HET VLIEGTUIG

Marieke was gekomen!

Zij bleef er al drie dagen, en Pallieter was blij gelijk een merel in

den uitkoom.

Al de zielestreeling, die het open veld hem gaf, verkreeg hij nu ook

rijkelijk door haar.

Het was alsof zij de buiten was in persoon. Hij mocht tegenover haar

staan, heel natuurlijk, zooals hij was tusschen de sleutelbloemen en het

riet.

Zij was openhartig lijk de wind, die zijn liederen over de Nethe rolt,

en zij was goed gelijk de grond, die lisch en klaver geeft.

Hij werd warm als hij haar aanzag en haar bijzijn brak zijn hart open.

Het was al leven wat er aan was; als haar mond lachte, was het omdat

haar hart lachte; dat vleesch was gezond en vol blijde levenskracht, als

een stuk gesneden uit Aprilschen grond, 't Was sap!

Wie de natuur liefheeft móest haar geren zien. En Pallieter deed het.

Och, hij was toch zoo blij dat ze daar was; hij had haar kunnen kraken

en opeten en pijn doen, uit hij wist niet welk gevoel.

Hij zei: "Als d'aarde oet ne mensch zij make, zij z'r iene make lak

Marieke."

* * * * *

Terwijl zij in den Reinaert woonde, vierde de wereld het feest van den

langen zomer.

De heete stond op de wereld geduwd, en 't sap kookte in de boomen.

Maar op tijd kwamen zoete, malsche regens de aarde vettig houden, en de

lucht bleef frisch en puur.

Dat was voor het innerlijk leven der aarde een overgroot geluk; want nu

kon zij alles geven waar haar hart van oppropte, en lijk een oploop van

de zee welden al heure goedheden naar omhoog.

De hoven zagen rood van de kersen en de velden geel van 't graan!

Het gers stond dik lijk moorkenshaar, en de vlinders, die wandelende

bloemen van de lucht, wemelden lijk blaren in den herfst over de

dichtbebloemde wegen.

Was er ooit zooveel snoek in de Nethe en paling in de grachten?

Er ontbrak nog melk en honing in de beken.

Maar voor Pallieter was het zoo ook goed. Want is elke streek der aarde

geen beloofde land als er de beloofde man maar is? Zet er een

duitenkliever of een handelaar, en 't melk wordt dun en blauw, en de

honing vol patattebloem.... Maar 't was een dubbele zomer, een van de

duizend!...

En op een dier morgenden, als de dag paskes in de lucht aan 't klauteren

was, werd Pallieter al zingende wakker. Doch ineens zweeg hij, want hij

zag van uit zijn bed de eerste maaiers in de beemden staan.

Er ging een klop in zijn hert, en in zijn hemd liep hij naar de kamer

van Marieke, en riep door 't sleutelgat: "De maaiers staan in 't gers!

Kom zien, kom rap!"

Daarmee liep hij terug naar zijn kamer, schoot zijn broek aan, en begost

weder aan Mariekes deur te roepen en te kloppen.

Na veel lawijd ging de deur open, en daar stond Marieke op heur bloote

voeten, in een rood katonnetten kleedje en een witte zakneusdoek om den

hals.

"Och hoe schoon!" ontviel het van zijn lippen, en het was alsof er aan

elken vinger een draad was, die hem naar Marieke trok. "Kom," riep hij,

"of ik val!" en hij greep haar hand, en zij ritsten van de trap, staken

hunne voeten in gerookte kloonen, en liepen in den hof. Maar daarbinnen

in den stal, stampte de merrie, en Pallieter kreeg ineens het goed

gedacht te paard te rijden.

Zij draaiden de staldeur open, en haalden Beiaard, de witte merrie,

buiten.

't Was een kolos van een paard, met aders op zijn lijf een manspink dik.

't Schudde zijn grooten kop, en de dik opeengepakte krullende manen, die

langs weerskanten zijn breeden nek hingen, wapperden lijk een vlag.

Rillingen van genot liepen over zijn huid, de felbehaarde pooten

stampten putten in den grond, en zijn lange staart sloeg heen en weer.

Het hinnikte en 't was lijk een feestelijke lach die over de velden

sprong.

