We hechten aan het werkwoord worden in sommige gevallen een heel actieve
beteekenis. Wanneer een jongen ons met een blijd voornemen in de oogen
en de stem vertelt: »Meester, ik word zeeman!"--, dan is het, of we hem
met volle zeilen op zijn doel zien afstevenen.
Zoo ging het bij mij niet. Kweekeling-worden, ik had er nooit aan
gedacht. Naar den kansel was mijn blik en hartewensch wel eens
heengegaan, die behoorde om zoo te zeggen ook tot de familie, maar zoo
ver heugenis en overlevering reikten, had Vaders noch Moeders geslacht
ooit de wereld met een schoolmeester verrijkt. Grootvader en twee ooms
waren predikant, een derde oom studeerde er voor, geen wonder als er wat
domineesbloed door mijn aderen vloeide.
Echter, er kon geen sprake zijn van een academische opleiding, daartoe
ontbrak het ten eenenmale aan middelen, en zoo lag het in het duister,
wat ik worden zou. Timmerman, gelijk de twee oudere broers, daar was ik
te zwak voor. Maar wat dan? Misschien was ik behanger geworden--daar
hoefde je niet zoo sterk voor te zijn--toen de armoede het vraagstuk
heel practisch oploste.
Al weken achtereen had ik mijn schoolgeld niet betaald. Weten de
onderwijzers, die den kinderen harde standjes geven als deze hun
schoolgeld hebben »vergeten", wat dat voor een kind is? Ze kunnen er
zeker van zijn, dat er thuis al heftige tooneelen zijn afgespeeld. Het
kind wilde niet naar school zonder schoolgeld, en Moeder had het niet.
Het kind draalde, drong, schreide, werd brutaal, bleef tegen den muur
hangen, en Moeder kon het geld toch niet van haar rug snijden. Eindelijk
zei Moeder: »Zeg dan maar, dat je 't vergeten hebt," maar het kind wist
wel, dat noch meester noch de kinderen dat gelooven zouden. Ten slotte,
vijf minuten voor negenen, is het maar de deur uit geslenterd, met
roodbeschreide oogen, zeurend naar school. En als het daar kleurend van
schaamte en gekrenkte trots, de boodschap van Moeder verlegen naliegt,
terwijl de omringende leerlingen zich in de welgegoedheid hunner ouders
veilig voelen en wat vreemd en ongeloovig kijken, krijgt het van zijn
meester nog een uitbrander. Hoe is het mogelijk!
Als een der voordeelen van een armelijke jeugd, vol vernederingen, heb
ik het altijd gevoeld, dat ik, in beter omstandigheden gekomen, zulke
arme kinderen begrijpen en wat ontzien kon.
Nu is het heerlijk, van mijn bovenmeester te mogen getuigen, dat hij
tegenover mij teer- en fijngevoelige kieschheid betrachtte. Hij
vernederde mij niet midden in de klas, maar riep me in zijn kamertje.
Daar drukte hij me ernstig op 't hart, dat het achterstallige schoolgeld
al veel te hoog was opgeloopen, en dat het zoo niet langer ging. Ik
moest mijn ouders zeggen dat ik het schoolgeld moest meebrengen, en hij
anders verplicht was mij van de school te verwijderen. (Is het, tusschen
twee haakjes, ondanks de waarlijk goede bedoeling en den vriendelijken
toon van den hoofdonderwijzer, toch niet al te erg, dat zulke geldelijke
aangelegenheden, die toch eigenlijk alleen de volwassenen betreffen,
worden afgehandeld met een twaalfjarig kind?) Echter, behalve betalen en
verwijderen, was er nog een derde kans. En ik weet nog, hoe mijn hart
opsprong van blijde verlichting, toen de bovenmeester me dit uitzicht
opende: Ik kon kweekeling worden. Dan kostte ik niets en zou zelfs wat
verdienen: gratis opleiding en vijf gulden in de drie maanden!
