--Oude schurk, bromde Cascabel, begin met het geld terug te geven

dat ge reeds gestolen hebt. Daarna zullen wij zien.

De toekomst liet zich intusschen alles behalve geruststellend

aanzien. Niemand kon weten of de inlandsche dwingeland niet op een

of ander oogenblik van dreigen tot doen zou overgaan. In plaats van

Tchou-Tchouk had Cascabel hem in de wandeling den bijnaam Sjoe-Sjoe

gegeven, ofschoon, zeide hij, "die lieve bijnaam den schoelje even

goed past als een herderinnehoedje op den kop van een roodharigen

engelschman!"

Onophoudelijk dacht Cascabel over een middel om den wilde in de luren

te leggen. Maar welk? Hij peinsde en overlegde, maar vond niets. Hij

begon al bang te worden dat hij heelemaal "op" was, en daarmede

bedoelde hij dat zijne hersenkast leeg begon te worden. Een man als

hij, die op het stoute maar betreurenswaardige denkbeeld gekomen was

om over Azië uit Amerika naar Europa terugtekeeren, zulk een man scheen

nu zichzelf te moeten bekennen, dat hij niet slimmer was dan een ezel!

Dat maakte hem zoo mismoedig, dat Cornelia het niet aan kon zien.

--Hoe komt ge er aan, Cesar, om dat te denken? vroeg zij. Ge zult

wel iets weten te vinden; op het oogenblik dat ge er het minst op

bedacht zijt, zal het u te binnen schieten.

--Gelooft ge dat werkelijk?

--Ik durf er op te zweren.

Was het niet aandoenlijk dat Cornelia zulk een vertrouwen in de

schranderheid van haar man bleef stellen, ondanks den treurigen keer

dien zijn reisplan genomen had?

Van zijnen kant deed Sergius wat hij kon om hem op te beuren, maar al

de moeite welke hij aanwendde om Tchou-Tchouk tot andere gedachten te

brengen en hem van zijnen eisch te doen afzien, bleef vruchteloos. Er

was evenwel nog geene reden om het geduld te verliezen. Al had het

inlandsche opperhoofd er in toegestemd hen in vrede te laten trekken,

dan nog hadden zij er niet aan kunnen denken om in het hart van den

winter, onder eene koude van dertig tot veertig graden beneden het

vriespunt, het eiland Kotelnyi te verlaten.

De 25ste December was aangebroken en Cornelia had bepaald dat het

Kerstfeest gevierd zou worden met zooveel luister als de omstandigheden

toelieten. Dit kon alleen daarin bestaan dat het middagmaal wat

overvloediger zou wezen dan gewoonlijk. Ingelegd vleesch en groenten

waren de hoofdschotels; maar gelukkig was er in de provisiekast ook

nog geen gebrek aan meel, aan rijst en aan suiker, zoodat de ijverige

keukenprinses in de gelegenheid was een grooten koek te bakken,

die er prachtig uitzag en met gejubel begroet werd.

De twee russische matrozen werden dien dag mede te gast gevraagd en

namen de uitnoodiging aan. Dit was de eerste keer dat zij eenen voet

in de _Schoone Zwerfster_ zouden zetten.

Bij het eerste woord dat een van de twee--Kirschef namelijk--sprak,

was het Kayette, alsof zij die stem meer gehoord had. Maar waar of

wanneer zij den vreemde ontmoet kon hebben en had hooren spreken,

dit was zij niet in staat zich te herinneren.

Voor het overige voelde noch Cornelia, noch Napoleona, noch zelfs

Kruidnagel zich tot de twee mannen aangetrokken, die bovendien in

gezelschap van anderen zich weinig op hun gemak schenen te voelen.

Toen het maal ongeveer afgeloopen was verhaalde Sergius hun, op verzoek

van Ortik, wat hem en de Cascabels overkomen was in de provincie

Alaska. Hij beschreef hoe hij bijna stervende door hen gevonden was

nadat hij bijna het slachtoffer geweest was van eenen moordaanslag,

door twee roovers van de bende van Karkof op hem gepleegd.

