dacht alleen aan het gevaar dat graaf Narkine loopen kon wanneer hij
in aanraking kwam met de russische politie, en Ortik was voor zijn
persoon niet op eene ontmoeting met het openbaar gezag gesteld.
Ook Sergius had tegen het denkbeeld van Jan bezwaar, maar op andere
gronden.
--Het is braaf van u, Jan, zeide hij, dat gij u voor ons wilt
opofferen, maar wij zouden door uwe edelmoedigheid niet geholpen
worden. Er is geen denken aan om midden in den winter dien tocht over
het ijsveld te ondernemen en de honderd mijlen afstands tusschen
het eiland Kotelnyi en den vasten wal te willen afleggen. Gij
zoudt onderweg omkomen, mijn vriend. Neen, wij moeten onder alle
omstandigheden bij elkander blijven en indien wij hier van daan komen,
dan moet het zijn met ons allen.
--Daar valt niets tegen in te brengen, zeide Cascabel, en ik sta er
op dat Jan mij belooft zonder mijne toestemming niets te beginnen.
--Ik geef er u mijn woord op, vader.
--Wanneer ik zeg dat wij samen zullen gaan, vervolgde Sergius
tegen Ortik, dan bedoel ik daarmede dat gij en Kirschef ook met ons
medetrekt. Wij laten u niet in de handen dezer wilden.
--Ik ben u daar dankbaar voor, mijnheer Sergius, antwoordde Ortik, en
Kirschef en ik, wij zullen u op uwe reis door Siberië misschien ook
van dienst kunnen zijn. Op dit oogenblik valt er niets te beginnen,
maar zoodra de ergste koude voorbij is en vóór dat het gaat dooien
moeten wij ons gereed houden voor de vlucht.
Na dit gezegd te hebben, nam Ortik afscheid.
--Ja, herhaalde Sergius, wij zullen ons gereed moeten houden.
--Daar zal wel niet aan ontbreken, zeide Cascabel, maar hoe komen
wij weg? De drommel moge mij halen als ik het weet.
Dit bleef de vraag van den dag, het onderwerp waar allen over bleven
denken, op welke manier zij met of zonder goedvinden van Tchou-Tchouk
uit zijne handen zouden geraken. De waakzaamheid der inlanders te
verschalken, scheen uiterst moeilijk. Tchou-Tchouk tot andere gedachten
te brengen, daarop bestond nog minder kans. Er bleef maar één middel
over, dat was "hem er in te laten loopen," zooals Cascabel misschien
twintig maal daags herhaalde.
Hij dacht aan niets anders. Maar ofschoon hij er over "prakkezeerde"
zoodat zijne hersens er van zweetten, zeide hij, de heele maand
Januari ging voorbij zonder dat hij iets wist te bedenken.
VII.
EEN SLIMME STREEK VAN CASCABEL.
Er kwamen kwade dagen in het begin van Februari. De koude was zóó
fel, dat het kwik in den thermometer er door bevriezen zou. Er is
nog eene fellere koude te bedenken: in de hoogste hemelstreken, in de
ruimte tusschen de sterren, moet volgens de berekeningen eene koude
heerschen van tweehonderd dertien graden beneden het vriespunt, welke
alle moleculen der lichamen doet verstijven en alles in eenen staat van
volstrekte onbewegelijkheid doet overgaan. Toch was het ook hier op
het eiland alsof de kleinste luchtdeeltjes zich niet meer bewogen en
de dampkringslucht vast geworden was. Zij hadden bij het inademen een
brandend gevoel, en de koude nijpte zoo hevig dat niemand er meer aan
denken kon om buiten de _Schoone Zwerfster_ te komen. Het uitspansel
was klaar als kristal; de sterrenbeelden blonken met eene helderheid,
die nergens overtroffen kan worden; het was alsof de oogen tot in
de afgelegenste diepte der hemelruimte doordrongen. Het daglicht was
daarentegen op den vollen middag niet meer dan eene grauwe schemering.
