Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
WONDERREIZEN.
JULES VERNE
CESAR CASCABEL
OVER HET IJS EN DOOR DE STEPPE
AMSTERDAM
UITGEVERS-MAATSCHAPPY "ELSEVIER"
INHOUD.
I. In de Behringstraat
II. Tusschen twee stroomen
III. Drijvende
IV. Van den 16den tot den 2den december
V. De Liakhoff-eilanden
VI. De overwintering
VII. Een slimme streek van Cascabel
VIII. Het land der Jakoeten
IX. Tot aan de Obi-rivier
X. Van de Obi naar het Oeral-gebergte
XI. Het Oeral-gebergte
XII. Einde van de reis, maar niet van de geschiedenis
XIII. Een lange dag
XIV. Een slot dat door iedereen wordt toegejuicht
XV. Besluit
OVER HET IJS EN DOOR DE STEPPE.
I.
IN DE BEHRINGSTRAAT.
De Behringstraat, door welke de Behringzee verbonden wordt met de
Noordelijke IJszee, is een zeearm van betrekkelijk geringe breedte. Zij
ligt in dezelfde richting en op gelijke wijze als het Nauw van Calais
gelegen is tusschen het Engelsche Kanaal en de Noordzee, maar is
driemaal zoo breed. Van kaap Gris-Nez op de fransche kust tot aan
Zuid-Voorland op de engelsche is een afstand van niet meer dan zes
of zeven mijlen. Numana in Siberië ligt ongeveer twintig mijlen van
Port-Clarence in Alaska.
De _Schoone Zwerfster_, na hare laatste halte op de amerikaansche kust
verlaten te hebben, zette thans koers naar Numana; het naastbijgelegene
punt van het aziatische strand.
Zonder eenigen twijfel zou het voor Cascabel voordeeliger geweest
zijn, indien hij de Behringzee in schuinsche richting had kunnen
oversteken. Hij had zich dan niet op zulk eene hooge breedte
behoeven te begeven en ware een heel eind beneden den poolcirkel
gebleven. Zijn koers zou dan ten naasten bij zuidwest geweest zijn,
met het eiland Sint Laurens tot eindpunt. Dit is een tamelijk groot
eiland, bewoond door verschillende Eskimo-stammen, die even vreedzaam
en vriendelijk zijn als de inboorlingen van Port-Clarence. Haren tocht
vervolgens voortzettende, zou de karavaan de golf van Anadyr voorbij
getrokken en aan kaap Navarino beland zijn, om van daar den rit door
de uitgestrekte vlakten van zuidelijk Siberië te ondernemen. Maar
dit zou eene veel langere reis over zee, of om juister te spreken
over het ijsveld geweest zijn en daaraan konden groote gevaren en
moeilijkheden verbonden zijn. Het is dus duidelijk dat zij de voorkeur
moesten geven aan de richting welke hen het spoedigst weder op het
vasteland bracht. Daarom werd er geene verandering meer gebracht in hun
oorspronkelijk reisplan, hetgeen hierin bestond dat zij rechtstreeks
op Numana aanhielden, met het voornemen om op het eiland Diomedes
eenigen tijd rust te nemen. Dit eilandje, of liever dit rotsblok,
ligt midden in de Behringstraat en is als het ware daar neergelegd
om als rustpunt te dienen.
Hadden zij een vaartuig tot hunne beschikking gehad waarop zij den
reiswagen met toebehooren hadden kunnen zetten, dan zou Sergius
hun wel eene andere richting aan de hand gedaan hebben. Uitgaande
van Port-Clarence had hij den steven zuidwaarts gewend naar het
Behring-eiland, eene geliefkoosde verblijfplaats voor robben en
andere zeedieren. Van daar zou hij naar eene der havens op de kust
van Kamschatka, misschien wel naar Petropavlovsk, de hoofdstad dier
provincie, overgestoken zijn. Maar een vaartuig bezaten zij niet,
en de kortste weg, die hen het spoedigst op den aziatischen wal zou
doen aanlanden, was en bleef dus de beste.
De zee heeft in de Behringstraat geen groote diepte. Het is gebleken
dat de bodem zich, sedert het ijs-tijdperk, langzaam maar voortdurend
heeft opgeheven, zoodat het niet tot de onmogelijkheden behoort
dat in eene verre toekomst Azië en Amerika weder door eene strook
land aaneengehecht zullen worden. Dat zou dan de brug wezen, die
Cascabel wenschte dat er gemaakt zou worden, of liever een landtong,
waarover men van het eene werelddeel naar het andere komen kon. Voor
het reizigersverkeer zou dit wel nuttig wezen, maar de scheepvaart zou
er slecht mede gediend zijn want de walvischvaarders zouden niet meer
in de Noordelijke IJszee kunnen komen. Er zou dan weder een De Lesseps
moeten komen om eenen doorgang in de landengte te graven. Maar dat
zijn in elk geval dingen waar de achterkleinkinderen van onze verre
achterneven zich eerst mede bezig zullen moeten houden.
De hydrographische opnemingen en loodingen in verschillende deelen
der Straat hebben aan het licht gebracht dat het vaarwater aan de
aziatische kust, langs het Tchouktchi-schiereiland, het diepste
is. Daar heeft men den koudwaterstroom die uit het Noorden komt,
terwijl daarentegen de warmwaterstroom de amerikaansche kust bespoelt,
waar het vaarwater het minst diep is.
Dicht bij het Tchouktchi-schiereiland en het eiland Kolioutchine,
in de golf van dien naam, is het schip van Nordenskjöld, de _Vega_,
twaalf jaren na de gebeurtenissen die wij verhalen, in het ijs
vastgeraakt. Het was behouden door de noordoostelijke passage
heengekomen en heeft gedurende negen maanden, van den 26sten September
1878 tot den 15den Juli 1879 op deze plek overwinterd.
De Cascabels waren dus op den 21sten October onder vrij gunstige
omstandigheden vertrokken. Het was droog, koud weder. De sneeuwstorm
had opgehouden, de wind was gaan liggen en een weinig naar het
Noorden gedraaid. De hemel vertoonde een eentonig vlak van grauwe
wolken. Ternauwernood konden zij vermoeden waar de zon achter dit
wolkendak gezocht moest worden; hare in zeer schuinsche richting
vallende stralen schenen er nergens doorheen. Op den middag, als
de zon het hoogst stond, kwam zij niet meer dan enkele graden boven
den gezichteinder.
Vóór dat zij van Port-Clarence vertrokken waren hadden zij eene zeer
verstandige afspraak gemaakt, namelijk dat de tocht niet voortgezet
zou worden zoodra het donker begon te worden. Het ijsveld was op vele
plaatsen met scheuren doorsneden, welke zij niet konden vermijden
wanneer zij ze niet zien konden, hetgeen licht aanleiding had kunnen
geven tot een ernstig ongeval. Daarom hadden zij de bepaling gemaakt
dat zoodra zij niet verder voor zich uit konden zien dan een honderdtal
schreden, de rit gestaakt moest worden. Het was beter dat zij desnoods
veertien dagen besteedden over de twintig mijlen die zij afteleggen
hadden, dan dat zij op den tast verder gingen terwijl zij geen zicht
meer hadden.
