Dit alles zou nog zoo erg niet geweest zijn indien de ijsvlakte maar

stevig geweest was, maar dit liet veel te wenschen over. Zij hoorden

het ijs onophoudelijk kraken, het werd in groote brokken gescheurd,

die ieder op zichzelf een klein ijsveld vormden, en overal kwamen

barsten waar het zeewater met stralen doorheen spoot.

Een uur lang reed de karavaan zoo voort, terwijl zij ieder oogenblik

vreesden dat de bodem onder hunne voeten weg zou zinken. Het was niet

mogelijk eene bepaalde richting te volgen, ofschoon Jan zijn uiterste

best deed om op het kompas eenigermate koers te houden. Intusschen kwam

dit er nu zooveel niet meer op aan als toen zij het kleine Diomedes

zochten, dat zij in het Noorden of in het Zuiden gemakkelijk voorbij

hadden kunnen rijden zonder het te zien. Zoolang zij ongeveer in

Westelijke richting voorwaarts gingen konden zij de Siberische kust

niet missen, want deze strekte zich over eene lengte van meer dan

tien mijlen over het grootste gedeelte van den horizont uit.

De vraag was alleen maar: zouden zij er ooit komen. Zou de _Schoone

Zwerfster_ niet, lang vóór dat zij het zoo ver gebracht had, in de

diepe wateren van de Behringstraat verdwenen zijn!

Dit was een verschrikkelijk gevaar, maar het was nog niet het

eenige. De wind kwam uit het zuidoosten recht tegen den wagen

aangieren, zoodat er ieder oogenblik gevaar bestond dat het rijtuig

onderste boven zou tuimelen. Reeds hadden zij Cornelia, Napoleona

en Kayette naar buiten doen komen. Sergius met Cascabel, Jan,

Sander en Kruidnagel klemden zich aan de wielen vast en spanden

hunne uiterste krachten in om den wagen tegen den wind in overeind

te houden. Natuurlijk kwamen de paarden bijna niet van hunne plaats,

terwijl de grond als het ware van onder hunne voeten wegliep.

Omstreeks halfzes des morgens van den 26sten October, te midden eener

ondoordringbare duisternis, waren zij eindelijk genoodzaakt midden op

het ijs de _Schoone Zwerfster_ te doen stilstaan. De paarden konden

geen stap meer doen. Het ijsveld golfde onophoudelijk, in beweging

gebracht door eene zware deining, die uit de Behringzee kwam en de

Straat, ware zij niet met ijs bedekt geweest, in eene onstuimig door

elkander woelende watervlakte veranderd zou hebben.

--Wat zullen wij beginnen? vroeg Jan.

--Wij moeten zien dat wij op het eiland terugkomen, riep Cornelia,

die niet meer in staat was Napoleona tot bedaren te brengen.

--Dat kan nu niet meer, zeide Sergius.

--Waarom niet? vroeg Cascabel. Ik vecht nog liever tegen robben dan

tegen dit stormweer.

--Ik herhaal dat het niet mogelijk is, verzekerde Sergius op nieuw. Wij

kunnen niet tegen den wind in, de wagen zou daar stellig niet tegen

bestand zijn. Hij zou òf in stukken gaan òf door den storm achteruit

gejaagd worden.

--Als wij maar niet genoodzaakt worden de _Schoone Zwerfster_ aan

haar lot over te laten! zeide Jan.

--Wat, die hier op het ijs laten? hernam Cascabel. Wat moet er van

ons worden als wij ons huis op wielen niet meer hebben?

--Wij zullen het uiterste doen om het zoo ver niet te laten komen,

antwoordde Sergius. De wagen is ons eenige behoud en wij moeten hem

tot elken prijs zien te redden.

--Er valt dus niet meer aan te denken om naar Diomedes

terugtekeeren? vroeg Cascabel andermaal.

--Onmogelijk, herhaalde Sergius. Wij moeten vooruit zien te komen. Laat

ons moed vatten en bedaard trachten te blijven, dan zullen wij Numana

nog wel halen.

Deze woorden gaven allen weder eenige hoop. Het was maar al te

duidelijk dat er geen sprake kon zijn van naar het eiland terug

te keeren. De wind blies zoo fel uit het zuidoosten dat menschen

noch paarden in staat waren daar tegen in te gaan. Evenmin kon de

_Schoone Zwerfster_ op dezelfde plaats blijven, want alle pogingen

om den wagen overeind te houden tegenover zulk eenen wind, konden op

den duur niet beletten dat hij om zou slaan.