De inboorlingen gaven hunne gewoonte nog niet op om zelfs in deze
koude buiten te komen, maar zij namen alle mogelijke voorzorgen om
te beletten dat hunne handen en voeten, hun neus of hunne ooren
op eenmaal bevroren zouden raken. Zij wikkelden zich geheel in
rendierenvellen en trokken bovendien nog een kap over hun hoofd,
zoodat er niets van hen te zien overbleef. Het waren wandelende
pakken bont. Dat zij zich echter nog buiten hunne woningen waagden,
geschiedde op bevel van Tchou-Tchouk, die zelfs onder deze koude,
welke elk denkbeeld van ontsnapping belachelijk maakte, zich wilde
overtuigen van de aanwezigheid zijner gevangenen, die hem nu niet
meer hunne dagelijksche opwachting konden komen maken.
--Frisschen morgen, vischvreters! riep Cascabel hun soms toe, als
hij hen door een van de vensters, die aan den binnenkant van het
ijs ontdaan konden worden, zag aankomen. Die kerels hebben stellig
robbenbloed in hun lichaam. Een fatsoenlijk mensch zou hier binnen
vijf minuten in een klomp ijs veranderen, maar zij weten er niets van!
In de vertrekjes van de _Schoone Zwerfster_, welke bijna luchtdicht
gesloten werden gehouden, bleef de koude dragelijk. Het keukenfornuis,
dat met het voorwereldlijke hout gestookt werd, waardoor zij hunne
andere brandstof konden bewaren, verspreidde zulk eene warmte dat
het zelfs nu en dan noodig was te luchten. Maar nauwelijks stond
de buitendeur open of alle vloeibare stoffen in den wagen stolden
onmiddellijk. Tusschen de temperatuur binnen en buiten was een verschil
van veertig graden, hetgeen zij hadden kunnen waarnemen indien hunne
thermometers niet door de inlanders gestolen waren geweest.
Tegen het einde der tweede week van Februari was het echter alsof het
weder een weinig zachter zou gaan worden. De wind liep naar het Zuiden
en er woeien nu sneeuwstormen, van wier geweld men zich geen denkbeeld
maken kan en die zeker de _Schoone Zwerfster_ onderste boven geworpen
zouden hebben indien zij niet stevig beschut had gestaan. Maar de
wielen waren tot halver hoogte onder de sneeuw bedolven, zoodat er
van dien kant niet het minste gevaar bestond.
Nu en dan werd het weer op eens, met ruwe overgangen, veel kouder;
maar in het algemeen bleef de gemiddelde thermometerstand omstreeks
het midden der maand op een twintigtal graden beneden het vriespunt
van de honderddeelige schaal.
Cascabel en Sergius, Jan, Sander en Kruidnagel maakten hiervan
dadelijk gebruik om weder buiten te komen, maar niet zonder de grootste
voorzorgen om den overgang geleidelijk te doen zijn. Indien zij dit
verzuimd hadden, zouden zij zich aan levensgevaar blootgesteld hebben.
In den omtrek van den wagen lag alles onder een effen sneeuwtapijt
bedolven. Geen enkele verhevenheid van den grond was meer te
onderscheiden. Dit was nu niet langer het gevolg van de duisternis,
want gedurende een paar uur liet zich thans aan den zuidelijken
gezichteinder een grauw schijnsel zien, eene weerkaatsing van
lichtstralen zonder warmte, die naarmate de voorjaars dag- en
nachtevening naderkwam, duidelijker worden zou. Er bestond dus weder
gelegenheid om een eind te loopen en op uitdrukkelijk bevel van
Tchou-Tchoûk, was hun eerste gang naar zijn verblijf.
Er was nog geen verandering in de zienswijze van het opperhoofd der
wilden gekomen en de gevangenen kregen opnieuw last binnen den kortst
mogelijken tijd voor een losgeld van drieduizend roebels te zorgen,
wanneer zij niet wilden dat Tchou-Tchoûk tot andere maatregelen
zou overgaan.
--Hoor nu zoo'n schoelje eens aan, zeide Cascabel in zuiver fransch,
waar hij overtuigd was dat de ander geen woord van verstond. Zoo'n
driedubbele ezelskop! Zoo'n koning over uilskuikens!
