MOEDER VERTELT.

We zouden met Vader een dag uit visschen gaan.

's Avonds te voren hadden we alles in gereedheid gebracht, de snoeren en

hengels, het aas, en ook de flesschen bessensap en boterhammen met

worst.

Toen zijn we vroeg in bed gestopt, opdat we niet te veel van onze

nachtrust zouden missen. En nu, na een onrustigen slaap, scharrelen we

door de huiskamer.

't Is vier uur in den morgen. We voelen ons kil en huiverig. Het

daglicht is nog niet aangebroken. In de kamer is het schemerig, buiten

grauw.

Moeder heeft het petroleumstel aangestoken en theewater opgezet. Zij was

natuurlijk het eerst op, een half uur vóór ons. Uit vrees dat we ons

mochten verslapen, heeft ze den heelen nacht als in een bommeltrein

gereisd. Telkens was ze wakker om even op het horloge te kijken bij 't

nachtlichtje. Vooral na tweeën was bijna ieder kwartier een nieuw

stationnetje, waar de trein stopte.

Nu loopt ze op haar kousen rond, heel zachtjes, om vooral de buren

niet te wekken. Ik laat een schoen vallen. Dat klinkt hard in de

morgenstilte. Sssst, zegt Moeder. Ze spreekt niet, ze fluistert. En zoo

doen we allen. Die schoen--mijn hart stond er bij stil. We glijden als

schaduwen voorbij mekaar, spreken met schaduwstemmen. 't Lijkt wel een

schimmenspel in den valen ochtendschemer.

Moeder giet het theewater op. Wolken waterdamp krinkelen boven den

trekpot. Alleen het gezicht reeds verwarmt je. Opwekkende theegeur vult

de kamer. Heerlijk. Nog een paar minuutjes en we krijgen een kopje thee.

Lekker warm. Met twee handen er omheen, drinken we het langzaam op.

Het is alles zoo vriendelijk, zoo vredig, zoo geheimzinnig, zoo rustig.

Buiten sjilpen de musschen en dringt langzaam het licht door. 't Is

gelukkig goed weer. Geen regen, alleen een beetje nevel. 't Zal een

mooie dag worden. Ik kijk door 't venster. De schutting is nog nat, ook

het deksel van den put en de steenen van 't plaatsje. Maar dat is niets,

't is maar dauw.

Ik zet mijn pet vast op en probeer hoe ik het gemakkelijkst de

boterhammen kan dragen. De hengels leg ik schuin tegen den

rechterschouder. Nog vijf minuutjes, en we gaan. Vader drinkt staande

zijn laatste kopje thee....

Opeens, daar dringt een vreeselijke gil ons door merg en been. Een doffe

plof volgt.

O God, daar is het weer. Die gil, zoo langgerekt en doodsbenauwd, we

kennen ze.

Vader heeft een toeval gekregen.

Ik sta, verstijfd van schrik, met de hengels in mijn hand.

Moeder laat den trekpot haast vallen.

»Ach God!" zegt ze. En in die twee woorden breekt al de diepte van haar

smart uit. Dan haalt ze gauw een kussen van bed en legt het den armen

man onder 't hoofd. Ze maakt zijn goed los en wascht zachtjes wat schuim

van de blauwe lippen.

Christien komt in nachtgewaad binnen geloopen, de oogen wijd starend. Ze

was nog wat blijven liggen, eer ze om half zeven naar haar betrekking

moest. Maar de angstkreet is tot haar diepen slaap doorgedrongen. Bevend

staat ze met ons bij Vader, die bewusteloos ligt te schokken en

stuiptrekken op den grond.

Ik zet de hengelstokken in een hoek, haal de boterhammen uit mijn kiel

en leg ze op de tafel, naast het theeblad....

* * * * *

Arme, arme Vader.

Neen, we denken geen oogenblik aan het verlies van onzen heerlijken dag

buiten. We zijn vervuld met innig medelijden. Arme Vader!