Het was nu een uur of tien en dag geworden, als men ten minste eene

grauwe nevelige schemering daglicht noemen mocht. Laaghangende wolken

joegen in wilde vaart over de gure ijsvlakte. De wind deed niet alleen

de losse sneeuw opstuiven, maar kleine stukjes ijs vlogen als scherpe

hagelsteenen rond. In anderhalf uur tijds kwamen zij nauwelijks eene

halve mijl vooruit; alles werkte tegen; ieder oogenblik stieten

zij op waterplassen die zich te midden van het ijs gevormd hadden

en op schotsen welke op elkander gekruid waren. De uit de open zee

komende deining bracht het ijsveld aanhoudend in beweging, met harde

schokken, zoodat het leek alsof zij zich op een slingerend schip in

eene moeielijke zee bevonden.

Te kwart vóór eenen ongeveer kwam er een schok, harder dan een van

de vorigen. Rondom den wagen barstte het ijs in alle richtingen, tot

een heel eind van hen af. Vlak vóór de voeten van de paarden opende

zich eene scheur van wel dertig voet breedte.

Sergius gaf een schreeuw. Eenige schreden van deze opening af bleven

allen stilstaan.

--Pas op voor de paarden! riep Jan. Vader, wij moeten de paarden zien

te redden!

Helaas, het was te laat! Het ijs brak af en de arme beesten verdwenen

in de diepte. Gelukkig dat de trektouwen afbraken, anders ware de

_Schoone Zwerfster_ op hetzelfde oogenblik in de scheur gestort.

--Mijn arme paarden! riep Cascabel wanhopig uit.

De trouwe dieren, die hen zoovele jaren overal heen vergezeld hadden,

die hen zooveel diensten bewezen en al hunne lotswisselingen gedeeld

hadden, waren door de zee verzwolgen! Niemand van het gezin kon zijne

tranen bedwingen bij dit rampzalig verlies.

--Achteruit, achteruit! riep Sergius.

Met inspanning van alle krachten slaagden zij er in den wagen van

den rand der scheur, die hoe langer hoe wijder werd door het op en

neer gaan van het ijs, terug te trekken. Een pas of twintig meer naar

achteren kwamen zij weder op eenigszins vasteren bodem.

Daar waren zij voor het oogenblik betrekkelijk in veiligheid, maar wat

nu te beginnen? De _Schoone Zwerfster_ midden op het ijs laten staan,

naar Numana den tocht voortzetten en van daar met een span rendieren

den wagen terug zien te krijgen? Er scheen niets anders op te zitten,

maar het was bijna niet te doen!

Op eens riep Jan verschrikt: Mijnheer Sergius, kijk toch eens! ....kijk

eens, wij drijven af!

--Drijven wij af, zegt ge?

Het was maar al te waar!

Er viel niet meer aan te twijfelen. Het ijs was overal in de Straat

losgeraakt en tusschen de beide kusten aan het drijven. Tengevolge

van de harde windstooten was het ijsveld, dat door de lage temperatuur

week was geworden en nergens meer stevig aan elkander hield, in alle

richtingen gescheurd en in stukken gebroken. In het Noorden waren

groote open vakken gekomen, daar dreven de schotsen heen en stapelden

ze zich op de eene plaats opeen, terwijl ze op de andere onder het

ijs schoten. Hierdoor kreeg het stuk, waar de _Schoone Zwerfster_ op

stond, ruimte en begon het, door den harden wind in beweging gebracht,

te drijven. Aan eenige op eenen afstand staande ijsklompen, die nog

niet in beweging waren, konden zij duidelijk zien dat zij van plaats

veranderden.

Hun toestand die reeds zoo moeielijk was, werd nu nog veel

gevaarlijker. Al lieten zij den wagen in den steek, dan konden zij nog

bij geen mogelijkheid te Numana komen. Er waren nu geen scheuren meer

die zij om konden trekken, maar groote wakken, waar zij onmogelijk

over konden en die onophoudelijk, tengevolge der zware deining,

van richting veranderden. De groote schots, waar zij op stonden,

werd aan alle kanten door de zee gebeukt en nu her- dan derwaarts

voortgeschoven. Hoe lang zou het nog duren, dat dit brok in kleinere

stukken gescheurd werd?

Er scheen geen kans op redding meer. Zij konden niet vooruit, zoo

min naar den kant van de Siberische kust als ergens anders heen. Het

ijsveld zou blijven drijven zoo lang het nog heel was en misschien

zou het pas tot staan komen wanneer het stuitte tegen de onverwrikbare

ijsmassa, ver in het noorden, waar het poolijs nimmer loslaat of van

plaats verandert.

