Den volgenden dag zou, naar de aanwijzingen van Ortik en Kirschef, de

tocht aangevangen worden door een der passen van het gebergte. Er waren

dus, zoo al geen onoverkomelijke bezwaren, toch eenige vermoeiende

dagreizen te voorzien, zoo lang zij het hoogste punt van den pas niet

overgetrokken waren.

Dit gedeelte van de grens stond bekend als druk bezocht door

smokkelaars en landloopers; het was er dus niet bijzonder veilig

en er moesten bijzondere maatregelen van voorzorg tegen mogelijke

onaangename ontmoetingen genomen worden.

Gedurende den avond werd er over dit een en ander beraadslaagd. Ortik

verzekerde dat de weg, dien hij voorstelde te volgen, dat was over

den Petchora-pas, een van de best begaanbare in het gebergte was. Hij

was er bekend omdat hij er reeds eenmaal doorheen getrokken was, toen

hij en Kirschef de reis gemaakt hadden van Archangel naar de IJszee,

waar zij hun schip, de _Seraski_ gingen opzoeken.

Terwijl Sergius en Ortik hierover van gedachten wisselden, werd de

avond-maaltijd door Cornelia, Napoleona en Kayette gereed gemaakt. Een

flink stuk hertenvleesch hing boven een vuur tusschen de boomen te

roosteren terwijl er een rijsttaart op eene pan boven de gloeiende

kolen stond te bakken. Een appetijtelijke geur verspreidde zich buiten

deze tijdelijke kookplaats, zoodat zij er allen trek van kregen.

--Ik denk dat er van avond niemand met een leege maag naar bed zal

gaan, merkte Cornelia op met den tevreden glimlach van eene goede

keukenprinses.

--Ten minste, als het vleesch en de taart niet aanbranden, meende

Kruidnagel natuurlijk te moeten zeggen.

--Waarom zouden zij aanbranden, meester Kruidnagel, gaf Cornelia tot

bescheid, wanneer je maar niet verzuimt om het spit op zijn tijd te

draaien en de braadpan niet aan haar lot overlaat?

Dien wenk nam Kruidnagel behoorlijk ter harte en hij ging terstond op

zijn post om op pan en gebraad het oog te houden. Wagram en Marengo

bleven in de nabijheid van het vuur en John Bull, de aap, likkebaarde

reeds in het vooruitzicht van de dingen die komen zouden.

Toen alles gereed was werd de tafel gedekt, waar allen zich omheen

schaarden. Cornelia en haar keukenpersoneel werden naar behooren

geprezen over het maal, dat niets te wenschen overliet.

Toen het oogenblik van te gaan slapen aangebroken was, besloten de

mannen, Sergius en Cascabel met de twee knapen en de beide matrozen,

in de open lucht onder de boomen hun nachtkwartier opteslaan. Het

was een warme nacht en buiten den wagen konden zij bovendien op alles

beter het oog houden.

Cornelia, Kayette en Napoleona zouden dus alleen in den wagen den

nacht doorbrengen.

De avondschemering duurt in de maand Juli, op de breedte van

zesenzestig graden waar zij zich bevonden, niet kort, zoodat het over

elven was eer het geheel duister was geworden. Het was een sterrenlooze

nacht en het uitzicht werd door de nevels, die van het gebergte naar

beneden daalden, bijna geheel weggenomen.

De mannen lagen in het gras, ieder in een deken gewikkeld en begonnen

juist intedommelen, toen de twee honden plotseling teekenen van

ongerustheid begonnen te geven. Met gespitste ooren en den neus in

den wind, lieten zij telkens een dof gebrom hooren. Het was duidelijk

dat zij in het geheel niet op hun gemak waren.

De eerste die zich oprichtte en een blik om zich heen wierp, was Jan.

Het vuur was bijna uitgedoofd. Onder de zwarte schaduw der boomen

was het volkomen donker.

Terwijl hij met inspanning om zich heen zag, meende Jan een aantal

blinkende punten te zien, die als vuurkolen fonkelden. De honden

blaften nu uit al hunne macht.

