Ik zal den Heer zingen, lof zingen zoolang als ik ben!..."

Pallieter sloeg het boek toe.

Hij had onder het lezen goesting naar den smaak van honing gekregen, en

hij at hem op een donkerbruin beschuitje.

Wat was het toch een goed weêr! Twee kinderen, een in 't rood en een in

't wit, plukten bloemen in het peerdenbeemdeken; twee begijntjes

wandelden nevenseen op den Nethedijk en lazen hardop overentweer hunnen

paternoster af, en de drie oude, blinde venten, die in 't godshuis op 't

Begijnhof woonden, zaten nevenseen in het gers te lachen.

Er vlogen duiven en een kwiksteert en Pallieter voelde zijn hert van

aandoening smilten tot een zoete zalf en hij zei, gelijk ons

Lievevrouwke:

"Mijn ziel verheft den Heer!..."

En hij stak vóór haar wassen beeldeke een keerseken aan en zei:

"As da schoe weêr ij schuld is, dan heddet verdind."

Hij ging voortmalen, tot Charlot om eten riep.

Zij diende eerst kervelsoep met aspergiën. Daarvan aten ze elk twee

tellooren. Nadatum kwam er een varkensgebraad op met spinazie en

bloemende patatten, die 'ne smaak en 'ne weêrsmaak hadden. Er was veel

mostaard bij, om goed te kunnen drinken. Nadien smulden zij elk een half

dozijntje koekebakjes die naar eieren en kaneel roken, en zij smeerden

er nog boter, siroop en suiker over. En om 'nen anderen mond te hebben,

aten ze 'n schotel schone eerdbeziën leeg, zoodat het roode sap van hun

kin druppelde.

Het zweet stond op hun voorhoofd en Pallieter zei:--"O God! 't pleizier

is werral gedaan, geft er ons nog!..."

Pallieter · 第 6 / 37 题