Er was echter geen gelegenheid om den beer een engagement in den

troep aantebieden. Het beest gaf trouwens blijkbaar aan zijn zwervend

bestaan in de bosschen de voorkeur boven het reizen op kermissen. Hij

schudde nog een paar keer zijn grooten kop en verdween toen op een

drafje tusschen de boomen.

Sander kon hem zóó niet laten gaan en nam onderdanig zijn hoed voor

hem af, maar Jan zou hem vrij wat liever een geweerkogel achterna

gestuurd hebben.

Tegen zes uur 's avonds werd er ongeveer onder dezelfde omstandigheden

als den vorigen avond halt gehouden. Den volgenden ochtend werd de

bezwaarlijke tocht te vijf uur hervat. Het ging op dezelfde manier

voort: veel vermoeienis maar geen ongelukken.

Zij hadden nu echter het ergste achter den rug, want zij waren met de

_Schoone Zwerfster_ op het hoogste punt gekomen, daar waar de pas den

bergketen snijdt. Van hier af ging het bijna voortdurend naar beneden,

altijd in westelijke richting, tot dat zij aan den kant van Europa

in de vlakte zouden aanlanden.

Dit was op den avond van den 6den Juli. De trekbeesten waren dood-af

en konden niet verder. Er werd halt gehouden aan den ingang eener

bochtige kloof, die ter rechterzijde door een dicht woud begrensd werd.

Het was den geheelen dag drukkend warm geweest. In het Oosten hing eene

dikke wolkenmassa, aan den benedenkant als met een mes afgesneden,

wier donkere tint scherp afstak tegen eene lichtgrijze streep aan

den gezichteinder.

--Het ziet er uit alsof wij onweder zullen krijgen, merkte Jan op.

--Dat is onpleizierig genoeg, antwoordde Ortik, want hier in het

Oeral-gebergte valt er met de onweders niet te spotten.

--Welnu, dan moeten wij ergens zien te schuilen, zeide Cascabel. Ik

ben minder bang voor een onweder dan voor wolven.

--Kayette, vroeg Napoleona aan het Indiaansche meisje, zijt ge bang

voor den donder?

--Wel neen, meidlief, antwoordde Kayette.

--Daar heeft Kayette groot gelijk in, zeide Jan. Het is dwaas, daar

bang voor te zijn.

--Je hebt goed praten, hernam Napoleona terwijl zij hare schouders

ophaalde. Wat zal men er aan doen als men bang is?

--Kijk zoo'n bange meid eens! riep Sander. Maar uilskuiken, er is

niets geen verschil tusschen het rollen van den donder en dat van de

ballen bij het kegelen.

--Jawel, maar het lijken wel ballen van vuur, die u naar het hoofd

geslingerd worden, zeide het kind en kneep hare oogen toe voor een

fellen bliksemstraal.

Zoo haastig mogelijk werd alles voor den nacht in gereedheid

gebracht, zoodat zij vóór dat het begon te stortregenen allen onder

dak waren. Toen de avondmaaltijd afgeloopen was, werd er afgesproken

dat de mannen, evenals in de voorafgaande nachten, om beurten de

wacht zouden houden.

Sergius wilde de eerste wacht doen, maar Ortik kwam hem voor door

te vragen:

--Vindt gij het goed dat wij samen, Kirschef en ik, dezen nacht

beginnen?

--Zooals gij wilt, antwoordde Sergius. Te middernacht zullen Jan en

ik u komen aflossen.

--Dat is dus afgesproken, mijnheer Sergius, zeide Ortik.

Hier scheen niets achter te kunnen steken, maar toch vertrouwde

Kayette de zaak niet. Zonder zich van haar vermoeden rekenschap te

kunnen geven, was het haar alsof de twee matrozen iets kwaads in den

zin hadden.

Het onweder was nu in volle hevigheid losgebarsten. Tusschen het

bladerendak der boomen lichtte ieder oogenblik de bliksem; hoog

boven hunne hoofden ratelde de donder, die door de bergwanden in alle

richtingen honderdvoudig herhaald werd.