--Er is onraad! riep Jan opspringende uit.

In een oogenblik waren al de slapers op de been.

--Wat is er gaande? vroeg Cascabel.

--Kijk eens vader! antwoordde Jan, terwijl hij op de lichte punten

wees, die thans onbewegelijk in het kreupelhout schenen te staan.

--Wat is er dan?

--Dat zijn oogen van wolven!

--Waarachtig, het zijn wolven! bevestigde Ortik.

--En een heele bende ook! voegde Sergius er bij.

--Duivels! bromde Cascabel.

Het was inderdaad een "duivelsch" avontuur, want er viel niet mede te

spotten. Het kon zijn dat er in den omtrek van de open plek in het

bosch eenige honderden wolven bijeen waren, en als die schrokkige

dieren in een grooten hoop bij elkaar zijn, zijn ze tot alles in staat.

Op dit oogenblik vertoonden Cornelia, Kayette en Napoleona zich in

de deur van de _Schoone Zwerfster_.

--Wat is er vader! vroeg het kind.

--Niets bijzonders, antwoordde Cascabel. Het zijn maar een stuk of

wat wolven, die eene avondwandeling maken. Blijf binnen en geef ons

de wapens, dan zullen wij ze wegjagen.

De geweren en revolvers werden spoedig voor den dag gehaald en al de

mannen wapenden zich.

--Roep de honden hier, zeide Sergius.

Wagram en Marengo werden door Jan van tusschen de boomen

teruggeroepen. De honden waren bijna niet te houden van woede en

opgewondenheid.

Allen schoten ongeveer te gelijk hunne vuurwapens af in de richting

van de blinkende punten. Een doordringend gehuil deed zich hooren:

het was duidelijk dat verscheidene van de schoten raak waren geweest.

Maar de menigte was veel te talrijk. Er kwamen weer nieuwe vurige

oogen voor den dag en wel een vijftigtal wolven vertoonden zich in

de lichte plekken tusschen de boomen.

--Wij moeten in den wagen gaan, zeide Sergius. Zij zullen ons zeker

aanvallen en hier op den open grond kunnen wij ons niet verweren.

--Maar onze rendieren? vroeg Jan.

--Die moeten wij in den steek laten. Wij kunnen niets voor hen doen.

Daarvoor was het werkelijk reeds te laat. Eenige van de trekbeesten

waren door de wolven afgemaakt; de anderen hadden zich losgerukt en

de vlucht in het bosch genomen.

Zoo spoedig zij konden en door de honden gevolgd, gingen zij dus

allen in den wagen. De deur werd dichtgemaakt.

Het was hoog tijd dat zij wegkwamen, want bijna op hetzelfde oogenblik

waren de wolven bij de _Schoone Zwerfster_, waar zij tegen op sprongen

tot op de hoogte van de vensters.

--Wat zullen wij zonder trekdieren beginnen? kon Cornelia niet nalaten

te vragen.

--Wij moeten eerst zien dat wij van die wolven afkomen, antwoordde

Sergius.

--Wij zullen ze wel de baas zijn! zeide Cascabel.

--Jawel, als er maar niet al te veel zijn, meende Ortik.

--En als wij kruit en lood genoeg in voorraad hebben, voegde Kirschef

er bij.

--Niet langer gepraat! Vuur! riep Sergius.

Door de half geopende vensters heen, werd het werk der vernieling met

de geweren en revolvers opnieuw begonnen. Bij het licht der schoten,

die aan alle kanten van den wagen tegelijk vielen, zagen zij spoedig

een twintigtal wolven op den grond liggen, doodelijk getroffen of

zóódanig gewond dat zij zich niet verroeren konden.

De hongerige beesten lieten zich echter niet afschrikken en het was

alsof de troep niets kleiner werd. Verscheidene honderden waren er

thans bij elkaar; de opene plek in het woud was vol levende gedaanten.