Het had vierentwintig uren aan één stuk gesneeuwd, zoodat het ijsveld
bedekt lag met een dik sneeuwtapijt, dat door de vorst vast en effen
gemaakt was. Dit maakte het rijden minder bezwaarlijk, maar het was
wenschelijk dat het nu, terwijl zij onderweg waren, niet meer zou
gaan sneeuwen. Alles zou dan als van zelf gaan. De eenige hinderpalen
welke zij konden ontmoeten, waren ijsschotsen, die op de plaatsen
waar de koude en de warme stroom zich kruisen, op elkander gekruid
konden wezen. Waar dit het geval was zouden zij eenen omweg hebben
te maken, want over zulk een hobbelig en glibberig terrein konden
zij de _Schoone Zwerfster_ niet heenkrijgen.
Zooals reeds gezegd is, waren Cornelia, Kayette en Napoleona binnen
in den reiswagen gegaan. Teneinde den last zoo licht mogelijk te
maken, zouden al de reizigers van het mannelijke geslacht te voet er
bij loopen.
Zij hadden ook eene geregelde marsch-orde bepaald. Jan zou een
eind vooruitloopen teneinde den weg te verkennen. Dit was hem goed
toevertrouwd; hij had een kompas bij zich, en ofschoon er niet veel
vaste punten waren waar hij zijne richting met zekerheid op bepalen
kon, wist hij toch vrij nauwkeurig den koers naar het Westen te houden.
Kruidnagel leidde de twee paarden, Vermout en Gladiator, bij den
teugel teneinde ze staande te houden als zij soms struikelden;
maar zij waren met scherpe hoeven beslagen en stonden dus tamelijk
vast op hunne beenen. Bovendien waren er op het vlakke ijs niet veel
oneffenheden waar zij tegen op konden tornen.
Naast het rijtuig liepen Sergius en Cesar Cascabel, evenals de anderen
in pelzen gewikkeld, met hunne sneeuwbrillen op. Zij kortten zich
den weg met druk te praten.
Wat Sander aangaat, dien kwajongen hadden zij geene vaste plaats kunnen
aanwijzen, want hij zou er zich toch niet aan gehouden hebben. Hij liep
heen en weer, nu voor dan achter, evenals de twee honden; ook speelde
hij nu en dan glijbaantje. Maar zijn vader had niet willen hebben dat
hij zijne Eskimo-sneeuwschoenen aandeed, wat hem niet weinig verdroot.
--Met die schaatsen, zeide hij, zou ik in een uur of wat aan den
overkant zijn.
--Wat zoudt gij daaraan hebben? vroeg Cascabel, onze paarden kunnen
toch niet schaatsen rijden.
--Dat moet ik hen nog eens leeren, was het antwoord en de knaap
duikelde, uit louter dartelheid, over zijn hoofd.
Intusschen waren Cornelia, Kayette en Napoleona in de keuken bezig. Uit
de kachelpijp steeg een kleine rookkolom op, die aanduidde dat
het eten al stond te koken. In de goed gesloten vertrekjes van den
wagen hadden zij geen hinder van de koude, maar zij moesten voor de
voetgangers zorgen. Daarom stond er altijd thee op het vuur en een
paar koppen daarvan, met een scheut russischen vodka-brandewijn er in,
werden nu en dan naar buiten gestoken.
Voor de paarden hadden zij het noodige voeder medegenomen, bestaande in
gedroogd hooi dat zij van de Eskimo's te Port-Clarence gekocht hadden
en waar de beesten gretig van aten. De honden, Wagram en Marengo,
kregen elandenvleesch zooveel zij lustten.
Bovendien is er op het ijsveld niet zoo'n volslagen gebrek aan wild
als men misschien denken zou. Duizenden ptarmigans en wilde eenden
werden af en toe door de honden opgejaagd en deze vogels, zoo goed
mogelijk klaargemaakt en van hun traanachtigen bijsmaak ontdaan,
waren redelijk goed te eten. Maar de provisiekamer van Cornelia was
ruimschoots van het noodige voorzien en het werd dus, om geen noodeloos
oponthoud te hebben, beter gevonden dat Sergius en Jan gedurende den
overtocht hunne geweren met rust lieten.
Andere dieren, zooals robben, die in deze streken in menigte worden
aangetroffen, kwamen zij in de eerste uren volstrekt niet tegen.
Zij waren met goeden moed op weg gegaan, maar het duurde niet lang
of de reizigers raakten onder den naargeestigen indruk dien deze
onafzienbare vlakte, waar niets te zien was dan witte sneeuw en grauwe
lucht, op ieder maken moest. Omstreeks elf uur waren de rotspunten
van Port-Clarence en ook het hooge land van kaap Prins van Wales in
het geheel niet meer te onderscheiden. Verder dan eene halve mijl
afstands konden zij niet voor zich uitzien en er zou dus heel wat
tijd verloopen vóór dat zij de Oostkaap en de bergachtige kust van
het Tchouktchi-schiereiland in het oog konden krijgen. Dit was jammer
genoeg, want als zij deze vaste punten tot richtsnoer hadden kunnen
nemen, ware het volgen van de goede richting veel minder bezwaarlijk
geweest.
Het eiland Diomedes, dat ongeveer halverwege in de straat gelegen is,
bestaat uit eene vlakke rotsachtige massa en steekt in het geheel
niet boven den waterspiegel uit. Het is bovendien met sneeuw bedekt
en zij konden dus niet te weten komen of zij er op waren voor dat zij
de wielen op den harden grond hoorden kraken. Jan had geen anderen
gids dan zijn kompas, maar met behulp daarvan wist hij de _Schoone
Zwerfster_, al ging het ook langzaam, toch vrij wel in de goede
richting te houden.
Al voortstappende, hadden Sergius en Cesar Cascabel het voortdurend
over de omstandigheden waarin zij verkeerden. Hun tocht over den
toegevroren zeearm, die hun vrij gemakkelijk had toegeschenen vóór
dat zij er aan begonnen en die ook weinig beteekenen zou als zij hem
eenmaal achter den rug hadden, bleek nu zij er mede bezig waren alles
behalve zonder gevaar.
--Het is toch geen kleinigheid wat wij ondernomen hebben, zeide
Cascabel.
--Dat zal wel waar zijn, antwoordde Sergius. De Behringstraat
overtetrekken met zoo'n zwaren reiswagen, is iets waar niet ieder
aan zou durven denken.