Moeder verzamelt ons in de keuken. Ze haalt het theeblad uit de

huiskamer en zet het op de rechtbank. De een gaat op een keukenstoel

zitten, de ander op een krukje, weer een ander op den vuilnisbak of op

een treetje.

Telkens gaat ze even naar binnen, om te zien, of Vader al bijgekomen is.

Eindelijk hooren we een diepen, kreunenden zucht. Nu is hij bij.

Moeder en Christien tillen hem voorzichtig op, dragen hem naar de

bedstede. Met zachte hand trekt Moeder hem de overkleeren uit, legt hem

dan te bed, dekt hem toe.

We weten, wat er nu volgen zal. Den heelen dag zal Vader daar doodstil

blijven liggen met barstende hoofdpijn. Hij zal niets eten, alleen nu en

dan een teugje drinken. Wij loopen onhoorbaar door 't huis, spreken heel

zacht, ontbijten, koffiedrinken, eten in de keuken. Wanneer Moeder naar

binnen is geweest, zullen we met smeekende verwachting in de oogen

vragen, hoe 't er mee is, telkens weer. En dan zal Moeder zeggen: »Vader

ligt doodstil. Erge hoofdpijn."

Eerst tegen den avond zullen we even bij 't bed mogen komen, om Vader

een hand te geven. Dan zal hij ons met zijn zachte blauwe oogen

vriendelijk aanzien, alsof hij ons vergiffenis vroeg, dat hij ons zoo

had teleurgesteld. En dan zullen we onze oogen vochtig voelen worden. En

dan zal hij zeggen: »Nacht kind!" En we zijn blij, dat we zijn stem weer

hooren. Rustig gaan we naar bed, en we danken Onze lieve Heer, dat Hij

Vader toch weer beter heeft gemaakt.

Zoo zal de dag voorbijgaan. We weten het al vooruit. Want zoo is er al

menige dag voorbijgegaan. Om de drie weken kreeg Vader een toeval. Soms

wel twee in een week. Soms duurde het ook een paar maanden. Dan hoopten

we al, dat het weg mocht blijven. Tot opeens, daar had je 't weer, die

hartdoorsnijdende gil.

Zelf sprak Vader er nooit over. Ook niet als hij pas een toeval had

gehad. Dan was hij meestal een paar dagen moe en suf van hoofd, ging

stil zijn weg. Maar nooit roerde hij het onderwerp aan.

Waarschuwende verschijnselen, dat er een toeval op handen was, deden

zich niet voor. Geheel onverwacht en op de meest ongelegen oogenblikken

kwamen ze. Zoo praatte Vader nog met je, en zoo plofte hij neer.

Alleen had Moeder meenen op te merken, dat er vaak dagen van groote

prikkelbaarheid aan vooraf gingen. Wanneer Vader zoo ongemotiveerd

driftig kon opstuiven--ach, aanstonds was hij weer bedaard--beefde

Moeder al inwendig. »Er zit zeker weer een toeval," zei ze met

bekommerde, verontschuldigende stem. En dan zat er ook meermalen een

toeval, als een donkere, dreigende onweersbui. Soms was het voor allen

en ook voor Vader zelf een verademing, als de bui was losgebroken. Dan

kwam er weer ontspanning.

Zoo is er ook nu, op dezen morgen, na den eersten hevigen schrik,

ontspanning gekomen. We zitten rustig in de keuken. 't Is nog pas half

zes. Wat zullen we doen? Weer naar bed gaan? Lezen? Spelen? Dat is

onmogelijk. We scholen om Moeder heen, in het kleine keukentje. En

Moeder praat zachtjes. Ze vertelt van haar leven.