Er waren er die onder het rijtuig kropen en met hunne klauwen de houten

vloer trachtten op te breken. Anderen sprongen op het voor-balkon

en deden hun best om de deur open te duwen, die op allerlei manieren

versperd moest worden. Sommigen klommen zelfs boven op den wagen en

bukten zich voorover tot voor de vensters, waar zij niet van daan te

krijgen waren zoo lang ze niet door eenen kogel geraakt werden.

Napoleona schreeuwde het uit van angst. Het was duidelijk aan haar te

zien hoe diep de vrees voor "den wolf" er bij kinderen in zit. Kayette,

die hare bedaardheid niet verloor, deed al wat in haar vermogen was

om de kleine meid gerust te stellen. Moeder Cascabel zelve was echter

alles behalve op haar gemak hoe het af zou loopen.

Hield het gevecht nog lang aan, dan kon hun toestand hoogst gevaarlijk

worden, want tegen zulk eene menigte wolven konden zij de _Schoone

Zwerfster_ op den duur onmogelijk verdedigen. Werd de wagen onderste

boven geworpen, dan moesten allen, die er in gevlucht waren, hun

leven er bij inschieten.

Het gevecht was ongeveer een half uur aan den gang, toen Kirschef

waarschuwde:

--Er is geen kruit en lood meer!

Zij hadden niets meer dan een twintigtal patronen over voor al de

revolvers en geweren.

--Er mag geen schot meer gedaan worden of het moet raak zijn,

zeide Cascabel.

Dat baatte echter niet. Het was bijna niet mogelijk mis te schieten,

zooveel wolven waren er; maar er kwamen aanhoudend andere opzetten

en de vuurwapens zouden spoedig tot zwijgen gebracht worden. Wat dan

te beginnen? Wachten tot de dag aanbrak? Maar het was volstrekt niet

zeker dat de wolven, als het licht werd, de wijk zouden nemen.

Op dat oogenblik zwaaide Cascabel zijne revolver, die hem niet langer

van dienst kon zijn, boven zijn hoofd en riep:

--Daar heb ik een plan!

--Wat voor een plan? zeide Sergius.

--Een mooi plan ook! Wij hebben niets anders te doen dan een paar

van die rakkers te vangen.

--Hoe wilt ge dat aanleggen? vroeg Cornelia.

--Wij moeten voorzichtig de deur even opendoen en de eerste twee,

die naar binnen pogen te dringen, bij de ooren pakken....

--Maar dat kan immers niet Cascabel?

--Wat wagen wij er mede, mijnheer Sergius? Misschien zullen ze ons

een paar knauwen geven, maar ik word nog liever gebeten dan opgegeten.

--Welnu, laat het dan spoedig gebeuren, antwoordde Sergius, zonder

te weten wat Cascabel eigenlijk voorhad.

Met Ortik, Kruidnagel en Kirschef vatte Cascabel post in het voorste

vertrekje, terwijl Jan en Sander in het andere bleven en de honden

vasthielden, en de vrouwen bij elkaar achter in den wagen stonden.

De voorwerpen waarmede de deur versperd was, werden weggenomen en

Cascabel hield die even op een kier, zóó dat hij de opening terstond

weer toe kon maken.

Op dit oogenblik hingen er misschien een dozijn wolven aan den wagen

en vochten met elkaar om het eerst bij het trapje te komen.

Nauwelijks ging de deur even open of een van de wolven drong naar

binnen, waarna Kirschef de opening terstond weder sloot. Door Ortik

geholpen, maakte Cascabel zich van het dier meester en wierp het een

lap zeildoek over den kop, dat hij stevig rond zijn nek vastbond.

Andermaal werd de deur opengemaakt; een tweede wolf werkte zich er

door en werd even als de eerste weerloos gemaakt. Niet zonder moeite

slaagden Kruidnagel, Ortik en Kirschef er in, de sterke en woedende

beesten in bedwang te houden.

--Maakt ze vooral niet dood, gelastte Cascabel en houdt ze terdege

vast!

