veel opzien, want nog nooit te voren was er een kunstenmakerswagen in
dit land gezien. Een aantal Jakoeten van beiderlei geslacht kwamen
het wonder aanschouwen en er gebeurde niets dat reden had kunnen
geven om daar spijt van te hebben. Diefstallen worden in dit land
zelden bedreven, zelfs niet ten nadeele van reizigers, maar wanneer
ze voorkomen, volgt de straf in den regel op het misdrijf. Wordt
de schuld van den dader bewezen, dan wordt hij in het openbaar met
roeden gegeeseld en op die lichamelijke kastijding volgt nog eene
zedelijke straf, want hij is voor zijn leven geschandvlekt, wordt
van zijne burgerlijke rechten vervallen verklaard en krijgt nimmer
den naam van een eerlijk man terug.
Den 3de April kwam onze karavaan aan den oever van de Oden, eene kleine
rivier, die na eenen afstand van vijftig mijlen te hebben afgelegd,
in den zeeboezem van Anabara uitloopt.
Het weder was tot dusver zeer gunstig geweest, doch er kwam nu
eenige verandering; het begon spoedig zwaar te regenen en het eerste
gevolg daarvan was het smelten van de sneeuw. Dat duurde een dag of
acht. Gedurende dien tijd raakte de wagen herhaaldelijk in den modder
vast en zonk ettelijke malen zoo diep weg, dat de toestand, als de
weg over een moerassig terrein liep, niet zonder gevaar genoemd kon
worden. Dit waren de voorboden van de lente, welke op deze hooge
breedte eene temperatuur medebrengt van een graad of drie boven
het vriespunt.
Dit eind weegs was hoogst vermoeiend. De hulp van de twee russische
matrozen, wier gedienstigheid en ijver inderdaad niets te wenschen
overlieten, kwam hier dikwijls goed te pas.
Den 8sten April had de _Schoone Zwerfster_ nagenoeg veertig mijlen
sedert Maksimova afgelegd en kwam zij op den rechteroever van de
Anabara-rivier.
Er bestond nog mogelijkheid om over het ijs de overzijde te bereiken,
maar meer benedenstrooms was de dooi reeds begonnen. De ijsblokken,
die met vaart naar de monding der rivier dreven, stortten met groot
geweld op en over elkander. Waren zij eene week later gekomen, dan
zouden zij eene doorwaadbare plaats hebben moeten zoeken, hetgeen niet
gemakkelijk ware geweest, want met het smelten der sneeuw stegen de
rivieren binnen korten tijd aanmerkelijk.
De steppe begon reeds een groenachtig waas te vertoonen door het
ontspruiten der jonge grasplantjes, die voor de rendieren eene ware
lekkernij waren. Aan de heesters vertoonden zich knoppen; nog een
dag of wat en de eerste blaadjes zouden zich aan de takken beginnen
te ontplooien. Het ontwakende leven gaf aan de magere geraamten der
boomen, die door de winterkoude een aanzien gekregen hadden alsof
zij dood waren, een heel ander uiterlijk.
Hier en daar stonden berke- en lorkeboomen in groepjes bij elkaar,
die onder de voorjaarskoelte heen en weder wiegelden. De geheele
Noordsche natuur, zoo bar en doodsch, kreeg nieuw leven onder den
bezielenden adem der zon.
De streken van Siberië welke het verst van de kust verwijderd liggen,
zijn het dichtst bevolkt. Enkele malen ontmoetten onze reizigers
eenen ontvanger, die van dorp tot dorp trok om de belastingen op te
halen. Dan werd er eenige oogenblikken halt gemaakt ten einde met dien
ambtenaar een praatje te houden; hij nam zonder plichtplegingen het
hem aangeboden glas _vodka_ aan, en vervolgens werd van weerskanten
de reis hervat.