Indien de twee vreemden meer in het licht gezeten hadden, had Sergius

of een van de anderen zeker gezien welk een zonderlingen blik zij

met elkander wisselden terwijl hun dit verhaal gedaan werd. Niemand

had daar echter erg in. Na een goed stuk van den koek gekregen en

dat met een stevig glas vodka-brandewijn doorgespoeld te hebben,

namen de twee russen afscheid van onze reizigers.

Zoodra zij op eenigen afstand waren, zeide de een:

--Dat is een mooie ontmoeting! Die rus is de man dien wij op de grens

van Alaska overvallen hebben en dien wij hadden willen plunderen als

die Indiaansche meid ons niet gestoord had.

--Dat zou een buitenkansje geweest zijn.

--Ja, de duizend of wat roebels, die nu in het bezit zijn van

Tchou-Tchouk, waren dan in onze handen gevallen!

De twee voorgewende matrozen waren dus een paar straatroovers,

medeplichtigen van de bende van Karkof, die in het geheele Westen

van Amerika berucht was. Nadat hun aanslag op Sergius mislukt was,

hadden zij in de duisternis hunnen weg niet terug kunnen vinden,

maar waren na veel omzwervens te Port-Clarence terecht gekomen. Daar

hadden zij eene schuit gestolen en hadden beproefd de Behringstraat

over te steken; maar zij waren door den stroom voortgesleept en hadden

duizende gevaren doorgestaan. Eindelijk waren zij op het grootste

eiland van den Liakhoff-archipel aangeland en daar in handen der

inboorlingen gevallen.

VI.

DE OVERWINTERING.

Zoo was het dus gesteld met Sergius en zijne reisgenooten op den 1sten

Januari 1868. Hun toestand, die op zichzelf reeds zorgwekkend was

dewijl zij door de inboorlingen van den Liakhoff-archipel gevangen

gehouden werden, werd nog ingewikkelder door de aanwezigheid van

Ortik en Kirschef. Want het was best mogelijk dat die schelmen van

deze onverwachte ontmoeting partij zouden willen trekken. Gelukkig was

het hun niet bekend dat de reiziger, dien zij op de Alaskische grens

hadden willen overvallen, een staatkundige veroordeelde was die uit de

vesting Jakoutsk ontvlucht was; dat hij graaf Narkine heette en nu,

onder den schijn van deel uit te maken van eenen kermistroep, naar

Rusland poogde terug te keeren. Hadden zij dit geweten, dan zouden zij

zeker geen oogenblik geaarzeld hebben om het geheim te verklappen; zij

zouden het gebruikt hebben als een middel om graaf Narkine geld af te

zetten, of zij zouden beproefd hebben hem aan de russische politie over

te leveren, op voorwaarde dat zijzelve gratie voor hunne misdrijven en

eene belooning in geld kregen. Maar al wisten zij dit niet, bestond

er geen gevaar dat het geheim, waar alleen Cascabel en zijne vrouw

mede bekend waren, op de eene of andere manier hun ter oore zou komen?

Voor het oogenblik hielden Ortik en Kirschef zich op eenen afstand,

ofschoon zij vast besloten waren, indien de gelegenheid zich voordeed,

te zamen met Sergius en de anderen eene poging te doen om hunne

vrijheid terug te krijgen.

Zoo lang de winter aanhield, was het echter maar al te duidelijk

dat er niets viel aan te vangen. Het was nu zoo fel koud dat de

ademhaling, met de lucht in aanraking komende, terstond in eene

lichte sneeuwwolk overging. De thermometer daalde somtijds beneden

de veertig graden onder het nulpunt der honderddeelige schaal. Ook

al kwam er geen wind bij, dan nog was het niet mogelijk in zulk eene

koude te vertoeven. Cornelia en Napoleona durfden niet meer buiten de

_Schoone Zwerfster_ te komen, wat trouwens de inboorlingen haar ook

niet toestonden. Ieder kan zich voorstellen hoe lang deze eindelooze

dagen, of liever die nachten welke bijna een heel etmaal duurden,

haar vielen.

