In die eerste Lieve vrouwkensdagen was de Lente ziek. De zon bleef weg
en klaterde maar van tijd tot tijd, zoo door een wolkenholleken, een
bussel licht op de gele boterbloemen. Het versche groen dat zij langs
alle kanten geweldig uit den grond, de boomen en het water had gezogen,
zat er ongeduldig naar te wachten.
Pallieter zei, met een scheeven mond van bitterheid: "'t Spel is nor de
knoppe!..."
Maar in den avond van dezen dag was de volle maan, rood lijk een
blozenden appel, uit de wolken gebroken en een dunne nevel was lijk een
fijn gaas op de Nethe en de beemden komen staan. Zie, als Pallieter dat
zag, maakte hij met speeksel zijn wijsvinger nat, stak hem in de lucht
en als hij voelde dat zijn vinger koel werd langs den Zuiderkant, schoot
hij in een luiden lach, rolde spertelend in het gers en zong in den
stillen avond dat het klonk tot over de Nethe:
"Die mi morghen wecken zal
dat salder wesen die nachtigal
die nachtigale soete;
ick wille dan gaen in genen dal
die suvere bloemen groeten...."
Morgen was het opnieuw zonlicht!
Hij kon er moeilijk van slapen en had bijna den heelen nacht, met het
venster wagenwijd open, wakker gelegen. Hij hield den wolkbrekenden
hemel in 't oog, die na lang wachten gezuiverd was en fijn blauw bleef,
bedrest met bleeke sterren en gevuld met klaren maneschijn.
En in die stille, nieuwe heerlijkheid, waarin de dauw zoel neerzeeg,
speelde omhoog het perelende lied van een jongen nachtegaal. Pallieter
rilde. En hij dacht aan de zon, die nu nog ver achter de wereld zat,
ievers bij de Moorkens en de Chineezen. Morgen zou ze opnieuw het zoete
Netheland beschijnen en ze zou de boomen en planten van geweld doen
spreken en klappen, de bloemen doen breken van reuken, de bosschen doen
denderen van 't danig vogelengefluit en hemzelf, Pallieter, een voet
doen grooter worden. En hij sloeg van veel te groote blijdschap zijn
beenen naar omhoog dat de lakens van het bed vlogen. Hij dekte zich weer
onder en sliep met een lach op zijn mond.
* * * * *
Als er in het Oosten een klaarte bibberde en er een haan had gekraaid,
wipte Pallieter uit zijn bed, trok zijn hemd uit en liep in zijnen
blooten flikker naar de Nethe. Over den grond en tusschen de hooge
boomen hing een grijze smoor. Het was heel stil, het gers woog zwaar van
den koelen dauw en van de boomen vielen groote lekken.
Pallieter liep en sprong zoo maar rats het hooge water in, duikelde naar
onder en kwam weer blinkend van water en geluk, naar asem scheppend, in
het midden boven. De waterkoelte deed het bloed in zijn lijf opspringen,
het deed hem deugd, en hij lachte.
Hij zwom tegen tij in, liet zich op zijn rug terugdrijven, duikelde,
zwom op zijn hondekes, draaide en spertelde en stampte met armen en
beenen, dat het water sloeg en klotste en 't lisch en 't jonge riet deed
buigen en wiegen.
Allengskensaan met het vergrooten van het licht waren de nevels dikker
en witter gegroeid en hadden ze onvoorziens heel het land ingewikkeld.
Fijn vogelengefluit regende nu uit de onzichtbare boomen, en de
nieuwgemaakte bloemreuken dreven met heelder kladden door den mist.
En ginder over de Nethe was de groote, tomatroode zon als een lustige
verrassing uit al die witheid opengebloeid.
Pallieter was er van aangedaan en riep:
"'t Weurdt fiest vandaag! 't weurdt fiest vandaag!"
En hij dreste duizend druppels in de lucht.
Dan duikelde hij nog eens onder, als om de ziel van het water meê te
nemen en liep dan blinkend, roos als een roos in de witte nevelen naar
de Reynaert en hij zong:
Zoo dee Adam--
Zoo dee Adam--
Zoo dee Adam's zonen.
Adam had zeve zone,
zeve zonen had Adam.
Hij was nog maar eenige minuten op zijn slaapkamer als het klare
begijnhofklokske door de witte landen galmde, en hij Charlot haastig van
het trapken hoorde gaan. Charlot bleef op hare kamer tot zij Pallieter
op de zijne hoorde, want eens had zij hem in zijn geboortekleed zien
weerkomen, en was met een kres en de armen omhoog, terug naar binnen
geloopen. Dat mocht nooit meer gebeuren, liever nog de mis te laat komen
of ze niet hooren, dan op Gods wegen een mensch te moeten zien zooals
hij uit de handen van God zelf gekomen is.
Als Pallieter gekleed was, ging hij naar beneden, stak de mechelsche
stoof aan, zette de geel-koperen moor op het vuur en maalde koffie. Als
het water begon te zingen, te grollen en te stuiven schonk hij door. O,
de aangename koffiereuk, die een mensch zijn hart doet bekomen! Hij
voelde rijkelijk de heldere lentekamer en Pallieter stond hem genietend
op te snuffelen lijk een hond.