Napoleona was reeds in haar bed gekropen en stopte hare oogen en

ooren onder de lakens. Ieder volgde spoedig haar voorbeeld en tegen

negen uur verkeerde alles in de _Schoone Zwerfster_ in diepe rust,

ondanks het geraas der donderslagen en het gehuil van den storm.

Kayette kon echter den slaap niet vatten. Zij had zich niet uitgekleed

en ofschoon zij zeer moede was, bleef zij wakker liggen. De gedachte

dat hun aller veiligheid was toevertrouwd aan die twee russen, liet

haar geen oogenblik met rust. Na zich een uur lang slapeloos op haar

bed te hebben rondgewenteld, besloot zij zich te overtuigen wat die

twee uitvoerden. Zij lichtte het gordijntje van het raampje boven hare

slaapplaats op en keek bij het licht der bliksemstralen naar buiten.

Zij zag dat Ortik en Kirschef samen stonden te praten. Op eens hielden

zij echter stil en deden een pas of wat in de richting van de kloof,

waar op dit oogenblik een man zich tusschen de boomen vertoonde.

Ortik gaf door een teeken den onbekende te verstaan dat hij niet

dichter bij moest komen om de honden niet wakker te maken. Dat Wagram

en Marengo niet reeds aangeslagen hadden, kwam door dat zij binnen

de _Schoone Zwerfster_ voor het noodweder waren komen schuilen.

Ortik en Kirschef gingen den vreemdeling tegemoet en wisselden eenige

woorden met hem. Toen zag Kayette dat zij met hun drieën onder de

boomen verder gingen.

Wat kon dat voor een kerel zijn? Wat hadden de twee matrozen met hem

te bepraten? Tot elken prijs wilde Kayette daar achter komen.

Het meisje liet zich uit hare slaapplaats glijden, zachtkens, zoodat

niemand er wakker van werd. Op het oogenblik toen zij voorbij Jan kwam,

hoorde zij hem haren naam noemen.

Zou hij haar gezien hebben?

Neen, hij droomde.... hij droomde van Kayette!

Zij sloop naar de deur, opende die en sloot haar zachtkens achter

zich toe, steeds zorg dragende dat zij geen leven maakte.

Eenmaal buiten zijnde scheen zij te aarzelen, maar het duurde slechts

een oogenblik.

--Komaan! zeide zij halfluid.

Hare vrees had niet langer dan eene sekonde geduurd. Zij wist dat

zij haar leven op het spel zette, dat de twee booswichten haar niet

zouden sparen indien zij bespeurden dat zij bespied werden. Maar zij

was moedig en vastberaden.

Kayette sloop voort tusschen de boomen, waaronder het donker was zoo

lang een bliksemstraal niet alles met een rossen gloed overgoot. Zij

liep gebukt voort onder het kreupelhout en tusschen het hooge gras,

totdat zij achter den stam van een zwaren lorkeboom bleef staan. Een

twintigtal schreden van zich af hoorde zij eenige mannen praten.

Zij waren met hun zevenen. Ortik en Kirschef voegden zich juist bij

hen. Zij stonden in een troepje bij elkaar onder de boomen.

Het gesprek werd in het russisch gevoerd. Kayette had dus geen moeite

om alles wat zij zeiden te verstaan.

--Het doet mij pleizier, begon Ortik, dat ik den Petchora-pas de

voorkeur gegeven heb. Ik dacht wel dat ik hier kennissen vinden

zou. Niet waar Rostof?

Rostof was de kerel, dien Kayette het eerst in de nabijheid van den

wagen gezien had.

--Sedert twee dagen volgen wij den wagen, antwoordde Rostof, maar wij

passen op dat niemand ons in het oog krijgt. Wij hebben u en Kirschef

terstond herkend en dachten dus wel dat er een goede slag te slaan

zou zijn.

