Gebeurde dit, dan kwamen onze zwervers meest met den schrik vrij,

maar telkens als het tot eene botsing kwam, hadden zij het ergste te

vreezen. Dan kreeg hun ijsveld dikwijls zulk een schok, dat het een

geluk was wanneer alles wat breekbaar was en los stond in den wagen,

niet verbrijzeld werd. De kans dat hunne drijvende verblijfplaats

zich in een aantal stukken zou oplossen, hing hun dus steeds boven

het hoofd. Telkens als er zoo'n groote ijsklomp in het zicht kwam

zochten zij allen eene schuilplaats rondom de _Schoone Zwerfster_ en

klemden zij zich aan den wagen vast, waarbij Jan steeds de nabijheid

van Kayette zocht. Het verschrikkelijkste wat hen overkomen kon,

was dat hun ijsveld in verschillende stukken brak en sommigen van hen

naar onderscheidene kanten werden voortgesleurd. Bovendien was het ijs

minder stevig aan de randen dan in het midden, waar het verscheidene

voeten dikker was.

Gedurende den nacht hielden Cascabel, Sergius, Jan en Kruidnagel om

beurten de wacht. Zij keken scherp uit in de dikke duisternis, te

midden waarvan zij de witte reuzengevaarten als spoken voorbij zagen,

glijden. Ook werd het uitzicht belemmerd door dichte nevels, die als

wolkensluiers door den wind voortgezweept en door de maan, die even

boven den horizont verscheen, met een grauw en geheimzinnig licht

overgoten werden. Zoodra de man, die op wacht stond, onraad meende

te bespeuren, maakte hij alarm en vlogen zij allen op om aftewachten

wat er komen zou. Niet zelden ging de naderende ijsberg plotseling

een anderen kant op en gleed hij voorbij, maar soms bonsde hij ook

tegen hun ijsveld aan zoodat de touwen van de _Schoone Zwerfster_

afknapten en de palen uit het ijs gerukt werden. Zij mochten van

geluk spreken dat er niets ergers gebeurde en dat de kille bodem,

waar hun wagen opstond, niet in een aantal stukken gescheurd werd.

Intusschen kwam er nog maar geen verandering in de ongewone

weersgesteldheid, vroor de zee nog maar niet dicht, niettegenstaande

het nu reeds in de eerste week van November was, en bleef zij hier,

op enkele graden slechts beneden den poolcirkel, bevaarbaar. Zoo

iets was inderdaad bijna zonder voorbeeld. Het had een geluk

voor hen kunnen wezen indien de eene of andere walvischvaarder,

die verhinderd was geweest de thuisreis bij tijds te aanvaarden,

hen voorbij was gekomen. Dan zouden zij door fakkels, of door

geweerschoten getracht hebben de aandacht der bemanning te trekken,

zij hadden op het schip eene toevlucht kunnen vinden en dit zou hen

in een der Amerikaansche havens, te Victoria, te San Francisco, te

San Diego, of op de Siberische kust, te Petropavlovsk of te Okhotsk

aan land hebben kunnen zetten. Maar er kwam geen schip te zien. Zoo

ver het oog reikte, niets dan her- en derwaarts drijvende ijsbergen,

niets dan de oneindige, ledige zee, wier grens alleen de onbewegelijke

ijsrand in het verre Noorden zijn kon!

Eén geluk hadden zij, namelijk dat indien de lage temperatuur

niet langer duurde dan bij mogelijkheid te veronderstellen was,

en al moesten zij ook eenige weken achtereen drijvende blijven,

zij geen gevaar liepen gebrek aan levensmiddelen te krijgen. In het

vooruitzicht van een langen tocht te moeten maken door de onbewoonde

vlakten van Siberië, waar geen gelegenheid bestond om voedsel te

koopen, hadden zij een ruimen voorraad ingelegd vleesch, meel, rijst,

vet en andere levensbehoeften medegenomen. Voor het voederen van de

paarden behoefden zij zich, ongelukkig genoeg, niet ongerust meer te

maken. Zelfs zou het de vraag geweest zijn, nu dit dooiweder tegen

alle waarschijnlijkheid was ingetreden, of zij Vermout en Gladiator

in het leven hadden kunnen houden, indien die arme beesten hun graf

niet in de golven gevonden hadden.