--Wat zal ik u zeggen, mijnheer Sergius? Als iemand eenmaal het
denkbeeld in zijn hoofd gekregen heeft om naar zijn land terug te
willen, dan is het een knap man die hem tegenhoudt! Ware het alleen
maar te doen om een honderd of wat mijlen af te leggen door het verre
Westen of door Siberië, daar zou ik mijne hand niet voor omdraaien. Dan
zou ik ten minste op vasten grond zijn en geen kans loopen om hier of
daar in een gat of eene scheur weg te zinken. Maar twintig mijlen over
een bevroren waterplas, met eenen wagen en alles wat er bij behoort,
is heel wat anders. Ik zou drommels graag willen dat het al achter
den rug was! Het bezwaarlijkste, of althans het gevaarlijkste gedeelte
van onze reis waren wij dan voorbij.
--Met dat vooruitzicht moet gij u maar troosten, mijn waarde
Cascabel. Maar vooral moet gij uw best doen om met de _Schoone
Zwerfster_, zoodra zij aan den overkant is, zoo spoedig mogelijk in
de zuidelijke streken van Siberië te komen. Want de kust te volgen
onder de felste winterkoude, zou uiterst gevaarlijk wezen. Te Numana
moeten wij terstond in zuidwestelijke richting verder gaan en in het
eene of andere bewoonde plaatsje trachten te overwinteren.
--Dat is ook mijn plan, mijnheer Sergius. Maar gij moet wel goed
bekend wezen in dit land?
--Ik ken eigenlijk niets anders dan de streek tusschen Jakoutsk en
Okhotsk, want die ben ik doorgetrokken nadat ik gevlucht was. Van
het gedeelte tusschen de europeesche grens en Jakoutsk weet ik mij
niets anders te herinneren dan de onbeschrijfelijke vermoeienissen
waar de veroordeelde bannelingen op hunne reis dag en nacht mede te
worstelen hebben. Dat is een lijden wat ik mijnen doodsvijand niet
toe zou wenschen.
--Maar mijnheer Sergius, hebt gij in het geheel geen hoop meer om in
uw land terug te komen, als vrij man wel te verstaan? Zou de regeering
dat nimmer toestaan?
--Dat zou alleen dan gebeuren kunnen, was Sergius' antwoord, als
de Czaar eene algemeene amnestie verleende, waarin zoowel graaf
Narkine als al de andere politieke veroordeelden, die tegelijk met
hem verbannen zijn, deelden. Of er omstandigheden zullen voorkomen
waardoor dit waarschijnlijk gemaakt zal worden, kan niemand vooruit
weten, mijn goede Cascabel.
--Het moet toch treurig zijn, in ballingschap te moeten leven. Het
is alsof men uit zijn huis gejaagd is.
--Ja, en dan te moeten leven ver van alles wat men liefheeft; van
mijn ouden vader dien ik zoo gaarne nog eens zou willen zien!
--Gij zult hem terugzien, mijnheer Sergius! Vertrouw maar op het woord
van een ouden kermisklant, die meer dan eens de toekomst geraden heeft,
terwijl hij niets anders deed dan de lieden hun fortuin zeggen. Ik
ben overtuigd dat gij met ons te Perm komen zult. Gij zijt immers
nu een lid van den troep van Cascabel? Ik moet u noodzakelijk een
goocheltoer of wat leeren; dat kan bij gelegenheid te pas komen,
zonder nog den goocheltoer te rekenen dien wij de russische politie
zullen leveren als wij u onder haar neus in uw land terugbrengen.
Dit was een inval die Cesar deed schateren van lachen. Wat een
idee! Graaf Narkine, een russische adellijke heer, zou net als hij
met gewichten spelen, op flesschen balanceeren, aardigheden verkoopen
tegen een clown en met het centenbakje rondgaan!
Tegen drie uur des namiddags kon de _Schoone Zwerfster_ niet
verder. Het was nog wel niet donker, maar het reeds zoo beperkte
gezichtsveld werd door een dikken mist nog kleiner gemaakt. Jan keerde
om, kwam bij de anderen terug en waarschuwde dat het beste was halt
te houden dewijl het al te bezwaarlijk werd den tocht voort te zetten.
Bovendien waren zij op eene plek gekomen waar de stroom, die uit
het oostelijke vaarwater komt, zich voelen laat en zooals Sergius
voorzien had, was de ijsvlakte hier veel meer ongelijk en hobbelig,
hetgeen ondanks de sneeuwlaag duidelijk te merken viel. Het rijden
ging met hevige schokken gepaard, de paarden struikelden bijna bij
iederen tred en ofschoon ze nog pas een halven dag geloopen hadden,
waren zij reeds erg vermoeid.
De karavaan had op dit eerste gedeelte van haren tocht niet meer dan
hoogstens twee mijlen afgelegd.
Zoodra de wagen stilstond kwamen Cornelia en Napoleona te voorschijn,
zorgvuldig van het hoofd tot de voeten in bont gewikkeld, want het was
een plotselinge overgang van tien graden boven het vriespunt binnen,
tot tien graden daar beneden buiten den wagen. Kayette, die aan de
gure winters in Alaska gewend was, deed echter niet veel moeite om
zich tegen de koude te dekken.
--Gij moet u warmer aankleeden, Kayette, zeide Jan. Ge loopt anders
gevaar koû te vatten.
--Ik ben niet bang voor de koude, was haar antwoord. Bij ons, in de
buurt van Youkon, worden wij daar wel tegen gehard.
--Het is toch niet voorzichtig, Kayette.
--Jan heeft gelijk, kwam nu Cascabel tusschenbeide. Gij moet iets
warms om gaan doen, mijn kwakkeltje. Ik waarschuw je dat ik, als
je verkouden wordt, zelf voor dokter spelen zal en dat zal je niet
meevallen. Als het niet anders kan snijd ik je hoofd af om te maken
dat je niet niezen kunt!
Dat was iets om niet meê te spotten, en de Indiaansche begreep dat
er niets ander opzat dan zich ook in het bont te steken.
Het noodige werd vervolgens gedaan om op deze plek den nacht door te
brengen, wat trouwens niet veel om het lijf had. Er was geen bosch
in de buurt en dus geen hout te hakken, geen brandstof en dus geen
vuur aanteleggen, geen gras en dus niets voor de paarden te snijden,
alleen was er de _Schoone Zwerfster_ met al hare geriefelijkheid,
hare gezellige vertrekken, hare warme slaapplaatsen en hare tafel
die reeds gedekt stond.
Evenwel moest er gezorgd worden dat Vermout en Gladiator het noodige
voeder kregen uit den voorraad hooi dien zij uit Port-Clarence hadden
medegenomen. Toen dat gedaan was werden de beide paarden geheel
in warme dekens gewikkeld en konden zij tot den volgenden dag rust
nemen. Ook werden de papegaai in zijne kooi en de aap in zijn hok
niet vergeten, terwijl de twee honden zich te goed deden aan gedroogd
elandenvleesch, dat hun best scheen te smaken.
