Er werd dus eene flesch brandewijn opengetrokken ter eere van den

poolcirkel, even als de zeelieden gewoon zijn het passeeren van de

evennachtslijn feestelijk te vieren.

De overtocht van de Taz ging niet heel gemakkelijk. Er voer geene

veerpont tusschen de oevers dezer smalle rivier, zoodat zij eene

doorwaadbare plaats moesten zoeken, hetgeen hen verscheidene uren

ophield. De twee Russen toonden bij deze gelegenheid weder veel

ijver. Meer dan eens moesten zij tot hun midden door het water waden

ten einde de wielen van den wagen uit het zand, waarin ze gezakt waren,

te trekken.

Den 16den Mei kwamen zij aan de Pour-rivier. Het overtrekken daarvan

ging minder bezwaarlijk, want deze rivier is niet alleen smal, maar

veel minder diep en de stroom is lang zoo snel niet als op de Taz.

In de eerste dagen van Juni werd de warmte bijna ondragelijk, iets

dat altijd onbegrijpelijk schijnt wanneer er sprake is van zulke

noordelijke landen. Gedurende de tweede helft van de maand rees de

thermometer tot vijfentwintig en dertig graden van de honderddeelige

schaal, en aangezien er in de steppe niet de minste schaduw te vinden

is, hadden onze reizigers grooten hinder van deze ongewone hitte. Ook

de nachten brachten weinig verademing, want in dezen tijd van het jaar

zinkt de zon slechts gedurende weinige oogenblikken achter den effen

gezichteinder der grenzenlooze vlakte weg. De witgloeiende schijf

verdwijnt slechts even in het Noorden en begint bijna terstond weder

te rijzen.

--Die zon verveelt mij, klaagde Cornelia, terwijl zij haar bezweet

gelaat afveegde. Het lijkt wel een oven. Was het nu nog maar winter.

--Als de zon in den winter scheen, antwoordde Sergius gekscherende,

zou het geen winter zijn, maar zomer.

--Precies, merkte Cascabel op. Maar één ding vind ik verkeerd

ingericht, namelijk dat wij nu geen enkel stukje ijs hebben om ons

op te frisschen, terwijl wij maanden achtereen meer ijs gehad hebben

dan ons lief was.

--Maar vriend Cascabel, als wij nu ijs hadden, dan hadden wij ook

weer last van koude en in dat geval....

--Zouden wij het ook niet warm hebben, dat klopt.

--Ten minste, als het niet tusschen beide, half warm en half koud was,

meende Kruidnagel te moeten zeggen.

--Dat klopt ook weer, stemde Cascabel toe. Maar met dat al is het nu

onbehoorlijk heet!

De jagers lieten zich intusschen door de warmte niet afschrikken,

alleen gingen zij in de vroege morgenuren op weg en niet zelden

maakten zij een mooien buit. Op een goeden dag deed Jan zelfs een

buitengewoon gelukkig schot op zulk een groot dier, dat het heel wat

moeite kostte om het naar de _Schoone Zwerfster_ te krijgen. Het had

korte, roodachtige haren van voren, die in den winter grijs waren

geweest. Over zijn rug liep een geelachtige streep, even als over den

rug van een muildier. Het had lange horens, die in een sierlijken boog

boven den kop bijeen kwamen, waaruit volgde dat het een mannetje was.

--Wat een mooi rendier! riep San der.

--Hoe zijt ge er toe kunnen komen om zulk een lief beest te schieten,

zeide Napoleona verwijtend tegen haar oudsten broeder.

--Wel, om het op te eten, zusje.

--Ik houd zooveel van rendieren.

--Nu als ge zooveel van ze houdt, hernam Sander, dan zult ge uw hart

kunnen ophalen, want ieder zal er eene goede portie van kunnen krijgen.

--Heb maar geen spijt, kindlief, troostte Sergius haar. Het is geen

rendier.

--Wat voor een beest is het dan? vroeg Napoleona.

--Het is een argali.