De mist werd hoe langer hoe dikker, het werd steeds duisterder en

tegen twee uur 's middags konden zij nog slechts enkele schreden voor

zich uitzien. Zij stonden allen tegen den wagen en deden hun best

om zich zoo goed mogelijk voor den wind te beschutten, terwijl zij,

zonder een woord te spreken, angstig naar het noorden blikten. Niemand

durfde raad te geven, want niemand zag een uitweg. Cornelia, Kayette

en Napoleona stonden, in pelzen gewikkeld, dicht tegen elkander

aan. Sander was meer verbaasd dan bang; onwillekeurig floot hij

een deuntje. Kruidnagel was in den wagen bezig met de voorwerpen,

die door den schok van hunne plaats geraakt waren, weder terecht te

zetten. Sergius en Jan hadden hunne bedaardheid teruggekregen, maar

met Cascabel was dit niet het geval. Bitter verweet hij zich thans dat

hij allen die hem dierbaar waren, aan zulke gevaren blootgesteld bad.

Intusschen trachtten zij zich rekenschap te geven van hunnen

toestand. Wij hebben reeds vroeger uiteengezet dat er twee

stroomen in tegenovergestelde richting door de Behringstraat

loopen, de een naar het Zuiden, de ander naar het Noorden. De

eerste is naar het schiereiland Kamschatka, de tweede naar het

Behring-eiland gericht. Kwam de schots, waarop zij ronddreven, in

den zuidelijken stroom, dan kon het niet anders of zij moest dien

kant op en bestond er kans dat zij op de kust van Siberië terecht

kwamen. Geraakten zij echter in den stroom naar het Noorden, dan

dreven zij hoogstwaarschijnlijk de IJszee in, waar geen vasteland of

eilandengroep hunne vaart kon stuiten.

De storm werd hoe langer hoe heviger en ongelukkig genoeg draaide

hij meer en meer naar het Zuiden. De trechter, die door het land aan

weerszijden gevormd wordt, trok de wind als het ware naar zich toe,

zoodat het een ware orkaan werd die telkens van richting scheen

te veranderen.

Sergius en Jan deden echter hun best om de windrichting te bepalen,

maar voor zoover hun dit gelukte kwamen zij tot de slotsom dat er

weinig kans voor hen overbleef om door den stroom naar Kamschatka

gezet te worden. Het kompas deed duidelijk genoeg zien dat hunne

schots naar het Noorden dreef. Misschien kon zij nog terechtkomen

op Prins-van-Wales-land, dat is op de kust van Alaska, niet ver

van Port-Clarence, maar op zulk een gelukkigen afloop mochten zij

nauwelijks rekenen. Tusschen de Oostkaap en kaap Prins-van-Wales is

de opening van de straat zóó wijd, dat het bijna niet denkbaar was

dat zij tegen de Amerikaansche kust zouden blijven vastzitten.

Zij konden zich op hunne schots bijna niet meer staande houden; de

wind blies zoo fel dat het een wonder was zoo er nog iets overeind

bleef. Jan, die een weinig naar achteren gegaan was om te zien of het

ijs onder het beuken der golven nog meer afbrokkelde, werd onderste

boven geworpen en zou, als Sergius hem niet bijtijds gegrepen had,

in zee gevallen zijn.

Het was een vreeselijke nacht dien de ongelukkige zwervers

doorbrachten. Zij konden nu met recht schipbreukelingen genoemd

worden. Ieder oogenblik was er een nieuwe schrik. Er kwamen drijvende

ijsbergen in den weg, die tegen hunne schots aanbonsden met een

donderend gekraak en eene dreuning alsof het stuk ijs in splinters

zou vliegen. Stortzeeën kwamen er overheen en overstelpten het, als

moest het voorgoed in de diepte verdwijnen. Het zeewater vloog, door

den wind opgejaagd, als stof door de lucht en maakte hen doornat; de

koude drong door tot op hun gebeente. In den wagen was het droog, maar

de stormvlagen deden het rijtuig trillen en waggelen, zoodat Sergius

noch Cascabel het raadzaam vonden de vrouwen naar binnen te laten gaan.