Op zekeren dag kruiste de weg, dien de _Schoone Zwerfster_ volgde,
dien van eenen troep gevangenen. Deze ongelukkigen waren bestemd
naar de zoutpannen op de oostelijkste grenzen van Siberië; een
detachement kozakken begeleidde hen, en aan mishandelingen lieten
deze ruwe geleiders het niet ontbreken. Natuurlijk had de aanvoerder
van het geleide geen enkele aanleiding om Sergius met vragen lastig
te vallen; maar Kayette, die nog niet van haar wantrouwen tegenover
de russische matrozen genezen was, meende op te merken dat deze hun
best deden om buiten het gezicht der Kozakken te blijven.
Den 19den April had de _Schoone Zwerfster_ vijf en zeventig mijlen
afgelegd en hield zij halt op den rechteroever der Khatanga, welke
rivier zich in de golf van dien naam ontlast. Ditmaal was er geen
ijsbrug te vinden, die dienst kon doen om den wagen naar den overkant
te doen komen. Eenige afdrijvende ijsschotsen gaven blijk dat de dooi
bijna haar werk volbracht had. Zij waren nu verplicht den stroom te
doorwaden, hetgeen een heel oponthoud had kunnen veroorzaken indien
Ortik er niet geweest was om eene goede plaats te wijzen. Hij vond
die eene halve werst hooger op, doch de overtocht ging met vrij
wat moeielijkheid gepaard, want de wagen ging tot aan de assen der
wielen door het water. Aan den overkant gekomen, werd de reis terstond
voortgezet, en vijf en twintig mijlen verderop sloegen de reizigers
hun leger op aan den oever van het Jege-meer.
Welk eene tegenstelling leverde dit op met den eentonigen aanblik
der steppe! Het was als eene oase te midden der zandwoestijn van
Sahara. Men stelle zich een helderen waterspiegel voor, omringd door
het altijddurende groen van pijn- en denneboomen, door verschillende
heesters prijkende met hun versch loof, door mirtenbeziën met purpere
vruchten, zwarte en roodachtige aalbessenboompjes en wilde rozelaars,
die ook reeds onder den zachten invloed der lente met bloemen getooid
begonnen te worden.
Ten Oosten en ten Westen strekten tamelijk uitgestrekte wouden zich
uit, te midden waarvan Wagram en Marengo zonder twijfel het een of
andere wild konden opjagen indien het hun vergund werd daarin een
paar uren te gaan snuffelen.
Ook op het water vertoonden zich troepen ganzen, eenden en wilde
zwanen, terwijl vluchten kraanvogels en ooievaars, die uit de
streken van Midden-Azië kwamen, met lange vleugelslagen de lucht
doorkliefden. Onze reizigers hadden volgaarne door handgeklap hunne
vreugde over dit ongewone schouwspel aan den dag gelegd.
Op voorstel van Sergius werd er besloten hier twee etmalen rust te
houden. Aan het uiteinde van het meer, in het lommer van hooge dennen,
werd de legerplaats gekozen en in orde gebracht.
De jagers van het gezelschap voorzagen zich nu van hunne geweren
en gingen er op uit, van Wagram vergezeld, nadat zij beloofd hadden
niet te ver af te dwalen. Het duurde geen kwartier of hunne schoten
knalden door de lucht.
Dien tijd besloten Cascabel, Sander, Ortik en Kirschef te gebruiken
om hun geluk met den hengel te beproeven. Zij hadden niets dan eenen
voorraad kunst-aas, dien zij van de bewoners van Port-Clarence hadden
gekocht, doch met deze gebrekkige hulpmiddelen kan een geoefend
visscher, die deze groote kunst verstaat en de manier weet om in
slimheid met eenen visch te wedijveren, als hij geduld genoeg heeft om
te wachten tot het dier zich verwaardigt te bijten, buit genoeg opdoen.
