uittebarsten en aldus de geheele vertooning te doen mislukken.
Het was eene eenvoudige buiksprekerskunst die deze bewonderenswaardige
man, wiens gelijke men niet licht onder kunstenmakers vinden zal,
bedacht had om Sjoe-Sjoe, dien besten, braven kerel, knollen voor
citroenen te verkoopen.
Er was inderdaad niets meer noodig om de bijgeloovige inlanders
beet te nemen. "Die mannen uit het Westen"--hoe kwam Cascabel aan
deze vernuftige betiteling?--"die mannen uit het Westen zijn heilig;
waarom houdt Tchou-Tchoûk hen gevangen?"
Welnu, Tchou-Tchoûk dacht er niet aan hen langer gevangen te
houden! Zoo spoedig zij maar wilden zou hij hen laten trekken, en
hij met zijne onderdanen zouden hun al de hulpvaardigheid bewijzen,
verschuldigd aan vreemdelingen die zoo zichtbaar door hoogere machten
beschermd werden!
Ortik en Kirschef, die niet vermoedden welk een meester Cascabel in
het buikspreken was, konden hunne verbazing niet ontveinzen. Maar
Kruidnagel riep vol geestdrift uit:
--Patroon, patroon, wat een genie!... Wat een slimmert!... Welk een
man.... ten minste....
--Ten minste als het geen godheid is! voegde Cornelia er bij en zij
boog zich voor haar man als ware hij inderdaad een afgodsbeeld.
De poets was gebakken. Het was gelukt, dank zij de onbegrijpelijke
bijgeloovigheid dezer Noordsche eilandbewoners, welke alles overtreft
wat iemand zich voor kan stellen. Die karaktertrek had Cascabel
terdege opgemerkt en daardoor was hij op het denkbeeld gekomen om zijn
buiksprekerstalent ten dienste van het algemeene belang aan te wenden.
Het spreekt van zelf dat Cascabel en zijne reisgenooten met al
de eerbewijzingen, verschuldigd aan personen die onder de hooge
bescherming der goden stonden, huiswaarts werden geleid. Tchou-Tchoûk
was onuitputtelijk in betuigingen van eerbied, waarmede eene goede
hoeveelheid angst gemengd was. Het scheelde niet veel of hij zou voor
ieder lid der familie Cascabel op zijne knieën gevallen zijn, zoo goed
als voor het machtigste afgodsbeeld. Hoe hadden trouwens de onwetende
bewoners van Tourkef kunnen vermoeden dat zij beetgenomen werden door
eenen grappenmaker? Zij konden niet twijfelen, het moesten wel de
goden in de _Vorspük_ wezen, die hunne dreigende stemmen hadden doen
hooren. Het was wel ter dege hun tot dusver stom gebleven snavel die
deze bevelen, in goed verstaanbaar russisch, had afgekondigd. Bovendien
waren zij er in zeker opzicht op voorbereid. Jako, de papegaai in de
_Schoone Zwerfster_, praatte immers ook? Dat had toch ook niemand ooit
gehoord, dat een vogel spreken kon. Even goed als dat vreemd-gevederde
gedierte moesten hunne afgodsbeelden, die immers ook vogelenkoppen
hadden, zich verstaanbaar kunnen maken.
Van dat oogenblik af konden Sergius, Cascabel en de anderen, de beide
russische matrozen er onder begrepen, die door hen werden opgeeischt,
zich als in vrijheid beschouwen. De winter was bijna voorbij en
het weder begon dragelijk te worden, zoodat onze schipbreukelingen
besloten hun vertrek van de Liakhoff-eilanden niet lang meer uit
te stellen. Niet dat zij eene verandering in de gezindheid der
inboorlingen te duchten hadden: daarvoor waren deze veel te goed
"ingepakt." Sjoe-Sjoe was nu de vertrouwdste vriend van Cascabel
geworden; hij zou zijne schoenen gepoetst hebben als dat van hem
verlangd was geworden. Natuurlijk had de brave man zich gehaast alles,
wat uit de _Schoone Zwerfster_ geroofd was, terug te doen geven en
hijzelf kwam, eerbiedig de knieën buigende, Cascabel den barometer
aanbieden dien hij nog altijd als een kommandeurskruis om zijnen hals
droeg. Cascabel had zich toen verwaardigd hem de hand toe te steken
en Tchou-Tchoûk had die onderdanig gekust, als eene hand die in staat
was den bliksem te slingeren en den storm los te laten.