--Eén zeker, zeide Ortik, en misschien wel twee.

--Maar waar komt gij van daan? vroeg Rostof.

--Uit het hartje van Amerika, waar wij een heelen tijd bij de bende

van Karnof geweest zijn.

--Wat zijn dat voor lieden daar gij nu bij zijt?

--Dat zijn fransche kunstenmakers, eene zekere familie Cascabel die

op reis is naar Europa. Wij zullen u later wel alles vertellen wat

wij ondervonden hebben. Thans is er geen tijd om veel te praten.

--Is er geld in den wagen? vroeg een van de andere roovers.

--Nog twee- of drieduizend roebels ongeveer.

--Waarom hebt gij nog geen hartelijk afscheid van die brave menschen

genomen? vroeg Rostof op spottenden toon.

--Daar hadden wij goede redenen voor, want er valt nog vrij wat meer

te verdienen dan dit armzalige sommetje. Maar om dàt te kunnen doen,

hebben wij hulp noodig.

--Wat is dat voor een buitenkansje?

--Dat zal ik u zeggen, vrienden, hernam Ortik. Dat Kirschef en ik

zonder bezwaar door Siberië heengetrokken en hier op de russische

grens gekomen zijn, hebben wij aan die Cascabels te danken. Maar

er is nog iemand in het gezelschap die hetzelfde gedaan heeft,

wel wetende dat geen sterveling hem onder eenen troep koorddansers

zou zoeken. Dat is een rus, wien het evenmin als ons vergund is

in zijn land terug te komen, maar om andere redenen, want het is

een staatkundige veroordeelde van voorname familie, een schatrijk

heer. Cascabel en zijne vrouw zijn de eenigen die weten wie hij is,

maar wij tweeën zijn er ook achter gekomen.

--Hoe hebt gij dat ontdekt?

--Op eenen avond te Mouji, waar wij een gesprek tusschen Cascabel en

den rus hebben afgeluisterd.

--Wie is het dan eigenlijk?

--Mijnheer Sergius wordt hij door ieder genoemd, maar hij heet graaf

Narkine. Wordt hij op russisch grondgebied ontdekt, dan kan het hem

zijn leven kosten.

--Wacht even, zeide Rostof. Die graaf Narkine, kan dat niet een zoon

zijn van Prins Narkine, die een jaar of wat geleden naar Siberië

verbannen en van daar ontvlucht is? Dat geval heeft destijds een

heele opschudding gemaakt.

--Diezelfde is het, bevestigde Ortik. Welnu, die graaf Narkine heeft,

behalve zijn leven, heel wat millioenen voor het verliezen en hij

zal er ons wel één van willen afstaan als dat het eenige middel is

om niet aan de politie verklapt te worden.

--Dat is niet kwaad bedacht, Ortik. Maar waartoe hebt gij onze hulp

noodig om dat plan ten uitvoer te brengen?

--Omdat het noodzakelijk is, dat Kirschef en ik ons niet in die

geschiedenis van Sergius mengen, wanneer wij, indien dit plan

mislukken mocht, nog eenige kans willen overhouden om den anderen

slag te slaan. Teneinde ons van het geld en van den reiswagen der

Cascabel's, met alles wat daar in is, te kunnen meester maken, moeten

zij niet beter weten of wij zijn twee russische schipbreukelingen,

die aan hen hunne redding te danken hebben. Wij willen dus den heelen

troep naar de andere wereld helpen. Daarna kunnen wij veilig overal

heentrekken waar wij willen, zonder dat de politie vermoeden kan dat

wij iets anders zijn dan reizende kunstenmakers.

--Vindt gij het goed, Ortik, dat wij nog dezen nacht den wagen

overvallen en ons van graaf Narkine meester maken om hem te doen weten

op welke voorwaarden wij hem hier in Rusland met rust willen laten?

