooruitzicht dat hij spoedig

het kasteel Walska, de plek zijner geboorte, terug zou zien, maar

eene verklaarbare ongerustheid vermengde zich met zijne blijdschap

en wanneer hij met Cascabel over de toekomst sprak, maakte hij van

zijne bezorgdheid geen geheim. Sedert vele jaren had hij niet dan

ongeregeld bericht van zijnen vader ontvangen en nu sedert dertien

maanden, zoolang zijne avontuurlijke reis van de grens van Alaska naar

Europa geduurd had, had hij niets meer van hem vernomen. Hoogbejaard

als de prins was, bestond er maar al te veel kans dat zijn zoon hem

misschien niet meer terug zou zien.

Daar wilde Cesar Cascabel echter niet van hooren.

--Komaan, mijnheer Sergius, zeide hij, maak u daar nu niet ongerust

over. Prins Narkine is zoo gezond als gij en ik, daar sta ik voor

in! Gij weet dat ik best voor waarzegger zou kunnen spelen, want de

toekomst is evenmin voor mij verborgen als het verleden. Uw vader is

in blakenden welstand en over weinige dagen zult gij hem terugzien.

Cascabel was hiervan zoo vast overtuigd dat hij er op had durven

zweren, indien de plannen van Ortik en die andere booswichten hem

niet in den weg gezeten hadden.

Daarom bromde hij bij zichzelf:

--Ik ben niet valsch van natuur, maar als ik dien schavuit tusschen

mijne tanden kon stuk scheuren, zou ik het doen, en ik zou ook nog

mijn best doen dat het niet te spoedig afgeloopen was!

Naarmate de _Schoone Zwerfster_ dichter bij Perm kwam, werd intusschen

de ongerustheid van Kayette grooter. Wat zou Cascabel beginnen? Hoe

zou het hem mogelijk wezen Ortik's plannen te verijdelen zonder de

veiligheid van Sergius in de waagschaal te stellen? Zij wist geen

antwoord op die vragen te bedenken en kon hare bezorgdheid niet

voor de anderen verborgen houden, zoodat Jan, die wel bespeurde hoe

angstig en gejaagd zij was, maar er de reden niet van doorgrondde,

er heelemaal door van streek raakte.

In den ochtend van den 20sten juli trokken zij de Kama-rivier over

en omstreeks vijf uren in den namiddag hielden zij hunnen intocht op

de groote markt te Perm. Daar werden alle beschikkingen gemaakt om

er verscheidene dagen te vertoeven.

Ortik haastte zich zijne maats kennis te geven van hunne aankomst. Een

uur later had hij eenen brief van Rostof in handen, waarin Sergius

verzocht werd wegens dringende aangelegenheden in eene afgelegen

herberg te komen. Die brief moest zoo spoedig mogelijk overhandigd

worden. Mislukte dit middel, dan zouden zij het op eene andere manier

aanleggen.

Tegen het vallen van den avond echter, toen de brief aan de _Schoone

Zwerfster_ bezorgd werd, bevond Sergius zich reeds op weg naar het

kasteel Walska. Cascabel nam de boodschap aan en hield zich alsof

hij er zeer verwonderd over was. Hij beloofde dat hij den brief aan

Sergius zou overhandigen en sprak er verder met niemand over.

Het beviel Ortik maar half dat Sergius niet meer in den wagen was,

want hij had zijne poging om hem in den strik te laten loopen liever

gedaan vóór dat de banneling zijnen vader terug gezien had. Maar hij

liet niets van zijne teleurstelling merken en toen hij met de anderen

aan den avondmaaltijd plaats nam, vroeg hij alleen:

--Is mijnheer Sergius niet thuis?

--Neen, antwoordde Cascabel. Hij is de stad ingegaan om het noodige

af te spreken met de stedelijke beambten voor de voorstellingen die

wij hier willen geven.

--Zoo, en wanneer zou hij terug komen?

--In den loop van den avond, denk ik.

XIII.

EEN LANGE DAG.

Het gouvernement Perm strekt zich uit aan beide kanten van het

Oeral-gebergte: het staat met eenen voet als het ware in Azië en

met den anderen in Europa. Het wordt begrensd door het gouvernement

Vologdia in het Noord-Westen, door het gouvernement Tobolsk in

het Oosten, door het gouvernement Viatka in het Westen en door het

gouvernement Orenburg in het Zuiden. Tengevolge dezer ligging vertoont

de bevolking een zonderling mengsel van aziatische en europeesche

volkenrassen.