Kortom, op den 8sten Maart was alles voor het vertrek gereed. Cascabel
had een twintigtal rendieren aangevraagd om zijnen wagen te trekken
en zijn vorstelijke vriend had hem er terstond honderd aangeboden,
maar Cascabel bedankte daarvoor en hield zich aan het eerstgenoemde
cijfer. Alleen vroeg hij nog om het noodige voeder voor de beesten
gedurende den tocht over het ijsveld.
Des morgens van den genoemden dag namen dus Sergius, de familie
Cascabel en de twee russische matrozen van de bewoners van Tourkef
afscheid. Het geheele dorp was uitgeloopen om hen te zien vertrekken
en hun goede reis te wenschen.
De "brave Sjoe-Sjoe" stond vooraan in het eerste gelid, heelemaal
ontroerd en aangedaan. Cascabel ging naar hem toe, klopte hem
vriendschappelijk op den buik en voegde hem in het fransch deze
welwillende woorden toe:
--Goeden dag, oude stommeling!
Die vertrouwelijke afscheidsgroet deed het opperhoofd nog weder rijzen
in het ontzag zijner onderdanen.
Tien dagen daarna, den 18den Maart, had de _Schoone Zwerfster_, zonder
gevaren ontmoet en zonder groote vermoeienissen doorgestaan te hebben,
de ijsvlakte tusschen den Liakhoff-Archipel en de Siberische kust
achter den rug en kwam zij vóór de monding van de Lena-rivier op het
vasteland aan.
Na zoovele ontmoetingen en gevaren doorgestaan, na zulke
lotswisselingen doorleefd te hebben sedert hun vertrek uit
Port-Clarence, hadden onze zwervers eindelijk het Aziatische strand
bereikt.
VIII.
HET LAND DER JAKOETEN.
Het oorspronkelijke reisplan, zooals het vastgesteld was om van de
Behringstraat naar de europeesche grens te komen, had natuurlijk eene
wijziging moeten ondergaan tengevolge eerst van het afdrijven onzer
karavaan en daarna van hare overwintering op Nieuw-Siberië. Er viel
thans niet meer te denken aan eene reis door de zuidelijke streken
van Siberië. Er bestond bovendien alle kans op goed weder, zoodat er
ook geene aanleiding meer was om zich in de eene of andere bewoonde
plaats een tijd lang op te houden. Alles wat er in den laatsten tijd
gebeurd was had ten slotte tot eene even onverwachte als gunstige
uitkomst geleid.
Hetgeen thans in de eerste plaats bepaald moest worden, was de richting
die zij moesten volgen om langs den kortsten weg het Oeralgebergte
te bereiken, dat de grens vormt tusschen Aziatisch en Europeesch
Rusland. Om hierover na te denken wilde Sergius den tijd besteden die
er nog verloopen moest vóór dat zij de legerplaats verlaten zouden
welke zij voorloopig op het strand hadden uitgekozen.
Het was stil en helder weder. De dagen duurden, in dezen tijd der dag-
en nachtevening, langer dan elf uren en werden nog verlengd door de
ochtend- en de avondschemering, welke op deze breedte van zeventig
graden bijzonder lang aanhouden.
De karavaan bestond nu uit tien personen, want ook Kirschef en
Ortik waren er bij opgenomen. Wel voelde niemand zich bijzonder tot
de beide russen aangetrokken, maar zij maakten niettemin deel uit
van het reisgezelschap der _Schoone Zwerfster_, zij zaten mede aan
tafel en sliepen zelfs in den wagen zoo lang het nog te koud was om
de nachten onder den blooten hemel door te brengen.