Dit zijn dieren die des winters op de bergen verblijf houden en in den

zomer naar de vlakte afdalen. Eigenlijk is het eene soort van schapen,

maar verbazend groot. Sergius had het dadelijk herkend.

--Welnu Cornelia, zeide Cascabel, als het dan een schaap is, kunt

gij ons op geroosterde schapenkarbonade tracteeren.

Dit gebeurde ook inderdaad en aangezien het argali-vleesch bijzonder

smakelijk is, vreezen wij dat bij deze gelegenheid de buik van

Cesar Cascabel zelven meer in omvang toenam dan met zijn beroep in

overeenstemming was.

Van hier af hadden zij een heel eind door eene dorre en onvruchtbare

streek lands te trekken vóór dat zij aan de Obi-rivier kwamen. De

Ostiakken-dorpen werden hoe langer hoe zeldzamer, ternauwernood kwamen

zij enkele groepen zwervende inboorlingen tegen, die op weg waren

naar de in het Zuiden gelegen bewoonde plaatsen. Niet zonder opzet

trok Sergius bij voorkeur door het minst bevolkte deel des lands en

vooral wilde hij Berezow vermijden, eene stad van eenige beteekenis die

een klein eind aan gene zijde van de Obi gelegen is. Zij wordt omringd

door prachtige cederbosschen en is tegen een steilen heuvel aangebouwd,

waar de torenspitsen der beide kerken tegen afsteken. De Sosva-rivier

stroomt langs de stad en wordt aanhoudend door booten en vaartuigen

bevaren, want het is hier een middelpunt van het handelsverkeer,

dat uit alle deelen van noordelijk Siberië naar deze plek stroomt.

De _Schoone Zwerfster_ zou, indien zij haren weg over Berezow genomen

had, de algemeene opmerkzaamheid daar getrokken hebben en de politie

had wel eens lust kunnen krijgen om de familie Cascabel wat meer van

nabij optenemen. Daarom was het veiliger niet alleen de stad, maar ook

het geheele district Berezow te vermijden. Een politieman is nu eenmaal

wantrouwend van aard en wanneer het bovendien kozakken zijn, kan men

niet beter doen dan in het geheel niet met hen in aanraking te komen.

Bij deze gelegenheid merkten Ortik en Kirschef evenwel duidelijk dat

Sergius niet veel lust had om zich te Berezow te vertoonen en dit

versterkte hen in hun vermoeden dat deze rus er op uit was om zonder

dat iemand hem in de gaten kreeg in Rusland te komen.

In de tweede week van Juni wijzigden zij hunne richting dus zooveel als

noodig was om ten Noorden van de afdeeling Berezow om te trekken. Dit

vorderde trouwens slechts eenen omweg van niet meer dan eene mijl

of tien. Den 16den Juni kwam de karavaan aan eene groote rivier,

die zij eenen tijd lang volgden en aan den rechteroever waarvan zij

des avonds hun leger opsloegen.

Dit was de Obi-rivier.

De _Schoone Zwerfster_ had nu weder vierhonderd mijlen achter den rug

sedert zij de Pour overgetrokken was. Slechts een honderdtal mijlen

scheidden haar nog van de grens van Europa. Het Oeralgebergte, dat

den scheidsmuur tusschen de beide werelddeelen vormt, zou met zijne

hooge toppen spoedig aan den gezichteinder verrijzen.

X.

VAN DE OBI NAAR HET OERAL-GEBERGTE.

De Obi-rivier wordt gevoed door de wateren die van het Oeralgebergte

afstroomen en heeft in het Oosten een aantal zijarmen. Hare lengte

is vierduizend vijfhonderd kilometer en de uitgestrektheid van haar

stroomgebied is niet minder dan driehonderd-dertig millioen hectaren.

Deze groote rivier zou de natuurlijke aardrijkskundige grens tusschen

Azië en Europa kunnen wezen, indien de Oeral-bergen niet een weinig

meer naar het Oosten eene scheiding maakten. Van den zestigsten

breedtegraad af loopt de rivier bijna evenwijdig met het gebergte. De

Obi neemt haren weg naar den grooten zeeboezem die denzelfden naam

draagt, en de laatste vertakkingen van het Oeralgebergte verdwijnen

in de diepte der Kara-zee.