Van den 2den tot den 6den November kwam er nog geene verandering,

alleen ging de wind een weinig liggen en draaide hij gaandeweg

naar het Noorden. Het was niet langer dan een paar uren op den dag

licht, daarna werd het weder duister en dit maakte hunnen toestand

nog vreeselijker. Sergius poogde voortdurend de richting te bepalen

waarin zij zich bewogen, maar dit gelukte hem slechts ten deele en

dewijl zij den weg, dien zij aflegden, dus niet op de kaart konden

afzetten, wisten zij ook volstrekt niet meer waar zij zich bevonden.

Eindelijk kregen zij den 7den een vast punt in het oog, waar zij ten

naasten bij aan zien konden op welke plek zij waren.

Des ochtends te elf uren, toen de bleeke zonnestralen den omtrek

een weinig verlichtten, waren Sergius en Jan met Kayette naar het

voorste gedeelte van hun ijsveld gegaan. Onder hunne bagage bevond

zich een vrij goede verrekijker, waar Kruidnagel gewoon was aan de

kermisgasten de Evennachtslijn in te vertoonen. Hiertoe was er over

het groote glas een draad gespannen. Dan liet hij ook de menschen

op de maan kijken, door middel van kleine vliegjes, die hij in de

buis van den kijker liet zakken. Dien verrekijker had Jan zorgvuldig

schoongemaakt en hij gebruikte hem nu om te zien of er in de verte

niet iets te onderscheiden viel.

Bij deze gelegenheid nam hij nauwkeurig den gezichteinder op, doch

hij zag niets. Op eens wees Kayette naar het Noorden en zeide:

--Kijk eens mijnheer Sergius, daar ginds meen ik iets te zien. Kan

dat geen berg zijn?

--Een berg? vroeg Jan. Dat geloof ik niet. Het zal wel weder een

ijsberg wezen.

Hij richtte zijnen verrekijker naar het punt waar het Indiaansche

meisje heen wees.

--Ik geloof waarlijk dat Kayette gelijk heeft, zeide hij na een

oogenblik gekeken te hebben.

Hij reikte den kijker aan Sergius over, die hem voor zijn oog plaatste.

--Het is zoo, bevestigde deze. Het is een tamelijk hooge berg. Kayette

heeft scherper oogen dan wij.

Zij keken andermaal en kwamen tot de slotsom dat er op eenen afstand

van vijf of zes mijlen in het Noorden land moest liggen.

--Een stuk land, waar zulk een hooge berg op staat, moet nog al eenige

uitgestrektheid hebben, meende Jan.

--Dat houd ik er ook voor Jan, antwoordde Sergius. Wij moeten ons

best doen om op de kaart te vinden wat het voor een land zijn kan,

en zoo doende kunnen wij te weten komen waar wij ons bevinden.

--Als ik mij niet vergis, hernam Kayette, zie ik een rookkolom uit

den berg opstijgen.

--Dan zou het een vuurspuwende berg moeten wezen, zeide Sergius.

--Ja zeker, bevestigde Jan, na opnieuw door den kijker gezien te

hebben. Ik kan duidelijk den rook onderscheiden.

Het begon intusschen reeds duister te worden, zoodat zij zelfs door

den kijker nauwelijks de omtrekken van den berg meer zien konden.

Een uur later, toen het daglicht nagenoeg geheel verdwenen was,

zagen zij echter duidelijk een vurig schijnsel in dezelfde richting,

die zij terstond aangeteekend hadden door eene streep, welke zij op

de sneeuw getrokken hadden.

--Laat ons gaan zien of wij op de kaart iets wijzer kunnen worden,

zeide Sergius.

Zij keerden met hun drieën naar de _Schoone Zwerfster_ terug, Jan

haalde zijn atlas te voorschijn, sloeg de kaart op waar het gedeelte

van de ijszee ten Noorden van de Behringstraat op stond, en nu kwamen

zij spoedig te weten wat zij zochten.