Ze niet dood maken? Wat wilde hij er dan mede uitvoeren? Toch niet

ze naar Perm medenemen om ze op de kermis te laten kijken?

Het duurde niet lang of de anderen kwamen er achter wat hij met de

twee beesten voorhad.

Op eens werd het vertrekje door eene felle vlam verlicht en een

oor verscheurend gehuil liet zich hooren. Toen werd de deur open

gestooten en onmiddellijk weder gesloten, nadat de twee wolven naar

buiten geduwd waren.

De uitwerking, toen de twee te midden van de anderen kwamen, was

ontzettend. Uit den wagen konden zij dit duidelijk waarnemen, want

de geheele omtrek werd door de vlammen verlicht.

Cascabel had de twee wolven eerst met petroleum begoten en ze toen

in brand gestoken. In lichterlaaie liepen ze nu onder de anderen rond.

Het was inderdaad een verbazend denkbeeld van Cascabel, even als alles

wat in de hersenen van dien vernuftigen man opkwam. De verschrikte

wolven gingen voor de twee die in brand stonden op den loop. Hun

gehuil was vreeselijk om aan te hooren, veel erger nog dan toen zij

op den wagen kwamen aanvallen. Door hunne zeildoeksche kappen buiten

staat om rondom zich te zien, deden de twee slachtoffers te vergeefs

moeite om hun brandende haren uit te blusschen. Zij rolden als dol

over den grond en sprongen dan weder tusschen de anderen, maar het

baatte niets, zij bleven branden!

Het einde was dat de geheele bende door een panischen schrik bevangen

werd, het op een loopen zette en spoedig in het woud uit zicht raakte.

Het gehuil werd zwakker en zwakker; eindelijk was alles in den omtrek

van de _Schoone Zwerfster_ weder stil.

Voorzichtigheidshalve werd er besloten te wachten tot de dag aanbrak,

vóór dat zij zich buiten den wagen van den stand van zaken gingen

overtuigen. Maar zij hadden nu geen aanval van den vijand meer te

duchten. De schrik zat er bij de wolven in en zij liepen wat zij

loopen konden.

--Cesar! Cesar! riep Cornelia verrukt en sloot haren man in hare armen.

--Wij hebben u veel te danken, mijn vriend, zeide Sergius.

--Hoe gelukkig zijn wij daar afgekomen, vader, riepen de kinderen.

--Patroon, patroon! zeide Kruidnagel, die geen woorden vinden kon om

zijne bewondering lucht te geven.

--Wel is dat nu zooveel bijzonders? vroeg Cesar dood bedaard. Ik weet

niet wat u allen overkomt. Als wij niet slimmer waren dan de beesten,

dan was het waarlijk de moeite niet waard een mensch te zijn!

XI.

HET OERAL-GEBERGTE

Het Oeral-gebergte is voor reizigers op zijn minst even belangwekkend

als de Pyreneën of de Alpen. Het woord Oeral beteekent in het

tartaarsch "gordel" en inderdaad is het een gordel die zich uitstrekt

van de Kaspische tot de Noordelijke IJszee, over eene lengte van

tweeduizend negenhonderd mijlen, een gordel met edelgesteenten ingelegd

en met kostbare metalen, zooals goud, zilver en platina opgesierd. Deze

gordel maakt de scheiding uit tusschen de twee werelddeelen Azië en

Europa. Het is een uitgestrekt bergland, waarvan de wateren, welke bij

het smelten der sneeuw op de hooge toppen ontstaan, in de rivieren

de Oeral, de Kara, de Petchora, de Kama en nog een aantal kleinere

stroomen wegvloeien. Het is een geweldige muur van graniet en basalt,

die zijne punten en naalden opheft tot eene hoogte van tweeduizend

driehonderd meters boven den zeespiegel.

--Dat zijn nu de echte "russische bergen", merkte Cascabel gekscherende

op. Maar men glijdt er niet van zelf af, even als van de _montagnes

russes_, die ze op de kermissen en elders vertoonen.

Neen waarlijk niet, ze zouden er niet van zelf afglijden!