Perm, de hoofdstad, met eene bevolking van zes duizend inwoners,

ligt aan de Kama en is eene belangrijke handelsplaats, in metalen

vooral. Tot korten tijd vóór het begin der 18e eeuw was het een

onbeduidend gehucht, maar in 1723 werd er eene kopermijn in de

nabijheid ontdekt, die eene bron van welvaart werd, en in 1781 werd

het dorp tot eene stad verheven.

Intusschen verdient de plaats nog nauwelijks dien naam. Men vindt er

geen gebouwen van eenige beteekenis, de straten zijn meerendeels nauw

en smerig; de huizen zijn over het algemeen ongeriefelijk en wat de

logementen aangaat, heeft nog nooit een reiziger in dat opzicht den

lof van Perm gezongen.

Hoe de stad er uitzag, was echter de familie Cascabel tamelijk

onverschillig. Zij had immers haar huis op wielen, dat haar beter

aanstond dan het prachtigste logement en dat zij niet had willen

verruilen voor het hotel St. Nikolas te New York of voor het Hotel

Continental te Parijs.

--Denk eens aan, blufte Cesar Cascabel. Onze _Schoone Zwerfster_ is

heelemaal van Sacramento naar Perm gekomen. Dat is geen kleinigheid,

zou ik denken? Welk hotel in Parijs, in Londen, in Weenen of in New

York is ooit daartoe in staat geweest?

Dat was een argument, waar geen mensch ter wereld iets tegen had

kunnen inbrengen.

Dien dag was de stad Perm dus een "huis" rijker geworden, dat eene

plaats op de groote markt had ingenomen, met toestemming van den

burgerlijken gouverneur, wiens waardigheid overeenkomt met die van

hoofd eener provincie of van een departement in andere landen. Deze

hooggeplaatste beambte had de papieren van de familie Cascabel

nagezien, en er niets verdachts aan opgemerkt.

De _Schoone Zwerfster_ had terstond bij hare aankomst niet weinig de

nieuwsgierigheid gaande gemaakt. Een reiswagen, bespannen met eene

kudde rendieren, komende uit het hart van Amerika en met eenen troep

fransche kunstenmakers er in, zoo iets had nog nooit iemand beleefd. De

slimme directeur begreep terstond dat hij van deze omstandigheden

een voordeelig gebruik moest maken.

De kermis te Perm was juist in vollen gang en zou nog verscheidene

dagen duren. Zonder eenigen twijfel viel er dus geld te verdienen. Maar

dat was ook noodzakelijk, want hier te Perm en later te Nisjni

moesten zij het vereischte geld zien bijeen te krijgen om de reis

naar Frankrijk voort te zetten. Daar eenmaal aangekomen, zouden zij

hun verdere lot maar weder aan Gods goedheid toevertrouwen, die hen

trouwens nog nooit bedrogen had doen uitkomen.

Den volgenden dag, bij het krieken van den ochtend, toog ieder

dus aan het werk. Jan, Sander, Kruidnagel en de twee matrozen

hielden zich ijverig bezig met de toebereidselen voor de groote

voorstelling. Sergius was nog niet terug, niettegenstaande hij beloofd

had spoedig te komen, hetgeen Ortik alles behalve aanstond en waarover

ook Cascabel zich eenigszins ongerust begon te maken.

Zoodra zij aangekomen waren was de voorstelling aangekondigd door

middel van een aanplakbiljet, dat Sergius opgesteld had en waarop

met groote, sierlijke letters het volgende te lezen stond:

DE FAMILIE CASCABEL.

FRANSCHE KUNSTENAARS. PAS AANGEKOMEN UIT AMERIKA.

Gymnastiek, groote toeren op de gespannen en de slappe koord,

equilibristen, athleten, dansers en danseressen.

De heer CASCABEL, eerste athleet in alle vakken.

Mevrouw CASCABEL, de vrouwelijke Hercules, eerste prijs op

den internationalen worstelstrijd te Chicago.

De heer JAN, equilibrist in alle vakken.

De heer SANDER, gymnastische toeren van allerlei aard.

De jongejuffrouw NAPOLEONA, eerste danseres in alle vakken.

De heer KRUIDNAGEL, eerste paljas in alle vakken.

JAKO, papegaai, in alle vakken.

JOHN BULL, aap, in alle vakken.

WAGRAM en MARENGO, geleerde honden, in alle vakken.

HET WONDER DER KUNST:

DE ROOVERS VAN HET ZWARTE WOUD,

_pantomime met bruiloft en huwelijk, verrassing en ontknooping. Met

uitbundigen bijval drieduizend zeventig maal opgevoerd in alle steden

van Europa en andere werelddeelen_.