Sergius en zijne reisgenooten hadden op den rechteroever halt gemaakt

en overzagen van daar den breeden waterspiegel, die als bezaaid ligt

met eene menigte eilanden, waar wilgeboomen welig op tieren. Tegen

de oevers dier eilanden stonden waterplanten met scherpe, smalle

armen, waar frissche bloemen aan ontloken waren. Zoowel boven-

als benedenstrooms gleden eene menigte vaartuigen over het heldere,

frissche water, dat nog zuiver is van alle smetten, zooals het is

komen afstroomen uit de hooge bergen waar het ontstaan is.

Er was een geregelde overzetdienst op de Obi, zoodat de _Schoone

Zwerfster_ zonder oponthoud den linkeroever bereikte, waar het stadje

Mouji gelegen is.

Dit stadje is eigenlijk maar een dorp. Er bevond zich geen militaire

bezetting, zoodat graaf Narkine ook hier niet het minste gevaar kon

loopen. Intusschen was het noodig dat zij de plaatselijke autoriteiten

niet voorbijgingen want zij stonden nu op het punt van de Oeral-passen

in te trekken en de russische politie laat niemand op de grenzen

door, die niet in staat is zijne behoorlijk afgeteekende papieren

te vertoonen. Daarom besloot Cascabel zijne paspoorten door den

burgemeester van Mouji te laten waarmerken. Was dat eenmaal geschied,

dan was Sergius officieel erkend als tot zijnen troep te behooren

en kon hij zich verder in dezelfde hoedanigheid overal heen begeven

zonder de russische politie reden tot eenige aanmerking te geven.

Jammer genoeg dat dit geheele, zoo voortreffelijk beraamde plan,

door een ongelukkig toeval gevaar liep te mislukken. Dat die Ortik

en Kirschef er ook moesten zijn om alles in de war te brengen! Hun

duivelsche toeleg was het, de _Schoone Zwerfster_ door een van de

gevaarlijkste passen van het Oeral-gebergte te voeren, waar het

niet lang duren zou of zij moest de prooi van de eene of andere

rooverbende worden.

Cascabel kon dit echter evenmin vermoeden als hij in staat zou geweest

zijn er iets tegen te doen. Hij wenschte zichzelf dan ook reeds geluk

met den voorspoedigen afloop zijner avontuurlijke onderneming. Het

geheele Westen van Amerika en het geheele Noorden van Azië was

hij doorgetrokken, en hij bevond zich nu op geen grooter afstand

meer dan een honderdtal mijlen van Europa. Hij noch zijne vrouw of

hunne kinderen hadden eenig nadeel van deze lange gevaarvolle reis

ondervonden; allen waren zoo gezond als visschen. Een oogenblik

slechts was aan Cascabel de moed ontzonken; dat was toen hun in de

Behringstraat de groote ramp overkomen was en zij in de Noordelijke

IJszee aan het drijven waren geraakt. Maar zij waren ten minste niet

alleen aan de wilden van den Liakhoff-archipel ontkomen, maar deze

hadden hun zelfs de middelen verschaft om met de _Schoone Zwerfster_

den tocht naar Europa voorttezetten.

--Wat God doet, is in den regel wèlgedaan, merkte Cascabel op als

slotsom van zijne overdenkingen.

Zij hadden besloten een etmaal in het dorp Mouji doortebrengen en

werden in dat voornemen versterkt door de vriendelijke en voorkomende

wijze waarop de inwoners hen ontvingen.

De burgemeester van het dorp, de _gorodintschy_, rekende zich verplicht

de vreemde bezoekers te komen opnemen, en aangezien hij ten opzichte

van buitenlanders een weinig wantrouwend was, vroeg hij Cascabel

naar zijne papieren. Deze waren in orde en onder het personeel van

den troep stond ook Sergius vermeld.

