Pallieter aanzag het met halfopen oogen en zei: "Rubes bleft er af!..."

Als de beste graantjes opgepikt waren ging elk der dieren naar zijn

kant, naar den mesthoop, den stal of den blijk. De duiven vlogen in

klapperende kladden de fijne morgenvelden in en de pauw wandelde met

voorzichtige pooten fier in de weggeskes van den riekenden hof en

ontvouwde als een nooitgedroomde koleurenweelde zijn breeden staart

uiteen.

Pallieter zag bewogen hoe schoon hij daar stond in het doorzichtige

groen, onder de witte kersen-en perelaars en de roze pruimenboomen, en

hoe de zon dat zoo rijk en kostelijk maakte alsof het een schoongelogen

vertelsel was.

En daar vloog hij ineens op en zette zich in het hoogst van den

bloeienden appelboom. Daar viel zijn staart als eene groene vlam over de

rozige witte bloemenscheden en hij scheurde driemaal met zijn leelijken,

rauwen kreet de stille lucht vaneen.

Pallieter draaide de waterkraan open, en ineens spoot er uit het blauwe

vijvertje, waarin roode goudvisschen wiegden, een klaterend fonteintje

omhoog. Dan stopte hij zijn pijp, en haalde uit den stal den geweldigen

geitebok. Deze was pekzwart van koleur met een blauwe glans erover,

droeg gele hoornen en had twee groote lichtgrijze oogen. Zijn naam was

Lucifer.

Als het beest buiten kwam, snoof het een stond de frissche buitenlucht

op en wilde dan met zijwippen vooruit, maar Pallieter greep hem bij de

horens, sloeg zijn beenen scherlings over den hoogen rug, stak zijn pijp

aan, en reed dan, gemakkelijk gezeten op Lucifer, die den kop onstuimig

vooroverboog, den hof door. Pallieter klapte in zijn handen, en daar

kwamen de vijf honden aangebast en liepen met lange pooten dol vooruit.

Lucifer droeg Pallieter door het achterpoortje dat op de Nethe uitgaf,

en volgde dan den slingerenden waterdijk.

Langs alle kanten opende zich nu in nieuwe heerlijkheid het wilde,

zonnige, meigroene land dat heel in de verte in zilveren misten

verblauwde. Dat haalde de ziel omhoog. Het was overal een bonte

verschilligheid van bruin en groen, waartusschen hier en daar het felle

geel der rapenbloemplekken geweldig kwam losschetteren. De weiden

wiegden hun gers onder een witten wind en de Nethe schoof er blinkend

haar rappe, koele wateren door.

De lucht van alle kanten doorregen met vogelengetjirp, was vol aangename

reuken, en de boomen op den Nethedijk stonden daar helder en

vroolijk-klaterend als waren ze versch uit den grond gerezen. Op de

breede smeerwortel-blâren langs den dijk lagen nog dikke dauwdroppelen

te stralen en te blinken lijk echte diamant; Pallieter plukte al rijdend

zoo een blad af, bracht het aan de lippen en liet de koele druppelen in

zijn mond rollen.

"'t Is goe, en smokt nor den hemel," zei hij.

Langs alle kanten lag de gewillige aarde weer heel haren rijken schat te

geven, bloemen, planten, erwten, peekens en allerhande vruchten; en

allerhand gediert dat ontpopte, terwijl andere koppelden, en de lucht

rook naar honing, en een spuitende beerkar doordrenkte den grond. Dat is

het Leven: altijd maar geven en koppelen, en 't een heeft nog geen dag

gezien of het andere wordt reeds gemaakt. Zoo gaat het altijd voort en

altijd rond, het eene maakt plaats voor het ander, en staat ge nu met uw

tien geboden in het haar, of op uwen vinger te zuigen, de "waarom" komt

ge toch niet te weten.

"Mor da's niks," zei Pallieter, "'t is schoen, en lot er ons de sijs van

aflakke...." en met den smaak van appelkokken en kersen in den mond zag

hij naar de wit-en roosbebloemde boomen die de hoeven verborgen. Het

deugdwater liep over zijn hert.

Soms galmde het lied van een jongen boer, en het gehinnik van een wit of

bruin paard. Een ploeg blonk en op de Nethe trok een visscher zijn net

omhoog waarin zilveren visch spartelde. Een zwaluw scheerde van den

eenen dijk naar de andere, de honden stoeiden door de beemden, sprongen

over grachten en rolden ondereen in het fluweelig gers waarvan zij onder

't loopen de tippekens beten. Hun geblaf vulde de lucht, hanen kraaiden,

bijen bromden, en in den blauwen hemel stond een lenige pluim van kleine

witte wolkskens.

Pallieter was geroerd door dit fel, heropbeurend leven; hij haalde een

ebbenhouten fluit uit den zak en begon er een blij liêken op te spelen

dat klaar over de velden trippelde. Het was alsof het de Lente was die

zong.

