van den Liakhoff-archipel zich bezig met de walvischvangst, welke
in dit gedeelte van de noordelijke IJszee veel oplevert, en met de
robbenjacht die des zomers bijna even zooveel kans op buit biedt als
op Behring-eiland.
Op deze hooge noordelijke breedte is de winter strenger dan in eenig
ander bekend gedeelte der aarde. De inboorlingen wonen onder den
grond, dat wil zeggen zij graven zich holen, die verscholen liggen
onder de dikke sneeuwlaag. Die holen bestaan uit onderscheidene
vertrekken, waarin zonder veel moeite eene voldoende warmte onderhouden
wordt. Voor brandstof wordt het voorwereldlijke hout gebruikt, dat
veel van steenkool heeft en in groote hoeveelheden op deze eilanden
aangetroffen wordt, zonder nog de walvischbeenderen te rekenen, die
mede voor hetzelfde doel dienstig zijn. Eene opening in het "dak"
dezer holwoningen geeft aan den rook hunner zeer ruw ingerichte
stookplaatsen gelegenheid om te ontsnappen. Dit maakt dat het op het
eerste gezicht lijkt alsof de bodem der eilanden bezaaid is met van
die krateropeningen, welke men solfatara's noemt, waardoor de gassen
van in werking zijnde vulkanen zich eenen uitweg banen.
Rendierenvleesch is het voornaamste voedsel der eilanders. Talrijke
kudden van deze herkauwende dieren leven hier te zamen. Ook worden
er elanden buit gemaakt en tegen het aanbreken van den winter groote
voorraden visch gedroogd en gerookt. Voor hongersnood bestaat er dus
onder de Nieuw-Siberiërs, dank zij deze onderscheidene hulpbronnen,
geen gevaar.
Het gezag over de Liakhoff-eilanden werd op dat tijdstip gevoerd door
een inlandsch hoofd, Tchou-Tchouk genaamd, wiens macht bijna onbeperkt
mocht heeten. Dit vormt een kenmerkend onderscheid tusschen dezen
volksstam en de Eskimo's van het uiterste Noorden in Amerika, onder
wie eene republikeinsche gelijkheid regel is. Nog grooter is echter het
verschil in uiterlijke welvaart, in zeden en in gastvrijheid. Over het
gemis van dat alles onder de Nieuw-Siberiërs hebben de walvischvaarders
menigmaal te klagen en ook onze schipbreukelingen zouden nog meer
dan eens hunne goede vrienden, de ingezetenen van Port-Clarence,
terug wenschen.
Het viel niet tegen te spreken dat de familie Cascabel het moeilijk
ongelukkiger had kunnen treffen. Na het ongeluk dat hun in de
Behringstraat overkomen was, konden zij het niet anders dan aan eene
buitengewone ongunst van het noodlot toeschrijven, dat zij hier op
de Liakhoff-eilanden moesten aanlanden en in de handen vallen van
eenen zóó barbaarschen en ongastvrijen volksstam.
Cascabel was dan ook niet in staat zijne teleurstelling te verbergen,
toen hij zich omringd zag door een honderdtal-wanstaltige wilden,
die met woeste gebaren en geluiden de zwervelingen, die het toeval
op hunne kust geworpen had, schenen te bedreigen.
--Wat willen die apen van ons? riep hij uit, nadat hij degenen,
die het dichtst bij hem waren, een weinig had doen terugdeinzen.
--Stellig niet veel goeds, vader, antwoordde Jan.
--'t Is een mooie manier om eenen reiziger te ontvangen! zouden zij
bij geval lust hebben om ons opteëten.
--Dat niet, maar zij zullen ons waarschijnlijk op hun eiland gevangen
willen houden.
--Gevangen houden, zegt ge?
--Ja, want dat hebben zij ook gedaan met twee matrozen, die vóór ons
hier aangeland zijn.
Jan had geen tijd om verder te vertellen, want een twaalftal
inboorlingen hadden Sergius, Cascabel en de anderen reeds
aangegrepen. Zij zagen zich dus genoodzaakt goed- of kwaadschiks hen
naar het dorp Tourkef, de voornaamste bewoonde plaats op den archipel,
te vergezellen.