Toen de dieren verzorgd waren, gebruikten de reizigers hun
avondmaaltijd, of om juister te spreken, want het was nog vroeg op
den dag, hun middagmaal waarbij het weder aan eetlust niet ontbrak.
--Ik houd het er voor, merkte Cascabel op, dat het wel voor het eerst
zal wezen dat er door fransche reizigers zulk een goed maal midden
in de Behringstraat gedaan wordt.
--Dat is wel waarschijnlijk, antwoordde Sergius, maar vóór dat wij
een dag of drie, vier verder zijn, hoop ik dat wij weder met elkaar
aan tafel zullen zitten, maar dan op den vasten grond.
--Te Numana? vroeg Cornelia.
--Neen op het eilandje Diomedes, waar wij een paar dagen rust zullen
houden. Wij komen met den wagen zoo langzaam vooruit, dat het op
zijn minst eene week zal duren voor dat wij het aziatische strand
kunnen bereiken.
Toen de tafel afgenomen was, dacht niemand meer aan iets anders dan om
naar bed te gaan, al was het ook nog pas vijf uur op den middag. Het
was een aangenaam vooruitzicht na een vermoeienden marsch van eenige
uren over een ijsveld, een langen nacht op een goed bed onder warme
dekens te liggen. Cascabel vond het niet eens noodig eenige voorzorg
te nemen voor de veiligheid gedurende den nacht, want er was in deze
eenzaamheid geen gevaar voor kwaad volk. De honden waren waaksch
genoeg om bij het minste teeken van onraad de slapers in de _Schoone
Zwerfster_ wakker te maken.
Intusschen stond Sergius toch nog een paar maal in den nacht op om
zich te overtuigen dat er geen verandering in den toestand van het ijs
kwam, hetgeen bij eene daling in de temperatuur licht het geval had
kunnen zijn en waarover hij zich het meest ongerust maakte. Maar het
weer bleef bestendig, de wind was noord-oost en niet bijzonder sterk.
Den volgenden ochtend werd de tocht onder dezelfde omstandigheden
voortgezet. Er gebeurde niets bijzonders en zij hadden eigenlijk
van niets hinder als van de vermoeienis. Zij legden drie mijlen af,
maakten toen weder halt en brachten den tweeden nacht door even als
den eersten.
Den daarop volgenden dag, dat was de 23ste October, konden zij niet
vóór negenen op marsch gaan en toen was het nog maar nauwelijks
licht genoeg.
Sergius merkte op dat het minder koud was geworden. In het noordoosten
pakten eenige wolken zich aan den gezichteinder samen. De thermometer
ging een weinig naar boven en ook de drukking van de lucht werd,
blijkens den barometer, iets minder.
--Dat bevalt mij maar half Jan, zeide Sergius. Zoo lang wij op
het ijsveld zijn, mogen wij niet klagen wanneer het kouder wordt,
maar de wind begint te draaien en nu gaat ongelukkig de barometer
ook naar beneden. Het ergste wat ons overkomen kan is dat het minder
koud wordt. Let dus vooral goed op het ijs Jan, houd op alles het oog
en denk er aan dat gij ons waarschuwen moet zoodra gij iets bespeurt
dat niet in den haak is.
--Wees maar gerust, mijnheer Sergius.
Ware het eene maand later geweest, dan zou er vóór April weinig kans
bestaan hebben op eene verandering als waar Sergius zich ongerust
over maakte. De vorst zou dan voorgoed ingetreden zijn, maar dit jaar
was het een late winter en zooals gewoonlijk bij de verandering der
seizoenen, kon het gebeuren dat het nog eenigen tijd bij afwisseling
ging dooien, waardoor op de eene of andere plaats het ijs weder
los kon raken. Het ware veel beter geweest wanneer de thermometer,
zoolang zij in de Straat waren, een vijf-en-twintig of dertig graden
beneden het vriespunt gebleven was.
Toen zij eindelijk op marsch gingen was het nog maar weinig
licht. De laag staande zon was niet in staat de dikke nevellaag te
doorboren. Bovendien kwamen er aan den horizont een menigte lange,
smalle wolken opzetten, die door den zuidelijken wind langzamerhand
naar het Noorden gejaagd werden.
Jan liep vooruit, het oog onafgebroken gericht op de sneeuwlaag die
sedert den vorigen dag een weinig weeker geworden was en waar hij
met iederen stap een eindje in zakte. Zij kwamen dezen dag niet meer
dan twee mijlen verder. De nacht ging voorbij zonder dat er iets
bijzonders gebeurde.
Den volgenden dag, den 24sten braken zij te tien uur op. Sergius
begon zich nu werkelijk ongerust te maken, want hij had bevonden dat
de temperatuur opnieuw hooger geworden was, hetgeen in dezen tijd
van het jaar, op deze breedte, iets zeer ongewoons moest zijn.
Cornelia, Napoleona en Kayette wilden, nu het minder koud was, ook
liever te voet den wagen volgen. Met hare eskimo-laarsjes aan de
voeten, hielden zij de anderen zonder moeite bij. Zij hadden allen
hunne sneeuwbrillen opgezet en raakten spoedig gewend om door de nauwe
spleet, die in deze oogkleppen aangebracht is, heen te zien. Sander
vond het wel zoo pleizierig dat zij nu met hun allen wandelden; hij
sprong en buitelde als een jonge reebok en het was alsof hij van geen
vermoeienis wist.
De wagen kwam echter niet dan uiterst langzaam vooruit. Diep zakten
de wielen in de weeke sneeuw en het trekken werd hoe langer hoe
bezwaarlijker. Telkens als de banden tegen de scherpe kanten der
schotsen en tegen de bobbels op het ijs stootten, kwamen er hevige
schokken die onmogelijk te vermijden waren. Ook werd de weg nu en dan
versperd door hooge ijsblokken die op elkander gekruid waren. Om deze
te ontwijken moesten zij dan telkens een grooten omweg maken. Dit
maakte echter alleen den tocht wat langer en het was beter dan dat
er kloven of hooge ijsruggen in den weg gekomen waren. De stevigheid
van het ijsveld liet voor het oogenblik nog niets te wenschen over.
Maar de thermometer bleef naar boven gaan en met dezelfde
regelmatigheid daalde de barometer. Sergius kon zijne vrees niet
langer verbergen. Kort vóór den middag waren de vrouwen genoodzaakt
weder in den wagen te gaan, want het was hard gaan sneeuwen, met
lichte doorschijnende vlokken, die er uitzagen alsof zij op het punt
van smelten waren. Het had er veel van alsof er hoog in de lucht
eene vlucht vogels zweefde, die onophoudelijk hunne lichte vederen
kwijt raakten.
Cesar vroeg aan Sergius of hij ook niet liever in de _Schoone
Zwerfster_ wilde gaan, maar deze verkoos dit niet. Hij wilde zich
niet onttrekken aan de ongemakken die zijne reisgenooten te verduren
hadden. De half gesmolten sneeuw die in zulk eene dichte massa
nederviel, gaf hem nieuwe reden tot ongerustheid want deze natte laag
moest het ijs hoe langer hoe weeker maken. Het was te wenschen dat
zij zoo spoedig mogelijk op het eiland Diomedes kwamen.