De thermometerstand bleef gemiddeld enkele graden beneden het
vriespunt, hetgeen thans weder gemakkelijk waar te nemen viel nu
de vriendelijke Tchou-Tchoûk het instrument aan zijn rechtmatigen
eigenaar teruggegeven had. De grond lag zoover het gezicht reikte
bedekt met sneeuw, welke echter binnen korten tijd onder de stralen
der Aprilzon zou gaan smelten. De sneeuwkorst was vlak en hard als
de met gras begroeide bodem der steppen, en de kudde rendieren had
weinig moeite om den zwaren wagen voort te trekken.
Om de beesten te voederen was de voorraad hooi, dien de inboorlingen
medegegeven hadden, voldoende geweest sedert hun vertrek van
Kotelnyi tot aan de Lena-baai. Van hier af zouden de rendieren
zelven hun voedsel weder kunnen vinden, want zij weten het mos en de
heesterbladen, waar de grond van Siberië bijna overal mede bedekt is,
zeer goed onder de sneeuw van daan op te snuffelen. Ook valt hierbij
nog te vermelden dat dit trekvee zich gedurende den overtocht zeer
gewillig had getoond, zoodat Kruidnagel niet de minste moeite had
gehad om de beesten voort te krijgen.
Ook voor de reizigers was leeftocht genoeg voorhanden, want de voorraad
ingemaakte spijzen, meel, vet, thee, buskruit en brandewijn, dien de
_Schoone Zwerfster_ had medegenomen, was nog niet uitgeput. Ook had
Cornelia bovendien eene zekere hoeveelheid opgedaan van eene soort
van boter, die de inboorlingen weten te bereiden, in berkenhouten
doosjes, welke hun vriend Tchou-Tchoûk hun had medegegeven. Zoodra
zij er gelegenheid toe vonden moesten zij echter in de eene of
andere bewoonde plaats hunnen voorraad petroleum aanvullen. Voor het
overige kon de jacht hen weder spoedig van versch wild voorzien en
de bedrevenheid van Sergius en Jan zou, even als te voren, voor de
keuken menigmaal veel waard kunnen wezen.
De twee russische matrozen stelden zich beschikbaar voor allerlei
nuttige diensten. Zij verzekerden dat zij in een gedeelte van
noordelijk Siberië goed bekend waren en boden aan als gidsen de
karavaan te vergezellen.
Hierover werd denzelfden dag eene algemeene beraadslaging gehouden.
--Aangezien gij reeds vroeger in dit land gereisd hebt, zeide Sergius
tegen Ortik, kunt gij er ons den weg wijzen.
--Dat is wel het minste wat wij voor u doen kunnen, antwoordde Ortik,
nu wij onze vrijheid aan mijnheer Cascabel te danken hebben.
--Aan mij? vroeg Cascabel. In het geheel niet. Alleen mijn buik,
die van de natuur de kunst van praten gekregen heeft, zijt gij dank
schuldig.
--Welke richting zoudt gij ons aanraden te volgen Ortik, vroeg Sergius
weder, wanneer wij hier uit de Lena-baai opbreken?
--De kortste weg is de beste, mijnheer Sergius, als gij dat
goedvindt. Deze heeft wel het nadeel dat wij de voornaamste
steden van dit land, die meer zuidelijk gelegen zijn, laten
liggen, maar daarentegen brengt hij ons het spoedigst naar het
Oeral-gebergte. Bovendien zijn er dorpen genoeg in deze richting,
waar wij het noodige aanschaffen en ook verblijf houden kunnen,
indien dit gewenscht mocht wezen.
--Waartoe zou dat dienen? viel Cascabel hem in de rede. Wij hebben in
geen dorpen te maken. De hoofdzaak is dat wij geen tijd verliezen en
met spoed vooruitkomen. De streek waar wij doorheenkomen, is immers
niet onveilig?