Een twintigtal andere inlanders begaven zich tegelijk op weg naar de
_Schoone Zwerfster_, wier aanwezigheid door een licht rookwolkje in
het Oosten nog even verraden werd.
In een kwartier tijds werden de gevangenen naar Tourkef gebracht en
daar in eene vrij groote ruimte, die onder den grond gegraven was,
gelaten.
--Dat moet zeker het huis van arrest en bewaring verbeelden, merkte
Cascabel op, nadat zij zich rondom het brandende vuur geschaard hadden
en door hunne geleiders alleen gelaten waren.
Het eerste waar nu echter aan gedacht werd, was hoe het met Jan en
Kayette gegaan was. Zij vertelden dat het stuk ijs, waar zij samen
op stonden, tusschen de andere klompen aan het drijven geraakt en
in westelijke richting voortgejaagd was. Jan hield het Indiaansche
meisje in zijne armen teneinde te voorkomen dat zij door de bewegingen
van de ijsschots vallen zou. Zij hadden niets om te eten bij zich en
waren zonder eenige schuilplaats, maar zij bevonden zich tenminste bij
elkaar. Zij stonden dicht tegen elkander aan en deden hun best om den
honger en de koude niet te voelen. Het werd duister, zij konden elkaar
niet meer zien, alleen nog maar hooren. Onder aanhoudende angsten,
telkens met het vooruitzicht van in de diepte te zullen worden gestort,
ging het eene uur na het andere voorbij. Op hetzelfde oogenblik dat
de eerste schemering van den dag zich vertoonde, bonsde hunne schots
tegen het groote, vastzittende ijsveld aan. Zonder te aarzelen sprongen
zij daarop over. Na geruimen tijd geloopen te hebben kwamen zij aan
het eiland Kotelnyi, waar de inboorlingen hen spoedig bespeurden en
zich van hen meester maakten.
--En gij meent, Jan, vroeg Sergius, dat er zich reeds andere
schipbreukelingen hier op het eiland bevinden?
--Ja, antwoordde Jan.
--Hebt gij die reeds gezien?
--Neen, mijnheer Sergius, zeide Kayette, maar ik heb de inlanders,
die russisch spreken, onder elkander hooren praten over twee matrozen
die zij in het dorp gevangen houden.
De taal der volksstammen in het hooge Noorden van Rusland heeft
inderdaad veel overeenkomst met het russisch, zoodat ook Sergius zich
aan de bewoners der Liakhoff-eilanden verstaanbaar maken kon. Maar wat
zou dit baten tegenover deze roofzuchtige wilden, die oorspronkelijk
afkomstig zijn uit den omtrek der groote riviermondingen, doch naar
Nieuw Siberië uitgeweken zijn, waar de russische politie, die elders
op het vasteland de orde handhaaft, hen niet bereiken kan?
Voor Cascabel was het intusschen niet uittehouden dat hij niet vrij
was om zich te bewegen en te gaan waarheen hij goedvond. Niet zonder
reden vreesde hij dat zijne _Schoone Zwerfster_ door het dievengespuis
ontdekt, leeggeroofd en misschien vernield zou worden. Het was waarlijk
nog al de moeite waard, door zooveel gevaren heen den wagen uit de
Behringstraat behouden herwaarts gebracht te hebben, om hem nu in de
handen van deze "pool-bandieten" te zien vallen!
--Komaan, Cesar, poogde Cornelia hem te troosten, schep moed! Het
baat immers niets of gij u driftig maakt. Bedenk liever dat het nog
veel erger met ons had kunnen afloopen.
--Wat had er dan wel kunnen gebeuren, Cornelia?
--Bijvoorbeeld, als wij Jan en Kayette eens niet teruggevonden
hadden. Dat zou dan toch veel erger geweest zijn! Bovendien, zijn wij
niet allen behouden en levend hier? Hoeveel gevaren zijn wij niet te
boven gekomen, Cesar; het is bijna niet om er aan te gelooven. Ik
voor mij vind dat wij geen recht hebben om te klagen, maar liever
dankbaar moeten zijn aan de Voorzienigheid....