--Geduld wat! antwoordde Ortik, Graaf Narkine is van plan naar Perm te

gaan om zijn ouden vader op te zoeken. Laat hem dus eerst dáár wezen,

en eenmaal te Perm zullen wij hem eene boodschap doen toekomen, een

klein briefje, waarin hij wegens dringende redenen verzocht wordt ons

een onderhoud toe te staan. Op die manier zult ge daar het voorrecht

hebben van kennis met hem te maken.

--Dus valt er op het oogenblik niets te doen?

--Volstrekt niets, zeide Ortik. Zorgt gij maar dat ge een weinig vóór

ons te Perm komt, zóó dat ge ons daar af kunt wachten.

--Dat blijft afgesproken, antwoordde Rostof.

De booswichten gingen hierna uiteen zonder dat iemand van hen vermoedde

dat hun gesprek was afgeluisterd.

Eenige oogenblikken nadat Kayette weder in den wagen was gegaan,

kwamen ook Ortik en Kirschef daar terug. Zij hadden er niets van

bemerkt dat iemand hen bespied had.

Kayette kende dus nu het plan der onverlaten, en tegelijk was zij te

weten gekomen dat Sergius, haar beschermer, graaf Narkine heette en

dat zijn leven, evenals dat van al zijne reisgenooten, van de twee

booswichten afhing. Stond hij niet een deel van zijn vermogen aan de

roovers af, dan zouden zij hem verraden.

Geheel van haar stuk gebracht door alles wat zij vernomen had, moest

Kayette eenigen tijd nadenken vóór dat zij tot een vast plan komen

kon. Zij was besloten Ortik's voornemen te verijdelen, maar moest een

middel bedenken om daarin te slagen. Zij bracht een slapeloozen nacht

door met het beramen van allerlei plannen en twijfelde dikwijls nog

of alles wat haar door het hoofd ging werkelijkheid en niet maar een

benauwde droom was.

Het was echter maar al te waar en zij behoefde daar niet langer

aan te twijfelen, toen zij den volgenden ochtend, nadat het ontbijt

afgeloopen was, Ortik tegen Cascabel hoorde zeggen:

--Gij weet dat Kirschef en ik voornemens zijn geweest, zoodra wij het

Oeral-gebergte overgetrokken waren, onzen eigen weg te gaan en ons

rechtstreeks naar Riga te begeven. Maar bij nader inzien lijkt het

ons beter dat wij ook naar Perm gaan en den gouverneur daar verzoeken

ons de middelen te verschaffen om naar onze woonplaats terug te

keeren. Hebt gij er niet tegen dat wij de reis met u voortzetten?

--Met alle genoegen, mijne vrienden, was Cascabel's antwoord. Als men

zoo'n eind samen gereisd heeft, moet men niet vóór dat het noodig is

uit elkander gaan, want het oogenblik van scheiden komt altijd nog

te vroeg.

XII.

EINDE VAN DE REIS, MAAR NIET VAN DE GESCHIEDENIS.

Op hetzelfde oogenblik dus, dat graaf Narkine en de familie Cascabel

hun lange en gevaarvolle reis achter den rug hadden, en zij van de

doorgestane ontberingen en vermoeienissen dachten uit te rusten,

dreigde een verraderlijk komplot hen met grooter gevaren dan ooit

te voren. Nog een paar dagen en zij zouden het Oeral-gebergte over

zijn. Dan nog een honderdtal mijlen in zuidwestelijke richting door

eene vlakke streek, en de _Schoone Zwerfster_ zou te Perm aankomen.

Wij weten dat Cascabel voornemens was in die stad eenige dagen te

vertoeven, teneinde het Sergius gemakkelijk te maken om iederen nacht

naar het slot Walska te gaan, zonder dat hij gevaar liep door iemand

herkend te worden. Naarmate van de omstandigheden, kon hij dan bij

prins Narkine blijven of met de _Schoone Zwerfster_ verder gaan naar

Nisjni, of misschien heelemaal naar Frankrijk.