Buiten kleerde het op. Een zonnestraal kroop schuins het open venster
door en rinkelde schitterend op de geelkoperen marmittekes en op het
gulden bepapegaaid, brokaten manteltje van een wassen Lievevrouwken.
Pallieter stak met de gauwte zijn vinger in die lichtklad en zei:
"Heunink heêd er ni on...."
Hij sneed boterhammen, veegde er, nen halven pink dik, zuute boter over
en haalde uit den kelder een volle schotel versche, hagelwitte
plattekees.
En in den hof die nog nat was van dauw en besprongen werd met plekken
zon, ging hij radeskens plukken--Loebas met zijn vier jong schoten uit
hun vat en sprongen hem bassend rond de beenen. Hij gaf hun elk een
stuksken suiker en dan liepen zij lijk zot over den natten blijk.
Terwijl hij radeskens waschte, kwam Petrus, de ooievaar, met een
zilveren visch in den rooden bek naar zijn nest gevlogen, waar zijn wijf
met eieren lag.
Als alles gereed was voor het eten, ging hij in d'achterdeur staan en
keek over het land dat opkleerde in de zon. Was dat geen deugdelijk
oog-en neus-en oorenfeest, die lichtgroene, geurende verte met de
blinkende waters van de Nethe erdoor, en met koekoek-, haan-en
vogelenstem er in? Zeg?...
Pallieter zette ook de voordeur open, zoodat er seffens een frissche
wind door de gang stroomde, en hij langs twee kanten de nieuwverlichte
wereld zag.
Langs daar die verte van beemden en velden met blauwe bosschen en
windmolens aan den horizon, en langs de vóórdeur de rijkelijke vest, het
begijnhof, en, achter bloeiende hofkes en hobbelige huizendaken, de gele
Sint-Gommarustoren die juist een dripselend rap kwartierken uitrammelde.
De heldere klokkenklanken waren als de blijde tong van het land.
"'t Duurt ni lank genoeg!" zei Pallieter, en hij greep het klokzeel in
de gang en begon er zoo heftig aan te trekken dat de klok in het
torentje bijna geen tijd had om omhoog en omleeg te gaan, en de machtige
galm bolde gonzend over de wijde morgenlanden. Hij trok maar, trok,
alsof het tot aan 't uiteinde van de wereld moest gehoord worden. En hij
zag lachend over end' weer naar 't begijnhof en de beemden.
Nadatum heesch hij, ter eere van het goede weer, in het voorhofken een
groot wit vlag, waarin de wind klapperde en de zon speelde.
Het was verschietelijk den overvloed van het machtig vogelengefluit en
getjirp in de breede vesteboomen na te hooren.
En ginder, met den vrede op haar gezicht, kwam Charlot terug van de mis
met drie kerkboeken onder den arm. Als Pallieter haar zag, zong hij haar
toe:
"Zeg, kwezelke, wilde gij danse?..."
"Het zal e schoe weer weurre, bruur!"
"Een heilig weer wor de kwezels in misstaan!"
"Ik ben gin kwezel!"
"Dor zadde te vet veur! Woroem ette ni wa minder?..."
"Daaroem!" zei ze kwaadweg. Ze ging naar de keuken haar kleed uitdoen,
en kwam terug in de lentekamer in een blauwbaaien rok en een rood
slaaplijf, waaruit hare dikke armen spannend en blinkendvet
uitkwabberden.
En zij dronken koffie, smeerden de plattekees twee vingeren dik op de
lange boterhammen, dopten de ramenetsriekende radeskes in de kees en in
het zout, en smakten en klakten lijk twee zuigende kinderen.
En al etend zag Pallieter altijd maar aaneen naar den veldbuik waarboven
de zon opklom. Er was daar reeds veel leven en beweging van werkende
boeren. De roode wieken van den molen draaiden in den frisschen wind die
de nevelen had weggevaagd en een witte ronde ballonwolk door het blauw
van den hemel zond; en de reuk der witte en purpere kruidnagelen, van
voor het venster, wandelde over de tafel heen.
Pallieter dronk het laatste eten in de maag, en riep armenzwaaiend,
terwijl Charlot met neergeslagen oogen een vaderonsken bad: "O Heer,
mijn billen worden licht als strooi en omhoogwillend lijk sprinkhanen.
Het is, o Heer, alsof Gij in mijn buik een orgeltje hebt geplaatst!"
Hij ging buiten, opende duiven-en hoenderkoten en strooide handsvollen
kempzaad, spaansche terwe, rijst, vitsel, haver en koren. En 't was
ineens een geharrewar, gekakel en geslaag van vleugelen. Er waren
zwalpers, smieren, hennen, hanen, ganzen, kalkoenen en een overschoone
pauw.
Ze grabbelden met hun rappe bekken gulzig naar het eten, drongen tegen
elkander, liepen ondereen en pikten naar de musschen die met groote
kladden in den warrelenden hoop neervielen.
Wat was het toch schoon, in die zilveren zon die glimmende krobben,
waarop bruin, groen blauw en rood goud weg en weer danste, die witte,
ros en grijze stippeling der kloeke vleugelen, de roode en gele bekken
en pooten, de bloedroode kammen en de sterkgebouwde en lenige steerten
vol wemelende koleuren lijk in de schelpen van de zee.