--Nu, ik ben haar ook dankbaar Cornelia, van ganscher harte zelfs! Maar
ik mag toch wel mijn hart luchten tegen den duivel, die ons stellig
aan dit diefachtige vee heeft overgeleverd. Kijk maar, zij lijken
meer op beesten dan op menschelijke wezens!
Daarin had Cascabel geen ongelijk, maar het was toch ook waar wat
Cornelia zeide: geen van de passagiers der _Schoone Zwerfster_
ontbrak op het appèl. Zooals zij Port-Clarence verlaten hadden,
zoo stonden zij ook met hun allen in het dorp Tourkef.
--Jawel, in een mollengat of een bunsinghol, bromde Cascabel. Een
eenigszins gelikte beer zou in zoo'n spelonk zijn nest niet willen
hebben.
--Maar wat of er van Kruidnagel geworden zou zijn? riep Sander op eens.
Dat was waar ook. Hem zouden zij bijna vergeten hebben. Zou de
brave kerel, achtergelaten om op de _Schoone Zwerfster_ te passen,
misschien met gevaar van zijn leven haar verdedigd hebben? Bevond
hij zich thans ook als een gevangene onder de wilden?
Met de gedachte aan Kruidnagel, kwam ook die aan de andere levende
reisgenooten weder boven.
--En onze Jako? zuchtte Cornelia.
--En John Bull? klaagde Napoleona.
--En onze honden? dacht Jan overluid.
Het spreekt vanzelf dat zij allen in de eerste plaats over Kruidnagel
bezorgd waren, maar toch onmiddellijk na hem kwamen de papegaai,
de aap, en Wagram met Marengo.
Op dit oogenblik vernamen zij een luid rumoer buiten het hol, een
vloed van scheldwoorden, vermengd met hondengeblaf. Het duurde niet
lang of de deur werd opengerukt en de twee honden stormden naar binnen,
op hunne hielen gevolgd door Kruidnagel.
--Daar ben ik, patroon, riep de arme drommel,.... tenminste als ik
het werkelijk ben, want ik weet heusch niet hoe ik het heb!
--Het is met jou precies gesteld als met ons allemaal, antwoordde
Cascabel terwijl hij hem de hand drukte.
--En onze _Schoone Zwerfster_? vroeg Cornelia haastig.
--Onze _Schoone Zwerfster_? was Kruidnagel's wedervraag. Wel, die
hebben deze heeren onder de sneeuw weten te vinden, zij hebben er
zichzelve voorgespannen als trek-ossen en haar naar hun dorp gesleept.
--En Jako? vroeg Cornelia weder.
--Jako ook.
--En John Bull? zeide Napoleona.
--John Bull even als de rest.
Nu het heele gezin te Tourkef opgesloten zat, was het nog het beste dat
hun huis er zich ook bevond, al liep dit dan ook gevaar leeggestolen
te worden.
Intusschen begonnen zij allen honger te krijgen, maar het scheen wel
alsof de inboorlingen er zich niet om bekommerden of hunne gevangenen
iets te eten kregen. Gelukkig had de bedachtzame Kruidnagel het een
en ander in zijne zakken gestoken. Hij had eenige blikken ingemaakt
vleesch medegenomen en dat was voldoende om althans eenigen tijd den
honger te stillen. Daarna wikkelden zij zich in hunne pelsjassen
en trachtten zij den slaap te vatten te midden van een benauwden
dampkring, die door het rookende vuur nog ondragelijker gemaakt werd.
Den volgenden ochtend, dat was den 4den December, werd het geheele
gezelschap uit het hol te voorschijn geroepen. Ofschoon het vinnig
koud was, deed de buitenlucht hen toch onuitsprekelijk aangenaam aan.
Zij werden nu voor Tchou-Tchouk gebracht.
