op te geven. Het stuk ijs waar wij ons op bevinden is stevig genoeg en
nu het weer gaat vriezen, bestaat er geen gevaar meer dat het stuk zal
gaan. Bovendien is het een geluk dat wij juist den kant opdrijven waar
wij heen moeten en wij leggen dus dit gedeelte van onzen tocht afzonder
ons te vermoeien, even alsof wij op een schip waren. Wij moeten maar
geduld hebben; ten laatste komen wij zeker in eene goede haven terecht.
--Wel, ik geloof dat niemand van ons daar aan twijfelt, antwoordde
Cascabel, die zijne goede luim geheel terug gekregen had. Ik zou hier
wel eens iemand willen zien die den moed opgeeft. Wie dat durft te
doen zonder dat ik er het voorbeeld van geef, zet ik op water en brood.
--Wij hebben niet eens brood, merkte Sander op.
--Nu, dan op scheepsbeschuit en water. Bovendien krijgt hij geen
uitgangkaartje als hij uit den wagen gaat.
--Mooi praten! zeide Kruidnagel. Wij kunnen er niet uit.
--Mond gehouden! Het is zooals ik gezegd heb.
In de laatste week van November sneeuwde het vervaarlijk. Er vielen
zulke pakken sneeuw en deze stapelden zich zoodanig op, dat niemand
meer buiten kon komen en dit was oorzaak dat er bijna een groot
ongeluk gebeurd was.
Des ochtends van den 30sten November bespeurde Kruidnagel, toen hij
wakker werd, dat het hem groote moeite kostte om adem te halen. Het
was alsof er geen lucht meer in den wagen te krijgen was.
De anderen lagen nog in hunne bedden in een diepen en benauwden
slaap. Het was zoo bedompt in de vertrekjes dat Kruidnagel een gevoel
had alsof hij stikken zou.
Hij poogde de buitendeur open te maken om versche lucht te scheppen,
maar zag er geen kans toe.
--Heidaar, mijnheer Cascabel! riep hij zoo hard dat al de slapers in
de _Schoone Zwerfster_ opschrikten.
Sergius, Cascabel en de twee jongens sprongen op. Het eerste wat Jan
zeide, was:
--Maak de deur toch open! Ik stik hier.
--Ik kan de deur niet open krijgen, antwoordde Kruidnagel.
--Dan de raampjes.
Dit ging evenmin, want de raampjes sloegen naar buiten op en het was
niet mogelijk ze los te krijgen.
In een oogenblik hadden zij met hun allen de deur uit hare hengels
gelicht. Toen bleek het hoe het kwam dat zij niet open kon.
De gang die zij rondom de _Schoone Zwerfster_ vrijgelaten hadden,
was geheel verstopt geraakt door de sneeuw die er zich gedurende den
nacht in opgehoopt had. Maar niet alleen de gang, ook de opening
welke in den muur gemaakt was om naar buiten te kunnen komen, was
door de sneeuw niet meer te vinden.
--Zou de wind gedraaid zijn? vroeg Cascabel.
--Dat denk ik niet, antwoordde Sergius. Als de wind West was, zou er
zulk eene massa sneeuw niet gevallen zijn.
--Dan moet ons ijsveld zelf omgedraaid zijn, meende Jan.
--Dat houd ik voor het meest waarschijnlijk, bevestigde Sergius. Maar
dat zullen wij later onderzoeken. Op het oogenblik is het zaak te
zorgen dat wij niet stikken door gebrek aan lucht.
Zonder langer te praten gingen Jan en Kruidnagel met eene schop en
een houweel aan het werk om de gang weder open te krijgen. Dit was
eene zware karrewei, want de harde en vaste sneeuw was tot boven de
_Schoone Zwerfster_ opgestapeld, zoodat er bijna niets van den wagen
meer te zien was.
Zij moesten elkaar bij het werk dan ook spoedig aflossen. Er was geen
ruimte om de sneeuw naar buiten te werpen en zij waren dus genoodzaakt
die in het voorste vertrekje te storten, waar zij echter, tengevolge
van de warmte die daar heerschte, spoedig smolt en als water weder
naar buiten stroomde.