Dit vond de dorps-magistraat wel wat zonderling, dat er een landgenoot

van hem zich bevond bij een gezelschap fransche kunstenmakers. Hij

gaf zijne verwondering hiervoor te kennen.

Cascabel maakte hem echter opmerkzaam dat er wel is waar een rus

bij hem was, maar ook een amerikaan namelijk Kruidnagel, en eene

indiaansche, namelijk Kayette. Hij vroeg alleen of de personen,

die zich bij hem aansluiten wilden, eenig talent hadden, maar

nooit uit welk land zij kwamen. Hij voegde er vervolgens bij dat

hij en zijne mede-kunstenaars zich gelukkig zouden rekenen indien

"mijnheer de burgemeester"--het woord _gorodintschy_ was voor

Cesar niet uittespreken--hun de eer wilde aandoen om hen in zijne

tegenwoordigheid te willen zien werken.

Dit nam het hoofd van het plaatselijke bestuur met groote

welwillendheid aan en hij beloofde na de voorstelling Cascabel's

papieren te zullen afteekenen.

Over Ortik en Kirschef, die voorgesteld werden als twee russische

matrozen, die schipbreuk geleden hadden en naar hunne woonplaats op

weg waren, werd niet het minste bezwaar gemaakt.

Dienzelfden avond begaf het geheele gezelschap zich dus naar de woning

van den _gorodintschy_.

Dit was een vrij groot huis, heelemaal lichtgeel geverfd, welke kleur

wijlen keizer Alexander I bijzonder gaarne zag. Aan den wand in de

pronkkamer hing eene afbeelding van de heilige maagd, omringd van

eenige russische heiligen, die zeer vreedzaam uit schilderijlijsten van

zilverkleurige stof de wereld inkeken. Banken en stoelen waren gereed

gezet voor den burgemeester, voor zijne vrouw en hunne drie dochters,

en een half dozijn van de voornaamste inwoners van Mouji waren

uitgenoodigd om het feest bijtewonen. Wat de gewone burgerij aangaat,

deze stond vóór het huis op eenen hoop en deed haar best om door de

vensters heen iets te zien te krijgen van hetgeen er binnen voorviel.

De troep van Cascabel werd door de toeschouwers zeer welwillend

ontvangen. De vertooning begon dadelijk en het bleek dat zij in den

tijd, gedurende welken zij zich niet hadden kunnen oefenen, niet

veel achteruitgegaan waren. Sander's gymnastische toeren werden zeer

toegejuicht en de kleine Napoleona, die, aangezien er geen koord

gespannen kon worden, eene danspas op den gewonen vloer uitvoerde,

bekoorde ieder door hare bevalligheid. De behendigheid van Jan in

het balanceeren met flesschen, borden, ringen en ballen wekte ieders

verbazing. Cascabel zelf toonde zich, door de gehardheid en de kracht

zijner spieren, de waardige echtgenoot van de sterke Cornelia, die

op hare uitgestrekte armen twee deftige burgers door de kamer droeg

en hiermede luiden bijval inoogstte.

Wat Sergius betreft, deze voerde met vrij veel behendigheid eenige

goocheltoeren uit, die hij van zijn waardigen leermeester had

afgezien. De lessen droegen dus reeds goede vruchten, want de

burgemeester kon nu niet de minste achterdocht koesteren over de

aanwezigheid van den rus in een franschen kermistroep.

Gedurende de voorstelling werden er confituren, koeken met rozijnen

en uitmuntende thee rondgediend. Nadat alles afgeloopen was maakte de

_gorodintschy_ geen bezwaar meer om Cascabel's papieren afteteekenen,

zoodat de _Schoone Zwerfster_ nu zonder moeilijkheid door alle

russische autoriteiten doorgelaten kon worden.

Wij moeten hier nog bijvoegen dat de burgemeester, die er naar het

scheen warmpjes inzat, Cascabel eene belooning van twintig roebels

aanbood, als prijs voor de vertooning.