Kayette, die aan de noord-amerikaansche winters gewend was, kon de

koude buitenlucht beter doorstaan, evenals de inlandsche vrouwen

van het eiland. In warme kleederen gewikkeld, zag men ze hare gewone

werkzaamheden verrichten. Zij droegen een japon van gevoerd rendiervel,

waren bovendien in eenen pelsmantel gewikkeld, hadden bonten kousen

en mocassins van robben vel aan hare voeten en mutsen van hondenvel

op. Van hare gezichten was niets te zien, zelfs niet het puntje van

haar neus,--maar daar verloor niemand iets aan.

Iederen dag maakten Sergius en Cascabel, vergezeld van Jan, Sander en

Kruidnagel, hunne verplichte opwachting bij Tchou-Tchouk. Zij wikkelden

zich daartoe in hunne pelzen evenals de twee russische matrozen, die

hetzelfde bezoek moesten afleggen en aan wie uit den voorraad van de

_Schoone Zwerfster_ eenige kleedingstukken en dekens verstrekt waren.

De inboorlingen stoorden zich weinig aan weer of wind. Zij gingen

onbeschroomd op de jacht, waartoe de door de vorst geharde vlakten

goede gelegenheid opleverden. Zij gebruikten lichte sleden, vervaardigd

van kinnebaksbeenderen, ribben en baarden van walvisschen, en voorzien

van glijstukken, die vóór dat de tocht aanvangt met water begoten

worden, dat terstond bevriest en den onderkant zoo glad als ijs

maakt. De sleden worden door rendieren getrokken, die voor dit werk

uitstekend geschikt zijn. Bovendien hebben zij honden van Samoyeedsch

ras, zoo groot en bijna even wild als wolven; sterk behaard, en

geelbruin of zwart en wit van kleur.

Als de Nieuw-Siberiërs eene voetreis ondernemen bedienen zij zich

van lange sneeuwschoenen of schaatsen, _ski_ genaamd, waarmede zij

in korten tijd groote afstanden afleggen langs de zeearmen, die zich

tusschen de eilanden in vele takken splitsen en over de natuurlijke

wegen, _tindra's_ geheeten, die door de vorst droog en hard gehouden

worden.

In het vervaardigen hunner wapenen staan de inboorlingen

van de Liakhoff-eilanden verre ten achter bij de Eskimo's in

Noord-Amerika. Pijl en boog zijn hunne eenige middelen van aanval

en verdediging. Hun vischtuig bestaat uit harpoenen waarmede zij de

walvisschen achtervolgen, en uit netten die zij laten zakken tot

op het diepe of grond-ijs, _grundi_ genaamd, waar de robben zich

veeltijds laten verschalken. Ook maken zij tegen sommige der grootste

robbensoorten, zooals de zeekoe of de zee-olifant, gebruik van messen

en pieken, waarmede zij niet zelden hevige gevechten hebben te leveren.

De witte beer is echter hun gevaarlijkste vijand. Gedurende de felste

winterkoude, wanneer er volstrekt geen voedsel meer op de sneeuw-

en ijsvlakten te vinden is, zoeken de uitgehongerde beren dikwijls

hunne prooi in de nabijheid der dorpen op de eilanden. Bij zulke

ontmoetingen toonen de inboorlingen hunne dapperheid; onversaagd gaan

zij het sterke en bloeddorstige dier te lijf, met niets dan hun mes

gewapend en in de meeste gevallen delft de beer het onderspit.

