Pallieter riep en vloekte maar "Dju! Dju!"

Rechtdóór ging de rit, rats door de savooien en de peekens, over de

grachten, door elzenhout, altijd maar recht door, de aarde dreunde er

van, en vogelen schoten op, en kiekens stoven kakelend uiteen!

Pallieter zag eens op. Over alle wegelen en het veld kwamen menschen

aanloopen, en daár, daár lag de Nethe hoog en stil.

Pallieter zijn kloonen vielen uit, Marieke liet een kres, en Beiaard

plonsde met daverend geluid in het malsche Nethewater!

't Was lijk een bom die sprong, een lichtgestraal als van honderd hevige

fonteinen; het water kwam er van naar omhoog, klotste witte baren open,

en smakte en kletste tot op den dijk.

Het water kwam tot aan hun borst en sloeg op hunne schouders.

Snuivend zwom Beiaard in het waterrumoer over, en hief zich met veel

moeite, druipend lijk een regenwolk, op de dijk.

Ginder lag het vliegtuig, rondom met menschen bezet, men kost over de

koppen loopen, en een macht van waterkletsen verspreidend, kwamen zij er

vóór. Het volk stoof verbaasd uiteen, en daar stond het vliegtuig wit en

licht, als om met een hand maar op te heffen.

Ze waren twee vliegers, beiden in lederen frak en een wollen pots over

de ooren.

Terwijl de eene in den zitbak olie goot, vijsde de andere aan de

geweldige peerleeren schroef. Pallieter vroeg:

"Hoeveul vraagde oem het Scheld te laten zien!"

De beide mannen lachten om deze vraag, en weigerden beslist. Maar

Pallieter blééf aandringen, verhoogde telkens den prijs, tot zij

eindelijk toegaven.

Hij wreef in zijn handen en zei: "Nij gaan we is samen in het rijk der

zon."

"Er is maar voor twee man plaats," merkte de stuurman op.

Het viel lijk een steen op Pallieter zijn hert.

"Da's spijtig, hé kind," zei hij, "mor 'k neem oe dan mee in mijn ziel."

Marieke was ineens verlegen, en streelde de manen van het paard....

Een der vliegers gaf aan Pallieter zijn lederen frak, en dat zijn broek

mestnat was, deerde niet. 't Was frisch!...

Hij zat nu achter den vlieger, die het roer hield, de andere trok eenige

keeren aan de schroef, die ineens zoo hevig begon te draaien dat ze

onzichtbaar werd, en Pallieter kreeg het geweld van duizend winden op

zijn neus, de mannen hun hoeden vlogen af, en de vrouwenmenschen hun

rokken naar omhoog.

De schroef brulde, en daar rolde het spel een vijftig meters hobbelend

voort, en loste zich weg van den grond zonder dat Pallieter er iets had

van gevoeld.

Op een wip zag hij de boomen reeds onder hem, het volk liep van

verwondering mee, en ginder, in 't rood op 'n wit paard, reed Marieke op

den dijk, zij wapperde met haar zakneusdoeksken, en riep "tot straks,

tot straks!" maar daar hoorde hij natuurlijk niets van.

Met een geweldige snelheid ging het vliegtuig hooger en verder. Hij zag

verbaasd rond over de wereld, die onder hem lag, waar alles ineenkromp

en versmolt, 't Was alsof hij zitten bleef en de aarde rap draaiend in

de diepte viel.

Er was niets zwaars meer aan hem alsof hij zonder lichaam was.

Hooger en hooger! en overal zag hij de blauwe horizonnen, die zich meer

en meer optrokken.

Wat waren de begijnenbosschen, de huizen, de dorpen, torens, velden, en

boomen en de Nethe! 't Was als iets om met een vergrootglas te bezien.

Overal was het licht, en vierduizend meters onder hem lag heel de wijde

wereld open, schoon en heerlijk en bedwelmend als de oplossing van een

groot mysterie.

"Och wat is den aardbol schoen!" zei Pallieter.

Heel de lucht was gevuld met het geluid der schroef: 't was alsof zij

er op gedragen werden.

Pallieter zijn ziel groeide van geluk; zoo op de open lucht te zitten,

een deel van den wind te zijn, doorzinderd en omringd te worden van

licht en lucht, en er doorheen te schuiven en te snijden als een pijl,

op weg naar iets eeuwigs! Hij was als dronken van ruimte! En daaronder

lag de wereld zoo schoon en innig van zon en van koleur, zoo vol, zoo

volstrekt, machtig en heilig als het einde aller dingen.

Pallieter was er van ontroerd en zei vloekend: "Hoe schoen, hoe schoen!"

... en dan ... "O dank mijnheerken God, dat gij mij op aarde hebt

geblazen!"

Maar in de diepte bochtte smal en blinkend, de Schelde door de streek,

en daarnevens lag een handsgroote, roode plak, en dat was Antwerpen, die

groote stad met haar duizend huizen en honderd straten! en ginder heel,

heel ver waar de stroom zich aan den horizont verloor, stond de witte,

matte blinking van de groote zee! En ginder lag Brussel, Mechelen en

overal kleine steedjes en dorpen! Pallieter kost er tien met één hand

bedekken en hij zei:

"Dor wone na de mensche!... Dor woene ze na, die denke da z'allemaal

gelijk hemme!... Een scheet in een flesch! Och, Thomes à Kempis, als

g'in e vliegmachien had gezete, oe boekske had duizend kieren iens zoo

schoen geweest!"

Pallieter · 第 15 / 37 题