Cascabel had eerst lust om hiervoor te bedanken, maar hij bedacht

bijtijds dat zulk eene weigering, van een reizenden kunstenmakerstroep,

misschien achterdocht had kunnen wekken.

--Twintig roebels, zeide hij bij zichzelf, zijn toch altijd de moeite

waard om aantenemen.

Hij stak dus het geld in zijn zak onder eenen stortvloed van

welsprekende dankbetuigingen.

Den volgenden dag werd er rust gehouden. Zij hadden het een en ander

aan te koopen, zooals meel, rijst, boter en verschillende dranken,

die Cornelia tegen matige prijzen aanschafte. Vleesch in bussen was

er in dit dorp niet te krijgen, maar er zou gedurende de reis van de

Obi tot het Oeral-gebergte wel weder overvloed van wild te vinden zijn.

Al deze inkoopen werden in den voormiddag gedaan. Aan het middagmaal

was ieder vroolijk gestemd, ofschoon Jan en Kayette niet zonder

beklemming het einde der reis zagen naderen. Kwamen zij op de plaats

hunner bestemming, dan was immers ook het oogenblik van scheiden

daar. Het was nu voor niemand een geheim meer hoeveel zij van elkander

hielden, en ieder begreep dus ook dat zij liefst niet meer van elkander

af zouden gaan.

De vraag was echter wat Sergius doen zou nadat hij zijnen vader,

prins Narkine, had opgezocht. In Rusland kon hij niet blijven. Zou

hij dus weder naar Amerika gaan, of zou hij er de voorkeur aan geven

om in Europa te blijven? Zooals wel te begrijpen is, dacht Cascabel

hier dikwijls over na. Dienzelfden avond stelde hij dus aan Sergius

voor om samen eene wandeling buiten het dorp te gaan maken, en deze,

die wel begreep dat Cascabel hem alleen wenschte te spreken, stemde

terstond daarin toe.

De twee russische matrozen namen voor dien avond afscheid van de

familie en gingen in eene herberg te Mouji den nacht doorbrengen.

Sergius en Cascabel verlieten dus samen de _Schoone Zwerfster_,

maakten eene wandeling en gingen toen op den rand van een boschje,

niet ver van het dorp, op een omgevallen boomstam zitten.

--Mijnheer Sergius, begon Cascabel, ik heb u gevraagd om met mij mede

te gaan dewijl ik eens vertrouwelijk met u praten wilde. Ik wenschte

met u over uwe verdere plannen te spreken.

--Wat bedoelt gij daarmede, mijn vriend?

--Ik wil daarmede zeggen, over hetgeen gij voornemens zijt te beginnen

wanneer wij in Rusland aangekomen zullen zijn.

--Maar wij zijn zoo ver nog niet.

--Neen, maar ik geloof mij niet te vergissen wanneer ik zeg dat wij

over een dag of tien het Oeral-gebergte over zullen zijn en dat wij

vervolgens nog maar eene goede week noodig hebben om te Perm te komen.

--Als er niets tusschen beide komt, antwoordde Sergius, dan zal dit

wel zoo wezen.

--Iets tusschen beide komen? vroeg Cascabel. Wat zou er tusschen beide

kunnen komen? Gij kunt nu zonder eenig bezwaar de grens passeeren;

onze papieren zijn in orde; gij maakt deel uit van mijnen troep en

geen mensch ter wereld kan denken dat er zich een graaf Narkine bij

ons bevindt.

--Dat is zoo mijn vriend, want gij en uwe vrouw zijn de eenigen die

mijn geheim kennen en het is getrouw door u bewaard.

--Het is bij ons beiden zoo veilig alsof wij het met ons in het graf

genomen hadden, antwoordde Cascabel met veel waardigheid. Maar nu,

mijnheer Sergius, hoop ik dat gij mij niet onbescheiden zult vinden

wanneer ik wensch te weten wat gij voornemens zijt, na uwe aankomst

te Perm aantevangen.