--In het minst niet, antwoordde Ortik.
--Bovendien zijn wij met ons allen heel wat mans en indien er bandieten
mochten zijn die iets tegen de _Schoone Zwerfster_ wilden ondernemen,
kunnen zij op eene meer dan hartelijke ontvangst staat maken.
--Stel u gerust mijnheer Cascabel, gij hebt niets te vreezen,
verzekerde Kirschef.
Onze lezers zullen reeds opgemerkt hebben dat die Kirschef slechts
zelden een woord sprak. Hij toonde zich weinig gezellig, somber en
stilzwijgend en liet zijn kameraad meest het woord voeren. Ortik was
blijkbaar veel schranderder dan hij. Deze toonde in vele zaken een
goed oordeel, hetgeen Sergius reeds lang had opgemerkt.
Ook de richting die Ortik thans op wilde gaan, was zeer
aanbevelenswaardig. De groote steden te mijden, waar zij kans hadden
militaire bezetting te ontmoeten, scheen voor graaf Narkine het meest
wenschelijk, terwijl het tegelijkertijd in den geest viel van de beide
zoogenaamde matrozen. Naarmate zij echter dichter bij de grens kwamen,
zou het moeilijker worden de steden van eenige beteekenis te laten
liggen en voor dat geval zouden zij dan ook eenige voorzorgen dienen
te nemen. Zoo ver waren zij echter vooreerst nog niet en in de dorpen
op de steppen liepen zij weinig of geen gevaar.
Toen zij het over de richting van hunnen tocht eens waren, moesten
zij alleen nog hunnen weg bepalen door de provinciën heen, welke zij
van de Lena-rivier tot het Oeral-gebergte dwars moesten doorsnijden.
Jan haalde dus uit zijnen atlas de kaarten van noordelijk Siberië
voor den dag en Sergius nam dit terrein terdege op, waar de Siberische
groote rivieren, in stede van eene reis uit het Oosten naar het Westen
gemakkelijker te maken, daarentegen groote hinderpalen in hunnen weg
konden leggen. Na overleg, werd er tot het volgende besloten:
1o. Het Jakoeten-land, waar slechts weinige dorpen gevonden worden,
in zuidwestelijke richting doortrekken.
2o. In deze richting eerst het gebied van de Lena-rivier doorsnijden,
daarna dat van de Anabara-rivier, vervolgens dat van de Khatanga,
de Jenisei- en de Obi-rivier, te zamen eenen afstand van ongeveer
zevenhonderdvijftig mijlen.
3o. Van het Obi-gebied naar het Oeral-gebergte trekken, zijnde
honderdvijfentwintig mijlen tot aan de europeesche grens.
4o. Eindelijk van het Oeral-gebergte tot Perm, dat is weder een
honderdtal mijlen, altijd naar het zuidwesten.
Te zamen dus ten naasten bij duizend mijlen.
Indien zij geen oponthoud op deze reis ondervonden, indien er geen
noodzakelijkheid bestond om op de eene of andere bewoonde plaats te
vertoeven, kon de geheele afstand in minder dan vier maanden tijds
afgelegd worden. Daarbij werd dan gerekend op zeven of acht mijlen per
dag, hetgeen van de rendieren niet te veel gevergd was en zij zouden
naar deze berekening met de _Schoone Zwerfster_ in den loop der maand
Juli eerst te Perm en vervolgens te Nisjni aankomen, op het tijdstip
dat de beroemde kermissen dier plaatsen in vollen gang zouden zijn.
--Gaat gij tot Perm met ons mede? vroeg Sergius aan Ortik.
--Dat denk ik niet, antwoordde deze. Zoodra wij de grens achter den
rug hebben, zijn wij voornemens onzen weg naar St. Petersburg te
nemen om van daar naar Riga terug te keeren.
--Dit is van later zorg, meende Cascabel. Eerst moeten wij maken dat
wij over de grens komen.