Geduld hadden zij echter bij deze gelegenheid niet veel noodig, want
de hengelsnoeren waren ternauwernood tot op de vereischte diepte
gezonken of het water werd door de bijtlustige visschen in beweging
gebracht. Er was zulk een overvloed dat zij in een halven dag genoeg
hadden kunnen vangen om er een paar weken van te leven. Dat was
juist een kolfje naar Sander's hand en toen Napoleona, zijn zusje,
kwam vragen om ook den hengel eens te mogen houden, verkoos hij dit
niet toetelaten, zoodat zij samen twist kregen en Cornelia tusschen
beide komen moest. Deze vond echter dat er visch genoeg gevangen
was, waarom zij haren man en de kinderen gelastte het vischtuig
optebergen. Als moeder Cascabel het een of ander bepaald verkoos,
dan dacht niemand er aan zich te verzetten.
Twee uren later kwamen ook Sergius en Jan terug, op eenigen afstand
gevolgd door Wagram, wien de jacht veel te vroeg eindigde, want
dolgraag had hij nog in deze wildrijke bosschen eene poos huis
gehouden.
De jagers waren even gelukkig geweest als de visschers, zoodat de
dagelijksche disch een tijdlang vol afwisseling en altijd smakelijk
beloofde te zijn. De visschen uit het meer Jege lieten zich best
gebruiken, maar het wild, dat in deze noordelijke streken van Siberië
bijzonder uitmunt, spande toch de kroon.
De fijnste soorten die de jagers onder het lood gekregen hadden,
waren eenige troepjes "karallys", die in vluchten bij elkaar vliegen,
alsmede een koppel of wat "dikouta's" een dom soort van vogels,
kleiner dan korhoenders, maar bijzonder smakelijk van vleesch.
Ieder kan zich voorstellen welk een feestmaal er dien dag werd
aangericht. De tafel was onder de boomen gedekt en niemand der
aanzittenden voelde er iets van dat het voor een festijn in de open
lucht wel wat koud was. Cornelia had zichzelve overtroffen in het
bakken van de visch en het braden van het gevogelte. In het vorige dorp
was de voorraad meel aangevuld en hadden zij opnieuw Jakoeten-boter
aangeschaft, zoodat al het noodige aanwezig was voor het bakken
van eene goudgele taart, met knappende korst, die op het dessert te
voorschijn kwam. Eenige teugen brandewijn spoelden deze traktatie
door, waartoe de winkels te Maksimova het noodige geleverd hadden,
en het einde van dezen vreugdevollen dag liet niets te wenschen over.
Het scheen waarlijk alsof de tijd der beproevingen voorbij was en
alsof de familie Cascabel hare avontuurlijke reis voordeelig en
voorspoedig ten einde zou brengen.
Ook den volgenden dag werd er rust gehouden en de rendieren maakten
daar gebruik van om op hunne manier zich te goed te doen.
Den 21sten April ging de _Schoone Zwerfster_ des ochtends te zes uur
op reis. Vier dagen daarna bereikte zij de westelijke grens van het
land der Jakoeten.
IX.
TOT AAN DE OBI-RIVIER.
Wij moeten nog eens terugkomen op de twee russen, die het noodlot
met de familie Cascabel in aanraking had gebracht.
Het ware niets meer dan natuurlijk geweest indien zij, uit dankbaarheid
voor de manier waarop zij ontvangen en behandeld werden, alle
booze plannen hadden laten varen; maar dit was helaas niet het
geval. Ortik en Kirschef, die als straatroovers met de bende van
Karnof reeds zooveel op hun geweten hadden, dachten alweder aan nieuwe
euveldaden. De _Schoone Zwerfster_ en vooral het geld, dat Tchou-Tchouk
aan Sergius teruggegeven had, wekten hunne hebzucht op. Zij hoopten
onder eene vermomming als kunstenmakers naar Rusland terug te keeren en
daar hun rooversbedrijf weder optevatten. Teneinde dit plan te kunnen
volvoeren, moesten zij zich eerst van hunne reisgenooten ontdoen
en deze brave lieden, wien zij hunne vrijheid verschuldigd waren,
met snooden ondank beloonen. Maar daar zagen zij niet tegen op.