Dit was een kerel met een sluw gezicht, doch weinig vriendelijk of
innemend. Zijne onderaardsche woning was ruimer en ook een weinig
geriefelijker dan de armzalige verblijven zijner onderdanen. Zij was
uitgegraven aan den voet van een steenachtigen, met sneeuw bedekten
heuvel, waarvan de kruin veel op een berenkop geleek.
Tchou-Tchouk kon een jaar of vijftig oud zijn. In zijn baardeloos
gezicht schitterden een paar kleine, glurende, vurige oogen;
de uitdrukking van het gelaat had iets beestachtigs door een paar
scherpe hoektanden, die onder zijne lippen te voorschijn kwamen. Hij
zat op eenen hoop pelterijen, was in rendiervellen gewikkeld, droeg
laarzen van zeehondenleer en had een pelsmuts op. Hij knikte nu en
dan met het hoofd, zonder veel te zeggen.
--Een echte boeventronie, of ik heb het mis! bromde Cascabel.
Een paar van de voornaamsten van den stam bevonden zich bij hem. Buiten
stonden een vijftigtal inlanders, nagenoeg eveneens gekleed als hun
opperhoofd en wier geslacht men niet onderscheiden kon, want mannen
en vrouwen dragen in Nieuw Siberië dezelfde kleederen.
Tchou-Tchouk richtte het eerst het woord tot Sergius, wiens landaard
hij waarschijnlijk vermoedde. In zeer verstaanbaar russisch zeide
hij tegen hem:
--Wie zijt gij?
--Ik ben een onderdaan van den Czaar, antwoordde Sergius, denkende
dat dit eenigen indruk op den eilandenkoning maken zou.
--En die anderen? vervolgde Tchou-Tchouk, terwijl hij op Cascabel en
de leden van zijn gezin wees.
--Dat zijn franschen, zeide Sergius.
--Franschen? herhaalde het inlandsche opperhoofd.
Het was alsof hij van een volk, of van eenen volkstam met dezen naam
nooit gehoord had.
--Wis en zeker, franschen!... franschen!... Uit Frankrijk... hondsvot!
riep Cascabel.
Dit zeide hij echter in zijne eigen taal, met al de vrijmoedigheid
van iemand die weet dat hij toch niet verstaan wordt.
Maar wie is dat? hernam Tchou-Tchouk, met den vinger naar Kayette
wijzende, want het ontging hem niet dat dit meisje tot een ander ras
behoorde dan de overigen.
--Het is eene Indiaansche, verzekerde Sergius.
Er werd nu een vrij levendig gesprek aangeknoopt tusschen Tchou-Tchouk
en Sergius, waarvan deze laatste den voornaamsten inhoud aan zijne
reisgenooten vertolkte.
Het einde van dit onderhoud was dat de schipbreukelingen zich als
gevangenen hadden te beschouwen en genoodzaakt waren op het eiland
Kotelnyi te blijven, zoo lang zij niet in staat waren in russische
klinkende munt eenen losprijs van drieduizend roebels te betalen.
--Waar wil hij dat wij die van daan halen, de schobbejak? vroeg
Cascabel. Die roovers hebben stellig alles wat er nog over was van
uw geld, mijnheer Sergius, al ingepalmd.
Op een teeken van Tchou-Tchouk werden de gevangenen weder naar buiten
geleid. Het werd hun vergund in het dorp rond te loopen, op voorwaarde
dat zij zich niet zouden verwijderen en het bleek hun reeds den eersten
dag dat zij zorgvuldig in het oog gehouden werden. Het zou hun trouwens
niet mogelijk geweest zijn in dit jaargetijde, midden in den winter,
op de vlucht te gaan teneinde zich naar het vasteland te begeven.
Sergius en zijne reisgenooten gingen dus terstond naar de _Schoone
Zwerfster_. Zij vonden er een aantal inboorlingen in stomme verbazing
over John Bull, die zijne leelijkste gezichten tegen hen trok. De
wilden hadden nooit eenen aap gezien en dachten zeker dat dit
vierhandige, roodbehaarde schepsel een hunner natuurgenooten was.