Pallieter zette Marieke scherlings op den ronden rug en plaatste zich

achter haar. Beiden zonken weg achter den struischen paardennek en zij

moesten hun kop bezijds steken om iets van 't vóór hen liggend landschap

te overzien.

En, de schuimende snuit naar de breede borst gebogen, stapte Beiaard op

den Nethedijk, en zijne groote pooten klopten plat en zwaar lijk hamers

in het roode zand. Alles bewoog wat er aan was; het genoot en snoof de

klare morgenlucht, en was spelend als een veulen, sloeg zijn kop omhoog

en opzij, wipte zijn achterste pooten in de lucht, en hinnikte

aanhoudend.

De buiten was frisch en rook bezonder fijn. De weelde van den nacht

leefde nog onder het gers, en op de Nethe rok en kronkelde er zich wat

witte damp, maar de verten waren klaar.

Er hongen drie leeuweriken te trillen in een lichtgroene lucht, en de

laatste ster verwaterde in het uiteenloopend licht van de opstijgende

zon.

Zij kwamen aan de beemden, hier en daar met ploegen maaiers bezet.

Pallieter deed de merrie staan, en overzag met blij gemoed dit rijke

zomerwerk.

Er hoekten reeds breede straten van afgesneden gers doorheen, beekwater

werd zichtbaar hier en daar, en de gerssapreuk kwam met stooten uit de

lichtgroene afgemaaide plekken.

Overal gonsden de zeiselen; er klonk van alle kanten gewet en geklop op

het klankgevoelig staal en de woorden van mannen en vrouwen--klein en

miniem onder het hoogopklimmend geweld van de lucht--waren in de

beemdenwijdheid groot en lang.

En swenst opende zich de zon en stak de wereld vol van licht tot over de

horizonnen.

Dat spoot stralen uit de zeisens.

"Kom," zei Pallieter, "de zon heed de zeiselen geweeën."

En met een "dju" reden ze verder langs den molligen weg en klaterende

boomen, de open velden in.

Beiaard draafde op gelijken pas en zijn pooten klopten dat de

aardvlokken boven hun hoofd vlogen.

Zij lachten van genot en lieten zich mee opwippen.

De paardwarmte drong door hun billen en rond hun kop liep de frissche

morgenlucht.

Zij reden nevens groote korenvelden, met roode papavers en blauwe

korenbloemekens aan den boord.

Soms kwam een adem wind over de aren gewandeld, en dan gleed er op het

gele koren een blinking van bleek goud.

Een haas schoot schuins over den weg en daar in versch omploegde voren,

tusschen witte kiekens kraaide een groene haan.

Duiven toerden boven de hoeven, en waren nu eens zwart en dan weer wit,

en soms hun vleugelen doorzichtig in de zon.

Dien morgen was er ievers een koekoek.

Marieke lachte, en het tippeken van haren witten halsdoek bleef

achteruit staan en klappertrilde van den wind en van het rijden.

Met scherlings op het paard te zitten en door 't geschok, waren hare

rokken hoog en hooger geschorst, en alzoo zag Pallieter, ten volle uit,

haar bloote beenen en boven hare rechterknie den witten garen kant van

hare broek.

En dat deed hem het veld en de alderblauwste lucht vergeten.

Hij kost er bijna niet van spreken, en zijn hart sloeg er een klopken

rapper van. Hij werd er heerlijk en uitbundig van, en hij boog zich naar

de korenaren, trok er een handsvol uit met wortel en al, en draaide er

mee boven zijnen kop.

Hij riep "Dju, Dju!" en Beiaard versnelde den pootslag en rok zijn lijf

wat langer uit.

't Werd een rappe rit nu op den malschen weg, die kronkelde en keerde

lijk een ardeenschen waterloop.

Beiaard hong er in 't keeren scheef van, en Marieke wrong de manen rond

haar handen en gichelde van 't lachen.

Zoo kwamen zij op den veldhoogte vol met groen en graan.

Daar hield Beiaard stil, en versloeg zijn dorst aan eene beek.