't Is wel een vreemd verteluurtje. De morgenzon kleurt den hemel. Door

't keukenraam zien we boomtoppen verlicht. En 't is ook een zonderling

plekje, in de keuken tusschen de glazenkast en de aanrechtbank. Ook het

verhaal is ongewoon, een verhaal van levensleed. Zoo iets vertelt men

gewoonlijk niet aan kinderen. Kinderen moeten immers sprookjes en

grappen hooren? Maar dit alles wordt verklaard door de donkere bedstede

daar in de huiskamer, door dien lijdenden man.

* * * * *

»Ach," zegt Moeder, »zoo is het mijn heele leven gegaan."

Ze zit stil, met ingekeerde oogen, alsof de oogen ver, ver in het

verleden teruggingen. Dan gaat ze voort, zachtjes vertellend van wat die

oogen daar zagen.

»Ik was nog maar pas getrouwd, toen je Vader een toeval kreeg. Je hoeft

niet te vragen, of ik schrok, want ik had er niets van geweten. En ik

had zoo iets nooit bijgewoond. Maar toen je Vader bijkwam, had ik zoo

innig met hem te doen. Hij was zoo ellendig, en daarbij was hij zoo

verlegen voor mij. Hij had er mij niets van verteld. Vóór ons huwelijk

had hij ook al een paar maal een toeval gehad, maar zijn vrienden hadden

gezegd, dat het in zijn trouwen wel zou overgaan. Daar had hij het maar

op gewaagd.

We woonden toen in een grooten kruidenierswinkel. Daar hadden zijn

voogden hem in gezet. Want je Vader was al vroeg een wees. Maar hij had

geen verstand van zaken. En binnen tien maanden was de zaak failliet.

Toen moesten we verhuizen. Op een kouden avond in Januari brachten ze

mij in een toe-slee over. Dien avond zal ik niet licht vergeten. Het

vroor hard. 't Was bitter koud. Daarom hadden ze me goed toegestopt. Ik

was hoogst zwanger. Iederen dag kon Christientje geboren worden. Toen ik

aan de nieuwe woning kwam, moest ik een ongelukkige trap op, twee hoog,

en daar vond ik een paar zoo goed als leege kamers. Er stond een tafel,

een paar stoelen, maar geen kachel. Aanstonds brachten ze me naar bed.

Toen voelde ik me toch zoo bitter ellendig. Geen brand, geen voedsel,

niet eens een warm kop koffie, de kasten leeg en geen cent in huis. En

daar werd den 25sten Januari Christientje geboren.

Zoo is mijn huwelijksleven begonnen. En nog geen jaar te voren zat ik in

die heerlijke pastorie.

Natuurlijk kwam Grootvader gauw over. Die goeie man wist niet, wat hij

zag. Hij schreide, toen hij voor mijn bed zat. En toen de broers, jullie

ooms, het hoorden, waren ze woedend. Ze zeiden, dat je Vader me bedrogen

had en wilden, dat ik weer naar de Klundert zou komen. Maar daar was

ik niet toe te bewegen. Je Vader was zoo goed en hij leed er zelf zoo

bitter onder. Hij hád me ook niet bedrogen, daar zou hij nooit toe in

staat zijn geweest. Maar de man was veel te goed van vertrouwen. En dat

is hij zijn leven lang gebleven. Dat is hij eigenlijk nog. Daarbij was

hij niet goed opgevoed. Zijn ouders waren deftig en bemiddeld. Maar die

stierven al vroeg. Toen ging hij met zijn broertje ergens in huis. Ze

kregen goed onderwijs, je Vader is altijd knap geweest. Maar er werd

niet gezorgd voor een bepaalde opleiding, en toen je Vader mondig was,

werd er eenvoudig een zaak voor hem gekocht, of hij er geschikt voor was

of niet. Hij dacht, dat alles best zou gaan. De man had van zijn eigen

zaken nooit iets afgeweten.

Grootvader zorgde, dat ik het noodigste kreeg. Maar hij had zelf een

groot gezin en kon er niet nog een gezin bij onderhouden. Toen hij weer

weg was, bleven we met ons drieën achter. Je Vader kreeg een

betrekkinkje en zoo konden we tenminste leven. Maar vraag niet hoe."