Zij hadden afgesproken dat er vierentwintig uren rust gehouden zou
worden, zoodra zij zich op het vasteland bevonden. Na hun voorspoedigen
tocht over het ijsveld was dit oponthoud noodzakelijk. Dien dag gingen
zij dus niet verder.
De Lena-rivier stort zich in de golf van dien naam, na een net van
vertakkingen en armen te hebben doorloopen. De geheele lengte van
deze prachtige rivier, die een aantal kleinere stroomen in haren
loop opneemt, bedraagt vijftienhonderd mijlen, van haren oorsprong
tot waar zij hare wateren met die der IJszee vermengt. Het gebied dat
zij besproeit, wordt gerekend niet minder dan honderdvijf millioenen
hectaren te bedragen.
Na eene grondige studie van de kaart gemaakt te hebben, kwam Sergius
tot de slotsom dat het best zou zijn de kustlijn der baai vooreerst te
volgen, teneinde niet in de vele vertakkingen van de Lena verward te
raken. Wel lag het water nog toegevroren, maar het zou desniettemin
een waagstuk geweest zijn, zich te midden van dit net van waterwegen
te begeven, want de ijsschotsen lagen op vele plaatsen tot eene
aanmerkelijke hoogte op elkaar gekruid en vormden ware ijsbergen,
zeer schilderachtig om te zien, maar hoogst moeilijk om er over heen
te komen.
Aan de andere zijde der baai nam de uitgestrekte steppenvlakte eenen
aanvang, waar slechts hier en daar eenige heuvels zich verhieven en
waar de tocht geene moeilijkheden kon opleveren.
Het was duidelijk dat Ortik en Kirschef aan het reizen in dit klimaat
gewend waren. De anderen hadden dit reeds opgemerkt bij den tocht over
het ijsveld van den Liakhoff-archipel naar de kust van Siberië. De
twee matrozen hadden er slag van om eene legerplaats te vinden en
desnoods eene stevige hut in het ijs te maken, ook kenden zij het
kunstje van de visschers langs de kust, die nat geworden kleederen
droog weten te krijgen door ze onder de sneeuw te stoppen, waar al
de vochtigheid uit het goed in opgezogen wordt. Een blok bevroren
rivierwater wisten zij op het eerste gezicht te onderscheiden van het
ijs uit zeewater gevormd. De verschillende manieren waarop de karavanen
in het Noorden hare tochten door de ijs- en sneeuwwoestijn afleggen,
waren hun ook goed bekend.
Dien avond, nadat de avondmaaltijd afgeloopen was, liep het gesprek
over de aardrijkskundige gesteldheid van noordelijk Siberië en bij
deze gelegenheid vertelde Ortik hoe het gekomen was dat hij en Kirschef
reeds vroeger in dit land gereisd hadden.
Sergius deed hun namelijk deze vraag:
--Wat was toch de oorzaak dat een paar zeelieden, zooals gij beiden,
zulk eene groote reis over land moesten maken?
--Dat zal ik u zeggen, mijnheer Sergius, was het antwoord. Twee
jaar geleden zijn Kirschef en ik met nog een tiental andere
matrozen te Archangel geweest, waar wij op walvischvaarders wilden
aanmonsteren. Daar werden wij aangezocht om naar een schip te gaan,
dat in eene der mondingen van de Lena tusschen het ijs beklemd
zat. Op die reis van Archangel naar de Lena-baai hebben wij het
noordelijke gedeelte van Siberië doorgereisd. Nadat wij aan boord
van de _Seraski_--zoo heette het schip--gekomen waren, hebben wij het
vlot gebracht en zijn wij er mede op de walvischvangst gegaan. Maar
zooals ik u reeds vroeger verhaald heb, de _Seraski_ is met man
en muis vergaan en alleen Kirschef en ik zijn van de bemanning
overgebleven. Door stormweer zijn wij toen naar de Liakhoff-eilanden
afgedreven en daar hebben wij u allen ontmoet.