Pallieter was danig blij, greep al rijdend een handvol zurkel die hij

uitzoog, speelde weer een liêken, en zóó kwamen zij aan het Hofken van

Ringen. Het was een oud, vlaamsch kasteeltje in rooden kareel met witte

banden, met een steksch schaliëndak en een fijn torentje, oprecht

gemaakt om den regen een schoone, zingende vloeilijn te geven. Er lag

een breede groene vijver rond met nenuphars en dicht riet, en daarachter

lag een hof van hooge boomen waarin veel vogels leefden. Het stond daar

als met den grond vergroeid, als 'n bloem geboren uit al de schoonheden

en de wilde krachten en elementen der vlaamsche natuur. Pallieter stapte

hier van den bok, die met zotte sprongen door de beemden wipte, hij

zocht het malschste groen en dronk zijn dorst af aan de klare slootjes.

Pallieter lei zich op den dijk den zotten wellust van den Mei te bezien.

Wat later ging hij madelieven en boterbloemen plukken om Charlot blij te

maken. Als hij zijn armen vol had, riep hij de honden en Lucifer en

begon te loopen zoo hard hij kon. Dat was een spel! Loebas schoot een

eind vooruit, de bok huppelde nevens Pallieter en de jonge honden kwamen

achteraan. Er werd over grachtjes en slootjes gesprongen, en soms

plonste een der jongen bij verrassing er midden in. Er werd geloopen,

getuimeld en gerold tot men aan den Reinaert kwam.

En achterwaarts gezeten op Lucifer, de armen vol bloemen, reed Pallieter

met een lachend gezicht den geurenden hof binnen.

"Ha!" riep Charlot als hij haar de bloemen gaf. "Die gon ik veur ons

Luverijke lotte rieke, 'k zal ze straks in foskes zette ..." In

afwachting stak ze den overgrooten tuil in een koperen melkstoop, en 't

was om af te schilderen.

"Mor zeg is," zei ze met verheuging in de stem. "Mannier Pastoer heèd

hier geweest en heè kome zegge dagge veur e Zondag twie eirebroeë mier

zult moete bakke, want er kome drij kozentjes bloetevoetpaters van

Dendermonde hem bezuuke, en ze zulle mè twie broeë ni genoeg hemme."

"Ja," zei Pallieter, "de vasten is wer uit, en tege dat hem oeptenieft

begint zien ze zoe vet as slakskes, da ze ni mier kunne."

Charlot grommelde iets in haar eigen, en Pallieter ging malen naar zijn

meuleke. Het stond tenden den hof op een hoog groen heuveltje, zoodat er

langs alle kanten wind op botsen kwam. Tybaert kwam met opgeheven staart

langs zijn beenen fleeren om te mogen meegaan, en met een wip zat hij

ievers tusschen het houtwerk van de witbestoven molenkamer te loeren

achter muizen.

De zak terwe was bijna leeg, maar 't geen er was schudde hij in den bak.

Strakskens zou hij om ander gaan. Hij keerde het molenkraam tegen wind

in, liet de wieken los die lustig begonnen te draaien; de steenen

wentelden en 't graan maalde kapot. Hij stak zijn kop door 't kijkgat en

overkeek van uit de hoogte 't land. Hij ontstak zijn pijp, en de blauwe

smoor wapperde als 'n fijne struisvogelenpluim in de gezonde lucht en

het molentje tiktakte en kraakte in den wind. Hoe geweldig in de nieuwe

zomerklaarte zag men alles bijderoogen groeien! Er zat in het groen als

een haast om den verloren tijd in te winnen.

En als Pallieter dat zag, hoe alles de belofte van veel fruit en duizend

zoetigheden bijhad, dan zei hij: "Wie zij er wille steurreve!..." En hij

zong:

"De Winter is verganghen,

ic sie des meien schijn,

ic sie die bloemckens hanghen,

dies is mijn hert verblijt;

zoo ver in genen dale

daer is 't genoeghlijck sijn

daer singert die nachtighaele,

voor mijn soet lieveckyn."

Als hij het tweede koepiet meende te beginnen riep Charlot verblijd:

"Bruur, manhier Pastoer zit oep ij te wachte, en ha heè ginnen tijt,

zeèt-hem."

"Zegt dat hem mor oep manne meule komt!"

"Watte? denkte ga' da' manhier de Pastoer me zan goei soetaane on, zan

eigen in oeve meule go smerig make?..."

"Charlot, 't is beter 'ne zak bloem op 'n zwette soetaan, dan 'ne

vliegescheet oep â ziel!"

Maar zie, daar kwam de Pastoor van 't Begijnhof. Het was een kleine oude

vent, met een goedig gezicht en een eirenkop met witte haren rond. Hij

bood hen een snuifken.

