SCHOONSTE VRUCHT.

_Aan mijn ouders._

Mijn laatste woord, een woord van dankende herdenken

Voor Ouderzorg zoo teer en trouw, in leed zoo groot.

Een jeugd van armoe, ziekte en worstlen--zaalge nood!--

Zij kon mij in Uw min slechts rijker zegen schenken.

Ik ben niet jong meer. Langzaam nadert reeds de Dood.

Ik zie zijn vinger al van verre vriendlijk wenken.

Mijn kindren trouwen--straks speelt er aan Grootvaêrs schoot

Een kleinkind--ai, wat dát een achtbaarheid zal schenken!

En toch, ik voel me nog Uw kind, Uw dankbaar kind,

Gezegende Ouders, eens met heel mijn hart bemind,

En trots Uw sterven immer om en met mij levend.

Uw kind, al grijst mijn haar en trilt mijn hand.

Dat is Uw werk: Gij hebt die liefde in 't hart geplant,

Thans rijpste, schoonste vrucht in dankbre liefde gevend.

_Naar 't oud te-huis._

Aan mijn broeder en zuster.

_Ons oud te-huis, 't lag overgroeit van dicht gebladert,

Verborgen in het bosch van 't stil verleden.

Toen zijn wij samen eerbiedvol genaderd,

En zijn heel zacht zijn kamers ingetreden._

_'t Was alles nog als vroeger.... Maar wat deden

Die vele vreemden, daar met ons vergaderd?

Waartoe had ik hen op bezoek gebeden,

't Intieme plekje met nieuwsgierigheid dooraderd?_

_»Komt allen binnen!" noodde een vriendelijke mond,

»De kinderen en ook zij die niet mijn kindren heeten."

Dat was wel Moeders toon en Moeders geest._

_Zij leefde nog. Eén woord--'k herkende haar terstond,

Zij die van onderscheid nooit kon of wilde weten,

Voor vreemd en eigen bei, steeds Moeder is geweest._

Jeugdherinneringen · 第 28 / 31 题