--Zijt gij dan nooit in Alaska geweest? vroeg Kayette, die zooals
men weet russisch sprak en verstond.
--Alaska? vroeg Ortik. Is dat niet ergens in Amerika?
--Ja, antwoordde Sergius. Alaska ligt in het Noordoostelijkste gedeelte
van Noord-Amerika en het is het geboorteland van Kayette. Zijt gij
op uwe omzwervingen daar nooit geweest?
--Wij hebben van dat land nooit hooren spreken, zeide Ortik op den
natuurlijksten toon van de wereld.
--Wij zijn ook nooit verder dan de Behringstraat geweest, voegde
Kirschef er bij.
Ook nu maakte de stem van dezen op Kayette denzelfden indruk als
anders, zonder dat zij zich echter wist te herinneren waar zij die
vroeger gehoord kon hebben. Het kon niet anders zijn dan in een
van de districten van Alaska, want zij zelve was nooit buiten haar
vaderland geweest.
Na de stellige ontkentenis van Ortik en Kirschef, deed Kayette,
met de bescheidenheid die aan de lieden van haren stam meestal eigen
is, dan ook geen verdere vragen meer. Maar zij kon toch eene zekere
verwondering niet van zich zetten, die tegenover de twee matrozen
onwillekeurig een karakter van wantrouwen aannam.
Gedurende het oponthoud van een etmaal hadden de rendieren de noodige
rust kunnen nemen. Hunne voorpooten waren met touwen vastgebonden,
doch niet zóó nauw dat hun dit belette in den omtrek der legerplaats
te zwerven en het struikgewas afteknagen of het mos, dat onder de
sneeuw bedolven lag, op te snuffelen.
Den 20ste Maart ging de karavaan te acht uur des morgens op
weg. Het was droog, helder weder, met eene frissche koelte uit het
noord-oosten. De steppe strekte zich uit zoo ver het oog reikte,
als een blank sneeuwveld dat nog hard genoeg was om er met gemak
op te rijden. De twintig rendieren werden bij vieren aangespannen,
op vijf rijen dus, met behulp van een goed ingericht stel leidsels,
die aan den eenen kant door Ortik en aan den anderen door Kruidnagel
in de hand gehouden werden.
Gedurende zes dagen werd de reis op deze manier voortgezet zonder dat
er iets voorviel dat verteld verdient te worden. Sergius en Cascabel
met Jan en Sander gingen meestal te voet tot dat het nachtkwartier
betrokken werd, en Cornelia met Napoleona en Kayette hielden hen
gezelschap zoo dikwijls de huishoudelijke werkzaamheden haar niet
bezig hielden.
Iederen voormiddag legde de _Schoone Zwerfster_ ongeveer een _Koes_ af,
dat is een russische lengtemaat, gelijk staande met twintig wersten
of twee en een halve mijl. In den namiddag werd dezelfde afstand nog
eens gemaakt, altijd in westelijke richting, zoodat zij elken dag
ruim vijf mijlen vooruit kwamen.
Den 29sten Maart trokken zij het riviertje Olenek over, dat nog
toegevroren lag en denzelfden dag kwamen Cascabel en zijne reisgenooten
in het vlek Maksimova, twee en veertig mijlen zuidoostelijk van het
strand der Lena-baai.
Er bestond niet het minste bezwaar tegen dat Sergius een etmaal
in dit plaatsje vertoefde, dat in het noordelijkste uiteinde der
steppe als verloren ligt. Er bevond zich geen gezaghebber of geen
kozakken-garnizoen, die op de gedachte hadden kunnen komen om graaf
Narkine met vragen lastig te vallen.
Zij waren hier midden in het land der Jakoeten en de familie Cascabel
werd door de bewoners van Maksimova gastvrij ontvangen.