Het was Sergius reeds gebleken dat de stroom, uit de Straat komende,

eerst noordwaarts liep, en een vijftig mijlen meer naar buiten,

noordwestelijk. Ook hadden zij bevonden dat hunne ijsschots eenige

dagen lang in dezelfde richting als de stroom was voortgedreven. Zij

moesten dus zoeken welk land er in het Noordwesten liggen kon. Een

mijl of twintig van het vasteland stond er op de kaart een groot

eiland geteekend, dat de aardrijkskundigen Wrangel-eiland noemen,

doch waarvan de gedaante niet dan zeer onvolledig bekend is. Naar alle

waarschijnlijkheid zou hunne ijsschots daar echter niet aanlanden,

want de stroom sleepte hen voort in den breeden zeearm, die tusschen

het eiland en de Siberische kust doorloopt.

Sergius hield zich stellig overtuigd dat het land, dat zij zagen,

Wrangel-eiland moest zijn. Van de zuidkust van dit eiland steken twee

punten uit, kaap Hawan en kaap Thomas, en een vuurspuwende berg, die

altijd in werking is en op de nieuwste kaarten aangeteekend staat,

verheft zich midden op het eiland. Dit moest de vulkaan wezen die

Kayette het eerst in het oog gekregen had en waarvan zij in de

duisternis het vurige schijnsel onderscheidden.

Nu zij dit wisten, viel het hun niet moeilijk den weg te bepalen

dien de ijsschots, na de Behringstraat uitgedreven te zijn,

had afgelegd. Eerst waren zij de kust rond en kaap Serdtse-Kamen

rondgevoerd, vervolgens voorbij Kolioutchine-baai, het voorgebergte

Wankarem en de Noordkaap, en eindelijk waren zij de Long-straat

ingestevend, die Wrangel-eiland en de kust van het Tchouktchi-land

van elkaar scheidt.

Welken kant hun ijsveld op zou gaan nadat het door den stroom de

Longstraat weder uitgedreven was, konden zij bij geen mogelijkheid

vooruit weten. Sergius wist, en het maakte hem niet weinig ongerust,

dat er in het Noorden geen ander land meer op de kaart vermeld staat

en dat de grens der ijszee gevormd wordt door het onmetelijke ijsveld,

dat nimmer losraakt en te midden waarvan de Noordpool gelegen is.

De eenige kans op redding die hun scheen overteblijven, was als het

veel kouder werd en de geheele zee dientengevolge dichtvroor. Het

kon niet lang meer duren of dit moest gebeuren, want in gewone

omstandigheden zou het reeds sedert ettelijke weken geschied zijn. Vóór

dat zij aan den rand van het vaste ijsveld gekomen waren zou hunne

schots dan tot stilstand komen, en over de achter hen gevormde

ijsvlakte zouden zij in zuidelijke richting moeten trachten het

vasteland weder te bereiken. Dit zou echter niet anders te doen zijn

dan door de _Schoone Zwerfster_ in den steek te laten, en het was

bijna iets onmogelijks, zonder eenig onderkomen, dien langen tocht

over het ijs afteleggen.

De wind bleef immer Oost, maar ofschoon het geen storm meer was,

woei het nog hard. Door de windvlagen opgezweept, kwamen aanhoudend

de woeste golven op hun ijsveld breken, zoodat de buitenste rand

voortdurend een weinig afbrokkelde. Dit had echter niet veel te

beteekenen, maar het zeewater, stuitende op het ijs, vloog er overheen

en overdekte het, even als de golven over het dek van een lenzend

schip vliegen. Dit ging met zulke schokken gepaard dat het ijsveld

tot op het dikste gedeelte er van dreunde en kraakte, en het telkens

scheen alsof het in stukken zou breken. Die stortzeeën kwamen tot

in de onmiddellijke nabijheid van de _Schoone Zwerfster_ en dreigden

den wagen, met alles wat er zich in of bij bevond, voort te sleuren.