--Zij zelven zijn ook wel menschen! merkte Cornelia op.
--Ja.... maar dat is geen eer voor ons, zeide Cascabel.
Na een oogenblik voegde hij er bij:
--Wel beschouwd, had ik zelfs niet mogen zeggen dat die wilden apen
zijn. Die staan in alle opzichten boven hen en ik vraag mijnen vriend
John Bull verschooning voor de vergelijking.
John Bull antwoordde met over zijn kop te duikelen. Maar toen een
inboorling de hand naar hem uitstak, beet hij daarin zoo dat het
bloed te voorschijn kwam.
--Flink zoo, John! riep Sander. Bijt ze maar! Bijt er op los, zoo
hard je kunt!
Dit had echter slecht voor den aap kunnen afloopen en hij had misschien
den beet duur moeten betalen indien de aandacht der inboorlingen
niet afgeleid was geworden door de verschijning van Jako, wiens kooi
opengezet was en die nu te voorschijn kwam, waggelende op zijne pooten.
Op de eilanden van Nieuw Siberië waren apen zoo min als papegaaien
ooit te zien geweest. Geen der inboorlingen had in zijn leven zulk
eenen vogel onder de oogen gehad, met zulke kleurige vederen, zulke
ronde oogen alsof het brilleglazen waren en met zulk een haakvormig
gebogen snavel.
Men kan zich echter niet voorstellen welk eenen indruk het maakte
toen Jako eenige duidelijk uitgesproken woorden uit dien snavel
komen liet. Alles wat de praatzuchtige vogel te vertellen wist,
liet hij achtereenvolgens hooren, tot niet geringe verbazing der
inboorlingen. Bijgeloovig als zij waren, dachten zij niet anders of
er was eene bovenaardsche macht in het spel. Zij geloofden dat hunne
afgoden er mede gemoeid waren en sommigen wierpen zich, geheel ontdaan,
voor den vogel op de knieën. Cascabel had daar niet weinig schik in
en moedigde den papegaai op alle manieren aan.
--Goed zoo, Jako, riep hij. Gêneer je niet, Jako, zeg aan die
uilskuikens dat ze barsten kunnen.
Jako gehoorzaamde. Barst! klonk het uit zijn snavel. Het was een van
de woorden die hij het duidelijkst uitsprak, en het klonk ditmaal
zoo hard en barsch dat de inlanders het niet langer uit konden
houden, maar onder teekenen van de grootste ontsteltenis op de vlucht
sloegen. Dat gaf een gelach onder de familie Cascabel! Zoo groot was
hunne bezorgdheid niet, of zij vergaten die op dit oogenblik.
--Kom aan, kom aan, zeide Cesar, die bij de minste kleinigheid zijnen
moed weer terugkreeg, de drommel moge mij halen als wij die idioten
de baas niet zijn!
De gevangenen bleven nu aan hun lot overgelaten en aangezien
Tchou-Tchouk er niets tegen scheen te hebben dat zij weder van de
_Schoone Zwerfster_ bezit namen, besloten zij daarin een onderkomen te
zoeken. Zonder eenigen twijfel gaven de Nieuw-Siberiërs aan hunne
onderaardsche woningen verre de voorkeur boven het verblijf in
den wagen.
Toen alles werd nagezien bleek het dat er alleen eenige zaken van
weinig waarde uit de _Schoone Zwerfster_ gestolen waren. Daaronder
behoorde echter ook het geld van Sergius, en Cesar Cascabel was niet
gezind om dit, zelfs in den vorm van eenen losprijs, in den steek
te laten. Intusschen was het eene groote verbetering dat zij de
geriefelijke slaapplaatsen en vertrekken in den wagen weder mochten
betrekken in plaats van een stinkend onderaardsch hol. Alles werd
op zijne plaats gevonden. Beddegoed, keukengereedschap, ingemaakte
levensmiddelen, niets daarvan scheen in den smaak te zijn gevallen
van de inlandsche heeren en dames. Moesten zij de wintermaanden hier
doorbrengen, in afwachting van eene gelegenheid om naar het vasteland
te komen, dan konden zij van hunne gewone verblijfplaats gebruik maken.