* * * * *
Kweekeling worden. Heerlijk! Nu het me daar zoo onverwacht werd
voorgesteld, werd ik plotseling gewaar, dat er toch, volkomen onbewust,
een groote liefde voor het onderwijzerswerk in mij gegroeid was. En dat
had ik te danken aan den onderwijzer, die ons dagelijks les gaf en die,
althans in mijn oog, van zijn taak en zelfs van zijn heele verblijf in
de school, zoo iets behagelijks wist te maken. 't Was de man, die reeds
den eersten morgen van onze aankomst verrukt was over de mooie namen
en die met zulk een gezellige ingenomenheid nieuwe rekenboekjes uit de
kast opdook, wanneer we al weer een rekenboekje uit hadden. Met zoo'n
beloonende en aansporende blijdschap keek hij de twee volle kanten van
je lei na, met zoo'n leuke gratie zwierde hij G's door je sommen ten
teeken dat ze goed waren. Het leek wel voor hemzelf een feest te zijn,
als hij, de griffel sierlijk in de hand, som na som met zijn zegelmerk
voorzag, terwijl wij hem met spannende oogjes aankeken, innerlijk
juichend bij elken gracieusen trek, even inzinkend bij iedere--maar toch
mooie--streep door een foutieve oplossing.
Wat kon hij 's winters gezellig bij de kachel staan! Dan liep hij
eerst rustig om de klas heen, wreef zich de koude handen, opende de
kacheldeur, keek naar 't vuur met dezelfde belangstelling als naar onze
sommen, greep den pook niet minder sierlijk dan de griffel, en pookte
zonder ruwe rammelende geluiden, pookte gelijk hij op 't bord schreef,
netjes en rustig, zoodat zelfs het randje van zijn hagelwitte manchet er
plezier in had en zich nieuwsgierig verbreedde. Daarna hing hij den pook
op zijn vaste plaats, draaide zich met den rug naar de kachel, sloeg de
handen in elkaar op de achterpanden van zijn jas, en koesterde ze te
gelijk met al de achterdeelen van zijn kleeding en wat daar onder zat.
Onderwijzer-zijn, je zag het den man aan, was een dagelijksch genoegen.
Maar ik denk nu, dat hij met hetzelfde genoegen winkelier was geweest.
Alleen had de natuurlijke gave om zijn heele omgeving gezellig te maken
hem dan wat meer geld opgebracht. Hij was gansch geen type van een
verdroogden schoolmeester, nog al rijzig, gezet, kleurig en met
springende haren. Zijn gezetheid bracht zeker mee, dat hij zomers nog
al dorstig was. Dan kon hij zoo smakelijk een glas water leegdrinken.
Eerst hield hij het tegen 't licht, en verkwikte zich met den aanblik
van het kristalheldere vocht. Daarna dronk hij het met langzame teugen
op, genietend van iedere aanraking. Zette hij 't glas weer netjes in de
kast, dan kon je zeker zijn, dat hij nog even, heel even, met het puntje
der tong langs de lippen streek, navoelend de zachte verkoeling.
Was het wonder, dat het opgroeien onder den stillen invloed van zulk
een gemoedelijk-vriendelijk onderwijzersleven, bij ons onmerkbaar
liefde voor dat leven deed ontkiemen? Zóó op 't bord schrijven, zóó de
griffel hanteeren, zóó je koesteren bij de kachel, zóó een glas water
savoureeren--je vond het een benijdbaar voorrecht, en thuis deed je met
welbewuste pogingen dit aanlokkelijk voorbeeld na. Je schoof zelfs een
afgedankte manchet van je grooten broer onder de mouw van je
jongenskiel, om te kijken, hoe dat stond, en of die manchet ook zoo te
voorschijn kwam, als je mouw optrok....