Om dit te voorkomen moesten er weder voorzorgen genomen worden. Sergius

gaf het denkbeeld aan de hand om de sneeuw, die sedert het begin

van November in groote massa's gevallen was, op te hoopen tot eene

soort van dijk aan den achterkant van het ijsveld, waar de golven

het meest van daan kwamen. Allen togen aan het werk om dit tot stand

te brengen. De sneeuw werd stevig aangestampt en opgestapeld tot eene

hoogte van een voet of vier vijf. Zoodoende maakten zij eenen muur van

eenige voeten dikte, die eene borstwering vormde waar de golven niet

overheen konden, zoodat alleen het opspattende schuim nog nu en dan

den wagen overdekte. Op dezelfde manier wordt aan den achtersteven

van een lenzend schip dikwijls eene nood-verschansing gemaakt om de

stortzeeën af te weren.

Terwijl zij aan dit werk bezig waren, gooiden Sander en Napoleona

elkander dikwijls met sneeuwballen, waarbij zij Kruidnagel's rug nog

al eens tot mikpunt kozen. Voor zulk een kinderspel was het eigenlijk

nu geen geschikte gelegenheid, maar Cascabel liet hen begaan, tot

op zekeren dag toen een sneeuwbal, die niet goed gemikt werd, bij

ongeluk op Sergius' hoed terechtkwam.

--Wie is de stommerik die dat doet? riep Cesar.

--Ik heb het gedaan vader, antwoordde Napoleona heelemaal ontdaan

over hare onhandigheid.

--Nu, dan ben jij de stommerik, zeide Cascabel. Mijnheer Sergius,

gij moet het die ondeugende meid niet kwalijk nemen.

--Wel, het komt er niets op aan, antwoordde Sergius. Laat zij het

maar komen afzoenen, dan is het alsof er niets gebeurd is.

Zoo geschiedde het en daarmede was het uit.

Zij hadden nu eenen dijk aan den achterkant van het ijsveld opgeworpen,

maar voltooiden dien vervolgens in alle richtingen, zoodat de _Schoone

Zwerfster_ omgeven werd met eene soort van ijsdam, waardoor de wagen

van alle kanten beschut stond. De wielen waren tot aan de assen in de

sneeuw bedolven en voor omvallen bestond dus geen gevaar meer. Tusschen

de borstwering en den wagen lieten zij een nauwe gang open, zoodat er

eene kleine ruimte vrij bleef om te loopen. Het leek nu een schip,

dat te midden van ijsbergen overwintert en waarvan de buitenkant

door eene dikke sneeuwlaag tegen de koude en de stormvlagen beschut

wordt. Zoo lang de ijsschots zelve niet begon te zinken, liepen de

schipbreukelingen dus geen gevaar meer om door de golven weggesleurd te

worden, en dank zij deze voorzorgen konden zij het tijdstip afwachten

dat de vorst weder zou intreden, hetgeen in de poolstreken toch altijd

eenmaal, en dan voor geruimen tijd, gebeurt.

Maar als dit oogenblik aanbrak, dan zouden zij hunne schuilplaats

verlaten moeten om het land weder optezoeken. Het huis op wielen,

dat zijnen bewoners in alle gewesten van de Nieuwe Wereld eene

veilige woonstede geweest was, zouden zij, tusschen het ijs en de

sneeuw bekneld, moeten achterlaten. Als de zomer weer aanbrak en

het ijs in de poolzee begon te smelten, zou de _Schoone Zwerfster_

dieper en dieper in de weeke massa bedolven raken om eindelijk door

de golven verzwolgen te worden!

Als Cascabel hieraan begon te denken, hoe geneigd hij ook anders was

om van alle dingen den goeden kant te zien, rukte hij zich de haren

van wanhoop uit het hoofd en verwenschte hij het ongeluk dat hem

vervolgde. Hij gaf er zichzelven de schuld van en vergat dat alles

alleen het gevolg was van de schurkenstreek waardoor hij in den bergpas

der Sierra Nevada van zijne spaarpenningen beroofd was. De schavuiten

die dat gedaan hadden, waren verantwoordelijk voor al het kwaad dat

uit hunne schelmerij voortvloeide.