Meer dan eens waren de Cascabels getuigen van zulk een gevecht, waarin

de beer, na dikwijls verscheidene zijner aanvallers verwond te hebben,

ten slotte voor de overmacht bezweek. Het geheele dorp liep dan uit om

den verslagen vijand te bekijken. Het berenvleesch was eene lekkernij

voor de magen der Nieuw-Siberiërs, maar de beste stukken kwamen veelal

terecht op de tafel, of om juister te spreken, in den eetbak van

Tchou-Tchouk, en zijne gedweeë onderdanen kregen alleen de brokken,

die hij voor hen geliefde over te laten. Dit belette echter niet,

dat er een feestmaal van gehouden werd, dat gewoonlijk eindigde met

eene algemeene dronkemanspartij. De sterke drank der eilandbewoners

bestaat uit het gegiste aftreksel van verschillende planten, zooals

het jonge loof van eenige wilgen- en rhodiolasoorten, het sap van de

roode mirtenbezie en van eene gele moerasbes. Gedurende de enkele

weken dat de zomer duurt, worden deze planten en vruchten ijverig

ingezameld en tegen den winter aan 't gisten gemaakt.

Aangezien de beren zich echter slechts bij uitzondering vertoonen en

de jacht op dit verscheurende dier altijd een gevaarlijk werk blijft,

valt er op geen berenvleesch te rekenen en is het rendierenvleesch

de hoofdschotel der inlandsche keuken. De Nieuw-Siberische vrouwen

koken daar eene soep van, waar de Cascabels echter geen smaak in

konden vinden.

Vraagt men nu hoe de rendieren des winters aan voedsel komen, dan

is het antwoord, dat deze beesten zelfs onder de dikste sneeuwlaag

nog het schrale plantenvoedsel weten te vinden, dat zij voor hun

onderhoud noodig hebben. Er worden bovendien, vóór dat de vorst invalt,

ontzaglijke voorraden voeder ingezameld en opgestapeld, en het een

met het ander is voldoende om de rendierenkudde op Nieuw-Siberië,

die uit vele duizende beesten bestaat, in het leven te houden.

--Zooveel duizende rendieren, zuchtte Cascabel, die altijd peinsde

over de middelen om weg te komen, en met een twintigtal voor onzen

wagen zouden wij zoo goed geholpen zijn!

Wij moeten nog vertellen dat de inboorlingen van den Liakhoff-archipel

niet alleen afgodendienaars, maar zóó bijgeloovig zijn als men zich

ternauwernood voor kan stellen. De monsters, die zij met eigen hand

vervaardigen, vereeren zij vurig en de bevelen, die naar het heet

van de afgodsbeelden uitgaan, worden blindelings gehoorzaamd. Hun

opperhoofd Tchou-Tchouk gaf hun daarvan het voorbeeld; wat zijne

dweepzucht en zijn bijgeloof hem ingaven, was eene wet voor zijne

onderdanen.

Iederen dag begaf Tchou-Tchouk zich naar eene soort van tempel,

juister gezegd eene gewijde plaats, _Vorspük_ genaamd, dat wil zeggen

"de grot der gebeden." In eene uitholling van den rotswand stonden daar

de houten, met vele kleuren beschilderde palen, die als afgodsbeelden

dienst deden, en de geloovigen kwamen geregeld daar hunne knieën voor

buigen. Onverdraagzaam waren zij daarbij niet; zij hadden er niets

tegen dat de vreemdelingen in hun heiligdom kwamen en moedigden

hen zelfs daartoe aan. Hierdoor waren onze schipbreukelingen in

de gelegenheid de voorwerpen, die de Nieuw-Siberiërs vereerden,

nauwkeurig op te nemen.

Het uiteinde van elken paal werd gevormd door een afschuwelijken

vogelkop, met ronde, roode oogen, een wijd openstaande bek, en een

hooge kam, die als een hoorn omgebogen was. Kruipende naderden de

inboorlingen deze monsters, zij hielden hunne ooren tegen den paal

onder het prevelen van lange gebeden, en ofschoon de godheid natuurlijk

nooit antwoordde, verbeeldden zij zich toch wel degelijk haren wil

te vernemen, die trouwens in den regel overeenstemde met hetgeen

de vrager zich te voren daarvan voorgesteld had. Als Tchou-Tchouk

zijne onderdanen de eene of andere nieuwe belasting wilde opleggen,

bleef de oude schavuit nooit in gebreke eene stem uit den hooge te

vernemen, die daarop hare goedkeuring verleende, en bij niet een

zijner volgelingen kwam het op, daaraan te twijfelen.