Na een uur arbeids waren zij nog niet door de vaste sneeuwmassa
heen. Zij kwamen dus nog niet in aanraking met de buitenlucht, konden
in den wagen de lucht niet ververschen en het werd daar met iedere
minuut benauwder, want de zuurstof werd hoe langer hoe minder en het
koolzuur hoe langer hoe meer.
Zij hijgden allen naar adem en snakten naar lucht in dezen bedorven
dampkring. Kayette en Napoleona konden het nauwelijks meer uithouden,
maar Cornelia had het duidelijk het ergst te kwaad. Kayette
vergat zichzelve om moeder Cascabel zooveel zij kon verlichting te
geven. Hadden zij maar een enkel raampje open kunnen krijgen, dan ware
het voldoende geweest om een stroom van lucht binnen te laten komen,
maar wij hebben reeds verteld dat dit niet kon.
--Moed gehouden! riep Sergius. Wij hebben al zes voet in de sneeuw
uitgegraven en heel dik kan de laag nu niet meer zijn.
Dit moest inderdaad het geval wezen indien er geen sneeuw meer
bij kwam. Maar zij wisten niet of het nog niet aanhoudend bleef
voortsneeuwen.
Cascabel kwam toen op het denkbeeld om niet langer recht vooruit, maar
naar boven te graven, in welke richting de sneeuwlaag waarschijnlijk
minder dik en dus ook minder vast moest wezen.
Dit bleek werkelijk het geval te zijn. Het graven ging nu
gemakkelijker. Zij maakten eene soort van koker en na nog een half uur
arbeid, waren zij er door heen. De buitenlucht stroomde naar binnen.
Het was hoog tijd. Zij hadden het niet lang meer kunnen uithouden.
--Wat is dat heerlijk! riep Napoleona, terwijl zij diep ademhaalde.
--Dat is nog lekkerder dan een taartje, zeide Sander likkebaardende.
Het duurde echter nog eenigen tijd vóór dat Cornelia bijkwam uit de
verdooving waarin zij door de benauwdheid geraakt was. Zij was bijna
flauw gevallen.
De opening werd nu wijder gemaakt en de mannen kropen er doorheen
tot boven op den ijsmuur. Zoover het oog reikte was alles wit. De
_Schoone Zwerfster_ lag onder deze dikke laag geheel bedolven en was
alleen nog te onderscheiden als eene vormelooze ophooging van het
drijvende sneeuwveld.
Met het kompas overtuigde Sergius zich dat de wind nog altijd Oost was,
maar dat hunne ijsschots zich ten halve had omgekeerd, waardoor hare
uiteinden in tegenovergestelde richting waren komen te liggen. Hierdoor
was het gekomen dat zoowel de gang als de opening in de borstwering
door de sneeuw verstopt waren geraakt.
De thermometer in de buitenlucht wees niet meer dan zes graden onder
het vriespunt. De zee was geheel open, voor zoover zij er in de
bijna volslagen duisternis over konden oordeelen. Men moet echter
wel in het oog houden dat het ijsveld, waarschijnlijk door dat het
een oogenblik in eene draaikolk gekomen was, zich omgedraaid had,
maar dat het in dezelfde richting naar het Westen was blijven drijven.
Na hetgeen er gebeurd was, wat zulke noodlottige gevolgen had
kunnen hebben, begrepen zij dat er nieuwe voorzorgen genomen moesten
worden. Sergius stelde voor om recht tegenover de bestaande opening
in de borstwering er eene tweede te maken en ze beide dagelijks open
te houden. Op die manier zou de buitenlucht altijd toegang hebben,
onverschillig hoe de ligging van het ijsveld was.
--Ik vind het best, antwoordde Cascabel. Maar dit moet ik toch zeggen
dat ik nooit zoo'n gemeen land gezien heb als dit. Het is nauwelijks
goed genoeg voor een walvisch. Dan is het beter in mijn Normandië.