Zoo hartelijk gemeend en zoo volkomen toepasselijk als deze
liefelijkheden ook mochten zijn, de toestand werd er niet beter
door. Het begon er zelfs bedenkelijk uittezien, nu de vorst van den
Liakhoff-archipel met dwangmiddelen begon te dreigen.
Het was op dat oogenblik, onder dien invloed van verbeten en
machtelooze woede, dat Cesar Cascabel op eenen inval kwam, zooals
alleen het genie ze soms kan hebben. Van eenen man, die zich al door
zooveel moeielijkheden heen had geslagen, viel trouwens niets minder
te verwachten.
--Alle robben en walvisschen mogen mij opslikken, riep hij den
volgenden ochtend op eens uit, als dàt mij niet gelukt! Met die
domkoppen durf ik het te wagen!
Maar wat het was dat hem tot dezen triomfantelijken uitroep aanleiding
gaf, verkoos Cascabel niet te zeggen. Hij openbaarde zijn geheim aan
niemand, zelfs niet aan Cornelia of Sergius.
Het scheen een onmisbaar vereischte voor zijn plan te wezen dat hij
zich duidelijk verstaanbaar in het russisch wist uittedrukken, welke
taal door alle volksstammen in het Noorden van Siberië gesproken
wordt. Het gevolg daarvan was, dat terwijl Kayette voortging zich
in het fransch te oefenen onder de leiding van Jan, diens vader van
zijnen vriend Sergius les wilde gaan nemen in het russisch. Een beter
onderwijzer had hij zeker niet kunnen vinden.
Den 15den Februari dus, op eene wandeling in den omtrek der _Schoone
Zwerfster_, kwam hij met zijn verlangen om grondiger russisch te
leeren voor den dag.
--Ziet gij, zeide hij tegen Sergius, wij zijn nu op weg naar Rusland,
en het zal mij dus goed te pas komen als ik de taal van het land
kan spreken, zoodat ik te Perm en te Nisjni niet met mijnen mond vol
tanden behoef te staan.
--Dat is zeker, mijn waarde Cascabel, antwoordde Sergius. Maar gij
verstaat reeds zooveel van onze taal, dat ge al bijna in staat zijt
uzelf te helpen.
--Neen mijnheer Sergius, toch niet! Wel versta ik ten naasten bij wat
er gezegd wordt, maar zelf ben ik nog niet in staat mij verstaanbaar
uit te drukken. Zóó ver zou ik het willen brengen.
--Nu, als gij het wilt ben ik tot uwen dienst.
--Bovendien, al had het geen ander nut, is het altijd een goed
tijdverdrijf.
Het verlangen van Cascabel was volkomen verklaarbaar en niemand toonde
er zich dan ook verbaasd over.
Hij ging dus terstond met Sergius aan het werk en nam bij dezen een
uur of drie per dag les, niet zoozeer om de taalregels als om de
uitspraak ter dege machtig te worden. Dit was blijkbaar iets waar
hij het meest aan hechtte.
Nu is het eene bekende zaak dat russen zeer gemakkelijk fransch leeren
en het bijna zonder eenigen tongval uitspreken, maar het omgekeerde is
het geval niet en voor franschen is het russisch in het geheel niet
gemakkelijk. Het vorderde dus heel wat inspanning en oplettendheid
van Cascabel, en de _Schoone Zwerfster_ weerklonk den ganschen dag van
de stem- en spraakoefeningen waarmede hij zich onvermoeid bezig hield.
Hij had echter een natuurlijken aanleg om talen te leeren en bracht
het er spoedig ver in, tot niet geringe bewondering van zijne omgeving.
Telkens nadat de les was afgeloopen begaf hij zich naar het strand,
waar hij stellig wist dat niemand hem beluisteren kon, en daar, in
de eenzaamheid, herhaalde hij een zeker aantal volzinnen, telkens
op een anderen toon en met grooter nadruk, waarbij hij vooral de
r's liet rollen, zóó dat geen rus het hem had kunnen verbeteren. Dit
viel hem trouwens niet moeielijk, want als kunstenmaker had hij zijn
leven doorgebracht met in zijne moedertaal soortgelijke proeven van
welsprekendheid af te leggen.