Besloot hij echter te Perm te blijven, dan zou het oogenblik daar

zijn om afscheid te nemen van Kayette, want die zou hij zeker niet

van zich laten gaan.

Deze gedachte vervolgde Jan en zij maakte hem iederen dag meer bedroefd

en terneergeslagen. Zijne ouders, zijn broeder en zijn zusje bemerkten

zijn verdriet en deelden het van harte. Niemand hunner kon er aan

denken dat zij Kayette zouden moeten achterlaten.

Dien ochtend was Jan mismoediger dan ooit. Hij zocht het Indiaansche

meisje op en vond dat zij er slecht uitzag, een natuurlijk gevolg

van den slapeloozen nacht dien zij doorgebracht had.

--Scheelt er iets aan Kayette? vroeg hij.

--Neen Jan, antwoordde zij, ik ben heel wel.

--Dat is zeker niet waar. Ge ziet er uit of ge niet geslapen hebt. Of

hebt ge geschreid, Kayette-lief?

--Och dat komt van dat onweder van gisteren. Ik heb werkelijk van

nacht niet best geslapen.

--Onze lange reis valt u misschien te zwaar?

--Mij Jan? Wel neen, ik ben immers sterk genoeg en aan allerlei

ontberingen van mijne jeugd af gewend. Het zal wel weer overgaan.

--Er is toch iets niet goed met u Kayette, dat zie ik wel! Ik bid u,

zeg mij wat het is?

--Ik mankeer niets, Jan.

Jan meende nu niet verder aan te mogen dringen.

Toen zij zag hoe ongerust de arme jongen zich maakte, was Kayette

op het punt hem alles te zeggen. Zij kon het bijna niet uitstaan

dat zij iets voor hem geheim moest houden. Maar hij was driftig

en onverschrokken van aard, zoodat het niet zeker was dat hij zich

in tegenwoordigheid van Ortik en Kirschef zou kunnen inhouden. De

minste onvoorzichtigheid kon voor graaf Narkine een groot gevaar doen

ontstaan, zoodat Kayette het beter vond alles voor zich te houden.

Na over alles goed nagedacht te hebben, besloot zij Cesar Cascabel

zelven te vertellen wat zij vernomen had. Hiertoe was het echter

noodig dat zij hem alleen te spreken kon krijgen en zoolang zij nog

niet uit den bergpas waren, ging dit niet gemakkelijk want de twee

russen mochten er niets van merken.

Oogenblikkelijke haast bestond er trouwens niet, want de booswichten

waren niet van plan iets te beginnen vóór dat onze reizigers te Perm

waren aangekomen. Zoo lang Cascabel en de andere reisgenooten hen op

denzelfden voet bleven behandelen, konden zij niet vermoeden dat er

iemand iets van hunne plannen wist. Toen Sergius vernam dat Ortik en

Kirschef voornemens waren den tocht tot Perm mede te maken, had hij

hun niet onduidelijk te kennen gegeven dat hem dit genoegen deed.

Te zes uur 's morgens van den 7den juli stelde de _Schoone Zwerfster_

zich weer in beweging. Een uur daarna kwamen zij aan de bronnen uit

welke de Petchora ontspringt, naar welke rivier deze bergpas haren naam

draagt. Zoodra zij buiten het gebergte treedt, zwelt zij gaandeweg

tot eene van de aanzienlijkste rivieren in noordelijk Rusland. Na

eenen loop van dertienhonderd vijftig kilometer, stort zij zich in

de Noordelijke IJszee.

Op de hoogte waar zij zich bevonden was de Petchora echter nog maar een

wilde bergstroom, die door een rotsachtig bed, langs denne-, berke- en

lorkebosschen, zich den weg naar beneden baant. Zij hadden slechts den

linkeroever te houden om van zelf het einde van den pas te bereiken,

en wanneer zij een weinig voorzichtigheid gebruikten op de steilste

hellingen, kon het dalen geen bijzondere moeielijkheid meer opleveren.