--Ik zal het niet tegenspreken, zeide Sergius. Maar wij moeten het
nemen zooals het nu eenmaal is.
--Jawel, mijnheer Sergius, zoo neem ik het ook, maar ik wou dat ik
het alweer kwijt was!
Wel mocht onze brave Cascabel er over klagen! Dit was zeker niet zoo'n
goed land als Normandië, maar ook niet als Zweden, als Noorwegen,
als Finland zelfs, al zijn de winters daar ook nog zoo streng. Het
was het onherbergzame Poolland, met zijnen nacht van vier maanden,
zijne razende stormen, zijne wilde en verblindende sneeuwvlagen,
zijne nimmer doorbrekende nevels, die de kim geen oogenblik vrij laten.
Toch was dit alles nog maar een deel der onheilen die hen boven
het hoofd konden hangen. Hield het ijsveld eenmaal op met drijven,
doordat de geheele zee eene vaste vlakte geworden was, wat zou hen dan
te doen staan? De _Schoone Zwerfster_ aan haar lot overlaten, zonder
toevluchtsoord de honderden mijlen afleggen die hen scheidden van de
Siberische kust, dat was waarlijk iets waar zij nauwelijks aan denken
konden. Dikwijls vroeg Sergius zich af of het nog niet beter zou zijn
den winter door te brengen op dezelfde plek waar hunne ijsschots zou
blijven liggen, en tot de zomer weder aanbrak eene schuilplaats te
vinden onder het beschermende dak van dit huis op wielen, waarvan de
wielen misschien nimmer meer zouden draaien. Als het niet anders kon,
zou het zeker doenlijk geweest zijn om op deze manier den tijd der
ergste koude door te komen. Maar vóór dat de temperatuur weder zachter
werd, vóór dat de Poolzee begon te ontdooien, moesten zij toch de plek
waar zij overwinterden verlaten en de lange ijswoestijn doortrekken,
die anders weder in eene onbegaanbare zee veranderen zou.
Op het oogenblik behoefde dit echter nog niet beslist te worden en
onze schipbreukelingen konden gerust het laatste gedeelte van den
winter afwachten. Zij moesten ook alvorens den tocht te aanvaarden, te
weten zien te komen op welken afstand zij zich van het land bevonden,
altijd aangenomen dat dit te berekenen was. Sergius hoopte dat het
niet bijzonder ver zou zijn, want het ijsveld was onveranderlijk
naar het Westen gedreven en aldus de kapen Kekournyi, Cheliagskyi en
Baranof voorbij, en straat Long alsmede de Kolyma-baai doorgestevend.
Jammer genoeg dat zij in de laatstgenoemde baai niet aangeland waren,
want vandaar zou het hun betrekkelijk weinig moeite gekost hebben
in het land der Joukaghirs te komen, en hier liggen Kabatchkova,
Nyne-Kolymsk en andere bewoonde plaatsjes waar zij den winter hadden
kunnen doorbrengen. Met een span rendieren hadden zij terug kunnen
keeren naar de plek waar zij de _Schoone Zwerfster_ achterlieten,
teneinde die in veilige haven te brengen. Maar het viel gemakkelijk
te berekenen dat zij die baai reeds achter zich moesten hebben,
in aanmerking genomen de snelheid van den stroom, en met de
riviermondingen van de Tchoukotchia en de Alazeia moest hetzelfde
het geval zijn. Niets kon hen nu meer tegenhouden, of het moest een
van de eilanden zijn die tot den Anjou-Archipel, de Liakhoff- of de
Long-groep behooren. De meeste van die eilanden zijn echter onbewoond
en er zouden dus geen middelen te vinden zijn om de karavaan, met al
haar toebehooren, op het vaste land terug te brengen. Toch was het
aanlanden op zoo'n eiland nog te verkiezen boven het altijd verder
drijven, tot waar het poolijs aan hunnen zwerftocht een einde maakte.