* * * * *

Moeder in die slee, Moeder in die armelijke bedstede op een leeg

bovenhuis, Grootvader, die waardige man, met beschreide oogen bij het

gebroken leven van zijn dochter--het zijn tooneeltjes die ik zou kunnen

uitschilderen. Moeder vertelde zoo, dat we alles voor ons zagen. En ik

weet nog heel goed, dat ze zonder eenige aarzeling uitdrukkingen als

»hoogst zwanger" gebruikte. Armoede en smart brengen de volwassenen zoo

dicht bij de kinderen, maken de kinderen in zeker opzicht gauw groot.

Moeder had geen tijd en geen stemming, om er een afzonderlijk taaltje

voor kinderen op na te houden. Met wie moest ze alles bepraten en

overleggen dan met haar kroost, en daarbij sprak ze de gewone taal der

volwassenen. Wij vonden zulke woorden ook heel gewoon, al begrepen we

er niet precies het rechte van. Maar zoo is het immers met haast ieder

woord? We moeten het aanvankelijk met enkele vage notities stellen.

Zoo is het ook gegaan met het woord »verleiden", in den specialen zin,

zooals we het uit de geschiedenis van Jozef en Potifar's vrouw kennen.

Moeder was al eenige jaren getrouwd, en woonde in Emmerik. Daar had

Vader een betrekking aan het spoor gekregen. Wat, dat weet ik niet,

we waren tevreden met het woord »betrekking"--naar bizonderheden

informeerden we niet. »En toen"--vertelde Moeder--»werd ik eens op het

kantoor ontboden bij een deftigen meneer. Ik kwam in een prachtige

kamer. Die meneer was heel vriendelijk. Eerst begreep ik hem niet. Maar

toen zei hij: Een mooie jonge vrouw als u hoeft toch geen armoe te

lijden. En hij wees op een stapel geld, dat op zijn bureau stond, alsof

hij zeggen wou: Neem het maar. Toen was het, of ik een ingeving kreeg.

O God, dat nooit! En ik liep aanstonds naar den hoek van de kamer en

trok aan het schellekoord: »Meneer, ik verzoek, dat u me onmiddellijk

uitlaat." Toen de knecht kwam, zei hij: »Laat jij de juffrouw eens uit"

Hij moest wel. Maar toen ik thuis kwam, viel ik stijf van mezelve."

Bijna woordelijk herinner ik me dit verhaal. Met dezelfde soberheid

vertelde Moeder het. Ik zag de kamer, het bureau, het geld, het

schellekoord, den knecht. En ik begreep, dat die man Moeder had willen

verleiden tot iets kwaads, al begreep ik niet wat. Ik bracht het echter

wel in verband met de geschiedenis van Jozef.

Moeder kon in Emmerik niet blijven. Gelukkig kreeg Vader nu iets in

Amsterdam. Hij moest vooruit reizen. »Toen moest ik voor de verhuizing

zorgen, alles inpakken en verzenden. En eindelijk ging ik zelf met drie

kinderen, een spiegel en een schilderij. Dat was een heel gesjouw. Maar

ik rekende altijd op de goeie menschen. Die hielpen je wel."

Daar zat ze in de trein, natuurlijk derde klas, met drie kinderen,

een spiegel en een schilderij, blij, dat ze Duitschland den rug kon

toekeeren. »De menschen waren er wel vriendelijk--overal heb je goeie

menschen--, maar ze begrepen me niet altijd. En in Amsterdam was ik

natuurlijk dichter bij de familie. Ofschoon een mensch het in zijn

armoede toch niet van de familie hebben moet. In 't begin is er wel veel

medelijden, maar och, aan alles raak je gewoon. De familie was wel heel

goed voor me, hoor----je oom Willem, die was student in Utrecht, en als

hij dan een dag of wat overkwam, zei hij: Nans, hier is het geld voor

het hotel, stop mij maar ergens in een hoekje. En dan ging hij niet naar

een hotel, maar sliep heel armelijk bij ons. Dát was toch zoo'n lieve

jongen. Daarom is hij zeker vroeg gestorven--nog als student--aan de

tering. Hij was een engel van een jongen. Maar anders, het meeste lief

heb ik van de buren gehad. Die zijn ook zoo iederen dag om je heen."