Marieke keerde zich om tot Pallieter en was buiten asem, hare boezemkes

gingen rap op en neer, zij kost er bijna niet van spreken, en dopte het

zweet met haar halsdoeksken weg.

Zij bezag Pallieter voldaan, en hare oogen werden grooter dan anders.

Hij tikte op haar handen en wees haar de vier torens die men van hier

zien kon liggen: Duffel, Mijlstraat, Huut en Mechelen.

Nu lag de Reinaert ver vandaan, heel ver achter de boomen aan den

achtersten Nethedraai.

Van hier gezien was 't Netheland weeldrig en uitverkoren als een borst

der aarde.

De korenvelden, en bruine en groenbeplante grond, met hoeven en hooge

boomen er op, zakten verdeeld in ongelijke vierkanten naar de lage

beemden, die zonken in de Nethe, en aan den overkant rees de grond er

even vruchtbaar uit, maar was onzichtbaar door het hevige licht der zon.

Het licht hing in het dal gelijk eene dichte wind, en Pallieter en

Marieke konden slechts met één oog toe en één oog open de

uitgestrektheid zien.

En met zijn platte hand het dal aanwijzend, zei Pallieter:

"Dat is man beste kamer! Man salon! De loecht is man plafon, de zon man

horloge, het gers is man tapijt, de regen man gordijnen, mor ... man bed

is zonder vrijw!"

Marieke werd rood, glimlachte, zag eens zonder dat ze 't wilde,

Pallieter rats in zijn oogen, en zag dan naar omlaag.

Pallieter had het gezien, het zei hem meer dan genoeg, en het was alsof

men hem een poort opendeed vol riekende appelen.

Zoo was er dan een stilte rondom hen, terwijl in ieders hart het

grootste ding gebeurde.

Maar ineens kwam er van uit de kleere lucht een geweldig geronk. Zij

zagen beiden naar boven en, God! heel hoog in de hevig-blauwe lucht hong

een wit eendekker-vliegtuig, dat met groot gesnor, effen als op water,

door de lucht schoof.

Met beide armen er heen wijzend, liet Marieke een kres, en Pallieter

zweeg van aandoening lijk een steen, hij vloekte binnensmonds van

bewondering, werd wit lijk melk, en er kwam een traan in ieder oog.

't Was toch schoon: gracielijk als een reiger, zonder schok of stoot,

veerde het kalm door de lucht, met zijn vleugelen en zijn staart

schrilwit op 't warme blauw.

De lucht was vol stralen geronk, en al de menschen in het dal liepen van

hun werk en uit hun huis, en zagen naar omhoog.

"Nen engel heet er ni aan," zei Pallieter stil.

"Neeë," zei Marieke, "ik kan man oege ni geloeve!" En zwijgend volgden

ze, met het keeren van hun hoofd de wending van zijn vlucht.

Het was alsof er iets heiligs over de wereld kwam. De duiven schoten

verschrikt weg, en overal waren stemmen van roepende menschen.

Maar ineens scheen het vliegtuig als stil te staan, lijk doet een valk

als hij zoekt; 't deed een zwenkende beweging, sneed sierlijk een halve

ronde over de landstreek en dan ineens met lenige lijn, stak het van uit

die duizelingwekkende hoogte recht naar beneen en kwam schoon gelijk een

kraai, in de weiden, aan den overkant der Nethe.

De koeien, die er gerust te grazen lagen, sprongen verschrikt op en

liepen in groote verwarring weg; er waren er bij die al waterend

weghuisden, met de pooten uiteen en den staart recht omhoog.

"Kom!" huilde Pallieter.

"Mor 't water!" riep Marieke bevreesd.

"Water, water, water! Over het water! Dju!".... En hij gaf Beiaard twee

stampen, greep naar den toom en raffel! daar holde Beiaard er van door,

recht vooruit.

Het paard werd lang, de pooten raakten bijna geen grond meer, en de

manen en de staart stonden achteruit; het reed de lucht kapot, en

klotten aarde vlogen in de lucht en in de boomen.

Pallieter en Marieke zaten gebogen, hieven zich op om lichter te zijn en

de boomen schoten voorbij, het koren was een bleeke ritseling en de

grond als een rap water.

Pallieter · 第 14 / 37 题