ZOMERREGEN

De avond kwam, en de geur der witte rozen hong in de gele lucht.

Pallieter was stil en smoorde langzaam zijn pijp, terwijl hij, tegen een

boom geleund, zijn verschgereven hof bezag.

Het groote lucht-en lichtgenot was met den avond in hem bezonken, en nu

was er in zijn hart een overgroote kalmte.

De smoor, die uit de schouwpijpen van 't begijnhof steeg, vervloeide tot

een witte lijn, die vóór de vesteboomen roerloos hangen bleef.

Drie reine klokkenklanken tampten uit het torentje, en het was alsof er

driemaal op Pallieters hert geklonken werd.

Het torentje stond zwart op den ambergelen hemel, en Pallieter slenterde

over de vest, naar het witte, eenzame begijnhof.

De grijze schemering trilde langsheen de witte muurkens, en de kasseien

lagen bleek. De huizen schenen ééns zoo hoog, de deuren toe, en de

stilte vulde de straten.... Slechts twee zwaluwen scheerden sjirpend

heel hoog in de lucht.

Pallieter ging op zijn teenen, bleef luisteren naar de stilte, en ging

de kerk in. Er was niemand. De glimmende stoelen stonden ernstig op

roten, en de godslamp was als een oog. Hij zette zich neer, en deze

ongebroken geruchteloosheid deed hem van vrede de oogen sluiten. Zijn

ziel opende zich in hem en al het andere was als een vergeten droom ...

zoo zat hij.

"'k Heb God gevoeld, mor 'k blijf toch mensch," zei hij.

Als hij buiten kwam, was het geel uit de lucht, en hongen er grijze

wolken--maar de dag was nog niet dood.

Bij Pallieter stonden al de deuren open, en was het binnenshuis nog

donker. Er was niemand ...

Onder het afdak zag hij het punt van de zware zeisen glimmen, en hij

kreeg een verlangen om er mee te werken. In den hof sloeg er een merel

nu en dan een regel blijde klanken uit, en Pallieter zei: "Da's regen."

Hij ging maaien in het peerdenbeemdeken. Hij wette het staal en het

klonk verweg in den kalmen, zwaren avond. Hij scheerde de zeisen door

het gers, het gers viel om, en het staal ronkte.

Pallieter had bij het maaien groote bewegingen, en stond grootsch en

donker afgeteekend tegen het bleek licht van den uitgestorven dag, en

het licht ging van zijn zeis niet af.--

Er kwam ineens een geritsel door 't gers en in de schemering zag hij een

tuil gele bloemen, en wit daarboven het hoofd van Marieke. Hij was blij,

en zij kwam nader, zeggende vol bewondering: "het was of dat er ne reus

on 't maaien was."

"Mak is rieke?" zei Pallieter en hij duwde zijn gezicht in de malsche

bloemen.

"Ze zijn vor ij," juichte Marieke stil.

"Ik riek er oe zieltjen in, och kom"--en hij nam de bloemen in zijn arm

en zag haar dankend aan. Hij voelde zich als een kind.

"Kom," vezelde hij, "lot ons neerzetten, en vertelt is, wor ge die

geploekken hed." Hij zette zich neer in 't afgemaaide gers en lei den

ruiker open op zijn schoot. Zij zette zich nevens hem en vertelde

traag, dat ze met Charlot naar het veldkapelleken van Sint Anneken was

geweest om te bidden, onderwegen had zij bij een boer, die schoone

bloemen gevraagd, omdat hij, Pallieter, zoo dikwijls naar hun honingreuk

verlangde.

Zij zwegen. De boomen stonden stil en, van uit de donkere keuken, kwam

luid rozekransgeprevel van Charlot.

Pallieter · 第 16 / 37 题