Soms ontmoette hij Ortik en Kirschef, die geen woord fransch
verstonden. Dit was dan weder eene gewenschte gelegenheid om zich
te oefenen en hij kreeg spoedig de zekerheid dat hij zich heel goed
verstaanbaar wist te maken.
De twee matrozen kwamen nu meer dan vroeger in de _Schoone Zwerfster_,
maar Kayette was nog altijd niet in staat zich te herinneren waar
zij de stem van Kirschef, die haar bekend bleef voorkomen, vroeger
had kunnen hooren.
Tusschen Ortik en Sergius werd voortdurend veel gesproken over de
kansen om weg te komen. Cascabel nam nu meestal aan het gesprek deel,
maar er werd niets voorgesteld dat bruikbaar was.
--Er zou toch misschien eene manier wezen waarover wij nog niet
gedacht hebben, zeide Ortik op zekeren dag.
--Hoe dan? vroeg Sergius.
--Wanneer het open water is, antwoordde de ander, gebeurt het niet
zelden dat er walvischvaarders langs de Liakhoff-eilanden komen
varen. Zouden wij in dat geval geen sein kunnen geven, zóó dat zulk
een schip hierheen kwam?
--De bemanning zou dan gevaar loopen evenals wij in handen van
Tchou-Tchoûk te vallen en onze gevangenschap te moeten deelen zonder
dat wij er iets bij wonnen, antwoordde Sergius. Die schepen zijn
niet sterk genoeg bemand om met geweld iets tegen de inboorlingen te
kunnen uitrichten.
--Bovendien, voegde Cascabel er bij, het duurt nog drie of vier maanden
voór dat het open water kan zijn en zóó lang heb ik geen geduld meer.
Hij dacht een oogenblik na en vervolgde toen:
--Al slaagden wij er ook in aan boord van eenen walvischvaarder te
komen, zelfs indien de brave Sjoe-Sjoe dat goedvond, dan zouden wij
nog de _Schoone Zwerfster_ in den steek moeten laten.
--Ja, dat zou in dit geval niet anders kunnen, stemde Sergius toe.
--Niet anders kunnen! riep Cascabel uit. Ik zag nog liever...
--Weet gij dan misschien wat beters?
--Zoo vraagt men de boeren de kunst af!
Meer verkoos Cascabel niet te zeggen. Maar er flikkerde iets in zijne
oogen en er speelde een glimlach om zijnen mond, die meer zeide dan
duizend woorden.
Toen Cornelia dan ook vernam wat haar man geantwoord had, kon zij
niet nalaten er het hare van te zeggen:
--Ge kunt er op aan dat Cesar iets in zijn hoofd heeft. Wat het
zijn kan, weet ik niet. Maar van een man als hij, kunnen wij het
onmogelijkste verwachten!
--Vader is zeker slimmer als mijnheer Tchou-Tchoûk, zeide Napoleona.
--Hebt ge wel opgemerkt, zeide Sander, dat hij hem sedert eenigen
tijd een "beste kerel" noemt? Hij begint van hem te houden!
--Tenminste, als hij er niet juist het tegendeel mede bedoelt, bracht
Kruidnagel in het midden.
Ondertusschen bracht Cascabel, in dit opzicht gelijk aan Demosthenes,
die zich in de welsprekendheid oefende aan het strand der Helleensche
zee, nog menig uur door met op geweldigen toon in het russisch het
geraas der baren te overschreeuwen.
In de tweede helft van Februari werd het langzamerhand minder koud. Met
de zuidelijke winden kwam er een zachtere luchtstroom over de eilanden
strijken.
Er was dus nu geen tijd meer te verliezen. In de Behringstraat
waren zij, tengevolge van het late invallen van den winter, door het
dooiweder aan het drijven geraakt; zij moesten nu hun best doen om niet
weder, als het eens vroeg zomer mocht worden, hetzelfde te ondervinden.