Langzaam kropen de uren voorbij. De open vakken werden hoe langer

hoe grooter en zij dreven nu met minder schokken voort. Het kon zijn

dat hunne schots reeds in het wijdste gedeelte van de Straat gekomen

was, dat eenige mijlen verder in de opene IJszee overgaat. Misschien

bevonden zij zich reeds noordelijker dan de poolcirkel. De stroom,

die uit de straat loopt, had hen dan voorgoed beet, en die welke hen

naar Kamschatka voeren kon, lag reeds buiten hun bereik. Werden zij

niet gestuit door de Amerikaansche kust, wat bijna niet te denken was,

dan konden zij nergens anders meer terecht komen dan op het vaste

ijsveld in het verre Noorden.

De dag scheen weinig goeds te kunnen brengen en toch verlangden zij

allen naar het flauwe daglicht. Dan hoopten zij hunnen toestand een

weinig duidelijker te kunnen overzien. De ongelukkige vrouwen stonden

te bidden. Zij begrepen dat er geen andere hulp meer te wachten was

dan van Gods goedheid.

Eindelijk brak de dag aan. Het was de 27ste October. Maar de storm

werd er niet minder op. Zelfs scheen het alsof de wind, nu de zon

boven den horizont stond, nog heviger werd.

Met het kompas in de hand keken Sergius en Jan naar alle richtingen

uit, maar tevergeefs zagen zij naar het Oosten en naar het Westen,

nergens was land te ontdekken.

Het was maar al te duidelijk. Door den stroom uit de Behringstraat

gejaagd, dreef de ijsschots recht naar het Noorden.

Wij behoeven niet te zeggen dat de harde storm, welke in dezen tijd

van het jaar iets ongewoons was, te Port-Clarence groote ongerustheid

had doen ontstaan over het lot der reizigers. Maar de bewoners dezer

plaats waren niet in staat hen te hulp te komen, want zij konden

tengevolge van het losraken van het ijs hen niet genaken.

Te Numana was dit ook het geval. De beide russische politiebeambten,

die twee dagen vroeger den overtocht gemaakt hadden, hadden daar

verteld dat de _Schoone Zwerfster_ in aantocht was. Deze twee maakten

zich echter niet ongerust uit vriendschap voor onze zwervers. Zij

stonden op den loer om zoodra graaf Narkine den voet op den Siberischen

wal zette, hem gevangen te nemen. Zooals de zaken nu stonden, moesten

zij het er echter voor houden dat hunne prooi hen ontsnapt en de

balling tegelijk met de familie Cascabel omgekomen was.

Drie dagen later scheen dit vermoeden bevestigd te worden toen er in

een kleinen inham van de kust twee doode paarden kwamen aanspoelen. Dat

waren Vermout en Gladiator, het tweespan van het kunstenmakersrijtuig.

--Een geluk is het, zeide een van de politiemannen, dat wij een weinig

vroeger dan onze man de Straat zijn overgestoken.

--Een geluk bij een ongeluk, antwoordde de ander. Want het blijft

jammer dat hij ons ontgaan is.

III.

DRIJVENDE.

Men weet thans hoe op den ochtend van den 27ste October de toestand

van onze schipbreukelingen was. Alle kans dat het nog goed met hen

af kon loopen, scheen verloren; zij konden zich niet vleien met de

flauwste hoop. Eenmaal aan het drijven in de Behringstraat, hadden

zij alleen door den zuidelijken stroom naar binnen gezet en op de

aziatische kust gevoerd kunnen worden. Maar de stroom naar het Noorden

had hen in zijne ijzeren vuist en sleepte hen de Straat uit.

Hoe moest het met het groote brok ijs, waarop zij zich bevonden,

in de IJszee gaan? Het kon smelten en in stukken breken; het kon ook

heel blijven. Zou het in dat geval aan het eene of andere strand in de

Poolzee terecht komen? De wind was nu naar het Oosten gedraaid. Zou

die hen nog eenige honderden mijlen verder doen drijven, om hen ten

laatste misschien te doen stranden op de klippen die Spitsbergen of

Nova-Zembla omringen? Gebeurde dit, welke ontzettende vermoeienissen

stonden hen dan niet te wachten, en bestond er wel eenige kans om

weder van die eilanden af en op den vasten wal te komen?

Over al deze gebeurlijkheden peinsde Sergius, en terwijl hij

onafgebroken den blik gevestigd hield op den in nevelen gehulden

gezichteinder, praatte hij er over met Cascabel en Jan.

--Wij mogen ons niet ontveinzen, zeide hij, dat wij van gevaren

omringd zijn. Ieder oogenblik kan deze schots in stukken breken,

en gelegenheid om er af te komen hebben wij niet.