En nu kwamen er verhalen van goeie buren.

* * * * *

»Wat ik van die menschen een hartelijkheid heb ondervonden--dat kan

ik onmogelijk allemaal vertellen. Als je arm bent, moet je onder arme

menschen gaan wonen, dan heb je het nog het beste. En het was aardig,

zooals ze me altijd met zekeren eerbied behandelden. Ze zagen natuurlijk

wel, dat wij van betere afkomst waren en betrokken ons nooit in hun

standsgewoonten. »Dat kan de juffrouw niet doen," zeiden ze dan. »Dat is

de juffrouw niet gewoon. Dat zullen wij wel even voor u doen."--En ze

wilden nooit iets aannemen. »Wel nee, lieve mensch, je kan het zelf te

best gebruiken." Van hun eigen armoede deelden ze me meermalen mee.

Eén man zal ik altijd heel dankbaar herdenken. Dat was bakker Aalders.

We woonden toen ergens op een kamer drie-hoog, en hij had beneden in

't huis zijn bakkerij. Iederen morgen bracht hij ons brood en in 't

begin betaalde ik dat ook geregeld. Als je Vader Zaterdags zijn weekgeld

thuis bracht, rekende ik 's Maandags altijd af met den bakker en den

groentenman en den huisbaas en den bode van het begrafenisfonds. Maar

toen je Vader weer een toeval gekregen had en hij zijn betrekking kwijt

was, hield natuurlijk dadelijk ook het geld op. Bakker Aalders zag dat

wel, zulke menschen weten direkt alles van je omstandigheden. Toch ging

hij voort, iederen morgen brood te brengen, en nu zonder ooit om geld te

vragen. Dat duurde weken en maanden achtereen. En altijd bracht de

vriendelijke man zelf het brood boven, maakte even een praatje, vroeg

niets en zinspeelde ook op niets. Eindelijk werd ik er zelf verlegen mee

en ik zei, dat ik hem onmogelijk betalen kon, dat hij maar geen brood

meer moest brengen. En wat zei de man? »Juffrouw, zoolang ik brood heb,

zal u 't ook hebben. Dat geld komt wel terecht." En toen je Vader weer

wat verdiende, wou Aalders het achterstallige geld niet hebben. En hij

heeft het nooit willen hebben. Ja, ik heb wat goeie menschen in de

wereld ontmoet! Maar Aalders was toch wel heel bizonder."

Terwijl Moeder vertelde, zag ik Aalders, een eenvoudig man, het petje

op, met een brood in de hand de oude trap oploopen, aan de kamerdeur

kloppen, het brood op tafel leggen, even een praatje maken, en weer

verdwijnen. En als pendant daarvan dien deftigen meneer in Emmerik,

in de prachtige kamer, aan zijn bureau, met het stapeltje geld, en

Moeder staande op het dikke tapijt. En mijn gemoed wisselde als een

voorjaarshemel bij veranderlijk weer. Nu eens was het helderblauwe

lucht met zonneschijn--bakker Aalders met zijn brood in de geopende

kamerdeur--dan weer donkere bewolking met angstig-dreigend grauw: de

prachtige kamer.