November was nu voorbijgegaan. Negenendertig dagen was het geleden dat
de familie Cascabel van Port-Clarence vertrokken was en zich op het
ijs der Behringstraat gewaagd had. Ware de ijsvlakte niet losgegaan,
dan zouden zij reeds vijf weken geleden te Numana den voet op vasten
wal gezet hebben en dan hadden zij op dit oogenblik de winterkwartieren
betrokken in een of ander dorp in zuidelijk Siberië, waar zij van
den barren poolwinter niet veel hinder gehad zouden hebben.
Intusschen moest het einde van hunnen zwerftocht nu weldra ophanden
zijn. Het werd hoe langer hoe kouder, bestendig ging de thermometer
naar beneden. Zorgvuldig achtgevende op den toestand van hun ijsveld,
bevond Sergius dat dit voortdurend grooter werd door dat er zich los
geraakte stukken van ijsbergen aan hechtten, waartusschen het zich
eenen weg baande. Het had reeds een derde meer oppervlakte, en in
den nacht van den 30sten November op den 1sten December kwam er een
geweldig groot brok aan den achterkant tegenaan zitten. Dit stuk ijs
lag tot op vrij groote diepte beneden den zeespiegel; de stroom had
er dus meer vat op en deed het sneller voortdrijven dan hun ijsveld,
waarvan het gevolg was dat dit laatste zich andermaal omdraaide en
met den grooteren klomp ging mededrijven, even alsof het daardoor op
sleeptouw genomen werd.
Met het drogere en koudere weder was nu de lucht volkomen helder
geworden. De wind was naar het noordoosten geloopen, hetgeen niet in
hun nadeel was, want zij dreven zoodoende naar de kust toe. De lange
nachten werden opgehelderd door den schitterenden sterrenhemel van
de poolstreken en niet zelden werd de geheele omtrek verlicht door
de vonkelende stralen van het noorderlicht dat zich waaiervormig
aan de kim uitstrekte. Niets belemmerde dan het uitzicht, dan heel
in de verte de buitenste punten van het vastzittende ijs. Op den
minder donkeren achtergrond verhief deze blanke massa zich met hare
spitse toppen, hare ronde heuvelruggen, hare naalden en torens,
bijeengeschaard als een woud. Het was een verbazend schoon gezicht,
zóoals er in deze door de natuur zoo misdeelde streken meer voorkomen
en dat onze schipbreukelingen meer dan eens hun kommervollen toestand
vergeten deed.
Nu de wind veranderd was, jaagde deze het ijs niet sneller meer
voort en zij werden alleen nog medegesleept door de kracht van den
stroom. Waarschijnlijk zou het ijsveld dus niet veel verder meer naar
het Westen drijven, want tusschen de ijsbergen begon het zeewater
zich reeds vast te zetten. Deze versche ijslaag brak echter bij den
minsten schok. De ijsklompen bleven ongeregeld door elkander drijven,
waarbij slechts nauwe doortochten open bleven, zoodat hunne schots
dikwijls tegen grootere stukken aanbotste. Dan zaten zij eenige uren
onbewegelijk, maar daarna raakten zij weder los en dreven op eigen
gelegenheid verder. Maar zij konden zich er op voorbereiden dat hunne
overwintering op eene en dezelfde plek spoedig eenen aanvang nemen zou.
Den 3den December omstreeks den middag waren Sergius en Jan naar
het voorste gedeelte van het ijsveld gegaan, gevolgd door Sander,
Kayette en Napoleona, allen zorgvuldig in pelzen gewikkeld, want
het was nu terdege koud. Aan de Zuiderkim vertoonde zich een weinig
licht, het eenige teeken dat de zon zich boven den gezichteinder
bevond. Voor het overige was alles in eene flauwe schemering gehuld,
het laatste schijnsel van het noorderlicht, dat zeker op eene andere
plek te zien was.