--Is dat het ergste wat ons op het oogenblik gebeuren kan? vroeg

Cascabel.

--Voor zoover ik er over oordeelen kan, ja, antwoordde Sergius. Begint

het eenmaal weder te vriezen, dan wordt het gevaar minder en kan

het eindelijk geheel verdwijnen. In dezen tijd van het jaar en op de

breedte waar wij ons bevinden, is het ondenkbaar dat het zachte weder,

wat wij nu hebben, langer dan enkele dagen aanhoudt.

--Dat houd ik er ook voor, mijnheer Sergius, zeide Jan. Aangenomen

echter dat de ijsschots heel blijft, waar drijven wij dan heen?

--Het zou mij verwonderen als dat heel ver was en als wij niet

betrekkelijk spoedig aan een grooter ijsveld vastgevroren raakten. Ligt

de zee eenmaal weder voorgoed dicht, dan moeten wij beproeven naar

het vasteland terug te keeren en onze voorgenomen reis hervatten.

--Maar hoe moeten wij dat aanleggen, nu wij geen paarden meer

hebben? riep Cascabel uit. Mijne arme beesten, dat ik die zoo moest

kwijt raken! Mijnheer Sergius, die brave dieren waren vrienden van

ons en nu zijn ze door mijne schuld......

Cascabel kon niet verder spreken; de smart overmande hem. Hij verweet

zich dat hij deze ramp op zijn geweten had. Wat was dat ook voor een

onzinnig plan, met een wagen en een span paarden een stuk zee over

te steken! Het verdriet over zijn verlies maakte dat hij niet eens

dacht aan al de zwarigheid, welke er het gevolg van wezen kon.

--Het is zeker een onherstelbare ramp, dat ons dit onder deze

omstandigheden overkomen is, stemde Sergius toe. Wij mannen kunnen

misschien de vermoeienissen en ontberingen, welke ons te wachten staan,

nog uithouden, maar de vrouwen die wij bij ons hebben, moeder Cascabel,

Kayette, Napoleona, kinderen als zij zijn, wat moeten wij met haar

beginnen als wij de _Schoone Zwerfster_ in den steek laten.....

--Wat zegt ge? In den steek laten?

--Dat zal wel moeten, vader, zeide Jan.

--Helaas, zuchtte Cascabel, terwijl hij wanhopig zijne handen ten

hemel hief, ik zie nu hoe roekeloos ik geweest ben met deze reis te

ondernemen! Dit was zeker de manier niet om naar Europa terugtekeeren.

--Toch moet gij den moed niet verliezen, mijn vriend, trachtte Sergius

hem te troosten. Het gevaar onder de oogen te zien zonder er ons

vrees door aan te laten jagen, is de beste weg om er aan te ontkomen.

--Komaan vader, hernam Jan, gedane zaken nemen geen keer, wat wij

gedaan hebben is met ons aller goedvinden geschied. Geef uzelven dus

de schuld niet dat gij meer gewaagd hebt dan gij wagen mocht en toon

dat gij nog dezelfde man zijt als vroeger.

Maar al deze redenen baatten niets. Cascabel was door het ongeluk

overmand. Zijn zelfvertrouwen, de wijsgeerige kalmte waarmede hij

gewoon was de wereldsche dingen optenemen, het was alles verdwenen.

Intusschen deed Sergius zijn best om te weten te komen in welke

richting de stroom hen voortdreef. Alle middelen die hij tot zijne

beschikking had, gebruikte hij; met behulp van het kompas trachtte

hij, door sommige vaste punten, die hij meende te onderscheiden,

hunne vaart te bepalen. De weinige uren dat het een weinig licht was,

besteedde hij met deze waarnemingen.

Gemakkelijk ging dit niet, want alles wat hij als een vast punt

gebruiken wilde, veranderde onophoudelijk van plaats. Buiten de

Behringstraat scheen de zee over eene groote uitgestrektheid open te

liggen. Het bleek nu duidelijk dat bij de ongewoon lage temperatuur het

ijsveld nog in het geheel niet over zijne volle breedte vastgevroren

was geweest. Het had alleen gedurende eenige dagen zoo geschenen,

toen de menigte losse stukken ijs, die door de twee tegen elkander

inloopende stroomen uit het Noorden en uit het Zuiden in de nauwe

zeeëngte gedreven waren, tegen elkaar geklemd en vastgeraakt waren.