Het baatte niet of de moedige Cornelia haar best deed om haren

man optebeuren, eerst door vriendelijke woorden en later door hem

hard toetespreken, in de hoop dat hij, door zich driftig te maken,

zijne oude geestkracht terug zou krijgen. Het hielp niet of zijne

kinderen en zelfs Kruidnagel hem zeiden dat zij even goed als hij

verantwoordelijk waren voor hetgeen zij gezamenlijk besloten en

gedaan hadden. De reis was immers, zeiden zij, ondernomen, met aller

goedvinden. Ook Sergius en Kayette, het "kwakkeltje" zooals Cascabel

haar bleef noemen, voegden zich bij de anderen om hem moed in te

spreken. Hij wilde naar geen rede luisteren.

--Zijt ge dan geen man meer? vroeg Cornelia hem op zekeren dag,

waarbij zij hem bij den arm greep en terdege heen en weer schudde.

--Zeker ben ik niet zooveel mans als jij, antwoordde Cesar mismoedig

en schoof weer in zijnen hoek, waar deze ontboezeming zijner wederhelft

hem uit te voorschijn gehaald had.

De waarheid was echter dat moeder Cascabel even weinig op haar

gemak was als haar man; maar zij begreep beter dan iemand anders hoe

noodzakelijk het was het hoofd van het gezin, die altijd zoo blijmoedig

den tegenspoed weerstaan had, uit zijne neerslachtigheid optewekken.

Sergius begon zich langzamerhand ook ongerust te maken over het

proviand. Zij moesten niet alleen te eten hebben tot op het oogenblik

dat zij hunnen tocht over de ijsvlakte zouden aanvangen, maar ook tot

op den dag dat de karavaan op de Siberische kust kon aanlanden. Op

de jacht viel in het geheel niet te rekenen, want de zeevogels, die

te midden der ondoordringbare nevels nog over hunne hoofden vlogen,

werden hoe langer hoe zeldzamer. Het werd dus noodzakelijk geacht

allen op rantsoen te stellen, teneinde op den langdurigen tocht,

dien zij nog te doen konden hebben, voorbereid te wezen.

Onder deze omstandigheden kwam de ijsschots, waarop zij dreven,

altijd door den stroom voortgesleept wordende, op de hoogte van de

Ayo-eilanden, die tegenover de noordkust van Azië gelegen zijn.

IV.

VAN DEN 16DEN NOVEMBER TOT DEN 2DEN DECEMBER.

Alleen op grond van eene gissing, geloofde Sergius deze eilandengroep

te onderkennen. In verband met zijne waarnemingen, had hij zijn best

gedaan om te berekenen hoeveel zij afdreven, hetgeen gemiddeld ongeveer

vijftien mijlen in het etmaal wezen kon.

De Ayo-archipel, dien zij echter niet in het gezicht kregen, ligt

volgens de kaart op 150° lengte en 75° breedte en derhalve op ongeveer

honderd mijlen afstands van de kust.

Sergius vergiste zich in zijne berekening niet. Den 16den November

kwam het ijsveld zuidelijk van deze eilandengroep, maar op welk

eenen afstand wist hij niet te bepalen. Al had hij de instrumenten

tot zijne beschikking gehad die op zee gebruikt worden om de vaart

van schepen op de kaart af te zetten, had hij daarmede toch nog niets

kunnen aanvangen, want de zon vertoonde zich slechts gedurende enkele

minuten tusschen de nevelen die de kim bedekten. Daarop kon dus geene

lengte- of breedtebepaling gedaan worden. Zij waren nu voorgoed in

den nimmer eindigenden nacht der poollanden gekomen.

Het weder bleef even onaangenaam, al begon het ook langzamerhand

kouder te worden. Het kwik in de thermometerbuis schommelde een weinig

boven het vriespunt op en neer. Dit was nog lang niet voldoende om

de ijsklompen, die op den zeespiegel drijvende waren, aan elkander

te doen vriezen. Nog altijd ontmoette hunne ijsschots dus nog geen

hinderpaal op haren zwerftocht over den oceaan.