Met hun beiden zagen zij echter geen kans om iets uitterichten. Daarom
wezen zij de karavaan den weg naar eenen pas over het Oeral gebergte,
die door kwaad volk onveilig gemaakt werd. Daar dachten zij helpers
te zullen vinden, en zooveel roovers als zij noodig hadden te kunnen
overhalen om gezamenlijk eenen aanval op de _Schoone Zwerfster_
te doen.
Niemand kon op de gedachte komen dat zij iets kwaads in den zin
hadden. Zij toonden zich behulpzaam en gaven niet de minste aanleiding
om hen te wantrouwen. De anderen voelden zich tot hen niet bijzonder
aangetrokken, maar hadden geen reden om over hen te klagen; alleen
Kayette koesterde eene achterdocht waar zij zich geen rekenschap van
wist te geven. Een oogenblik had zij zich verbeeld dat het de stem van
Kirschef geweest was, die zij in den nacht toen Sergius door roovers
op de Alaskische grens overvallen werd, gehoord had. Maar het scheen
immers niet mogelijk dat die moordenaars en de twee schipbreukelingen,
die zij op de Liakhoff-eilanden hadden aangetroffen, dezelfde personen
waren? Daarom liet Kayette, al hield zij de twee vreemdelingen in
het oog, zich geen woord over hare ongegronde vermoedens ontvallen.
Van den anderen kant koesterden Ortik en Kirschef, die zonder het
te weten bij het Indiaansche meisje in een kwaad blaadje stonden,
achterdocht ten opzichte van Sergius. Zij wisten dat hij op de
Alaskische grens gevaarlijk gewond was, dat de familie Cascabel
hem gevonden en verpleegd en naar Sitka gebracht had. Dit liet zich
zeer goed hooren. Maar waarom was hij, eenmaal genezen, niet te Sitka
gebleven? Waarom was hij met den kunstenmakerstroep naar Port-Clarence
getrokken? Waarom maakte hij nu met hen den heelen tocht door Siberië
mede? Het was minst genomen vreemd, dat een rus onder een franschen
kermistroep verzeild geraakt was.
Hierover pratende, zeide Ortik op een goeden dag tegen Kirschef:
--Zou het niet kunnen zijn dat die mijnheer Sergius zijn best doet om
naar Rusland terugtekeeren zonder dat iemand acht op hem slaat? Daar
moeten wij achter zien te komen, want er is misschien voor ons een
voordeeltje uit te halen.
Zonder dat hij er iets van vermoedde, werd Sergius dus door de beide
russen bespied, in de hoop dat hij zich op de eene of andere manier
zijn geheim zou laten ontvallen.
Den 23sten April kwamen zij over de grens van het land der Jakoeten
en in dat der Ostiakken. Dit is een van de armoedigste en minst
beschaafde Siberische stammen, ofschoon er in dit gedeelte des lands
ook welvarende streken worden aangetroffen, waartoe vooral de omtrek
van Bérezow behoort.
Zoodra de _Schoone Zwerfster_ een der Ostiakken-dorpen doortrok,
hadden onze reizigers gelegenheid het onderscheid op te merken
tusschen deze plaats en de schilderachtige, nette woonplaatsen der
Jakoeten. De woningen waren ellendige hutten, nauwelijks goed genoeg
voor beesten en waaruit zulk een verpestende walm naar buiten kwam,
dat het haast niet mogelijk scheen er adem in te halen.
Ook de bewoners zagen er terugstootend uit. Niet ten onrechte werd er
in een aardrijkskundig werk, dat Jan onder zijn kleinen boekenschat
bezat, van hen gezegd:
--De Ostiakken in noordelijk Siberië beveiligen zich tegen de koude
door eene bijzondere soort van kleeding, namelijk eene dikke laag
vuil en vet op hunne huid en daarover heen een rendierenvel!
Hun voedsel bestaat bijna uitsluitend uit visch, die zij halfgaar,
en uit vleesch dat zij in het geheel niet koken of braden.