Eenmaal in de week had er eene buitengewone godsdienstoefening plaats,

waar alle bewoners van het dorp deel aan namen. Het deed er niet toe

hoe koud het was en of de sneeuwstorm de vlakte geeselde, zoodat het

een gevoel was alsof men met messen in het gezicht gesneden werd; de

heele bevolking volgde Tchou-Tchouk op de hielen, naar de _Vorspük_. En

niemand raadt waar de mannen en vrouwen zich mede opschikten sedert

de _Schoone Zwerfster_ in hun midden was. Met alles wat zij uit

den wagen gestolen hadden, met de kermispakken van Cascabel en de

jongens en met de rokken van Cornelia, die zij over hunne kleederen

heen droegen! Een had den helm met de pluim van Kruidnagel op. Ook

blies er een op den hoorn, zóó dat de oogen hem uit het hoofd puilden;

een ander haalde de onmogelijkste geluiden uit de schuiftrompet en een

paar beukten er op de groote- en de roffeltrom. Dit maakte een lawaai,

waar het schreeuwen en tieren der kerkgangers zich mede vermengden.

Telkens als Cesar Cascabel dat moest aanzien vloekte hij in éénen

adem door tegen het dievengespuis, dat zijne kleederen droeg en de

muziekinstrumenten misschien voor altijd onbruikbaar maken zou.

--Bandieten! Hondsvotten! schold hij, en zelfs Sergius zag geen kans

hem tot bedaren te brengen.

Daar kwam nog bij dat de toestand op den duur ondragelijk begon te

worden. De dagen en weken kropen voort alsof er nimmer een einde

aan komen zou. Er scheen geen uitredding te wachten. De tijd ging

niet alleen werkeloos maar tot schade van iedereen voorbij, want tot

het maken van kunsten bestond geen gelegenheid en Cascabel was niet

weinig bevreesd, dat als zij ooit nog op de kermis te Perm aankwamen,

hunne ledematen en gewrichten heelemaal vastgeroest zouden zijn. Het

eenige middel om te voorkomen dat zij geheel en al den moed verloren,

was dat Sergius onvermoeid in de weer bleef om hen door verhalen en

onderwijzen leerzaam bezig te houden. Zoodoende was de gedwongen rust

ten minste voor iets nuttig.

Van zijnen kant leerde Cascabel aan Sergius allerlei goocheltoeren

en handigheden, zooals hij zeide tot tijdverdrijf, maar het kon

te pas komen als Sergius misschien nog eens onder de oogen der

russische politieagenten het beroep van kunstenmaker zou moeten

uitoefenen. Jan hield zich voortdurend bezig met het geven van les in

lezen en schrijven aan Kayette en deze volgde vlijtig het onderricht

van haren meester. Men beschuldige de twee jongelieden niet te spoedig

van zelfzucht, wanneer wij er bijvoegen dat zij zich het best van allen

in den toestand schikten, dewijl beider gemoed geheel werd ingenomen

door een gevoel, dat machtiger is dan alle andere aandoeningen. Niet

zonder deelneming sloeg Sergius de wassende vertrouwelijkheid tusschen

zijne aangenomen dochter en Jan gade. Kayette was vlug van begrip

en Jan voelde zich zichtbaar gelukkig als hij haar, van hetgeen hij

geleerd had, iets mee kon deelen. Hoe jammer zou het toch wezen als

zulk een flinke jongen, met zulk een gelukkigen aanleg en zoo vlijtig

van aard, nimmer iets anders worden kon dan een arme kunstenmaker,

en als er voor hem geen betere maatschappelijke loopbaan te vinden

ware. Maar dit behoorde onder de raadselen der toekomst, en wie kon

zeggen of er in het geheel nog sprake zijn kon van eene toekomst

voor een gezin, dat op de uiterste grens der bewoonde wereld door

een barbaarschen volksstam gevangen gehouden werd?