Zij mochten echter niet dan met de uiterste behoedzaamheid
voortrijden. Sergius besloot daarom zich bij Jan te voegen, die nog
steeds een honderd passen vooruit liep, terwijl Cascabel en Kruidnagel
samen de paarden bij den teugel leiden. Die dieren gleden onophoudelijk
uit. Als er een ongeluk met den wagen gebeurde zouden zij dien op
het ijsveld achter moeten laten, en wat er dan van hunzelven worden
moest was niet te voorzien.
Naast Jan loopende deed Sergius zijn best om met zijnen kijker zoo ver
mogelijk voor zich uit te zien naar het Westen, maar het gezichtsveld
was onder de sneeuwbuien uiterst begrensd. Zij gingen bijna op den tast
verder en zeker zou Sergius reeds lang halt geroepen hebben indien
hij niet gevreesd had dat het ijs misschien niet sterk genoeg zou
blijken om den wagen langen tijd op een en hetzelfde punt te dragen.
--Het moge gaan zooals het wil, zeide hij, maar wij moeten zien dat
wij van daag nog op Diomedes komen en daar des noods afwachten dat
het weder gaat vriezen.
--Hoe ver rekent gij dat wij nog van het eiland af zijn? vroeg Jan.
--Ik denk ongeveer anderhalve mijl. Het blijft nog een paar uren licht,
ten minste helder genoeg om te zien dat wij in de goede richting
gaan. Wij moeten dus het uiterste wagen om er te komen vóór dat het
geheel donker wordt.
--Zou het niet goed zijn, mijnheer Sergius, dat ik nog een eind
verder vooruit liep om te zien of ik het eiland niet in het gezicht
kan krijgen?
--Neen Jan, dat niet! Ge zoudt gevaar loopen in dit stormweer te
verdwalen en dan waren wij nog veel verder van den weg. Wij moeten
zien dat wij op het kompas afgaan, want wanneer wij het eiland Diomedes
aan den eenen of aan den anderen kant voorbijliepen, weet ik waarlijk
niet wat er van ons terecht moest komen.
--Hoort gij dat, mijnheer Sergius? riep Jan op eens, nadat hij eenige
oogenblikken voorover gebukt had geloopen.
Sergius bukte zich ook en luisterde. Hij hoorde duidelijk dat
het ijs in alle richtingen kraakte, met een geluid als van glas
dat barst. Kon dit een teeken zijn dat het losraakte, of op enkele
plaatsen scheurde? Intusschen was er op de oppervlakte, zoo ver zij
zien konden, nog geen enkele barst te ontdekken.
Hun toestand werd nu hoogst bedenkelijk. Onder deze omstandigheden den
nacht op het ijs doortebrengen, kon de ergste gevolgen hebben. Het
eilandje Diomedes was hun eenige toevluchtsoord; daar hadden zij
ten minste vasten grond onder hunne voeten; zij moesten er dus zien
te komen al ging het met nog zooveel vermoeienis gepaard. Bitter
berouwde het Sergius thans dat zij nog niet eenige dagen later van
Port-Clarence waren opgebroken.
Hij keerde met Jan naar den wagen terug en bracht Cascabel op de hoogte
van den stand van zaken. Zij vonden het echter beter er de vrouwen
vooreerst nog niets van te laten merken, want die zouden zich ongerust
maken zonder dat het iets baten kon. Zij lieten haar dus rustig in den
wagen zitten en begonnen met hun allen aan de wielen te duwen, teneinde
de paarden, die bijna niet verder konden en wien het zweet onder de
snerpende windvlagen langs de zijden gudste, het werk lichter te maken.
Tegen twee uur werd de sneeuwjacht minder en vielen er nog maar losse
vlokken die in den storm wild door elkaar dwarrelden. Het werd nu
gemakkelijker de goede richting te houden en zoo hard zij konden
duwden zij het rijtuig voort. Er was geen sprake meer van om halt
te houden zoo lang de _Schoone Zwerfster_ niet veilig op het eiland
Diomedes stond.
Volgens hunne raming kon dit nu niet verder meer dan eene halve
mijl wezen. Als zij hunne laatste krachten inspanden zouden zij er
misschien over een uur kunnen komen.
Ongelukkig werd het reeds zoo flauwe daglicht hoe langer hoe zwakker,
zoodat het nu niet veel meer was dan eene schemering. Of zij werkelijk
in de goede richting waren en veilig aldus konden voortgaan, konden
zij onmogelijk bepalen.
Op dit oogenblik begonnen de honden beide te gelijk hevig te
blaffen. Bespeurden zij eenig onraad? zouden zij misschien de eene
of andere bende Eskimo's of Tchouktchi's, op weg naar den overkant,
tegenkomen? Mocht dit het geval zijn, dan wilde Sergius hunne hulp
inroepen en in elk geval kon hij dan met zekerheid te weten komen
waar het eiland lag.
Intusschen werd er een raampje van den wagen opengemaakt. Cornelia
vroeg wat er aan de hand was, daar zij Wagram en Marengo zoo te keer
hoorde gaan.
Het antwoord luidde dat niemand het wist, maar dat er geen reden was
om zich ongerust te maken.
--Moeten wij uit den wagen komen? vroeg zij.
--Neen, Cornelia, zeide Cascabel. Gij en de meisjes moet blijven waar
ge zijt. Ge hebt hier niets te maken.
--Maar kunnen de honden geen beesten geroken hebben, geen beer
misschien?
--Welnu, als dat het geval mocht zijn dan zullen wij ze naar behooren
ontvangen. Houd de geweren maar gereed. Maar vooral, blijf binnen!
--Doe het raampje dicht, juffrouw Cascabel, zeide Sergius. Wij hebben
geen oogenblik te verliezen. Wij moeten maken dat wij voortkomen.
De wagen was stil blijven staan toen de honden waren begonnen te
blaffen. De zware tocht werd voortgezet.
Gedurende een half uur kwam de _Schoone Zwerfster_ een weinig
gemakkelijker vooruit, want de oppervlakte van het ijs werd minder
hobbelig. De paarden waren uitgeput, zij lieten hunne koppen hangen,
hunne knieën knikten bij elken stap, maar zij trokken nog wat zij
konden. Het was duidelijk dat zij hunne laatste krachten inspanden,
maar als het nog eenigen tijd zoo voort moest gaan zouden zij er
bij neervallen.
Het was bijna duister geworden. Het weinige licht dat er nog was,
scheen meer van de grauwe ijsvlakte beneden, dan van boven te komen.
Nog altijd bleven de honden blaffen, zij renden heen en weder, den
neus in den wind, de staarten rechtstandig en onbewegelijk.