Alleen vertoonden er zich tusschen de inkepingen aan den rand der

schots van die ijsvliezen, welke baai-ijs genoemd worden door de

strandbewoners, die daarin een voorteeken zien van de in aantocht

zijnde harde vorst. Sergius en Jan gaven nauwkeurig acht op dit

verschijnsel, dat binnen korter of langer tijd de geheele oppervlakte

der zee met eene dunne ijslaag overdekken moest. Kwam het zoo ver,

dan zou het ijs-seizoen voorgoed zijn ingetreden en kwam er ook, als

men het zoo noemen wil, eene verandering "ten goede" in den toestand

onzer schipbreukelingen. Zij verlangden er ten minste naar.

In de tweede helft van November sneeuwde het bijna aanhoudend en

met dichte vlokken, die door den wind bijna evenwijdig met de zee

voortgedreven, in dichte hoopen zich opstapelden tegen en op den

rondom de _Schoone Zwerfster_ opgeworpen muur. Deze werd dientengevolge

aanmerkelijk hooger.

Dit leverde echter geen bezwaar op en zelfs gaf het eene betere

beschutting voor de koude, wat een niet te versmaden voorrecht

was. Cornelia kon nu zuiniger met hare brandstoffen omgaan en die

alleen gebruiken om te koken. Zij had hier al meermalen ernstig

over nagedacht, want wat zouden zij moeten beginnen als hun voorraad

opraakte?

Gelukkig ondervonden zij binnen den reiswagen nog weinig last van

koude, want de thermometer bleef daar een graad of drie, vier boven

het vriespunt. Naarmate de _Schoone Zwerfster_ meer onder de sneeuw

bedolven raakte, werd het binnen zelfs warmer. Wat zij dus nu te

vreezen hadden was niet de koude, maar veeleer gebrek aan lucht,

wanneer alle openingen verstopt mochten raken.

Teneinde dit te voorkomen, moest de sneeuw gedeeltelijk weggeruimd

worden en van dezen vermoeienden arbeid kregen zij allen weder

hunne portie.

Zij begonnen met de gang vrij te maken die binnen de borstwering rondom

den wagen opengehouden was, vervolgens maakten zij eenen uitgang

door den muur naar buiten, waarbij zorg gedragen werd dat deze naar

het Westen zich opende zoodat de sneeuw, die met den oostenwind werd

aangevoerd, het gat niet weder dicht kon maken.

Indien zij echter meenden dit gevaar te boven te zijn, rekenden zij

buiten den waard. Dit zou spoedig daarna blijken.

De schipbreukelingen verlieten nu evenmin gedurende den dag als

bij nacht de kamertjes in den wagen, waar zij veilig beschut zaten

tegen den wind zoowel als tegen de koude, die buiten langzamerhand

vinniger begon te worden, Sergius en Jan deden hunne waarnemingen op

de weinige oogenblikken waarin de zwakke zonnestralen de omgeving

eenigszins verhelderden. Tot het tijdstip van den zonnestilstand,

op den 21sten December, zou de zon nog steeds lager boven de kim

zich verheffen. Voortdurend zagen zij te vergeefs uit naar den een of

anderen walvischvaarder, die zij hoopten dat hier mocht overwinteren,

of die in de nabijheid van de Behringstraat eene schuilplaats kwam

zoeken. Iederen dag vonden zij zich opnieuw teleurgesteld in de hoop

dat hunne ijsschots eindelijk vast zou raken aan een grooter ijsveld,

waarover zij den vasten wal van Siberië konden bereiken. Mistroostig

gingen zij, als hunne waarnemingen afgeloopen waren, naar binnen en

poogden zij op de kaart de richting aftezetten waarheen zij gevoerd

waren.

Wij hebben reeds opgemerkt dat Sergius en Jan op de jacht geen enkel

stuk eetbaar wild meester hadden kunnen worden, van het oogenblik af

dat zij Port-Clarence verlaten hadden. Cornelia zou niets hebben kunnen

aanvangen met zeevogels, die door hun traanachtigen smaak oneetbaar

zijn en door geene kookkunst smakelijk zijn te maken. Ptarmigans

en petrels zijn geen schot kruit waard en Jan begreep wijselijk dat

hij zijnen voorraad beter kon gebruiken dan het op deze onsmakelijke

beesten te verschieten.