Dit alles is intusschen alleen van toepassing op de nomadische
Ostiakken, die in de steppen rondzwerven, maar niet op degenen
die in de grootere plaatsen hun vast verblijf hebben. In het
stadje Starokhantaskii vonden onze reizigers eene bevolking die er
tamelijk welvarend en beschaafd uitzag, ofschoon zij zich tegenover
vreemdelingen weinig vriendelijk of gastvrij toonde.
De vrouwen waren met blauwe inkt getatoueerd. Hare kleeding bestond uit
eene _vakocham_, eene soort van rooden sluier met blauwe strepen; uit
een veelkleurige rok en een lijfje van lichtere kleur, dat meestal
slecht paste en daardoor hare figuur leelijk maakte, en uit een
breeden gordel met belletjes opgeschikt, welke bij iedere beweging
rinkelden even als het bellentuig van een spaanschen muilezel.
De mannen hadden in den winter--en ook in dezen tijd van het jaar was
dit met sommigen nog het geval--veel van beesten, want zij waren in
huiden gehuld met het haar naar buiten. Hun hoofd was bedekt met eene
kap van _maltza_- of _parba-_vel met spleten er in voor de oogen,
den mond en de ooren. Het was niet mogelijk iets van hun gelaat te
onderscheiden, maar dit was waarschijnlijk voor niemand een groot
ongeluk.
Op haren weg kwam de _Schoone Zwerfster_ meermalen verscheidene sleden,
_narkos_ genaamd, tegen. Deze voertuigen worden getrokken door drie
rendieren, met een eenvoudigen riem die onder hunne buik doorgaat en
met een leidsel dat aan hunne horens bevestigd is. Aldus bespannen,
kunnen de _narkos_ eenen afstand van zeven of acht mijlen afleggen
zonder dat de rendieren rust noodig hebben.
De rendieren welke den reiswagen trokken, waren tot zulk eene
krachtsinspanning niet in staat, maar er viel toch niet over ze te
klagen, want de dieren waren gewillig en mak.
Sergius maakte bij zekere gelegenheid de opmerking dat het zaak zou
zijn de rendieren door paarden te vervangen, zoodra zij zich die
konden aanschaffen.
--Waarom, als ik vragen mag? antwoordde Cascabel. Waartoe zou die
uitgaaf dienen? Zoudt gij denken dat onze rendieren niet sterk genoeg
zijn om ons naar Rusland te brengen?
--Indien wij naar het Noorden van Rusland op weg waren, antwoordde
Sergius, zou ik er geen zorg over hebben, maar nu wij naar
Midden-Rusland moeten, is het een ander geval. Rendieren zijn niet
tegen warmte bestand; zij zijn dan spoedig moede en eindelijk in
het geheel niet meer tot werken in staat. Tegen het einde van April
trekken zij dan ook in groote troepen naar het Noorden of naar de hooge
vlakten van het Oeral-gebergte, die altijd met sneeuw bedekt liggen.
--Welnu, mijnheer Sergius, als wij op de grens zijn zullen wij
zien wat ons te doen staat. Het zou mij werkelijk spijten als wij
ons rendierenspan moesten laten schieten, want het zou een prachtig
effect maken als ik op de kermis te Perm kon komen met eene kudde
van twintig rendieren vóór den reiswagen der familie Cascabel!
--Zoo iets zou zeker nooit vertoond wezen, antwoordde Sergius lachende.
--Een zegetocht zou het zijn. Een zegetocht, zeg ik u! Maar nu
wij daarover spreken, denk ik aan iets anders. Het is immers goed
afgesproken dat graaf Narkine deel uitmaakt van mijnen troep, en dat
hij als het er op aan mocht komen, het niet beneden zich zal achten
om voor het publiek op te treden?
--Dat is eene afgedane zaak.
--Dan moet gij ook uwe oefeningen in de goochelkunst niet verzuimen,
mijnheer Sergius. De kinderen en die twee russische matrozen denken
dat gij het voor uw pleizier doet, en om hen hebben wij ons dus niet te
bekommeren. Maar weet gij wel dat ge reeds aardig begint aan te leeren?