Indien Cascabel's plan gelukte en hij Tchou-Tchoûk wist te bewegen hem
met alles wat hij bij zich had te laten trekken, dan moest de tocht
ook aangevangen worden op het tijdstip dat het ijsveld tusschen de
Liakhoff-eilanden en de Siberische kust nog volkomen vast en veilig
te berijden was. Wisten zij dan aan een goed stel rendieren te komen,
dan kon dit gedeelte van de reis met de _Schoone Zwerfster_ onder
vrij gunstige omstandigheden afgelegd worden, zonder dat zij gevaar
liepen door het losraken van het ijs aan nieuwe teleurstellingen
blootgesteld te worden.
--Zeg eens, mijn waarde Cascabel, vroeg Sergius op zekeren dag,
denkt gij dat die oude schurk van een Tchou-Tchoûk u aan de noodige
rendieren helpen zal, die gij niet kunt missen wanneer gij uwen wagen
naar den overwal wilt brengen?
--Mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel deftig, Sjoe Sjoe is in het
geheel geen oude schurk. Het is een beste, brave man, daar sta ik
voor in. Als hij er dus in toestemt dat wij heengaan, dan zal hij
ook goedvinden dat wij de _Schoone Zwerfster_ medenemen, en als hij
dat goedvindt, dan kan hij niet anders dan een twintigtal rendieren
tot onze beschikking stellen Wat zeg ik, twintig? Vijftig, honderd,
duizend, als ik ze hebben wil!
--Ge hebt hem dus in uwe macht?
--Of ik Sjoe Sjoe in mijne macht heb? Zoo goed alsof ik de punt van
zijn neus tusschen mijne vingers heb, mijnheer Sergius. En wat ik
eenmaal beet heb, dat laat ik niet los!
Hij scheen volkomen zeker van zijne zaak en altijd vertoonde zich
dezelfde raadselachtige glimlach op zijn gelaat. Dien dag bracht hij
zelfs met een innemend gebaar zijne hand aan zijnen mond en maakte
hij een denkbeeldig compliment aan Zijne inlandsche Majesteit. Maar
Sergius, begrijpende dat Cascabel over zijn denkbeeld niet in
bijzonderheden verkoos te treden, was bescheiden genoeg daar niet
verder naar te vragen.
De tijd was nu gekomen dat de eilandbewoners van het zachtere weder
gebruik begonnen te maken om hunne gewone bezigheden te hervatten,
zooals de jacht op vogels en de robbenvangst, waartoe op het ijsveld
gelegenheid genoeg bestond. Ook werden de godsdienstige plechtigheden,
die gedurende den tijd der felste koude gestaakt hadden moeten worden,
weder aangevangen.
Des Vrijdags van iedere week stroomden de geloovigen naar de grot
der gebeden, ter algemeene bijeenkomst. Vrijdag, moet men weten,
is zooveel als de Zondag der Nieuw-Siberiërs. Maar op Vrijdag den
29sten Februari--het jaar 1868 was een schrikkeljaar--zou er eene
buitengewone groote processie gehouden worden.
Den avond te voren zeide Cascabel op een heel gewonen toon, vóór dat
zij naar bed gingen:
--Morgen moeten wij ons gereed houden voor de plechtigheid in de
_Vorspük_, waar wij met onzen vriend Sjoe-Sjoe heengaan.
--Wat zegt ge Cesar? Wilt ge dat doen? vroeg Cornelia.
--Ik wil het.
Wat dit stellige bevel te beteekenen had, kon niemand gissen. Zou
Cascabel het inlandsche opperhoofd willen verteederen door deel te
nemen aan zijne kerkelijke vertooningen? Het viel niet te ontkennen
dat Tchou-Tchoûk gaarne zag dat ook zijne gevangenen eerbied toonden
voor zijne afgodsbeelden. Maar voor die monsters de knieën te buigen
en het bijgeloof der inlanders te omhelzen, dat was toch heel iets
anders en het leek niet waarschijnlijk dat Cascabel, ter wille van
Zijne nieuw-Siberische Majesteit, zijn geloof zou afzweren. Wel foei!