Zoo dikwijls hij echter buiten den wagen noodig had, nam hij, uit

gewoonte, zijn geweer mede. Op den middag van den 26sten November

vond hij werkelijk gelegenheid het te gebruiken. Buiten den wagen

hoorden zij een schot vallen en bijna op hetzelfde oogenblik riep

Jan met luider stem om hulp.

Dit was iets heel ongewoons en zelfs eene reden tot

ongerustheid. Zonder dralen snelden Cascabel, Sander, Kruidnagel en

Sergius, door de honden gevolgd, naar buiten.

--Hierheen, hierheen! riep Jan.

Al roepende liep hij heen en weder, als of hij wilde beletten dat

zijne prooi hem ontsnapte.

--Wat is er gaande? vroeg Cascabel.

--Ik heb een rob aangeschoten en als wij niet oppassen ontsnapt hij

ons en zwemt weg.

Het was een groot dier, dat Jan in de borst getroffen had. Het bloed

stroomde uit de wonde over de sneeuw. Als Sergius en de anderen niet

waren komen opdagen, zou de rob zeker ontglipt zijn. Kruidnagel ging

het beest dapper te lijf, dat met eenen slag van zijn staart Sander

reeds onderste boven had doen tuimelen. Niet zonder moeite hielden zij

het in bedwang en Jan verbrijzelde het met eenen kolfslag de hersenpan.

Voor de algemeene tafel in de _Schoone Zwerfster_ had dit gerecht niet

veel waarde, maar Wagram en Marengo konden zich geruimen tijd aan het

vleesch te goed doen. Hadden de twee honden kunnen spreken, dan zouden

zij Jan zeker bedankt hebben voor de tractatie die hij hen bezorgde.

--Hoe of het eigenlijk komt dat beesten niet praten kunnen? vroeg

Cascabel bij deze gelegenheid, toen zij allen weder bij het

keukenfornuis gezeten waren.

--Dat komt eenvoudig hier vandaan, antwoordde Sergius, dat zij geen

verstand genoeg hebben om te spreken.

--Gelooft gij dan, zeide Jan, dat de gave van te kunnen spreken het

gevolg is van eene zekere hoeveelheid verstand?

--Zonder eenigen twijfel, althans bij de hoogere dieren. Een hond,

bij voorbeeld, heeft eene keel die juist zoo gevormd is als de keel

van een mensch en hij zou even goed kunnen praten als deze. Dat hij

het niet doet is alleen het gevolg hiervan, dat zijn denkvermogen

niet genoeg ontwikkeld is om zijne gedachten in woorden uittedrukken.

Deze bewering van Sergius is niet boven twijfel verheven, maar er

zijn toch geleerden die hetzelfde volhouden.

Wij mogen niet onvermeld laten dat Cascabel langzamerhand tot

andere gedachten begon te komen. Wel bleef hij zich nog altijd

verantwoordelijk voelen over den toestand waarin zij geraakt

waren, maar zijne aangeboren kloekmoedigheid kreeg toch weder de

overhand. Hij was zoo gewoon geraakt zich door alle moeilijkheden heen

te slaan, dat hij aan geen onherstelbaren tegenspoed meer gelooven

kon; zijn geluksster, meende hij, was slechts voor een korten tijd

ondergegaan. Hier kwam bij dat geen der leden van zijn gezin tot dusver

van de doorgestane ontberingen en vermoeienissen eenig lichamelijk

letsel ondervonden had. Het grootste gevaar was hierin gelegen, dat

als er niet spoedig verbetering kwam, hunne opgewektheid en hun moed

misschien verloren zouden gaan.

Teneinde dit te voorkomen, deed Sergius alles wat hij kon om zijne

reisgenooten bezig te houden. Gedurende de vele uren waarin zij niets

te doen hadden en bij het lamplicht rond de tafel gezeten waren,

vertelde hij hen zijne reisavonturen op zijne tochten in Europa en

Amerika. Jan en Kayette luisterden altijd met de meeste aandacht en

leerden veel van hem, want Sergius wist op elke vraag een leerzaam

antwoord te geven. Door de vele ervaring welke hij had opgedaan,

kwam hij altijd tot deze slotsom:

Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe · 第 3 / 16 段