Zij stonden eenigen tijd met aandacht naar de in beweging zijnde
ijsbergen te kijken, die allerlei zonderlinge vormen vertoonden, ook
nu en dan tegen elkander kwamen of onderste boven tuimelden wanneer
zij, aan den onderkant door de zee afgeknaagd, hun evenwicht verloren.
Op eens begon ook de ijsklomp, die kort te voren aan hunne schots
vastgeraakt was, te waggelen en stortte omver, waarbij een stuk van
hunne schots werd medegerukt en de zee een eind ver over het ijsveld
stroomde.
Allen waren zoo hard zij konden weggeloopen, maar op hetzelfde
oogenblik hoorden zij angstkreten:
--Help.... help.... Jan!
Het hulpgeschrei kwam van Kayette. De plek waar zij stond was door
den schok losgescheurd en dreef met haar weg.
--Kayette!.... Kayette! riep Jan.
Maar het afgebroken stuk ijs was reeds door den stroom gegrepen en
gleed langs den rand van het ijsveld, dat zelf in eene wieling geraakt
was en eenigen tijd op dezelfde plaats bleef ronddraaien. Nog eenige
oogenblikken en zij zouden Kayette te midden der drijvende ijsbergen
uit het oog verliezen.
--Kayette!.... Kayette! herhaalde Jan.
--Jan!... Jan! antwoordde de Indiaansche voor het laatst. Op het
hooren van deze angstkreten waren ook Cornelia en Cascabel komen
aanloopen. Zij stonden verstijfd van schrik evenals Sergius, die geen
middel wist te bedenken om het arme meisje te hulp te komen.
Op dit oogenblik was het stuk ijs, al drijvende, iets naderbij gekomen,
zoodat nog maar eene strook water van een voet of zes hen van Kayette
scheidde. Op eens, vóór dat iemand hem kon tegenhouden, nam Jan eenen
sprong, die hem naast het meisje te land deed komen.
--Mijn zoon... mijn zoon! gilde Cornelia.
Zij waren nu geen van beiden te naderen. Door den sprong had Jan het
stuk ijs, waar Kayette op stond, een eind ver doen terug deinzen;
het werd spoedig tusschen de andere ijsklompen medegesleept en hun
hulpgeroep verloor zich in de ruimte.
Nog twee uren bleven de anderen wachten, maar toen werd het geheel
duister en waren zij verplicht naar hunne schuilplaats terug te
keeren. De ongelukkigen brachten den nacht slapeloos door, terwijl
zij in den omtrek van de _Schoone Zwerfster_ bleven dwalen. De
honden huilden jammerlijk. Wat moest er van Jan en Kayette worden,
zonder onderkomen, zonder voedsel en alleen in den duisteren
nacht! Het eene uur ging na het andere voorbij, onder jammeren en
schreien. Cascabel was door dit ongeluk als verpletterd, hij liet
niets dan onsamenhangende woorden hooren, waarin hij andermaal zichzelf
de schuld gaf van al den jammer dien hij door zijne lichtzinnigheid,
zooals hij zeide, over zijn gezin gebracht had. Sergius was niet in
staat hem troost te bieden; hij had zelf al zijne geestkracht noodig
om zich niet aan de wanhoop over te geven.
Den volgenden ochtend tegen acht uur--dat was op den 4den
December--raakte hun ijsveld weder drijvende, na den geheelen nacht te
midden der elkander kruisende stroomingen niet van plaats veranderd
te zijn. Het ging nu weder den kant op waar zij Jan en Kayette uit
zicht verloren hadden, maar deze waren achttien uren vóór en er was
dus geene hoop hen achterop te komen of terug te vinden. Zij waren
trouwens aan alle kanten van gevaren omringd; de koude was te fel om
er langen tijd in te kunnen leven; zij hadden geen eten bij zich en
dreven voort, omringd van ijsbergen, waarvan de kleinste groot genoeg
was om hunne schots als een stuk glas te verbrijzelen.
Wij beproeven niet de droefheid der familie Cascabel te
beschrijven. Ondanks de nijpende koude waren zij geen van allen naar
binnen gegaan; zij bleven steeds om Kayette en Jan roepen, ofschoon
zij wisten dat die veel te ver waren om hen te kunnen hooren.