Dit zou echter later wel aan het licht komen. Den volgenden ochtend
vroeg was het geheele dorp in beweging. Het was mooi weer, dat wil
zeggen dat het niet meer dan een graad of tien vroor. Ook was het
nu weder iederen dag gedurende een uur of vier eenigszins helder en
vertoonde de weerkaatsing der zonnestralen zich duidelijker aan de kim,
in afwachting van het tijdstip dat zij zich daarboven zouden verheffen.
Alle dorpsbewoners waren uit hunne onderaardsche woningen te
voorschijn gekomen. Groot en klein, mannen, vrouwen en kinderen
hadden hun mooiste kleederen aan, jassen en rokken van robben vel,
mantels van rendierenhuiden, met het haar naar buiten. Overal eene
uitstalling van wit of zwart bont, van mutsen met valsche parelsnoeren,
van veelkleurige borstlappen, van riemen die zij als sieraden om
het voorhoofd gebonden droegen, van oorringen, armbanden en andere
kleinoodiën, uit robbenbeenderen vervaardigd, die in hun neusbeentje
bevestigd werden.
Dit alles was echter nog niet mooi genoeg voor deze buitengewone
gelegenheid. De voornaamsten van het dorp hadden andere sieraden
noodig geacht, en de verschillende voorwerpen, die zij uit de _Schoone
Zwerfster_ geroofd hadden, moesten daarvoor dienst doen.
Er waren er die een volledig kunstenmakerspak met linten en strikken
aangehangen hadden. Sommigen droegen een van de mutsen of helmen van
Kruidnagel. Anderen hadden zich opgeschikt met een bandelier of koord,
waar de ringen aan bengelden die voor de gymnastische toeren gebruikt
werden. Een paar droegen aan hunnen gordel de bollen en halters;
maar het prachtigste sieraad van allen was dat van Tchou-Tchoûk,
die een aneroïde-barometer, als het grootkruis eener Nieuw-Siberische
ridderorde, op zijne borst liet slingeren.
Tevens werd er uit alle macht spektakel gemaakt met de
muziekinstrumenten van den troep. De klephoorn trachtte de
schuiftrompet te overschreeuwen en de roffeltrom deed zijn best om
nog meer lawaai te maken dan de turksche.
Cornelia kon evenmin als hare kinderen hare ergernis bedwingen over
dit oorverscheurende geraas en als zij gedurfd hadden, zouden zij de
inlandsche toonkunstenaars terdege uitgefloten hebben, want, zeide
Kruidnagel "ze blazen als walvisschen."
Niemand zou het echter willen gelooven, maar het was toch zoo:
Cesar Cascabel gaf de duidelijkste blijken van ingenomenheid met dit
concert. Hij klapte in zijne handen, riep hoera en bravo en zeide
met overtuiging:
--Ik sta werkelijk verbaasd over deze lieden! Zij hebben blijkbaar
aanleg voor muziek en als zij een engagement bij onzen troep willen
aannemen, dan sta ik er voor in dat zij een schitterend figuur op de
kermis te Perm, en misschien later op die te Saint-Cloud zullen maken.
Begeleid door dit tumult, trok de stoet het geheele dorp door en
begaven zij zich naar de gewijde plaats waar de afgodsbeelden gereed
stonden om de hulde der geloovigen te ontvangen. Tchou-Tchoûk ging
vooraan. Onmiddellijk achter hem volgden Cascabel, Sergius en de andere
leden van hun gezelschap; daarna de twee russische matrozen. De geheele
bevolking van Tourkef vormde het talrijkste gedeelte van den optocht.
Na eenigen tijd bleven zij allen stilstaan vóór de holte van de rots,
waarbinnen de afgodsbeelden geschaard stonden, behangen met kostbare
pelterijen en voor deze gelegenheid met frissche kleuren beschilderd.