--Er moet iets bijzonders vóór ons uit zijn, zeide Cascabel.
--Het is het eiland Diomedes! riep Jan op eens.
Hij wees met de hand naar een verwarden hoop rotsen, die op een
honderd of wat passen meer naar het westen zichtbaar begon te worden.
Het scheen dat Jan gelijk had, want op de vale, met sneeuw bedekte
verhevenheid vertoonden zich enkele zwarte stippen, die scherp tegen
den witten achtergrond afstaken.
--Dat moet werkelijk het eiland zijn, meende Sergius.
--Maar het is alsof ik die zwarte punten heen en weer zie gaan,
riep Cascabel.
--Wat zegt gij daar?
--Wel zeker!
--Dat zijn misschien robben, die soms bij duizenden te gelijk op die
eilanden te vinden zijn.
--Bij duizenden te gelijk? vroeg Cascabel.
--Wel patroon, riep Kruidnagel, dat zou een fortuintje zijn als wij
er een stuk of wat machtig konden worden om die op de kermissen te
laten kijken!
--Ja, en dan moesten wij ze "papa!" leeren zeggen, voegde Sander
er bij.
De onbezorgde aard van dit kermisvolk verloochende zich toch geen
oogenblik!
II.
TUSSCHEN TWEE STROOMEN.
Eindelijk stond de _Schoone Zwerfster_ dus weder op vasten grond en
was er geen gevaar meer dat het ijs onder haar weg zou zinken. Het
is gemakkelijk te begrijpen hoe blijde onze reizigers waren, dat zij
zich ten minste in dit opzicht in veiligheid bevonden.
Het was nu geheel donker geworden, alles werd op dezelfde wijze
ingericht als de vorige nachten en zij kozen hunne verblijfplaats
op eenige honderd schreden van het strand. Eerst werden de beesten
verzorgd en vervolgens de "denkende passagiers" zooals Cascabel gewoon
was te zeggen.
De koude was naar omstandigheden niet erg. De thermometer stond een
graad of vier boven het vriespunt, maar dit kwam er thans minder op
aan, want zoo lang zij zich op het eiland bevonden kon eene verdere
daling der temperatuur hen niet deren. Zij wilden wachten tot het
weer zou gaan vriezen en het ijs zijne vroegere stevigheid terug zou
krijgen; zeker kon het niet heel lang duren of de winter zou zich in
zijne volle strengheid doen voelen.
Sergius besloot tot den volgenden dag te wachten om het eiland
nauwkeuriger optenemen. Het kwam er voor het oogenblik het meest op
aan dat de paarden goed bezorgd werden en stevig voêr kregen, want
de dieren konden letterlijk geen stap meer doen. Toen daarin naar
behooren voorzien was, werd de avondmaaltijd gebruikt en daarna kropen
zij allen onder de dekens, wat hun na de geweldige vermoeienissen
van dezen dag dubbel aangenaam was.
In de _Schoone Zwerfster_ verkeerde alles dus spoedig in de diepste
rust. Cornelia sliep als de anderen, zonder te droomen van scheuren in
het ijs of van afgronden, waar hare rollende woning in weg kon zinken.
Zoodra het den volgenden ochtend licht begon te worden, dat was dus
op den 25sten October, gingen Cesar en zijne twee zonen met Sergius
een onderzoekingstocht over het eiland maken.
Het eerste wat hunne aandacht trok, was de letterlijk ontelbare
menigte robben, die op dit eiland verblijf schenen te houden. Dit
waren allen zoogenaamde pelsdragende robben, die om het kostbare bont,
waarmede zij bedekt zijn, groote waarde bezitten. In dit gedeelte
van de Behringzee, en zuidelijker tot ongeveer den vijftigsten graad
noorderbreedte, worden deze dieren het meest, gewoonlijk in talrijke
kudden, aangetroffen.
Wanneer men het oog slaat op de kaart, zal men terstond opmerken
dat de tegenover elkander liggende kusten van Amerika en van Azië
in vele opzichten denzelfden vorm hebben. Aan weerskanten is het
strand scherp geteekend en volgt het bijna dezelfde lijn: tegenover
het Prins-van-Walesland ligt het Tchouktchi-schiereiland; tegenover
de Norton-Sond bevindt zich de golf van Anadyr; de uiterste punt
van Alaska beschrijft ongeveer dezelfde bocht als het schiereiland
Kamschatka. Aan het einde dezer kustlijnen liggen de Aleoeten-eilanden
in eene lange reeks uitgestrekt. Evenwel volgt daar volstrekt niet uit,
zooals men misschien veronderstellen zou dat Amerika en Azië in een
vroeger tijdperk der geologische formatie aan elkander vastgezeten
hebben en dat de Behringstraat ontstaan zou kunnen zijn door eene
scheuring der beide werelddeelen. Immers de uitstekende punten van
de eene kust komen niet overeen met de inspringende hoeken aan den
overkant.
Eene menigte eilanden vertoont zich op de kaart. Vroeger hebben
wij het eiland Sint Laurens reeds genoemd. Dan is er aan den kant
van Amerika het eiland Nounivak en aan den kant van Azië het eiland
Karaghniskii. Vervolgens het Behring-eiland, waar het Koper-eilandje
vlak bij ligt en eindelijk, niet ver van de kust van Alaska, de
Pribyloff-eilanden. Evenals het strand aan weerszijden dus dezelfde
gedaante heeft, liggen de eilandengroepen nagenoeg in gelijke
verhouding verspreid.
Nu zijn het juist de Pribyloff-eilanden en het Behring-eiland waar
de robben, die in deze zeeën rondzwemmen, het meest hare toevlucht
zoeken. Niet bij duizenden, maar bij millioenen worden zij er
aangetroffen. De jagers die deze dieren trachten te bemachtigen,
vervolgen hen dan ook voornamelijk op en in de nabijheid van deze
eilanden. Door de aanhoudende jacht die er op gemaakt wordt is onder
anderen eene soort, welke in de vorige eeuw nog zeer talrijk was en
onder den naam van zee-otters of bevers bekend stond, tegenwoordig
zoo goed als geheel uitgestorven.
Onder de eigenlijke robben worden een aantal soorten verstaan, die
aangeduid worden met de namen van verschillende dieren met welke zij in
hun uiterlijk eenige overeenkomst vertoonen. Zoo zijn er zee-leeuwen,
zee-koeien, zee-beren en anderen. In ontelbare koloniën hoopen zij zich
op de eilanden op en voorzoover men na kan gaan, bestaat er nog geene
kans dat zij ooit uitgeroeid zullen worden. Maar de onverzadelijke
gouddorst der menschen ontziet niets, en moeielijk is het te zeggen
wat daar op den duur het gevolg van kan zijn.