Een eerste bezwaar bij het trekken door het gebergte, was dat zij de

stadjes en dorpjes, _zavodijs_ genaamd, niet zouden kunnen mijden,

die er in grooten getale tusschen verspreid liggen en welke er ontstaan

zijn door de vestiging, in vroeger jaren, van mijnwerkers die bij het

ontginnen der mijnen gebruikt werden. Cascabel koesterde echter nu

niet zooveel vrees meer voor eene ontmoeting met politie- of militaire

posten, want zijne papieren waren in orde. Daarom zou er dan ook geen

bezwaar bestaan hebben om het Oeral-gebergte meer op het midden over

te trekken, waar zij den fraaien straatweg van Jekaterinburg hadden

kunnen volgen, welke een der drukst bezochte bergpaden is, en die hen

in het gouvernement Jekaterinburg zou hebben doen aankomen. Maar Ortik

had hen meer naar het Noorden geleid en nu konden zij niet beter doen

dan den Petchora-pas volgen en van daar naar Perm zuidwaarts trekken.

Hier zouden zij den volgenden dag eenen aanvang mede maken.

Bij het aanbreken van den ochtend konden zij eerst terdege zien

welk een ontzaglijk aantal wolven er geweest waren. Waren die in de

_Schoone Zwerfster_ binnengedrongen, geen twijfel of allen die zich

daar bevonden zouden door de vraatlustige dieren zijn omgebracht.

Een vijftigtal wolven lagen ontzield op den grond. Ze behoorden tot

de grootste soort, de gevaarlijkste vijanden der reizigers in de

steppe. De anderen waren spoorloos verdwenen en hadden het op een

loopen gezet alsof ze met een vlammend zwaard waren weggejaagd--eene

vergelijking welke op dit geval volkomen van toepassing was. De twee

in brand gestoken wolven werden op een honderdtal schreden buiten de

open plek in het bosch gevonden.

Nu was er echter eene andere moeielijkheid. Hier aan den ingang van den

Petchora-pas, was de _Schoone Zwerfster_ op grooten afstand van eenig

bewoond oord, want op de oostelijke helling van het Oeral-gebergte

worden geen dorpen aangetroffen.

--Wat moeten wij aanvangen, zeide Jan, nu onze trekdieren op den loop

gegaan zijn?

--Waren zij alleen maar op den loop, antwoordde Cascabel, dan zouden

wij ze misschien kunnen terugvinden. Maar naar alle waarschijnlijkheid

zijn onze rendieren door de wolven verslonden.

--Arme beesten, zeide Napoleona, ik hield al evenveel van ze als van

Vermout en Gladiator.

--Die zouden stellig ook door de wolven opgevreten zijn, als ze

daarginder niet verdronken waren, voegde Sander er bij.

--Helaas ja, dat zou zeker gebeurd zijn, stemde Cascabel met een diepen

zucht toe. Maar hoe komen wij nu aan een ander middel van vervoer?

--Ik zal mij naar het naastbij gelegen dorp begeven waar ik mij tot

elken prijs paarden zal verschaffen, zeide Sergius. Als Ortik mede

wil gaan om mij den weg te wijzen.....

--Ik ben tot uwen dienst zoodra gij op weg wilt gaan, antwoordde Ortik.

--Ik geloof ook dat dit het beste is wat wij doen kunnen, hernam

Cascabel.

Dat zou dan ook dienzelfden dag gebeurd zijn, maar tot aller verbazing

zagen zij tegen een uur of acht twee van de rendieren uit het bosch

weder te voorschijn komen.

Sander kreeg ze het eerst in het oog.

--Vader! vader! riep hij. Daar zijn ze! Ze komen terug!

--Levend en wel?

--Die twee zien er ten minste niet uit alsof ze opgegeten zijn,

want ze loopen hierheen.

--Ten minste, merkte Kruidnagel op, als ze niet straks weer neervallen.

--O die lieve beesten, riep Napoleona, ik ga ze dadelijk goeden

morgen zeggen.