Tchou-Tchoûk trad met opgeheven handen de _Vorspük_ binnen. Driemaal
boog hij het hoofd ter aarde; daarna legde hij zich plat voorover op
een tapijt van rendierenvellen, dat op den grond was uitgespreid. Dat
was, naar 's lands gebruik, de manier van knielen.
Cascabel en allen die hem vergezelden volgden het voorbeeld van
het opperhoofd. De geheele vergadering lag als door een tooverslag
ter aarde.
Toen er een plechtig stilzwijgen heerschte, begon Tchou-Tchoûk,
op half brommenden half zingenden toon, het woord te richten tot de
drie voornaamste afgodsbeelden, die in statige onbewegelijkheid op
de menigte schenen neer te zien.
Maar wat is dat? Daar antwoordt hem eene stem, een machtig,
doordringend geluid, dat van achteren uit de diepte der grot schijnt
te komen.
Welk een wonder! De stem komt uit den muil van het aan den rechterkant
staande afgodsbeeld. In duidelijk verstaanbaar russisch laat zij deze
woorden hooren:
_"Ani sviati, éti innostrantzi Katori ote zapada prichli! Zatchéme
ti ikhe podirjaïche?"_
Hetgeen beteekent:
"Die vreemdelingen, welke uit het Westen gekomen zijn, zijn
heilig! Waarom houdt gij hen gevangen?"
Bij het hooren dezer woorden, die alle inboorlingen duidelijk
verstonden, maakte eene algemeene verbazing zich van hen meester.
Het was de eerste maal dat de goden van Nieuw-Siberië zich
verwaardigden het woord tot de geloovigen te richten.
En andermaal liet eene stem zich hooren, ditmaal op bevelenden toon,
komenden uit den muil van het grootste afgodsbeeld ter linkerzijde,
en zeggende:
_"Ja tibié prikajou étote arrestantof otpoustite. Tvoïe narode doljne
dlia ikhe same balchoïe vajestvo imiète i nime addate vcié vieschtchi
katori ou ikhe bouili vziati. Ja tabié prikajou ou siberskoïé beregou
ikhe lioksché vosvratitcia."_
Drie volzinnen, welke aldus te vertalen zijn en die door Tchou-Tchoûk
in het geheel niet misverstaan konden worden:
"Wij bevelen u deze gevangenen in vrijheid te stellen!
"Wij bevelen uw volk hen met den grootsten eerbied te behandelen en
hun alles terug te geven wat hun ontnomen is!
"Wij bevelen u allen hen de reis naar het vasteland van Siberië zoo
gemakkelijk mogelijk te maken!"
Thans was het geene verbazing meer, maar ontzetting die de stem
teweegbracht. Tchou-Tchoûk had zich op zijne knikkende knieën ten
halve opgericht, met starende oogen en opengespalkten mond, de handen
trillende naar boven geheven, een beeld van stommen schrik. Ook de
andere inboorlingen waren opgerezen, niet wetende of zij opnieuw ter
aarde zouden vallen of de vlucht nemen.
Daar nam ook het derde afgodsbeeld, dat in het midden stond,
het woord. Zijne stem klonk hol en dreigend, vol onmiskenbaren
toorn. Iedere lettergreep had een dreunenden naklank en de r's die
er in voorkwamen, ratelden als het geknetter van donderslagen.
Ziehier wat deze stem verkondigde, en ieder woord kwam als met het
gewicht van eenen moker op de neergebogen hersenpan van Tchou-Tchoûk:
"_Jesle ti take niè sdièlèle élote toje same diène, kakda èti sviati
tchéloviéki boudoute jelaïte tchórte s'tvoïé oblacte!_"
Hetgeen wil zeggen:
"Indien deze heilige mannen niet losgelaten worden, den dag waarop
zij zulks verlangen zullen, zal onze toorn u en uwen stam treffen!"
Op dit oogenblik lag het opperhoofd met zijne onderdanen, verstijfd
van schrik en rillende in al hunne ledematen, languit op den grond,
terwijl Cesar Cascabel was opgerezen en zijne handen dankbaar naar
de afgodsbeelden ophief als om hen te zegenen voor hunne genadige
bescherming.