Tchou-Tchouk toonde zich nog maar niet geneigd om iets van zijne

eischen te laten vallen. Zonder losgeld verkoos hij de gevangenen hunne

vrijheid niet te schenken, en van elders scheen er voor hen geen kans

op redding te bestaan. Welk middel viel er dus te bedenken om aan het

geld te komen, dat het inhalige opperhoofd hen trachtte af te persen?

Toch bezaten de Cascabels nog eenen schat, maar daar wisten zij niets

van. Onze lezers zullen zich herinneren, dat Sander steeds in het bezit

was van zijn kostbaren klomp goud;--ten minste hij zelf twijfelde geen

oogenblik aan de waarde van den steen. Als niemand hem gadesloeg,

haalde hij het ding uit den hoek waar hij het verborgen hield. Dan

wreef en poetste hij het zoo lang tot het blonk. Geen oogenblik zou hij

geaarzeld hebben om het af te geven indien Tchou-Tchouk zich daarmede

tevreden had willen stellen. Maar de "sjoe-sjoe", zooals Cascabel

hem bleef noemen, zou zeker het brok goud, dat er uitzag alsof het

maar een gewone keisteen was, niet in de plaats van klinkende munt

hebben willen aannemen. Sander bleef zich dus maar vleien met het

vooruitzicht, van eenmaal in Europa teruggekeerd, het stuk steen in

gouden kopstukken te kunnen omwisselen, ter vervanging van de dollars

die aan zijne ouders in Amerika ontstolen waren.

Dit zou alles terecht komen zoodra zij hunnen tocht naar Europa konden

voortzetten, maar of zij ooit daartoe zouden komen, werd iederen dag

meer twijfelachtig. De twee russische booswichten, die het noodlot

ook nog op den weg der Cascabels gevoerd had, dachten er even zoo over.

Op een goeden dag, den 23sten Januari, kwam Ortik een bezoek in de

_Schoone Zwerfster_ brengen, zoo het heette om met Cascabel, Sergius

en Jan te praten over hunne kansen om weg te komen, maar inderdaad

om te weten te komen wat de anderen voornemens waren te doen, indien

Tchou-Tchouk hun verlof mocht geven om hunne reis voort te zetten.

Hij begon met deze vraag:

--Mijnheer Sergius, waart gij van plan den winter in Siberië

doortebrengen toen gij van Port-Clarence vertrokken zijt?

--Ja, antwoordde Sergius, wij hadden ons voorgesteld eene of

andere bewoonde plaats op te zoeken en daar het zachtere weder

aftewachten. Waarom vraagt gij dat Ortik?

--Omdat ik wilde weten of gij bij dat plan blijft, in geval die

verwenschte kerels hier op het eiland u los mochten laten.

--Neen, hernam Sergius, daardoor zouden wij onze reis, die al zoo

lang duurt, noodeloos langer maken. Het komt mij voor dat het nu

beter zou zijn op de russische grens aan te houden en te trachten

een der passen van het Oeral-gebergte over te komen.

--In het noordelijke gedeelte van het gebergte dus?

--Natuurlijk, dat is de kortste weg dien wij door de steppen, heen

kunnen volgen.

--Maar zoudt gij dan uwen reiswagen hier laten, mijnheer Sergius? vroeg

Ortik verder.

Die vraag had Cascabel blijkbaar verstaan, want hij antwoordde haastig:

--Wat, de _Schoone Zwerfster_ in den steek laten! In geen geval als

ik maar een span rendieren machtig kan worden, en het zal niet lang

duren denk ik....

--Weet gij dan een middel om weg te komen? vroeg Sergius.

--Ik heb er zelfs geen flauw vermoeden van; maar Cornelia blijft

volhouden dat ik er een vinden zal en Cornelia heeft zich nog nooit

vergist. Dat is eene vrouw, mijnheer Sergius, zooals er geen tweede

bestaat, en zij kent mij!