De kleine meid sloeg hare armen om den hals van een der dieren en

gaf het een zoen.

Twee rendieren zouden echter niet bij machte geweest zijn de

_Schoone Zwerfster_ tegen den berg op te trekken. Gelukkig kwamen

er langzamerhand nog andere opdagen en binnen een uur waren er, van

de twintig welke zij van de Liakhoff-eilanden medegenomen hadden,

weer veertien bijeen.

--Hoera voor de rendieren! schreeuwde Sander opgewonden, maar de

goede beesten trokken zich van zijne verrukking niet veel aan.

Er waren dus maar zes van de kudde verloren gegaan, die door de wolven

overvallen waren voordat ze tijd gehad hadden zich los te rukken. De

veertien anderen hadden het dadelijk op een loopen gezet, de wolven

hadden ze niet kunnen inhalen en toen het gevaar voorbij was, waren

de vluchtelingen bij instinct naar hun nachtkwartier teruggekeerd.

Men kan zich licht voorstellen welk eene blijdschap dit

teweegbracht. Veertien rendieren waren genoeg om den tocht door den

bergpas voort te zetten. Voor zoover hunne krachten te kort schoten

op de steile hellingen, konden de mannen den wagen helpen voortduwen

en de kans op een triomfantelijken intocht te Perm was dus nog niet

geheel verkeken.

Het eenige wat Cascabel speet, was dat de _Schoone Zwerfster_ er

niet meer zoo schitterend als vroeger uitzag. De wanden en paneelen

van den wagen waren door de tanden en de klauwen der wolven vol

krassen en scheuren gekomen, en reeds vóór dien tijd had hij door

weer en wind, en ten gevolge van allerlei ongevallen op de lange

en avontuurlijke reis, zijnen glans bijna geheel verloren. Het

mooie naambord der Cascabels was onder de sneeuwstormen zoo goed

als onleesbaar geworden. Er zou heel wat geschilderd en gevernist

moeten worden om de _Schoone Zwerfster_ haren naam weer waardig te

maken en al het boenen en schrobben van Cornelia en Kruidnagel was

niet in staat dit te verhelpen.

Te tien uur werden de rendieren voorgespannen en hervatten zij hunnen

tocht. Het ging dadelijk vrij steil bergopwaarts en de mannen wandelden

dus naast den wagen.

Het was mooi weder en hier in het bergland was ook de warmte niet

hinderlijk. Telkens moest echter de wagen met kracht van schouders

en armen voortgeholpen, of moesten de wielen, als die tot aan hunne

assen in eene scheur gezakt waren, opgebeurd worden. Bij iederen

scherpen hoek dien de weg maakte, moesten zij bij de hand zijn om te

voorkomen dat de _Schoone Zwerfster_ aan den voor- of achterkant met

de rotsen aan weerszijden in aanraking kwam.

De passen door het Oeral-gebergte zijn niet door menschenhand

gemaakt, maar gebaand door de natuur zelve, ten einde aan het water,

dat met vele bochten van de hoogte komt stroomen, eenen uitweg

te verschaffen. Een riviertje, dat zich later in de Sosva stort,

stroomt langs den pas, en laat op sommige plaatsen slechts een smal

pad vrij, dat zigzagsgewijs naar boven gaat. Loodrecht rijst op die

plekken de bergwand omhoog, die bekleed is met een gordijn van mos- en

klimplanten, tusschen welke het grauwe gesteente zich echter duidelijk

zien laat. Waar de wanden minder steil zijn, komen kleine vlakten voor,

begroeid met pijn- en denneboomen, met berken en lorken, en met andere

gewassen die in de noordelijke streken inheemsch zijn. In de verte,

half verscholen te midden der wolken, vertoonen zich de besneeuwde

bergtoppen, van waar het water afvloeit dat de beken en riviertjes

doet ontstaan.