Het oostelijke en zuidelijke gedeelte van dit gewest is berg- en
boschachtig, maar in het noorden worden niets dan effen vlakten
aangetroffen, welke hier en daar met groepen boomen bezet zijn,
die nu, onder den invloed van den naderenden zomer, spoedig zouden
uitloopen. Er is een overvloed van wild, hetgeen veroorzaakt wordt
door dat het klimaat in noordelijk Siberië, van eene felle koude in
den winter, tot eene gloeiende hitte in de zomermaanden afwisselt.
De Jakoeten-bevolking telt ongeveer honderdduizend zielen, allen
belijders van den griekschen godsdienst. Het zijn godvreezende en
gastvrije lieden; hunne zeden zijn zuiver en zij zijn even dankbaar
voor de weldaden der Voorzienigheid als gelaten te midden der harde
ontberingen die hen door het barre klimaat soms worden opgelegd.
Op de reis van den mond der Lena naar dit plaatsje hadden zij ook
eenige Siberiërs ontmoet die tot een nomadenstam behoorden. Het waren
stevig gebouwde lieden, middelmatig van lengte, met platte gezichten,
zwarte oogen, weligen haartooi en zonder baard of knevel. Te Maksimova
zagen de inwoners er even zoo uit; het zijn vriendelijke arbeidzame,
schrandere en bedaarde menschen, die zich niet gemakkelijk iets wijs
laten maken.
De Jakoeten die een zwervend leven leiden, zitten bijna altijd te
paard en zijn nooit ongewapend; zij zijn eigenaars van kudden die in
grooten getale over de steppen rondzwerven. Die welke in huizen in
de dorpen of stadjes bijeenwonen, houden zich voornamelijk bezig met
de vischvangst, welke in de menigte beken en waterloopen, die zich
in de groote rivier uitstorten, overvloedigen buit oplevert.
De Jakoeten hebben dus vele maatschappelijke en huiselijke deugden;
alleen zijn zij hartstochtelijke tabakrookers en bovendien--wat
erger is--aan het misbruik van brandewijn en andere sterke dranken
veeltijds verslaafd.
--Tot zekere hoogte is dit hun echter niet kwalijk te nemen, merkte
Jan op. Drie maanden van het jaar hebben zij niets dan water om te
drinken en pijnboomschors om op te knabbelen.
--Wat zegt gij, hebben ze dan niet eens brood? vroeg Kruidnagel,
die zich zoo iets niet kon voorstellen.
--Neen, niets dan de bast van denneboomen. Na zulk eenen tijd van
ontbering is het hun bijna te vergeven dat zij zich soms te buiten
gaan.
De nomadische Jakoeten wonen in _yourten_, dat zijn kegelvormige
tenten van witte stof. De huizen der anderen zijn gewoonlijk van hout
gebouwd en verschillend van vorm en inrichting naarmate van ieders
smaak. Deze huizen worden zorgvuldig onderhouden en hebben steile,
puntige daken, zoodat de smeltende sneeuw in April, als de zonnestralen
kracht krijgen, er gemakkelijk afvalt. Het stadje Maksimova ziet
er dan ook vriendelijk uit. De mannen hebben een gunstig voorkomen,
openhartig, met eene oprechte uitdrukking in de oogen, gepaard met
zekere fierheid. De vrouwen zien er niet onaardig uit, sommige zijn
zelfs mooi, al is haar gelaat getatoueerd, zij zijn zeer ingetogen
en streng van zeden; zij vertoonen zich nooit blootshoofds of zonder
schoenen aan hare voeten.
Onze reizigers werden door de Jakoeten-hoofden voorkomend
ontvangen. Deze mannen worden _kïnoes_ genaamd, terwijl de oudsten,
of de aanzienlijksten van het dorp _Starsynas_ geheeten worden. De
gastvrije lieden betwistten elkander het voorrecht van de vreemdelingen
te herbergen en te onthalen, maar Cornelia wilde niets aannemen
zonder betaling. Op deze voorwaarde sloeg zij ook een goeden voorraad
petroleum in, die tevens als brandstof voor het keukenfornuis gebruikt
kon worden.