Het vertrouwen van Cascabel op zijn goed gesternte was niet

uitteroeien. Dat vier franschen en drie russen met hun allen niet in

staat zouden wezen een Sjoe-Sjoe eene kool te stoven, wilde er niet

bij hem in.

Sergius had aan Ortik overgebracht hoe Cascabel over het achterlaten

van de _Schoone Zwerfster_ dacht:

--Maar om uwen wagen medetenemen, hervatte de matroos, die hier

bijzonder veel aan scheen te hechten, moet gij een stel rendieren

hebben.

--Ongetwijfeld.

--Denkt gij dat Tchou-Tchouk u daaraan helpen zal?

--Ik denk dat mijnheer Cascabel een middel zal vinden om er hem toe

te dwingen.

--En vervolgens wilt gij over het ijsveld heen de reis naar de

siberische kust ondernemen?

--Natuurlijk.

--Daartoe zal het noodig zijn, mijnheer Sergius, dat gij opbreekt

vóór dat het begint te dooien, dat is binnen drie maanden.

--Dat kan niet anders.

--Maar gij zult niet kunnen.

--Misschien zullen de inboorlingen vóór dien tijd ons vergunnen heen

te gaan.

--Dat is toch niet waarschijnlijk, mijnheer Sergius, want het losgeld

betalen kunt gij niet.

Cascabel had zich dit antwoord van Ortik doen vertolken, en antwoordde

terstond.

--Misschien kunnen die verwenschte kerels toch wel genoodzaakt worden

ons te laten gaan.

--Genoodzaakt? Door wie? vroeg Jan.

--Door omstandigheden.

--Welke omstandigheden, vader?

--Ja, als wij dat wisten! antwoordde Cascabel. Een samenloop van

omstandigheden, maar welke?

Hij krabde zich het hoofd alsof hij er een plan uit wilde trekken,

maar er kwam niets voor den dag.

--Welnu, hernam Sergius, het beste is dat wij beginnen met te

veronderstellen dat de inboorlingen ons niet verkiezen los te

laten. Kunnen wij in dat geval niet wegkomen zonder dat zij het

goed vinden?

--Het is te probeeren, meende Jan. Maar in dat geval zullen wij zeker

de _Schoone Zwerfster_ hier moeten laten.

--Praat daar niet van, riep Cascabel. Daar valt niet aan te denken Jan,

ik wil er niet van hooren!

--Maar er is niets aan te doen, vader.

--Neen, zeg ik. De _Schoone Zwerfster_ is ons huis, dat overal met

ons medegaat. Onder haar dak hadt gij geboren kunnen worden, Jan. Wij

laten haar niet in handen van die zee-varkens, van die robben in

menschengedaante die hier wonen.

--Mijn waarde Cascabel, hernam Sergius, alles wat wij in staat zijn te

doen zullen wij beproeven om de toestemming der inboorlingen tot ons

vertrek te krijgen, maar er zijn tien kansen tegen een dat dit niet

gelukken zal en in dat geval moeten wij trachten te vluchten. Welnu,

als wij aan Tchou-Tchouk willen ontsnappen, kan het niet anders dan

met achterlating.....

--Van de woning der Cascabels! riep Cesar uit, met eene verbittering

welke raden liet hoeveel moeite het hem kosten zou daarin toetestemmen.

--Misschien, hervatte Jan, zou er toch nog iets anders te bedenken

zijn, waardoor alles terecht kon komen.

--Wat zou dat wezen?

--Zou één van ons niet kunnen trachten wegtekomen, het vasteland te

bereiken en de russische politie kennis te geven van den toestand

waarin wij verkeeren? Mijnheer Sergius, ik ben bereid het te beproeven.

--Dat nooit! antwoordde Cascabel terstond.

--Neen, dat in geen geval, zeide Ortik even beslist, nadat Sergius

hem had medegedeeld wat Jan wilde.

Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe · 第 6 / 16 段