De dag liep ten einde zonder dat er eenige verandering kwam. Het werd
weder nacht en nu drong Sergius toch bij allen aan dat zij zich in
de _Schoone Zwerfster_ moesten begeven. Maar aan slapen kon niemand
hunner een oogenblik denken.
Plotseling, te drie uur in den ochtend, kreeg de wagen een geweldigen
schok, zóó hard dat hij bijna omver viel. Wat was er nu weder
gebeurd? Zou er misschien een groote ijsberg tegen hun ijsveld
aangekomen zijn en dit in stukken gebroken hebben?
Sergius snelde naar buiten.
De laatste stralen van het noorderlicht maakten het mogelijk op
eenen afstand van eene halve mijl in de rondte alle voorwerpen te
onderscheiden.
In alle richtingen liet Sergius zijne blikken gaan. Maar van Jan of
Kayette was niets te bespeuren.
De schok, dien zij gevoeld hadden, was teweeggebracht doordat hunne
schots tegen een groot ijsveld aangekomen was. De temperatuur was
nu gedaald tot twintig graden beneden het vriespunt; de geheele zee
was ééne ijsvlakte geworden en waar den avond te voren alles nog in
beweging was, zag men nu niets dan eene roerlooze ijswoestijn. Zij
waren voorgoed tot stilstand gekomen.
Sergius ging naar binnen en verhaalde aan de anderen wat er gebeurd
was.
--Dus ligt de geheele zee vóór ons nu vastgevroren? vroeg Cascabel.
--Vóór ons, achter ons en in alle richtingen, antwoordde Sergius.
--Welnu, dan moeten wij gaan zien of wij Jan en Kayette niet terug
kunnen vinden. Laat ons geen oogenblik wachten.
--Op weg dan maar! hernam Sergius.
Cornelia en Napoleona wilden evenmin in de _Schoone Zwerfster_
achterblijven. Die werd dus aan de hoede van Kruidnagel toevertrouwd
en de anderen gingen op marsch, voorafgegaan door de twee honden die
over het ijs liepen te snuffelen.
Het ijs was zoo hard als graniet. Zij sloegen den kant van het Westen
in. Indien Wagram en Marengo het spoor van Jan wisten te vinden,
dan zouden zij het ook wel volgen. Na een half uur loopens hadden
zij echter nog niets ontdekt en moesten zij stil houden, want in
deze koude, waar zelfs de lucht als bevroren is, raakt men spoedig
buiten adem.
Naar het Noorden, Zuiden en Oosten strekte het ijs zich als eene
effene vlakte uit, maar in het Westen vertoonden zich eenige hoogten,
die niet den gewonen vorm der ijsbergen hadden. Misschien konden dit
heuvels zijn, op een eiland of op het vasteland gelegen.
Op dit oogenblik begonnen de honden hard te blaffen en snelden zij
naar eene besneeuwde verhevenheid toe, waarop zich eenige zwarte
stippen vertoonden.
De tocht werd hervat en nu bemerkte Sander spoedig dat twee van die
stippen teekenen schenen te geven.
--Jan,.... Kayette! riep hij en snelde er op af, door Wagram en
Marengo gevolgd.
Het waren inderdaad Kayette en Jan, beide springlevend.
Maar zij waren niet alleen. Een troep inboorlingen stond rondom hen
geschaard en dit waren bewoners van de Liakhoff-eilanden.
V.
DE LIAKHOFF-EILANDEN.
In dit gedeelte van de noordelijke IJszee liggen drie groepen eilanden,
te zamen bekend onder den naam van Nieuw-Siberië en onderscheiden als
de Long-, de Anjou- en de Liakhoff-eilanden. Deze laatsten liggen
het dichtst bij de Siberische kust, tusschen de 73 en 75 graden
noorderbreedte en de 135 en 140 graden oosterlengte, en beslaan eene
uitgestrektheid van negen en veertig vierkante kilometers. De grootste
zijn bekend als de eilanden Kotelnyi, Blinyi, Malyi en Belkoff.