Mijn ouders armoede en het even vriendelijke als wijze voorstel van den
bovenmeester, deden mij kweekeling worden, maar Uw onbedoeld voorbeeld,
o Meester, was oorzaak, dat deze overgang mij onmiddellijk als een
groote verrukking tegen schitterde. Het was de plotseling wakker
wordende en glorende liefde van een meisje, wanneer »hij" haar gevraagd
heeft. Zoo'n leventje te hebben! Ook zonder manchetten was het al zalig,
de griffel, de pook, de kast, de kachel, het glas water, het vredig
wandelen om de klas--het werd alles mijn deel. En innerlijk juichend
holde ik dien morgen naar huis.
* * * * *
Vraag niet, of mijn moeder blij was. Zij zag ineens weer een nieuw
verschiet. Staande voor een muur van geldelijke verplichting, niet
wetend waarheen, loste die muur zich als door een toovermiddel op, de
harde massieve steenmassa vervluchtigde, en daar lag, vóór haar, een
open weg, ruim, zonnig, onafzienbaar. En nu was haar eerste werk, te
zorgen, dat de nieuwe kweekeling er, overeenkomstig zijn positie, netjes
uitzag, eer hij dien weg opwandelde.
De kweekeling was ruim twaalf jaar. Dit nam niet weg, dat hij toch
aan 't onderwijzen toog. Flauw herinner ik me, dat ik tusschen kleine
kinderen doorscharrelde en ze lezen leerde. Bizonderheden staan me niet
meer voor den geest. Alleen weet ik de _plaats_, waar ik mijn eerste
kommando's uitdeelde. 't Was in het ver-afgelegen achtergedeelte van
de groote bovenschool. Zoo zijn ook allerlei andere herinneringen uit
mijn jeugd nauw verbonden aan _terreinen_, en daaruit waag ik het af
te leiden,--stoute sprong!--dat de landkaart een veel grooter rol
moet spelen bij ons geschiedenisonderwijs. 't Is mij net, of al de
herinneringen mijner jeugd, als stofjes door elkaar zouden dansen,
wanneer ik ze niet gehecht zag aan een stukje aardbodem.
Het kweekeling-spelen bestond hoofdzakelijk uit kommandeeren en
verbieden. Dit schijnen de eerste uitspruitsels te zijn van meerderheid.
Je kunt dat bij alle kinderen zien. Wanneer ze schooltje spelen, of
moedertje, of soldaatje, zijn ze aanstonds zich aan 't oefenen in
vrijheidsbelemmeren. En je kunt dat ook bij jonge moeders en vaders
zien. Ook bij jonge onderwijzers en bij bovenmeesters. Beheerscht door
een geheime angst, dat het gezag hun ontglipt, niet vertrouwd met het
jonge leven, en er ook niet op vertrouwend, knellen ze het zoo gauw
en zoo vast mogelijk in banden. Dan blijven ze het meester, en kunnen
er mee jongleeren als met een ingespeld bakerkind. Zelfs de politiek,
en treuriger nog, de godsdienst vatten aldus hun opvoedingstaak aan.
Ze schrijven programma's voor, leggen systemen op, dwingen binnen
organisatie's, die evenwel meer lijken op dooie vlechtwerken dan
op levensuitgroeiingen, volgen het militairisme als hun model, en
zoeken eenvormigheid als hun ideaal. Organiseeren beteekent bij hen:
recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, regimenten-, bataillons-,
legermachten vormen. En opvoeden is: den baas spelen.
Zoo begon ik als kweekeling. Menigeen brengt het nooit verder. Die
sterft als korporaal, als is het onder den naam van legerkommandant.
Hij blijft de man van bevel en dwang. Daarvoor heeft mij bewaard en
zal mij immer beschermen--ge zoudt het nooit raden, als ik 't niet
zei--de straatjongen. Doch niet de straatjongen buiten me, maar die
_in_ me. Hij, de vrijbuitende, zwerfgrage schavuit, hij leeft nog
in me. Hij, de altijd langs en over gevaarlijke kantjes gaande, de
vrijheidminner en vrijheidgunner, hij behoedt me voor gezaggerij.