Zou men denken, dat wij, luisterende kinderen, door zulke verhalen

niet werden opgevoed? Moeder vertelde ze niet met die bedoelingen, ze

vertelde ze alleen om haar hart uit te storten in heel vertrouwelijk

samenzijn met haar kinderen. Maar ik voelde hun krachtige werking in

mijn gemoed, ik voelde bewondering en afgrijzen, liefde en weerzin,

dankbaarheid en verfoeiing. Ons hart werd tot in zijn diepste lagen

bewogen en geen weloverdachte zedelijke opvoeding kon bewerken, wat

hier, zonder opzettelijkheid en met door de paedagogiek misschien

afgekeurde middelen, werd bereikt. Moeders leven, de ervaringen van

een volwassene, de onkinderlijke verhoudingen en woorden, 't lijkt

veroordeelenswaardig opvoedingsmateriaal voor jongens van elf en twaalf

jaar. Doch niettemin--wij wérden er door opgevoed. En ik weet wel,

waardoor dat komt. Dat komt, omdat daarin het echte, waarachtige,

ons naderde, met bedoelingen van enkel liefde. Hoe geweldig werkt

de waarachtigheid der natuur, ook van het zich onbevangen gevende

Moederhart, tegenover het kunstmatige eener in elkaar gezette techniek.

Moeder _maakte_ niet wat voor ons, ze _uitte_ zich, en in die uitingen

stroomde ons het voedende leven toe. Dat is ook de kracht van den Bijbel

en van alle zuivere springbronnen van leven.

* * * * *

De nood rees soms wel hoog, maar toch altijd kwam de redding. Vreeselijk

was de toestand, toen één kind gestorven in zijn bedje lag, een ander

ieder oogenblik geboren kon worden, en Vader met een toeval werd thuis

gebracht. En dat midden in de armoede. Men kan zich zoo'n ellende niet

indenken. En als Moeder 't ons vertelde, zei ze ook altijd: »Hoe komt

een mensch het door!" Maar ze had een onwankelbaar vertrouwen, dat God

haar wel helpen zou.

»Eens op een avond zat ik in mijn eentje in een arm bovenkamertje.

Ik had alles netjes opgeruimd, want in de grootste armoede had ik er

toch altijd plezier in den boel netjes te hebben. De kinderen lagen in

theekisten, want wiegjes of ledikantjes had ik niet. Maar ze waren met

heldere lakentjes toegedekt. En toen werd er geklopt en een paar dames

kwamen binnen. Ze gingen zitten en praatten wat met me. Een van haar

had een versje voor me uitgeschreven. Dat heb ik altijd bewaard. Ze las

het me voor. En ze maakte me haar compliment, dat alles zoo netjes was.

En toen ze heen waren, vond ik onder een bordje vijftig gulden, twee

briefjes van vijfentwintig. Mijn gemoed schoot vol."

Ook onze oogen sprongen vol tranen, als Moeder dat vertelde.

En als ze dan uit een oude doos het blaadje postpapier haalde, het

geelgeworden blaadje, en ons het vers voorlas, hoorden wij met stille

vroomheid toe. 't Was een vers van Godsvertrouwen. Waarom zou ik den

naam der beide dames niet noemen? 't Waren twee zusters Salm--nu al

lang gestorven. En nu noem ik dien naam niet als een bewijsstuk voor

de echtheid der geschiedenis of als een eeresaluut nog boven het graf,

maar alleen om mezelf het genot te gunnen, dien naam eens hardop uit te

spreken, midden in den kring van wie naar me luisteren, zooals Moeder 't

deed in het kringetje van haar kinderen.

Daar is nog een naam van een gestorvene, die in mijn hart leven blijft.