Na een aantal waarnemingen gedaan en de eene met de andere vergeleken

te hebben, meende Sergius tot de gevolgtrekking te moeten komen dat hun

koers sterk naar het noordwesten was afgeweken. Dit was zeker gekomen

door dat de stroom in de Behringstraat eerst naar de Siberische kust

geloopen was, dáár den stroom, die van Kamschatka kwam, teruggedrongen

en vervolgens uit de Straat komende eene groote bocht gemaakt had,

waarvan de Poolcirkel ongeveer het einde moest wezen.

Ook bleek nu dat de wind, die nog altijd de kracht van eenen storm

had, geheel naar het zuidoosten gedraaid was. Een tijdlang was hij

Zuid geweest, maar dat was gekomen doordien de kust hem van richting

had doen veranderen. In volle zee was hij weder naar den vorigen

hoek teruggeloopen.

Zoodra Sergius zich hiervan overtuigd had, bracht hij Cascabel op de

hoogte en hij voegde er bij dat dit, onder de omstandigheden waarin

zij verkeerden, het gelukkigste was wat hun overkomen kon. Dit goede

nieuws monterde den terneergeslagen man weder wat op.

--Ja, zeide hij, het is zeker het beste dat wij den kant uitdrijven

waar wij toch heen willen. Maar wat een omweg, goede hemel, wat

een omweg!

De schipbreukelingen gingen nu aan het werk om alles zoo goed mogelijk

interichten voor het geval dat zij nog eenigen tijd op hun drijvend

eiland moesten doorbrengen. Het eerste waar zij het over eens waren,

was dat zij weder eene schuilplaats moesten zoeken in de _Schoone

Zwerfster_ die, nu zij voor den storm wegdreef, minder gevaar liep

van omver te slaan.

Cornelia, Kayette en Napoleona konden zich dus weder met het fornuis

bezig houden, waar in een etmaal hoegenaamd geen gelegenheid voor

geweest was. Het duurde niet lang of het eten was gereed, allen

gingen aan tafel, en al vlotte het gesprek zoo goed niet als anders,

toch waren zij dankbaar dat zij weder eene hartsterking kregen. Sedert

zij het eiland Diomedes verlaten hadden, had dit heel wat te wenschen

overgelaten.

Zoodoende liep de dag weder ten einde. De windvlagen kwamen nog telkens

aangieren met onbeschrijfelijke felheid. Talrijke vluchten vogels,

petrels, ptarmigans en andere, die met recht den naam van stormvogels

dragen, vlogen over hunne hoofden.

De eerstvolgende vier dagen, de 28ste, 29ste, 30ste, en 31ste October,

kwam er geen verandering. De wind bleef Oost en in de temperatuur

was geen daling of rijzing merkbaar.

Sergius had nauwkeurig den vorm en de grootte van hunne ijsschots

bepaald. Deze had de gedaante van een onregelmatig trapezium, lang

vierhonderd voet op het breedste en driehonderdvijftig op het smalste

gedeelte en breed ongeveer honderd voeten. Aan de kanten werd dit

ijsveld merkbaar dunner en in het midden liep het eenigszins op. Er was

geen enkele scheur aan de oppervlakte te zien, maar een dof gekraak

liet zich nu en dan over zijne geheele uitgestrektheid hooren. De

golven die er op beukten en de windvlagen die er tegen aan botsten,

hadden er, voor zoover dit op het oogenblik waartenemen viel, nog

geen belangrijke schade aan toegebracht.

Met de uiterste inspanning was het hun gelukt de _Schoone Zwerfster_

naar het midden van het ijsveld te sleepen en haar daar te bevestigen

aan de touwen en palen die anders bij de kermisvertooningen gebruikt

werden. Nu stond zij zoo stevig, dat er geen gevaar van omslaan meer

te vreezen was.

Een andere kwade kans leverde echter de aanraking met voorbijdrijvende

ijsbergen op. Met ongelijke snelheid, naarmate zij door den stroom

werden voortgejaagd of eene ronddraaiende beweging aannamen, kwamen die

op hunne schots af, of dreef die ze voorbij. Sommige van die ijsklompen

waren vijftien of twintig voet hoog en als zij die zoo zagen aankomen,

was het alsof het schepen waren, die hen kwamen enteren. Van verre

zagen zij ze al naderen en er was niets aan te doen, of ze tegen

hunne ijsschots aanbotsen of er langs glijden zouden. Soms buitelden

die ijsmassa's plotseling onderste boven, als door de eene of andere

onbekende oorzaak haar zwaartepunt verplaatst werd.

Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe · 第 2 / 16 段