Zoodra ik, verantwoordelijk, braaf, ernstig paedagoog, dreig te
ontaarden in versteening, komt hij te voorschijn, drijft den spot
met gewichtighedens, en zegt me met de brutaalste oprechtheid, dat
al die deftigheid maar larie is, dat ik er niets van meen, en dat alle
anderen in 't diepst van hun ziel er ook niets van meenen. En zoo zorgt
hij--meester-opvoeder--dat de paedagoog niet in baasspelerij ten onder
gaat.
Wat een kweekeling later worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit
zijn eerste keus. Blijft hij met zijn oud-kameraden stoeien en ravotten,
ondanks zijn lange broek; of sluit hij zich voor goed bij den nasleep
van de volwassenen aan. In 't laatste geval wordt hij een gezagsman,
gevoelig voor strepen op de mouw en sterretjes op den kraag. In 't
eerste geval een vriend van de kinderen. In 't laatste geval wordt hij
een officieele paedagoog--in 't eerste geval blijft hij een jongen.
* * * * *
De theoretische opleiding, die ik gratis ontving, was heel eenvoudig. Ik
kocht bij Ten Brink en De Vries in de Hartenstraat voor vijf cent een
»Beknopt Overzicht van de Vaderlandsche Geschiedenis door A. A. Holst",
voor tien cent een »Kort Overzicht van de Algemeene Geschiedenis" van
denzelfden schrijver, voor nog eens vijf cent de beknopte »Bijbelsche
Geschiedenis" en zoo ook een beknopte Rekenkunde, Taalkunde,
Aardrijkskunde. 't Waren dunne boekjes van 32-48 bladzijden, in een
dun geel of anders gekleurd omslag--ieder overzicht had, meen ik,
zijn vaste kleur--en bestaande uit een reeks lesjes.
Het eerste lesje ving steeds aan met een beschrijving en indeeling van
de wetenschap, waartoe het de deur opende: »Geschiedenis of historie
is het aaneengeschakeld verhaal der lotgevallen van een volk, met
inachtneming van tijden, plaatsen en personen. Men verdeelt de
geschiedenis in Algemeene, Vaderlandsche en Bijbelsche geschiedenis."
Ik weet niet of dit citaat woordelijk getrouw is, maar 'k geloof het
wel. Ver van de waarheid zal het in ieder geval niet zijn.
Dan volgde de opsomming der tijdvakken met de daarbij behoorende
jaartallen. De Algemeene Geschiedenis kreeg haar Oudheid, Middeleeuwen
en Nieuwe Geschiedenis, de Vaderlandsche haar vijf tijdperken. Zoo
begon de Aardrijkskunde na de onmisbare definitie met de opnoeming
der Werelddeelen. Vervolgens kreeg ieder tijdvak, ieder land zijn
afzonderlijke behandeling overeenkomstig een vast schema.
Er is, gelijk men ziet, wel eenig onderscheid met de tegenwoordige
opleiding aan een kweekschool. Een der voordeelen was, dat de boekjes
goedkoop waren, zoodat men voor 50 cent, zijn heele bibliotheek van
leerboeken had aangeschaft. Een tweede voordeel, dat ze dun waren,
zoodat men ze zonder al te veel moeite kon doorkomen. Een derde, dat
ze de volledige wetenschap bevatten, zoodat men ineens alles wist.
De studiemethode bestond hierin, dat men de lesjes woordelijk uit het
hoofd leerde en ze daarna opzei voor den lesmeester. »Men kende dan al
of niet zijn les." Daarmee was 't uit. Leeren was memoriseeren. Zijn les
opzeggen: een boek oplezen, zonder het boek.
Tegenwoordig moet dat nog hier en daar in de mode zijn, zelfs op
gymnasia en hoogere burgerscholen. 't Verschil met vroeger zou dan
wezen, dat nu de boeken talrijker en dikker zijn, en daarmee in
overeenstemming de ellende ook veel grooter. In plaats van de heele
aardrijkskunde in misschien 48 bladzijden, krijgen de leerlingen nu
afzonderlijke boeken voor Nederland, Indië, Europa, de Werelddeelen,
met een of meer atlassen. En dan maar leeren.