Zoo lang de vorst het niet geheel onmogelijk maakt, worden zij
meedoogenloos opgejaagd en afgemaakt tot in hunne meest afgelegen
schuilhoeken. In groote hoopen zijn zij daar bijeen, zoodat er eene
ontzettende slachting onder wordt aangericht, waarbij voornamelijk
de volwassen dieren het moeten ontgelden. Alleen door dat deze dieren
zich zoo verbazend snel voortplanten en zoo onbegrijpelijk vruchtbaar
zijn is het te verklaren dat zij niet geheel uitgeroeid worden.
In het tijdsverloop tusschen de jaren 1867 en 1880 zijn er, alleen
in hunne schuilhoeken nabij het Behring-eiland, driemaalhonderd
achtentachtigduizend negenhonderd tweeënnegentig robben gevangen en
gedood. In den tijd van eene eeuw rekent men dat de visschers van
Alaska op de Pribyloff-eilanden meer dan drie en een half millioen
robbenvellen meester zijn geworden. De jaarlijksche vangst wordt
tegenwoordig op honderdduizend vellen geschat.
Hoevele er op de andere eilanden in de Behringzee te vinden zijn,
konden Sergius en Cascabel eenigszins opmaken uit hetgeen zij op het
eiland Diomedes te zien kregen. De geheele bodem was bedekt met robben,
in hoopen bij elkaar en als eene verwarde menigte dooreen krieuwende,
zoodat er van het sneeuwtapijt waar zij rustig verblijf op hielden,
bijna niets meer te zien was.
Onze reizigers keken met nieuwsgierige blikken naar deze beesten,
maar zij bleven zelven ook niet onopgemerkt. Het was vrij duidelijk
merkbaar dat de robben het niet pleizierig vonden dat er vreemde
bezoekers op hun toevluchtsoord waren aangeland. Zij gingen niet voor
hen uit den weg en lieten telkens een langgerekt brullend geluid
hooren, dat niet juist vriendschappelijk klonk. Dan richtten zij
zich ook overeind en sloegen met eene soort van woede hunne pooten,
of liever hunne waaiervormig uitgespreide zwemvliezen heen en weder.
Hoe jammer voor Sander dat geen van deze beesten praten kon! Wat
een lawaai zou het geweest zijn als zij "papa" hadden kunnen zeggen
en als zij allen tegelijk dat woord over hunne met stijve knevels
bezette lippen hadden doen komen!
Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat Sergius noch Jan er over
dacht om onder deze overweldigende menigte op de jacht te gaan. Het
was wel waar, zooals Cesar Cascabel opmerkte, dat er hier een fortuin
van "wandelend bont" op elkaar gestapeld was, maar ze op te jagen zou
niet alleen nutteloos geweest zijn, want de jagers zouden hunnen buit
toch niet mede hebben kunnen nemen, maar het zou ook hoogst gevaarlijk
hebben kunnen worden. In zulk eene menigte bijeen, waren deze beesten
alles behalve weerloos en zeker konden zij het verblijf van de _Schoone
Zwerfster_ onmogelijk maken. Sergius waarschuwde dan ook dat er niets
gebeuren mocht waar de robben van hadden kunnen schrikken.
Intusschen was het de vraag of de aanwezigheid van zulk eene
menigte zeebewoners op het eiland niet iets te beduiden had, waar
onze reizigers rekening mede moesten houden. Wat kon de reden zijn
dat deze dieren, op eene rots waar niets voor hen te halen viel,
bij instinct eene toevlucht waren komen zoeken?
Sergius, Cesar Cascabel en zijn oudste zoon hielden hierover een
ernstig onderhoud, waartoe zij midden op het eiland, op eenigen
afstand van den wagen, bij elkander kwamen, terwijl de vrouwen in
de huishouding bezig waren en Kruidnagel met Sander voor de dieren
gingen zorgen.
Sergius leidde het gesprek in.
--Waarde vrienden, zeide hij, wij moeten er eens over praten of
het beter is het eiland te verlaten zoodra de paarden genoeg zijn
uitgerust, dan wel of wij hier nog eenigen tijd moeten blijven.
--Mijnheer Sergius, antwoordde Cesar Cascabel, het komt mij voor
dat wij hier op deze rots niet de aardigheid moeten vertoonen om
voor Robinsons te spelen. Ik wil niet ontkennen dat ik er hard naar
verlang om den wal van Siberië onder mijne zolen te hebben.
--Dat begrijp ik heel goed, vader, hernam Jan, maar het is toch ook
raadzaam dat wij een weinig voorzichtiger te werk gaan dan wij gedaan
hebben toen wij onzen tocht over het ijs hebben aangevangen. Ware dit
eilandje er niet geweest, wat ware er dan van ons terecht gekomen? Wij
zijn nog wel tien mijlen van Numana af.
--Welnu Jan, als wij ons best doen, kunnen wij misschien in twee of
drie dagreizen dat eind achter den rug hebben.
--Dat zou moeielijk gaan, antwoordde Jan, zelfs al liet de toestand
van het ijs niets te wenschen over.
--Het komt mij voor dat Jan gelijk heeft, merkte Sergius op. Het
spreekt van zelf dat wij allen evenveel haast hebben om de Straat
over te zijn, maar met zulk eene buitengewoon lage temperatuur ben ik
huiverig om den vasten wal te verlaten. Het is nu duidelijk dat wij
te vroeg van Port-Clarence vertrokken zijn, laat ons oppassen dat wij
van het eiland Diomedes weggaande dezelfde fout niet maken. Het lijkt
mij eene uitgemaakte zaak dat de Straat nog niet over haar geheele
breedte eene vaste ijsmassa geworden is.
--Daar komt zeker dat kraken van daan dat wij gisteren nog in het
ijs gehoord hebben, voegde Jan er bij. Daaruit kunnen wij opmaken,
dat het nog niet geheel en al vastgevroren is.
--Dat is zeker een bewijs, hernam Sergius, maar het blijkt nog uit
iets anders.
--Waaruit dan?,vroeg Jan.
--Uit iets dat mij haast nog meer afdoende lijkt, namelijk uit de
duizenden robben, die ongetwijfeld door hun instinct gedreven hier op
dit eilandje eene toevlucht zijn komen zoeken. Hoogstwaarschijnlijk
zijn zij uit volle zee komende, op weg gegaan naar het Behring-eiland
of de Aleoeten-eilanden, maar hebben zij onderweg eene verandering
voelen aankomen waardoor het voor hen niet geraden werd op het ijsveld
te blijven. Dreigt het ijs los te raken onder den invloed der lagere
temperatuur, of is er misschien eene of andere onderzeesche storing
der aardkorst op handen, waardoor de ijslaag in stukken gebroken zal
worden? Daar weet ik niets van, maar dit is zeker, dat even als wij
haast hebben om op de Siberische kust te komen, deze beesten verlangend
moeten zijn naar hunne schuilplaatsen op het Behring-eiland of de
Aleoeten-eilanden, en dat zij niet hier op Diomedes zullen blijven
hangen wanneer zij daarvoor niet zeer dringende redenen hebben.