Het zijn niets dan naakte rotsvlakten, zonder boom of struik,
zonder anderen plantengroei dan alleen, in het midden van den
zomer, enkele gewassen van lagere orde. De grond ligt vol walvisch-
en mammouth-beenderen, die sedert de vorming dezer eilanden daar
opgehoopt zijn, evenals er versteende voorwereldlijke boomstammen
in groote hoeveelheid gevonden worden. Dit is alles wat er van de
Liakhoff-eilanden te beschrijven valt.
Zij zijn ontdekt in het begin der achttiende eeuw.
Kotelnyi, het zuidelijkste en grootste van de groep, op ongeveer
vierhonderd kilometer van het vasteland gelegen, was het eiland waar
de schipbreukelingen van de _Schoone Zwerfster_ voet aan land zetten,
nadat zij veertig dagen drijvende geweest waren en eenen afstand
van zes of zevenhonderd mijlen afgelegd hadden. Zuidoostelijk van
het eiland, op de Siberische kust, ligt de groote zeeboezem van de
Lena, een groote inham waar de wateren van de Lena-rivier, een van
de aanzienlijkste stroomen van noordelijk Azië, in de IJszee eenen
uitweg vinden.
Deze Liakhoff-archipel is dus met recht het _ultima Thule_, het verst
bekende land der poolstreken op dezen lengtegraad. Daar voorbij, tot
aan den rand van het nimmer smeltende poolijs, heeft geen zeevaarder
meer eenig land gevonden. Nog vijftien graden noordelijker, en men
is aan de pool.
Onze schipbreukelingen bevonden zich dus op de uiterste grens der
aarde, al ligt ook Spitsbergen en het noordelijkste uiteinde van
Amerika op nog hoogere breedte.
Intusschen, ofschoon de Cascabels nu meer in het Noorden terecht
gekomen waren dan hun voornemen was geweest, zij waren toch steeds
de richting gevolgd welke zij op wilden, die namelijk van Europeesch
Rusland. Zij hadden van Port-Clarence af, eenige honderden mijlen
afgelegd, wel onder dreigende gevaren, maar zonder zich sterk te
vermoeien. Al drijvende, hadden zij een heel eind weegs afgelegd,
dat zij anders hadden moeten doortrekken in een land dat gedurende den
winter nauwelijks toegankelijk is. Misschien mochten zij dus nog van
geluk spreken, indien zij het nu maar niet al te slecht troffen nu zij
in handen gevallen waren van inboorlingen der Liakhoff-eilanden. Want
het stond te bezien of deze lieden hen vrij zouden laten trekken, of
wel, indien zij hen verkozen gevangen te houden, of het dan mogelijk
zou zijn aan hunne handen te ontkomen. Het een zoowel als het ander was
mogelijk. In elk geval zouden zij spoedig bemerken wat de inboorlingen
met hen voor hadden, en eenmaal daarvan op de hoogte, zouden zij,
naarmate van de omstandigheden, hunne maatregelen dienen te nemen.
Het eiland Kotelnyi wordt bewoond door eenen volksstam van Finsche
afkomst, welke uit ongeveer tweehonderd vijftig of driehonderd
personen, mannen, vrouwen en kinderen bij elkaar gerekend,
bestaat. Deze inboorlingen zijn van een terugstootend uiterlijk en
staan nog verre in beschaving ten achter bij de andere strandbewoners
dezer streken, de Tchouktchis, de Joukaghirs en de Samojeden. Zij
zijn afgodendienaars in de meest strikte beteekenis van het woord,
ondanks de moeite welke de Moravische broeders zich gegeven hebben
om het bijgeloof onder de bevolking van Nieuw-Siberië tegen te
gaan. Dit is even onmogelijk gebleken als hen terug te brengen van
hunne aangeboren neigingen om te stelen en zeeroof te plegen.