Ik denk er niet aan, mijn hoofdonderwijzer, die zelf een overgroot deel
onzer opleiding voor zijn rekening nam, hard te vallen over het karakter
dier opleiding. Eer bewonder ik het, dat hij 's avonds op de avondschool
nog tijd kon vinden, om onze lessen te overhooren. Maar ik moet wel
erkennen, dat ik voor mijn geestelijke ontwikkeling, zoo goed als niets
aan dat lessengeleer te danken heb gehad. En ik acht het dringend
noodig, dat heel luid uit te spreken, omdat je tegenwoordig waarlijk nog
menschen hebt en zelfs weer krijgt, die dat memoriseeren aanbevelen,
ook op wetenschappelijke gronden. Ik heb een opleiding gehad bijna
uitsluitend van geheugenvulling en ik acht het verloren tijd en
misbruikte energie, goed voor idioten, omdat die stakkerds niet beter
kunnen.
Wij moeten elkaar echter goed begrijpen. Ik ben er niet tegen, dat men
zijn kennis vastlegt en zorgt ze te onderhouden. We studeeren waarlijk
niet, om weer te vergeten. Er is ook geen bezwaar tegen, enkele feiten,
of rijtjes woorden of getallen, er machinaal in te stampen. Maar dit is
iets anders, dan de geheele opleiding in dien toon te zetten. Hóófdzaak
bij iedere geestelijke ontwikkeling is: _belangstelling wekken_. En met
de memoriseer-cultuur wordt de belangstelling vermoord. Bij mij althans
heeft het lang geduurd, eer--dank zij het lessenleeren--ik me voor den
_inhoud_ dier lessen ging interesseeren. En toen ik daarmee begon, zaten
me nog die lessen in den weg.
Er zal later nog gelegenheid te over zijn, op dit onderwerp terug te
komen, wanneer ik ook over mijn jongelingsjaren zal mogen verhalen. Dan
hoop ik, mede ter leering van hen die naar het oude terug willen, het
zij al dan niet onder wetenschappelijke, of would be wetenschappelijke
vlag, eens heel precies te vertellen, wat lijdens- en verstompingskuur
men ons deed doormaken. Nu, met die boekjes-van-Holst-ontwikkeling, zijn
we nog pas aan 't begin van de ellende, en daar ik spoedig deze school
en daarmee deze opleiding verliet, is het nu niet het juiste moment, die
verderfelijke cultuur met haar heidensche woordenkramerij in al haar
onvruchtbaarheid en bedriegelijken schijn ten toon te stellen. Dat komt
later, als God mij het leven en de krachten gunt. Alleen moest ik nu,
heel even, maar heel ernstig, waarschuwen voor een neiging tot terugkeer
naar het verkeerde van vroeger. Nieuwe dwaasheden rechtvaardigen geen
oude.
En nu ik aan die verplichting heb voldaan, volgen de laatste
herinneringen aan deze school en aan mijn kinderjaren.
* * * * *
Ik mag tot mijn geluk zeggen, dat ik als twaalfjarig onderwijzer een
vriendje bleef van mijn oude schoolmakkers en geen collega werd van
de heeren. Met de jongens ging ik trouwer om dan met de verschillende
overzichten van Holst, en boven het leeren koos ik het spelen. Dat
waren voor mijn toekomst geen ongunstige teekenen. Een kind van 12
jaar, dat graag zijn lessen leert, is geen echt kind en wordt dus ook
nooit een echt man. Ik wilde wel, dat de ouders in dit opzicht wat meer
vertrouwen hadden in hun leerafkeerige kinderen. Het is toch ook een
goed verschijnsel, als de kindermond geen smaak heeft in notedoppen en
oesterschelpen en de maag die onverteerd afvoert of teruggeeft. Hoe
zuiverder een kind _kind_ is, hoe meer zijn geest zich verzetten zal
tegen een zoogenoemd geestelijk voedsel, dat niets anders is dan
geestelijke cellulose. En kinderen die zulk een krachtige kindernatuur
bezitten, dat ze, niet brutaal onwillig, maar instinctief onverwinbaar,
zich verzetten tegen de verkrachting dier natuur, beloven veel voor
de toekomst. Dat zijn de gezonden, die eenmaal, als de tijd daar is,
ook krachtige mannen en vrouwen zullen zijn. In dit opzicht heeft de
wetenschappelijke paedologie schoon gelijk, waar ze beweert dat elke
leeftijd zijn speciale belangstellingen en belangen heeft, en wordt
de wetenschappelijkheid van onze grootmoeders recht gedaan, die al
verklaarden: Mettertijd komt Harmen in 't wammes en Krelis in de broek.