MEN GELIEVE WEL ACHT TE GEVEN dat aangezien er in deze pantomime in

het geheel niet gesproken, en het gesproken woord vervangen wordt

door duidelijk verstaanbare gebaren, dit meesterstuk van dramatische

kunst door iedereen genoten kan worden, zelfs door personen die aan

ongeneeslijke doofheid lijden.

Teneinde het publiek niet lastig te vallen kan ieder zonder te betalen

binnenkomen en zal het entreegeld voor elke plaats eerst opgehaald

worden nadat alle toeschouwers gezeten zijn.

_Prijs op alle rangen_: 40 _Kopeken de persoon_.

In gewone omstandigheden gaf Cascabel zijne voorstellingen in de open

lucht, waartoe er vóór de _Schoone Zwerfster_ een zeil gespannen werd

dat eene cirkelvormige ruimte omsloot. Toevallig echter stond er op de

groote markt te Perm een houten circus, waar anders paardrijders hunne

vertooningen gaven. In bijzonder gaven staat bevond dit getimmerte zich

niet, het had van weer en wind geleden en het dak boven de zitplaatsen

was niet waterdicht; maar het zat nog stevig in elkaar en kon een

paar honderd of misschien tweehonderd vijftig personen bevatten.

Zooals het was vond Cascabel dit gebouw beter voor zijne vertooning

geschikt dan zijne zeildoeksche tent; hij vroeg dus den burgemeester

verlof om er gedurende zijn verblijf te Perm gebruik van te maken en

dit verzoek werd met groote welwillendheid toegestaan.

Om deze en andere redenen vond Cascabel de russen in het algemeen

lieden waarmede hij heel goed om kon gaan, al maakten dan ook Ortik

en andere bandieten van zijn slag deel van deze natie uit. Onder welk

volk treft men geen gemeene sujetten aan? Wat het circus betreft,

zeker zou dit door eene voorstelling van den troep van Cascabel niet

onteerd worden; ook was er maar één ding dat den directeur van den

troep speet, namelijk dat zijne Majesteit Czaar Alexander II zich

niet bij toeval in de stad bevond want deze potentaat zou stellig niet

verzuimd hebben voor de eerste representatie eenige plaatsen te nemen.

Ook in een ander opzicht was Cesar niet volkomen op zijn gemak:

hij vreesde namelijk dat zijn personeel in het dansen, duikelen,

balanceeren en andere kunstverrichtingen een weinig achteruit gegaan

zou zijn. Van het oogenblik af dat zij den tocht over het Oeralgebergte

aangevangen hadden, waren er geen oefeningen meer gehouden, want ook

nadat zij den bergpas door waren, was er niet van gekomen. Maar hij

stelde zich gerust met de gedachte dat kunstenaars van den echten

stempel, zooals de zijne, ieder oogenblik klaar moeten staan om het

beste te geven wat zij kunnen.

Eene repetitie van de pantomime was volkomen overbodig. Zij hadden

die reeds ontelbare malen gespeeld zonder dat er een souffleur bij

te pas kwam, en ieder wist wat hij te doen had.

Intusschen liet Ortik niet onduidelijk merken hoe weinig het hem

aanstond dat Sergius zooveel langer uitbleef dan hij gedacht had. Reeds

den vorigen avond had de ontmoeting, waarbij de bandieten Sergius in

den valstrik hadden willen laten loopen, plaats moeten hebben; daar

was echter niets van kunnen komen en Ortik had aan de anderen doen

weten dat de uitvoering van het plan vierentwintig uren uitgesteld

moest worden. Hij begreep niet hoe het kwam dat Sergius nog niet terug

was, niettegenstaande Cascabel hem reeds denzelfden avond verwacht

had. Zou hij op het kasteel Walska gebleven zijn? Dit was het meest

waarschijnlijk, want het stond vast dat hij er heengegaan was. Ortik

had zijn ongeduld niet zoo moeten laten blijken, maar de ongerustheid

werd hem te sterk en hij vroeg aan Cascabel of deze niet eenig bericht

ontvangen had.

--Niet het minste, antwoordde Cesar.

--Maar ik dacht dat gij mijnheer Sergius gisteravond reeds terug

had gewacht.

--Dat deed ik ook en ik kan niet anders denken dan dat hij de eene

of andere verhindering gekregen heeft. Het zou erg jammer zijn indien

hij onze eerste voorstelling niet bij kon wonen, want gij zult zien,

Ortik, dat die prachtig wezen zal.

Cascabel hield zich alsof hij zich in het geheel niet ongerust maakte,

maar in den grond van zijn hart was dit alles behalve het geval.

Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe · 第 13 / 16 段