--Mijn eerste gang zal zijn naar het kasteel Walska teneinde mijnen

vader optezoeken, antwoordde Sergius. Dat zal voor hem eene groote en

onverwachte vreugde wezen, want sedert dertien maanden heb ik geen

gelegenheid gehad om hem te schrijven, noch om tijding van hem te

ontvangen. Hij zal niet weten wat hij er van denken moet.

--Hebt gij plan om eenigen tijd bij uwen vader op het kasteel te

vertoeven?

--Dat zal van omstandigheden afhangen die ik niet vooruit kan

weten. Krijgt er iemand de lucht van mijne aanwezigheid, dan zal ik

wel genoodzaakt zijn mijnen vader weder alleen te laten. Toch zie ik

daar tegen op, op zijnen leeftijd!

--Mijnheer Sergius, hernam Cascabel, het is niet aan mij om u raad te

geven, want gij weet beter dan iemand anders wat u te doen staat. Maar

ik moet u toch doen opmerken dat gij, door in Rusland te blijven,

u aan een groot gevaar blootstelt. Als gij ontdekt wordt, staat uw

leven op het spel.

--Dat weet ik mijn vriend, en ook ben ik overtuigd dat gij en allen

die gij bij u hebt in groote moeilijkheid zoudt kunnen raken wanneer

het bekend werd dat gij mijnen terugkeer op russisch grondgebied

mogelijk hebt gemaakt.

--O, wat ons betreft, daar denk ik niet aan!

--Maar ik, mijn waarde Cascabel, zal nooit vergeten wat gij allen

voor mij gedaan hebt.

--Jawel, jawel, mijnheer Sergius, maar wij zitten hier niet om mooie

praatjes tegen elkaar te verkoopen. Ik wilde met u overleggen wat

het beste voor u zal zijn nadat wij ons te Perm zullen bevinden.

--Niets eenvoudiger dan dat, antwoordde Sergius. Ik maak deel uit van

uwen troep en zal dus bij u blijven. Op die manier kan ik niemands

achterdocht wekken.

--Maar hoe dan met uwen vader?

--Zijn kasteel ligt slechts zes wersten buiten de stad, zoodat ik

iederen avond, na afloop der voorstelling, gemakkelijk daarheen kan

wandelen. Onze dienstboden zijn trouw: zij zouden liever sterven dan

mij te verraden of aan gevaar bloot te stellen. Ik kan dus iederen

dag eenige uren thuis doorbrengen en vóór het licht wordt weder te

Perm terug zijn.

--Dat klinkt uitstekend, mijnheer Sergius, en zoo lang wij te Perm

vertoeven schikt zich alles van zelf, daar twijfel ik niet aan. Maar

na afloop van de kermis trek ik met de _Schoone Zwerfster_ naar Nisjni,

en vervolgens naar Frankrijk....

Dat was inderdaad het moeilijke van het geval. Wanneer de troep van

Cascabel de reis voortzette, wat moest graaf Narkine dan beginnen? Zou

hij te Perm blijven en zich op het kasteel Walska verbergen? Zou hij

het gevaar trotseeren om in Rusland opnieuw in handen der politie te

vallen? Dit waren vragen waar Cascabel een antwoord op verlangde.

--Mijn vriend, begon Sergius weder, ik heb mij reeds herhaalde malen

afgevraagd wat ik beginnen zal, maar ik kan u niets anders zeggen

dan dat ik het niet weet; alles zal van de omstandigheden afhangen.

--Welnu, hervatte Cascabel, laat ons eens aannemen dat gij op het

kasteel Walska op den duur niet blijven kunt; dat gij ook genoodzaakt

zijt Rusland te verlaten, waar uwe vrijheid en zelfs uw leven niet

veilig zijn, dan stel ik de vraag, mijnheer Sergius, of gij plan hebt

weder naar Amerika te trekken?

--Ik heb mijne gedachten daar nog niet over laten gaan, antwoordde

graaf Narkine.