Dien dag kon Kayette geen gelegenheid vinden om Cascabel onder vier

oogen te spreken. Zooveel zij na kon gaan hielden de twee russen

thans geen afzonderlijke gesprekken meer en verwijderden zij zich

niet meer onder een of ander voorwendsel wanneer er rust gehouden

werd. Het was duidelijk dat zij niets meer af te spreken hadden,

dat hunne medeplichtigen reeds vooruit waren en zij er op rekenden

elkander te Perm weder te zullen ontmoeten.

Den volgenden dag maakten zij een flinken marsch. De weg werd

gaandeweg breeder en gemakkelijker te berijden. Tusschen de steile

oevers hoorden zij de Petchora in de diepte over hare steenen bedding

bruischen. De bergpas werd minder wild en minder verlaten; zij kwamen

enkele marskramers tegen, op reis naar Siberië, met hunne koopwaar op

den rug en eenen met ijzer beslagen stok in de hand. Zij ontmoetten

ook troepjes mijnwerkers, die uit de mijnen kwamen of er heen gingen,

en wisselden eenen groet met deze lieden. Aan het einde eener vallei

zagen zij hier en daar eene boerenwoning of een gehucht van enkele

huizen. De hooge toppen van de Denejkin- en de Kontchakov-bergen

vertoonden zich in het Zuiden.

Na een rustigen nacht kwam de _Schoone Zwerfster_ tegen den middag

aan het uiteinde van den Petchora-pas. Eindelijk had dus onze karavaan

het doel van haren tocht bereikt en bevond zij zich in Europa.

Nog driehonderdvijftig wersten, niet meer dan een honderdtal mijlen,

en de stad Perm zou--zooals Cascabel zeide--"een huis en een gezin

méér binnen hare muren bevatten".

--Oef! voegde hij er met een zucht van verlichting bij, ik ben toch

blij dat wij dat reisje achter den rug hebben! Heb ik nu geen gelijk

gehad? Wij zien alweder dat alle wegen naar Rome leiden. Wij zijn

aan den verkeerden kant in Europa gekomen, dat is al. Maar wat komt

het er op aan? Nog eene korte poos en wij zijn in Frankrijk!

Het scheelde niet veel of de levenslustige man had staande gehouden

dat hij de Normandische lucht al inademde en hij aan den voet van

het Oeral-gebergte, de zeelucht reeds begon te ruiken.

Aan het einde van den bergpas stond een dorpje van een vijftigtal

huizen en een honderd of wat inwoners.

Zij besloten hier tot den volgenden dag te blijven en er hunnen

voorraad meel, vet, thee en suiker aan te vullen.

Sergius en Jan maakten ook terstond van de gelegenheid gebruik om kruit

en lood en andere benoodigdheden voor de vuurwapens aanteschaffen.

Zoodra zij hierin geslaagd waren, gingen zij op weg.

--Vooruit vriend Jan! riep Sergius. Er zal hier wel iets te jagen

vallen en wij zullen niet platzak thuis komen.

--Zooals gij wilt, antwoordde Jan, meer omdat het hem gevraagd werd

dan uit eigen liefhebberij.

De arme jongen had geene gedachte voor iets anders dan voor de op

handen zijnde scheiding. Hij had nergens lust in.

--Gaat gij met ons mede, Ortik? vroeg Sergius.

--Gaarne, antwoordde de matroos.

--Als gij uw best doet om wat goeds medetebrengen, riep moeder Cascabel

hen na, dan zal ik voor een lekker maal zorgen.

Het was pas twee uren en de jagers hadden dus nog een goeden dag vóór

zich. Het gehucht lag omringd van wouden en uitgestrekte vlakten,

en het zou wel een wonder zijn als er hier niet een goed jachtveld

te vinden was.

Sergius, Jan en Ortik verwijderden zich. Kirschef en Kruidnagel waren

met de rendieren bezig. De beesten moesten in een weiland onder de

boomen gebracht worden, waar zij konden grazen en uitrusten.