"Wa peisde van de zon, Pallieter?"

"Da ze de kreêm is van 't lêve!.."

"Ze rapst man keêl droeg."

"En zoe vint ne mens tog altij 'n reden oem zan eige deugd te doen. Kom,

we gonter ientje pakke."

Ze gingen in de lentekamer, waar Pallieter een stoop kaves en een

beschimmelde flesch wijn ophaalde. De pastoor dronk den rooden wijn en

Pallieter het bruine bier. De zon speelde in het bier en in den wijn en

lei er warme, klare lichten in.

"Apropoo Pallieter," zei de pastoor, "Charlot heèd oe worschijnlak al

gesproke van die twie eirebroeë?"

"As z'had moette steurreve, ze zij leèfdig geweurre zijn oem het te

kunne zegge, want gelle verstaat toch de kunst de wijve rond ellen duim

te winne! 'k Wilde dakket oek kost ..."

"Wel, er is niks zoe gemakkelak: weurd oek Pastoer!..."

Pallieter pinkte, schonk een versche pint die hij eens even voor de zon

hield en dan smakkend uitklokte, zoodat hij naar asem moest snakken, en

hij zei:

"Hierin leeft de ziel der aarde, lot z'in ma lichom kome!" En hij dronk

een andere pint.

"Zie, zie! da land!..." riep Pallieter, wijzend naar den veldbuik, "ik

zij oe wille kusse van plizier, kom, lot ons danse!..." En hij pakte den

pastoor zijn handen, draaide hem meê rond en zong:

"'t Is vandaag Magritjesfiest

lot ons viere, lot ons viere!

't Is vandaag Magritjesfiest

lot ons vieren oemtermiest!"

"Ta, ta, ta," zei de Pastoor lachend, "'k hem ginnen tijd, 'k mut nog

breviere."

En Pallieter liet hem gaan, maar riep nog:

"Ik zal oe strak wa rijpe jeèrbeze lotte brengè!..."

"Goe," riep de Pastoor terug, "'k hem er dezen nacht justekes van

gedroemd!"

En weg ging de grijze pastoor, wandelend over de begijnenvest. Hij

opende zijn kerkboek en begon erin te lezen. Kladden zon schoven grillig

door de hooge boomen op zijn zwarte soutane en zijn glimmenden

tikkenhaan, en deden soms schitteren de goude snede van zijn brevier.

Pallieter, als hij dat zag, kreeg goesting om het goede weer te

psalmeeren.

Hij lei den ouden verluchten bijbel open op zijn armen, zette zich vóór

het raam, en las luid-op:

"Welgelukkzalig is hij denwelken Gij uitverkoren hebt en doet naderen;

in uwe voorhoven zal hij wonen; wij zullen verzadigd worden met de

goedheid van uw huis en met de heiligheid van uw paleis....

Gij bezoekt het land en, hebbende het begeerig gemaakt, verrijkt Gij het

grootelijks; de rivier Gods is vol water; wanneer Gij het alzoo bereid

hebt, maakt Gij hunlieden koren gereed.

Gij maakt de omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in hare voren;

Gij maakt ze week door de regendroppelen en zegent haar uitspruitsel dat

zich zal verblijden, Gij gebenedijt de Krone uws Jaars van uwe

goedertierenheden en uwe voeten druppen van vettigheid; zij bedruppelen

met vruchtbaarheid de weiden der woestijnen en de heuvelen zijn omvangen

van verheuging.

De velden zijn bekleed met kudden en de dalen zijn bedekt met koren; zij

zullen roepen en uwen lofzang zeggen....

O God, die zich omvangt met het Licht als met een kleed, die den hemel

maakt als een gordijn, die zijne opperzalen zoldert in de wateren, die

van de wolken zijn wagen maakt en wandelt op de vederen der winden....

Die de fonteinen uitzendt in de valleien, dat zij tusschen de bergen

zullen wandelen. Alle beesten des velds zullen er aan drinken en de

wilde ezelen zullen er hunnen dorst mede laven....

Aan hunne boorden zullen de vogelen des hemels leven en van uit de

steenrotsen zal hun gezang weerklinken. Hij ververscht de bergen en zet

het land vol allerhande vruchten, voortbrengende gras voor de beesten en

kruid tot den dienst der menschen, doende het brood uit de aarde

voortkomen, dat het hart des menschen versterkt, alsmede den wijn die

het hart des menschen verheugt, doende het aangezicht blinken van

olie....

De boomen des velds verheugen zich en ook de ceders van den Libanon.

Daarin zullen de musschen hunne nesten bouwen en de ooievaars wonen. De

hooge bergen zijn voor de herten en de steenrotsen voor de

kornijntjes....

Pallieter · 第 5 / 37 题