--Dat kan haast niet anders, vriend Cascabel, met zulk eenen meester
als gij!
--Gij zijt al te vriendelijk, mijnheer Sergius, maar ik verzeker
u dat gij van de natuur een schoonen aanleg voor de kunst gekregen
hebt. Met een weinig oefening zoudt gij een kunstenmaker kunnen worden
van meer dan gewone bedrevenheid, en gij zoudt niet voor niemendal
met het bakje behoeven rond te gaan.
Den 6den Mei kwam de _Schoone Zwerfster_ aan den oever van de
Jeniseï-rivier, ongeveer honderd mijlen van het Jege-meer.
Dit is eene van de hoofdrivieren door welke Siberië besproeid
wordt. Hare monding is gelegen in den zeeboezem die denzelfden naam
draagt, op den zeventigsten breedtegraad in de Noordelijke IJszee.
Op de geheele oppervlakte der breede rivier was nu geen ijs meer te
zien. Tusschen de beide oevers ging een groote veerpont voor personen
en rijtuigen heen en weer. Op deze werd ook de reiswagen met al zijn
toebehooren overgezet, maar het veergeld was tamelijk hoog.
Aan den overkant strekte de steppe met haar oneindigen gezichteinder
zich weder uit. Herhaaldelijk zagen zij zwervende Ostiakken, die in
het open veld hunne godsdienstplichten vervulden. Deze lieden zijn voor
het grootste gedeelte gedoopt, maar de leer van het Christendom is nog
niet diep bij hen ingedrongen en de heidensche Shaïtan-afgodsbeelden
worden nog altijd door hen vereerd. Dat zijn zware stukken hout met
menschen-gezichten er in uitgehouwen. In ieder huis, groot of klein,
vindt men zulk een voorwerp in het klein, met een koperen kruis
er boven.
Het schijnt dat de priesters der Ostiakken, die _Schaman_ genoemd
worden, uit deze dubbele godsvereering vrij wat voordeel trekken,
terwijl zij ook op het bijgeloovige volk, dat de denkbeelden der
christenen met die der heidenen op zonderlinge wijze door elkander
wart, een grooten invloed hebben. Men moet het gezien hebben om te
weten met welken eerbied zij hunne houten afgodsbeelden naderen,
en met welke stuiptrekkingen en verdraaiingen van het lichaam hunne
gebeden gepaard gaan.
De eerste keer dat zij een zestal van zulke biddende Ostiakken
tegenkwamen, kreeg die kwajongen van een Sander het in zijn hoofd hen
na te doen, door op zijne handen te loopen, achter- en voorover te
duikelen, allerlei bokkesprongen te maken en te eindigen met eenen
luchtsprong als een karper op het droge.
Zijn vader maakte zich daar in het geheel niet boos over.
--Ik zie, mijn jongen, zeide hij, dat ge van uwe lenigheid niets
verloren hebt. Dat doet mij heel veel pleizier. Maar wij moeten ons
nu ook blijven oefenen en aan de kermis te Perm denken. De eer van
de familie Cascabel is er mede gemoeid!
De geheele reis, van de monding van de Lena af, was zonder veel
vermoeienis afgelegd kunnen worden. Nu en dan moest de _Schoone
Zwerfster_ dichte wouden van denne- en berkeboomen omtrekken, dewijl
daar dwars doorheen geen weg te vinden was. Dit brak een weinig de
eentonigheid van den tocht door de vlakte.
Over het algemeen was het land weinig bevolkt. Soms legden zij
mijlen af zonder een gehucht of een huis te zien. In verhouding
tot de oppervlakte des lands is de bevolking zeer dun gezaaid,
en zelfs de afdeeling Bérézow, die het meest welvarend is, heeft
maar vijftienduizend inwoners op eene oppervlakte van drieduizend
kilometers. Daarentegen, en misschien door diezelfde oorzaak, is er
verbazend veel wild op de vlakten.