Met-ter-tijd. Een speelgraag kind heeft groote kans een leer- en
werkgraag man te worden. Vroege catechismus--late vroomheid.
Wie niet onbekend is met de boekjes van Tuttie[1], herinnert zich
wellicht, dat daarin een verhaal voorkomt: _De meter van den meester._
Dit verhaal is in hoofdzaak waar gebeurd. Het dateert uit deze periode.
[1] De vier deeltjes van _Blond en Bruin_, 2e serie »De Wereld in!"
Aan de overzijde van de Bloemgracht, maar een eind verder, was een
Stadsarmenschool. Daar gingen de »schooiers", met wie we vaak oorlog
voerden. Er waren geen deftiger scholen in de buurt, die in haar
meerdere voornaamheid, een voldoende casus belli konden schenken, dus
moest de »klompenschool" ons maar het krijgsgenot bezorgen. Klompen en
een stadsschool, het waren inderdaad redenen genoeg, daar behoefde maar
een geringe aanleiding bij te komen, om het oorlogsvuur te doen
ontbranden.
We waren weer eens aan 't vechten, en ik was al kweekeling. Inplaats
van mijn positie hoog, en mijn fatsoen òp te houden, maakte ik van de
vrijheden, mij als kweekeling toegekend, misbruik. Ik mocht vroeger in
school--of móést vroeger in school, om voor een en ander te zorgen--en
haalde de jongens naar binnen, nu wel niet in 't gebouw, maar toch in de
lange overbouwde gang, die van de Bloemgracht naar 't gebouw leidde en
die onder gewone omstandigheden was afgesloten door een zware deur.
't Was nog vóór schooltijd, misschien acht uur, maar overal zwierven
al troepen jongens van beide partijen. De onzen verzamelden zich om
de schoolpoort, de vijanden een eind verder op de gracht. De laatsten
hadden blijkbaar een aanval in den zin en rukten hiertoe langzaam, maar
zeker, naar onze vesting op.
Wonderlijk. Geen van de twee partijen wou vechten, en toch wilden ze het
allebei. Niemand zocht de aanraking, en toch zochten we die wederzijds.
Ieder hoedde zich voor de verantwoordelijkheid van den eersten klap, en
toch liet hij zich prikkelen en verleiden tot die verantwoordelijkheid.
Ik weet dit heel, héél goed, en begreep daardoor later zoo gauw het
wederzijds prikkelen en beschuldigen der vlootvoogden, als ik in mijn
geschiedenisboeken las, hoe deze niet het eerste schot willen lossen,
en er toch van verlangen naar brandden. Waarlijk, er is niet zulk een
reuzenverschil tusschen de veertien- en de veertigjarige jongens. Ze
zijn van één geslacht.
Er hoopte zich een soort van gemoedselectriciteit op, bij den
eenen hoop positieve en bij den anderen negatieve, daardoor ontstond
er een geweldige spanning en moest er een ontlading volgen. Zonder
deze waren we gebarsten. Het moest bliksemen en donderen, anders kon
er onmogelijk een neutrale atmosfeer terugkeeren. Dat vechten was een
natuurverschijnsel in de physisch-ethische wereld. Belangen waren er
niet mee gemoeid, absoluut niet. Grieven bestonden er alleen in de
verbeelding en de overlevering. 't Was om de ontlading te doen, en
nergens anders om. We werden onder onbekende invloeden electrisch en
máákten ons grieven, die voor het verstand als motieven konden gelden.