Nu zij hunne vrijheid teruggekregen hadden om te komen en te gaan
zooals zij goedvonden, besloot Sergius ook kennis aan te knoopen met
de twee matrozen die ongetwijfeld, even als zij zelven, door weer
en wind op dezen onherbergzamen archipel beland waren. Het was zaak
te beproeven of deze vreemdelingen hen misschien behulpzaam konden
zijn om gezamenlijk de waakzaamheid van Tchou-Tchouk te verschalken
en eene gelegenheid tot vluchten op te sporen.
Het overige van den dag werd gebruikt om het inwendige van de
_Schoone Zwerfster_ weder in orde te brengen. Daar viel heel wat
schoon te maken en Cornelia, die eene ordelijke huishoudster was,
begon met alles uit te halen en te reinigen. Kayette, Napoleona en
Kruidnagel waren, onder haar opperbevel, den heelen dag daarmede bezig.
In het voorbijgaan moeten wij nog vertellen dat Cesar Cascabel, van het
oogenblik af dat hij zich weder vleide met de hoop van zijne majesteit
Tchou-Tchouk op de eene of andere manier een kool te kunnen stoven,
zijne opgeruimdheid, die slechts een oogenblik schuil was gegaan,
heelemaal teruggekregen had.
Den volgenden dag ging hij met Sergius op weg om de twee gevangene
matrozen optezoeken. Vermoedelijk genoten die even veel vrijheid als
hun zelve gelaten werd. Het bleek dat zij niet achter slot gehouden
werden, maar in een hol aan het andere einde van het dorp verblijf
hielden. De inboorlingen verzetten er zich volstrekt niet tegen dat
Sergius en Cascabel hen daar kwamen toespreken.
De twee matrozen bleken russen te zijn, de een van vijfendertig,
de ander van veertigjarigen leeftijd. Zij zagen er ellendig uit,
vermoeid, hongerig en armoedig. Hun matrozenpak bestond uit niet veel
meer dan lompen, door eenige lappen bont ternauwernood voor de koude
een weinig beschut. Koude en ontbering stonden op hun gelaat te lezen;
hunne ongekamde en wild dooreengegroeide haren en hun verwarde baard
maakten het bijna onmogelijk hunne trekken te onderscheiden. Het
waren echter een paar stevige volwassen mannen wier hulp, als het
er op aankwam, niet te versmaden was. Maar het was alsof zij op de
kennismaking met de andere schipbreukelingen, wier komst op het eiland
hun reeds bekend was, niet bijzonder gesteld waren. Toch scheen de
overeenstemming van hunnen toestand en hun gemeenschappelijk belang
om zoo spoedig mogelijk uit hunne gevangenschap te geraken, hen naar
eene aanraking met deze lotgenooten te moeten doen verlangen.
Sergius knoopte een gesprek met hen aan in het russisch. Het bleek
dat de oudste Ortik en de jongste Kirschef heette. Zij toonden eerst
eenige aarzeling, doch kwamen er toch langzamerhand toe om te vertellen
wat er met hen gebeurd was.
--Wij zijn beide matrozen en afkomstig uit Riga, verhaalde Ortik. Een
jaar geleden hebben wij ons aan doen monsteren aan boord van den
walvischvaarder _Seraski_ bestemd voor eene reis in de Noordelijke
IJszee. Ongelukkig heeft ons schip bij het naderen van den winter
niet bijtijds de Behringstraat kunnen bereiken en is het tusschen
het ijs vastgeklemd geraakt. Niet ver van de Liakhoff-eilanden, een
weinig noordelijk daarvan, is het eindelijk gebarsten en gezonken,
waarbij de geheele bemanning omkwam, met uitzondering alleen van
Kirschef en ik. Wij waren zoo gelukkig eene der booten te bereiken
en zijn daarmede weggedreven naar de kust van Nieuw-Siberië, waar
wij in handen der inboorlingen gevallen zijn.