Sergius en Jan konden dus naar hartelust hunne liefhebberij voor de
jacht bevredigen en de provisiekamer van moeder Cascabel voer daar wèl
bij. Niet zelden ging Ortik met hen mede en hij toonde ook bij zulke
gelegenheden dat hij een man was van meer dan gewone handigheid. Bij
duizenden zagen zij de hazen soms over de steppe loopen en het
gevederde wild vloog in zwermen door de lucht. Ook zagen zij elanden,
wilde rendieren en zelfs groote wilde zwijnen. Dit zijn gevaarlijke
beesten en onze jagers waren wel zoo voorzichtig ze niet op te jagen.
De vogels waren meest eenden, duikelaars, ganzen, lijsters,
korhoenders, ooievaars, witte patrijzen en enkele soorten die zij
niet kenden. Zij hadden ze dus voor het kiezen. Wanneer het eens
gebeurde dat zij het een of ander geschoten hadden dat niet goed
klaar te maken was, dan liet Cornelia het maar aan de honden over,
die er zich aan vergastten.
Bij zulk eenen overvloed van wildbraad leidden zij natuurlijk een
goed leven, veel te goed zelfs naar Cascabel's oordeel. Hij hield
hun dan ook den plicht van ieder kunstenaar voor, om matig te zijn
in eten en drinken.
--Past op, kinderen, zeide hij, dat ge niet vet wordt. Het vet,
ziet ge, maakt de geledingen stroef. Het is de ergste vijand van
een acrobaat. Jullie eet veel te veel. Je moet matig zijn, voor den
drommel. Ik geloof waarachtig Sander, dat je al een buik begint te
krijgen! En dat op jou leeftijd! Foei! Schaamt ge je niet?
--Maar vader, ik verzeker u....
--Je hebt mij niets te verzekeren. Ik heb grooten lust om je elken
avond te meten en als ik merk dat er iets naar buiten puilt, dan duw ik
het weer naar binnen. Die Kruidnagel wordt ook al met den dag dikker!
--Ik patroon?
--Ja jij, en het komt volstrekt niet te pas dat een paljas er een
buik op nahoudt, vooral niet als hij Kruidnagel heet. Het einde zal
nog zijn dat je zoo rond wordt als een bierton!
--Ten minste wanneer ik op mijn ouden dag niet meer krijg van een
boonenstaak, was de wijsgeerige opmerking van Kruidnagel, terwijl
hij zijn broek wat nauwer toeknoopte.
Niet lang daarna trok de _Schoone Zwerfster_ de Taz-rivier over. Deze
komt uit in de Jeniseï-baai. De overtocht geschiedde nagenoeg ter
plaatse waar hun weg den noordpoolcirkel sneed. Van dat oogenblik
af waren zij dus in de gematigde luchtstreek. Hieruit blijkt dat
zij sedert hun vertrek van de Liakhoff-eilanden in sterk schuinsche
richting naar het Zuidwesten waren getrokken.
Van deze gelegenheid maakte Sergius, naar wien zij altijd gaarne
luisterden, gebruik om aan zijne reisgenooten uit te leggen wat de
poolcirkel is en hoe het komt dat de zon binnen de ruimte, besloten
door die kromme lijn, des zomers nooit hooger rijst dan drieëntwintig
graden boven den gezichteinder.
Jan, die reeds het een en ander van de beweging der aarde en der
hemellichamen wist, kon de beschrijving van Sergius zonder veel
moeite volgen, maar Cascabel spande te vergeefs alles in wat hem aan
hersenen gegeven was; het gelukte hem niet zich eene voorstelling
van den poolcirkel te maken.
--Op het punt van cirkels, zeide hij, ken ik niets anders dan de
hoepels waar de rijdsters in een paardenspel doorheen springen. Maar
dat is geen reden om dien cirkel, waar wij nu overheen zijn, niet
met een glas te herdenken.