--Wat raadt gij ons dus aan, Mijnheer Sergius? vroeg Cesar Cascabel.
--Ik zou denken dat wij hier moeten blijven zoo lang de robben niet
uit zichzelf het eiland verlaten en ons daardoor als het ware te
verstaan geven dat het gevaar voorbij is.
--Drommels, dat is een tegenvaller!
--Het is toch zoo heel erg niet vader, antwoordde Jan. Ik mag lijden
dat wij op onze reis geen grooter teleurstellingen te wachten hebben.
--Bovendien kan het niet lang meer duren, voegde Sergius er bij. Wel
hebben wij dit jaar een bijzonder laten winter, maar het is nu toch al
einde October en al staat de thermometer op het oogenblik nog pas op
het vriespunt, hij kan in een enkelen dag een graad of twintig naar
beneden gaan. Draait de wind naar het Noorden, dan wordt het ijs zoo
stevig alsof wij op den vasten wal staan. Alles wel beschouwd houd ik
het er dus stellig voor dat wij hier niet vandaan moeten gaan zoo lang
er niets gebeurt waardoor het verblijf ons onmogelijk gemaakt wordt.
Dat was minst genomen het voorzichtigst. Er werd dus besloten dat de
_Schoone Zwerfster_ op het eiland Diomedes vertoeven zou, tot zoo lang
de overtocht naar Siberië door de ingevallen vorst veilig ondernomen
kon worden.
In den loop van den dag namen Sergius en Jan den granietklomp, waarop
zij eene toevlucht gevonden hadden, in bijzonderheden op. Het eiland is
drie kilometer in omtrek. Ook des zomers is het niet mogelijk dat er
iets hoegenaamd op groeit, want het is niets dan een opeengestapelde
hoop rotsen. Het zou dus bij uitnemendheid geschikt zijn om den
middenpijler van de brug te dragen, die moeder Cascabel zoo gaarne
willen zou dat over de straat gelegd zou worden. Maar om daartoe te
komen zouden de russische ingenieurs eerst op het denkbeeld moeten
komen om de twee werelddeelen aan elkander vast te koppelen, hetgeen
juist het tegenovergestelde is van het werk dat de heer De Lesseps
het liefst verricht.
De wandelaars droegen de meest mogelijke zorg om de robben niet op te
jagen of te doen schrikken, maar het was duidelijk genoeg dat alleen de
aanwezigheid van menschen oorzaak was dat de beesten niet op hun gemak
en in eenen staat van buitengewone opgewondenheid waren. De grootste
mannetjes lieten aanhoudend een schor gebrul hooren en deden al hun
best om hunne talrijke jongen bij elkaar te houden. Dit ging niet heel
gemakkelijk, want ieder mannetje houdt er verscheidene wijfjes op na,
zoodat een veertig of vijftig jongen dikwijls met hun allen maar één
vader hebben.
De onvriendelijke houding der robben maakte Sergius eenigszins
ongerust, vooral omdat hij meende optemerken dat zij in de nabijheid
van den wagen in troepen bij elkaar begonnen te komen. Zoolang zij
met niet meer dan een van die beesten te doen hadden, bestond er
niet het minste gevaar, maar tegenover zulk eene menigte was dit
het geval niet. Als de robben geen lust hadden om de vreemde gasten,
die hun het rustige verblijf op het eiland kwamen betwisten, langer
daarop te dulden, zouden zij dit zonder eenigen twijfel onmogelijk
kunnen maken. Jan begon het ook in te zien en hij zoowel als Sergius
vond daarin opnieuw eene reden om op hunne hoede te zijn.
Gedurende den dag gebeurde er echter niets bijzonders, alleen wakkerde
de wind, die uit het Zuidoosten woei, hand over hand aan. Het werd
duidelijk dat er een zware storm in aantocht was, misschien een
dier orkanen die nu en dan de poolstreken teisteren en dikwijls
verscheidene dagen aanhouden. De barometer stond buitengewoon laag
en was tot ongeveer 720' gedaald, hetgeen mede een geweldige storing
in den dampkring scheen te voorspellen.
De nacht liet niets goeds verwachten. Daarbij kwam dat zij, nadat
allen in de _Schoone Zwerfster_ eene toevlucht gevonden hadden,
daarbuiten een voortdurend gebrul hoorden dat zich met het gehuil
van den storm vermengde en hen onheilspellend in de ooren klonk. De
robben waren meer en meer in de nabijheid van den wagen gekomen en
omsingelden dien bijna. De paarden hinnikten van angst, alsof zij bang
waren dat zij aangevallen zouden worden, terwijl Wagram en Marengo
voortdurend blaften zonder dat de robben zich daar iets hoegenaamd
aan stoorden. De paarden moesten losgemaakt en dichter bij den wagen
gebracht worden teneinde er gemakkelijker het oog op te houden. De
geweren en revolvers werden geladen, maar Sergius waarschuwde om niet
dan in den uitersten nood te schieten.
Het was een stikdonkere nacht, zij konden niets meer onderscheiden en
staken dus de lantarens op, maar ook dit baatte weinig. Het weinige
licht dat zij verspreidden maakte alleen dat de robben beter te zien
waren, die nu bij duizenden in rijen rondom de _Schoone Zwerfster_
geschaard lagen. Het was maar al te duidelijk dat de beesten zoodra
het licht werd van zins waren eenen aanval op den wagen te doen.
--Als zij op ons afkomen, zeide Sergius, zijn wij ten eenenmale
weerloos, wij hebben alle kans dat zij ons de baas zijn.
--En wat moeten wij dan beginnen? vroeg Jan.
--Wij moeten maken dat wij wegkomen.
--Wanneer? vroeg Cascabel.
--Zonder een oogenblik te verliezen!
Er viel niet aan te twijfelen of dit was het eenige dat hier tegenover
dit onverwachte gevaar te doen stond. Zij moesten van het eiland
af, er viel niet aan te veranderen. Naar alle waarschijnlijkheid
hadden de robben geen andere bedoeling dan de indringers uit hunne
schuilplaats weg te jagen. Eenmaal op het ijsveld, zouden zij geen
gevaar loopen verder door de beesten vervolgd te worden. Zich met
geweld te verzetten zou erger dan onvoorzichtig geweest zijn. Wat
konden zij, met enkele geweren en revolvers, uitrichten tegen een
leger van zooveel duizenden robben?
De paarden werden aangespannen, de vrouwelijke passagiers gingen
weder naar binnen en de mannen, tot tegenweer gereed, vatten post aan
weerszijden van den wagen die door de paarden in de richting van het
Westen voortgetrokken werd.
Het was zoo donker dat de lantarens ternauwernood een pas of twintig
voor hen uit een weinig licht verspreidden. De harde wind was in
een hevigen storm veranderd. Er viel geen sneeuw, wel dwarrelden er
eenige vlokken door de lucht, maar die werden door den wind van het
ijsveld opgejaagd.