Op dezen eersten dag kwam de karavaan geen mensch tegen. De bergpas

werd blijkbaar weinig bereisd, maar Ortik en Kirschef schenen er vrij

goed bekend te wezen. Een paar keeren, op plaatsen waar verscheidene

kloven samenliepen en de weg zich dus in verschillende richtingen

splitste, schenen zij te aarzelen. Zij lieten den wagen dan een

oogenblik stil houden en overlegden samen op fluisterenden toon,

hetgeen niemands achterdocht kon wekken want er bestond niet de

geringste reden om hen niet te vertrouwen.

Kayette alleen kon niet nalaten het oog op hen te houden, waar de

twee russen echter niets van merkten. Zij bespeurde wel dat beiden

nu en dan ter sluiks met elkander praatten of elkaar geheimzinnige

blikken toewierpen. Dit alles versterkte haar in het wantrouwen

dat zij onwillekeurig koesterde, maar de booswichten vermoedden dit

volstrekt niet.

Tegen den avond was er aan den oever van het riviertje halt gemaakt en

nadat de avondmaaltijd afgeloopen was, belastten Cascabel, Kruidnagel

en Kirschef zich met de taak om gedurende den nacht de wacht te

houden. Dit was noodzakelijk, maar het kostte hun toch moeite,

na zulk een vermoeienden dag en na den slapeloozen nacht dien zij

doorgebracht hadden, opnieuw wakker te blijven.

Den volgenden ochtend werd de tocht voortgezet door den steeds steiler

en nauwer wordenden bergpas. Het was dezelfde vermoeiende arbeid

als den vorigen dag, en zij vorderden op dezen dagmarsch niet meer

dan twee of drie mijlen. Dit viel hun echter niet bijzonder tegen,

want zij hadden op eenig oponthoud gedurende hunnen tocht door het

gebergte gerekend.

Verscheidene malen kwam het voor dat Sergius en Jan gelegenheid hadden

een prachtig stuk wild, in de valleien en kloven welke in den pas

uitkwamen, onder schot te krijgen. Dikwijls zagen zij de elanden,

de herten en de hazen bij troepen voorbijrennen en Cornelia zou met

een stuk versch gebraad niet weinig in haar schik geweest zijn; maar

helaas, al het kruit en lood was op de wolven verschoten en vóor dat

zij aan eene bewoonde plaats kwamen, was er geene gelegenheid om den

voorraad aan te vullen. Er kon dus geen schot gedaan worden en het was

grappig om te zien hoe verbaasd Wagram telkens zijnen baas aankeek,

als wilde hij vragen:

--Hoe is het, wordt er in het geheel niet meer gejaagd?

Bij eene andere gelegenheid zouden zij hunne wapens nog beter hebben

kunnen gebruiken.

Dat was tegen drie uur des middags, terwijl de _Schoone Zwerfster_

tegen de steenachtige helling langzaam vooruitkwam. Aan den anderen

kant van het riviertje liet zich op eens een groote beer zien, die

door de honden met een woedend geblaf begroet werd. Het beest stond

op zijne achterpooten overeind en schudde met zijn grooten kop,

als dacht hij er over na wat dat voor eene vreemde vertooning was

die hem in zijne eenzaamheid kwam storen.

Had hij kwade bedoelingen? Was het alleen uit nieuwsgierigheid,

of kwam er schrokkigheid bij, dat hij de karavaan zoo nauwkeurig

stond optenemen?

Jan had de honden tot zwijgen gebracht en hield ze vast, want het

was geen zaak zulk een geduchten vijand, ongewapend als zij waren,

noodeloos in het harnas te jagen. Het riviertje had hij gemakkelijk

kunnen overkomen, en het was veiliger hem geen aanleiding te geven

om de plek te verlaten waar hij zich bevond.

De twee partijen keken elkaar dus rustig aan doch lieten elkander

ongemoeid, even als twee reizigers wier pad zich kruist. Echter kon

Cascabel niet nalaten te zeggen:

--Hoe jammer dat wij dezen bruinen vriend uit het Oeral-gebergte niet

mêe kunnen nemen! Wat zou hij een prachtig figuur bij den troep maken!

Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe · 第 11 / 16 段