--Hoe lang is dat geleden? vroeg Sergius.
--Twee maanden ongeveer.
--Hoe hebben zij u ontvangen?
--Even als u, veronderstel ik, antwoordde Ortik. Tchou-Tchouk houdt ons
gevangen en wil ons niet loslaten vóórdat wij eenen losprijs betalen.
--Waar moeten wij dien van daan halen? viel Kirschef hem in de rede.
Op eenigszins ruwen toon liet Ortik nog volgen:
--Of het moest zijn dat gij geld genoeg bij u hebt voor uzelven zoowel
als voor ons..... want ik veronderstel dat wij landslieden zijn?
--Dat is zoo, gaf Sergius ten antwoord; maar het geld dat wij
medegenomen hebben is door de inboorlingen buit gemaakt, zoodat wij
geen cent rijker zijn dan gij.
--Zooveel te erger, hernam Ortik.
Beiden deelden nog eenige bijzonderheden mede over hunne wijze van
leven. Zij woonden in een onderaardsch verblijf, waar het niet licht
en niet ruim was; overigens werd hun eenige vrijheid gelaten, doch
zij werden niet uit het oog verloren. Hunne kleederen waren geheel
versleten, zij hadden niets anders te eten dan den gewonen mondkost
der inboorlingen en deze was nauwelijks voldoende om hunnen honger te
stillen. Tegen het einde van den winter, als het open water en dus
de gelegenheid om weg te komen gunstiger werd, waren zij er echter
op voorbereid dat zij zorgvuldiger bewaakt en misschien achter slot
gehouden zouden worden.
--Met eene visschersschuit zouden wij in staat zijn den vasten
wal te bereiken, maar de wilden zullen ons dan zeker niet zooveel
vrijheid laten als thans. Zij zullen wel maatregelen nemen om ons
dat te beletten.
--Maar het duurt op zijn minst vier of vijf maanden vóór het open water
wordt, zeide Sergius. Zóo lang hier gevangen te blijven, gaat niet.
--Weet gij een middel om weg te komen? vroeg Ortik nieuwsgierig.
--Voor het oogenblik niet, antwoordde Sergius. Intusschen ligt het
natuurlijk op onzen weg dat wij elkander trachten te helpen. Gij moet
veel uitgestaan hebben mijne vrienden, en indien wij u met iets van
dienst kunnen zijn....
De twee matrozen betuigden hiervoor hunnen dank, maar toonden zich toch
niet bijzonder toeschietelijk. Wanneer men hun nu en dan een weinig
beter eten bezorgen kon, dat zouden zij wel gaarne willen hebben.
Meer vroegen zij niet, of het moest zijn dat de anderen nog eenige
dekens missen konden. Met hen samenwonen wilden zij echter niet. Zij
bleven liever waar zij waren, doch beloofden hunne lotgenooten te
zullen komen opzoeken.
Sergius en Cascabel, die het gevoerde gesprek gedeeltelijk verstaan
had, namen na deze belofte afscheid van de twee vreemdelingen. Het
uiterlijk dezer mannen boezemde weinig vertrouwen in, doch dit
mocht geene reden zijn om hun geene hulp aan te bieden. De eene
schipbreukeling is immers den ander bijstand schuldig. Er werd dus
besloten dat hun lot zooveel als mogelijk was verzacht zou worden,
en deed zich eene gelegenheid voor om te vluchten, dan was Sergius
niet van zins hen in den steek te laten. Voor hem waren het niet
alleen medemenschen, maar bovendien landgenooten.
Er gingen twee weken voorbij, in welken tijd zij hun best deden
om zich in den veranderden toestand te schikken. Iederen ochtend
waren zij verplicht voor het inlandsche opperhoofd te verschijnen
en opnieuw te luisteren naar zijne aanmaningen om te zorgen dat het
losgeld er kwam. Hij maakte zich dikwijls driftig, dreigde en riep
zijne afgodsbeelden tot getuigen dat het niet voor hem, maar voor
hunnen dienst was dat hij geld wilde hebben.