Cornelia was intusschen in den wagen gegaan, waar altijd het een of

ander schoontemaken viel. De anderen hoorden haar roepen:

--Napoleona, waar zit ge?

--Hier ben ik, moeder.

--Is Kayette daar ook?

--Ik zal dadelijk komen, juffrouw Cascabel.

Dat was echter eene gelegenheid die zij niet voorbij wilde laten gaan

om met Cascabel ongestoord te kunnen praten.

--Mijnheer Cascabel, begon zij.....

--Wat is er Kwakkeltje?

--Ik zou u gaarne eens willen spreken.

--Wel zoo. Nu spreek maar op!

--Ja maar, heel in vertrouwen......

--Zoo, is het zulk een geheim?

--Wat zou het Kwakkeltje willen? dacht Cesar bij zich zelf, Zou zij

mij misschien iets te zeggen hebben over mijn armen Jan?

Zij gingen samen een klein eind buiten het dorp, terwijl Cornelia in

den wagen aan het werk toog.

--Welnu meisjelief, begon Cascabel weder, wat hebt gij mij te vertellen

en wat is er voor een verschrikkelijk geheim?

--Mijnheer Cascabel, antwoordde Kayette, sedert drie dagen wilde ik

een gesprek met u hebben, maar niemand mocht ons kunnen beluisteren

of zelfs er iets van merken.

--Het is dus iets heel gewichtigs dat gij mij hebt medetedeelen?

--Mijnheer Cascabel, ik weet dat mijnheer Sergius eigenlijk graaf

Narkine heet.

--Wat zegt ge daar? Graaf Narkine? Wel zoo, en hoe zijt ge daar

achter gekomen?

--Ik heb het gehoord van lieden die u beluisterd hebben toen ge met

mijnheer Sergius te Mouji op eenen avond in gesprek waart.

--Is het mogelijk!

--Die lieden heb ik op mijne beurt beluisterd terwijl zij samen over

graaf Narkine aan 't praten waren. Maar zij weten daar niets van.

--Wie waren dat dan?

--Ortik en Kirschef.

--Zoo! Weten die het dus ook?

--Ja mijnheer Cascabel, zij zijn van alles op de hoogte. Zij weten dat

mijnheer Sergius een staatkundig veroordeelde is, die in het geheim

naar Rusland terugkeert om zijnen vader, prins Narkine optezoeken.

Cascabel stond, vreemd te kijken over hetgeen Kayette hem vertelde. Een

tijdlang bleef hij sprakeloos, maar na eene poos nagedacht te hebben,

hernam hij:

--Het spijt mij wel dat Ortik en Kirschef dit geheim ontdekt hebben,

maar nu zij er bij toeval achter gekomen zijn, zullen zij het zeker

niet verklappen.

--Zij zijn het niet bij toeval te weten gekomen, antwoordde Kayette,

en zijn stellig voornemens het te verklappen.

--Dat geloof ik niet. Het zijn een paar brave zeelui!

--Mijnheer Cascabel, begon het meisje weder, graaf Narkine bevindt

zich in het grootste gevaar.

--Wat zegt ge daar?

--Ortik en Kirschef zijn twee boosdoeners, die bij de rooversbende

van Karnof in Amerika geweest zijn. Zij beiden hebben graaf Narkine

op de Alaskische grens reeds naar het leven gestaan. Toen dit mislukt

was, zijn zij te Port-Clarence scheep gegaan om naar de Siberische

kust overtesteken, maar op de Liakhoff-eilanden terecht gekomen,

waar wij hen aangetroffen hebben. Zij weten dat graaf Narkine zijn

leven op het spel zet door in Rusland terug te komen; zij willen

hem dus een gedeelte van zijn fortuin afpersen, en als hij weigert,

verraden zij hem. Gebeurt dat, dan is mijnheer Sergius verloren en

gij zelf misschien ook!

Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe · 第 12 / 16 段