Zou het ook mogelijk kunnen zijn, dat de oorlogen tusschen de volkeren
alleen om belangen _heeten_ te gaan, en dat de belangen slechts worden
opgeworpen, omdat er oorlogskrachten in de lucht werken? Is het een
reusachtige zelfverblinding van geheele natiën en spelen geheime,
geweldige natuurmachten hun spel met de kinderen der menschen?
't Is slechts een vraag.
Hoe 't zij, wij werden gedrongen tot vechten. Daartoe naderde de vijand
meer en meer, ieder oogenblik aangroeiend met nieuwe mannen; daartoe
trokken wij, ook voortdurend versterkt, ons terug in de gang.
Eindelijk was het zoover, dat we de dikke deur moesten sluiten en
grendelen, en daar brak onmiddellijk de opgehoopte electriciteit los
in trappen, steenworpen en schreeuwen. De vijand waagde er de hakken
van zijn schoenen en de klinkers uit de straat aan, al wist hij heel
goed, dat daarvoor de deur niet bezwijken zou. Zulk een succes zou hij
waarschijnlijk ook niet begeerd hebben, want wat zou hem de toegang
hebben gebaat tot een gang, die hij toch niet zou durven binnendringen?
Daar in die donkere engte, in dat diepe hol, zou hij zich nooit wagen,
maar niettemin moest hij de deur bombardeeren, louter om den woesten
wellust van het bombardement, de zaligheid der uitbarsting! Geen berg
kan met heeter drift zijn gloeiende steenen uitspuwen, als dit jeugdig
menschdom zijn woede!
Wij, in de donkere gang, beefden van gekrenktheid, haat, strijdlust.
Soms stonden we doodstil, luisterend naar het tieren der wilde bende,
dan weer dwaalden we onrustig rond, zinnend op wraak. Zeker, we waren
veilig, maar veiligheid is voor een edel krijgsmanshart niet genoeg.
»Kom er uit, als je durft!" jouwden ze daar buiten. En die tergende
uitdagingen joegen ons het bloed naar de wangen. Veiligheid is mooi
voor vrouwen en kinderen maar wij dorstten naar de triomf! Triomfeeren
moesten we op dien tierenden troep! Nooit zouden we den smaad kunnen
dragen, dat we uit lafheid ons hadden schuil gehouden! Liever het leven
gewaagd, dan veilig in de vernedering! Liever met eere te sneven, dan in
schande te leven!
We zochten een middel om de verloren positie te herwinnen, en beraamden
een uitval. Plotseling zouden we de deur openen, schreeuwend naar buiten
rennen en onvervaard op den vijand losstormen. Maar dan moesten we
een wapen hebben, een flinken stok, om er op in te houwen. Nu wist
ik raad, ik, de kweekeling. Ik ging naar binnen, haalde een meter, een
vierkanten, die bij 't onderwijs dienst moest doen, en hield dien als
een slagzwaard in de vuist.
Nog steeds beukte de vijand op de onbeweegbare deur. Hadden ze een mast
bezeten, ongetwijfeld hadden ze de Watergeuzen nagevolgd en de poort
van Den Briel gerammeid. We stonden, saamgedrongen, vlak bij de deur.
Voorzichtig schoof ik den grendel weg, bang dat men het buiten hooren
mocht. Toen trok ik het slot terug en draaide met een ruk de deur wijd
open.
De vijand schrok. Hij deinsde. Van dat oogenblik maakten we gebruik.