--Mijnheer Sergius, houd mij ten goede als ik u nog niet loslaat;

maar waarom zoudt gij niet met ons mede trekken naar Frankrijk? Als

gij bij onzen troep blijft, kunt gij veilig heel Rusland door komen

tot aan de grens toe. Zou dat niet het beste wezen wat gij doen

kunt? Wij zouden dan nog eene poos het genoegen hebben van u bij ons

te houden, en met u, die lieve Kayette ook. Wees niet bang dat wij

u haar af zullen troggelen; zij is en blijft uwe aangenomen dochter

en dat is zeker beter voor haar dan dat zij de zuster wordt van Jan,

van Sander en Napoleona, die niets zijn dan kunstenmakerskinderen.

--Mijn vriend, antwoordde Sergius, laat ons de toekomst nog een weinig

laten rusten; wie weet of die niet al onze wenschen bevredigen zal? Van

meer belang is het, thans onze reis voort te zetten. Alles wat ik u

zeggen kan--maar gij moet daar nog met niemand over spreken--is dat

ik, indien ik niet in Rusland mocht kunnen blijven, het liefst in

Frankrijk eene toevlucht zoeken zou, in afwachting dat eene wending in

de staatkundige gebeurtenissen mij den terugkeer in mijn vaderland

mogelijk mocht maken. En aangezien gij uwe reis naar Frankrijk

vervolgen wilt....

--Bravo! Dan gaan wij er samen heen! riep Cascabel tevreden uit.

Hij vatte Sergius bij de hand en drukte die zoo stevig alsof hij haar

aan de zijne wilde vastklinken.

Hierna keerden beide naar de _Schoone Zwerfster_ terug, waar de twee

russische matrozen zich eerst den volgenden ochtend lieten zien.

Bij het aanbreken van den dag werden de rendieren weder voorgespannen

en ging de wagen den weg naar het Westen op.

Gedurende de eerstvolgende dagen hadden zij andermaal veel hinder

van de warmte. De eerste golvingen van het Oeral-gebergte begonnen

zich reeds te vertoonen en het was voor de rendieren een zwaar werk,

den wagen over dezen ongelijken grond voort te krijgen. De hitte

was voor deze beesten niet uit te houden en het zou misschien beter

geweest zijn ze door paarden te vervangen; maar Cascabel hechtte nu

eenmaal aan zijn denkbeeld om te Perm een schitterenden intocht te

houden in eenen wagen bespannen met twintig rendieren.

Den 28sten Juni, nadat zij van de Obi af zeventig mijlen had afgelegd,

kwam de _Schoone Zwerfster_ in het stadje Verniky. Daar moesten

de papieren weder nagezien worden, hetgeen zonder eenige op- of

aanmerking plaats had. Vervolgens ging de tocht verder, recht op het

Oeral-gebergte af, waarvan de toppen van de Telpoes en de Nintchour

zich in de verte tot eene hoogte van twaalf en zestien honderd meter

verhieven. Zij kwamen niet snel vooruit en toch was er geen tijd meer

te verliezen indien het gezelschap nog te Perm wilde aankomen op het

tijdstip dat de kermis daarin vollen gang was.

Met het oog op de voorstellingen die hij voornemens was te geven, stond

Cascabel er thans op dat zij allen zich geregeld weder oefenden. De

goede naam aller fransche koorddansers, turners, equilibristen, clowns

en kunstenmakers in het algemeen, en die der familie Cascabel in het

bijzonder mocht niet op het spel gezet worden. Daarom hield hij er

de hand aan, dat ieder lid van den troep elken avond, zoodra er niet

verder gereisd werd, eene flinke repetitie hield van alles wat hij te

vertoonen had. Ook Sergius verzuimde dit niet en werkte ijverig om een

meester te worden in de kunsten met de kaart en andere goochelarijen,

waar hij inderdaad aanleg voor toonde.

--Wat een kunstenmaker steekt er in u! zeide zijn leermeester, bij

iedere gelegenheid dat hij iets nieuws geleerd had.

Den 3den Juli maakte de _Schoone Zwerfster_ voor den nacht halt op

eene open plek in een bosch van berke-, denne en lorkeboomen, waar

de hooge toppen van het Oeral-gebergte zich boven verhieven.

Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe · 第 10 / 16 段