Zwaaiend met den meter rende ik er op in, aanstonds gevolgd door de
heele bezetting. Schreeuwend en gillend waagden we ons midden in de
massa: een handjevol dapperen tegen de overmacht. En we zouden ze wel
verjaagd hebben, vooral omdat daarginds bijstand voor ons opdaagde en de
vijand dan tusschen twee vuren zat, als maar niet een noodlottig ongeval
ons met één slag beroofd had van ons wapen, ons élan en onze
waardigheid.
Ik sloeg met blinde woede in 't rond en raakte zoo niet een vijand, maar
de houten paal van een hek. Door dien slag brak de meter in tweeën, het
eene eind hield ik in de hand, en het andere vloog de lucht in.
Een ontzettend gejouw ging onder de vijanden op, een van hen wist
spoedig het weggevlogen stuk te bemachtigen, en nu renden ze weer op ons
toe.
Grooter ongeluk had ons niet kunnen treffen. Verlamd van schrik trokken
we ons snel terug en hadden nog juist tijd de deur te sluiten. Toen
stonden we daar, vernederd, machteloos, in de donkere gang, zonder
eenige hoop op herwinning van het terrein, en met het overblijfsel
van den meter in de hand. 't Was bitter treurig.
Eerst toen de onderwijzers kwamen, trok de vijand langzamerhand af.
Het stuk meter legde ik op de plaats, waar ik den heelen vandaan had
gehaald. Maar daarmee was de zaak natuurlijk niet afgeloopen. In den
loop van den morgen werd ik in 't kamertje geroepen, moest daar alles
opbiechten, en meneer de kweekeling kreeg, behalve een duchtig standje,
den last voor een nieuwen meter te zorgen, met welken last hij--waar
moest hij er anders mee heen?--zijn lieve moeder bezwaarde.
Gelukkig verdiende ik geld. Toen ik na beëindiging van het eerste
kwartaal twee rijksdaalders kreeg--ik weet nog, dat ik ze ontving--holde
ik naar huis en was zalig, dat ik mijn lieve moeder ook met dien last
bezwaren mocht.
* * * * *
En nu komt er tot slot iets veel ergers dan het breken van den meter.
Een vriend van ons huis was gymnastiek-onderwijzer aan een stadsschool.
Hij vertelde dat het »aan de stad" zooveel beter was dan op een
bizondere school en spoorde mijn ouders aan, mij op een stadsschool te
doen; dan verdiende ik meer, ontving beter opleiding, en had mooier
toekomst.
Hij deed dat met de beste bedoelingen. Mijn ouders gaven gevolg aan zijn
raad en ik kwam op een stadsschool. Zij meenden ook er goed aan te doen.
En toch.... altijd is mij een gevoel bijgebleven, dat we ondankbaar
hebben gehandeld tegenover de school op de Bloemgracht. De meester had
ons het achterstallige schoolgeld kwijtgescholden, mij tot kweekeling
gepromoveerd voor de klas, en aan 't geldverdienen gezet, en nu werd die
vriendelijkheid aldus beantwoord.
Mijn heele leven, telkens als ik daaraan dacht, voelde ik dit als
trouwbreuk, en ook nu nog, terwijl ik het feit vertel, schaam ik mij.
Dat had de meester niet verdiend.
Het breken van den meter heeft me nooit gehinderd, wel het breken met de
school. En toch heette het eerste een verregaand brutale daad en was het
laatste in ieders oog niet slechts geoorloofd, maar zelfs heel
verstandig. Men mag zijn belang toch wel behartigen?
Ik kon mijn ouders niet hard vallen over hun handelwijze. Zij worstelden
zoo om het hoofd boven water te houden, dat iedere jaarwedde-verhooging
hun reeds welkom was. En dan de toekomst van hun jongen! Maar voor
mijzelf heb ik steeds het gevoel gehad, dat ik iets tegenover die school
had goed te maken.
Wat is dat voor een gevoel? Vanwaar komt het? En waarom hindert het een
mensch?
Zoo is het einde mijner jeugdherinneringen een zelfverwijt....
Maar dit mag mijn laatste woord niet wezen, gelijk ik hoop, dat het ook
ons laatste levenswoord niet zij.