Mijnheer Sanders was rijk en woonde in een groot huis op de Heeren- of

Keizersgracht. Wanneer Moeder radeloos was, ging ze naar hem toe en kwam

nooit ongetroost terug. Er waren bepaalde uren, dat de gang daar vol

armen stond. Die man had zulk een mededoogend hart, dat hij soms met

sterken aandrang een poos naar buiten moest worden gedreven. Hij kon

»zijn" armen niet achterlaten en leed zoo zeer onder hun kommer, dat

hij alleen gelukkig was, als hij geven en helpen mocht. Ik voelde toen

al, dat de rijkdom voor dit gevoelige hart misschien nog zorgvoller

was dan de armoede voor Moeder. De verantwoordelijkheid van zijn

rentmeesterschap drukte hem als lood. Bij zooveel ellende kon hij met

zijn geld niet gelukkig zijn. En al gaf hij al zijn geld weg, dan was

de ellende toch niet merkbaar verminderd. Wanneer Moeder ons van hem

en zijn milddadigheid vertelde, was het altijd met dankbaarheid en

medelijden. Wel eigenaardig, dat de armoede medelijden had met den

rijkdom.

Bij deze twee namen zal ik het laten. Namen noemen van goedgeefsche

rijken--het is benden van dringende vragers op hen afsturen. Doch geen

armen zullen een bedevaart naar deze graven doen. Hoe echter het

namennoemen misbruikt kan worden, heeft Vader eens op een wonderlijke

manier ondervonden.

Er was een man met wien hij sprak over zijn nooden en toen liet Vader

zich ontvallen, dat hij van deftige familie was. Meneer X. was een neef

van hem, Mevrouw IJ. een tante. Maar die familie wist van Vaders bestaan

niet af. Vader was niet trotsch of hooghartig, maar hij _kon_ niet

bedelen. Hij stierf liever met zijn heele gezin van honger, dan ook maar

een penning te vragen. Het was hem onmogelijk. Hierin was Moeder een

beetje gemakkelijker. Welke rechtgeaarde Moeder waagt ook niet alles

voor haar kinderen!

Die man dan hoorde Vader aan, informeerde naar de adressen, noemde Vader

een gek, dat hij niet van dien rijkdom profiteerde, hij zou 't hem wel

anders, leveren, en zoo voort en zoo voort. Vader liet zich niet

opwinden, wilde geen misbruik maken van den naam zijner moeder, om

daardoor geld los te krijgen, berustte liever in zijn armoede.

Twee of drie weken later kreeg Vader gansch onverwacht een brief, of

hij zich op een bepaald uur wilde vervoegen aan het kantoor van Mr. X.

Wat zou dat beteekenen? Hij, Moeder, allen waren even nieuwsgierig.

Natuurlijk ging hij, en in spanning wachtten de anderen zijn terugkomst

af. Wat was 't geval. Mr. X. vroeg aanstonds: »Bent u meneer Ligthart?

Bent u het zelf?" En toen informeerde hij naar Vaders geschiedenis en

omstandigheden. Er was een man geweest, die zich voor Ligthart had

uitgegeven en schandelijk had opgespeeld--hij wou bij hoog en laag geld

hebben, en als hij dat niet kreeg, zouden ze wel anders zien--hij

verkoos niet te verrekken van honger, als hij zulke rijke familie had,

en al zou hij er de heele wereld bij te pas brengen, hij wou geld

hebben.

Mr. X. was zeker blij verrast, toen hij in den bescheiden en beschaafden

man, die nu voor hem stond, den echten Ligthart zag. Beiden doorzagen de

oplichterij gauw genoeg, toen Vader vertelde, hoe die man hem had

uitgehoord. Mr. X. bedankte Vader voor zijn komst en Vader zou wel iets

naders van hem hooren.

Spoedig kwam er bericht, dat Vader een levenslange toelage kreeg van

vijf gulden in de week. Elken Maandagmorgen kon dat bedrag gehaald

worden bij Ds. v. d. Goot, onzen Doopsgezinden predikant. Niemand

hoefde er voor bedankt te worden, het was een familietoelage, op

voorstel van Mr. X. De gevers bleven onbekend.

Meermalen heb ik zelf die vijf gulden bij Ds. v. d. G. gehaald. Die was

dan altijd heel vriendelijk en behandelde je volstrekt niet als een

bedeelde.

Maar is dit weer niet een zonderlinge geschiedenis? Zeg geen namen van

goedgeefsche rijken, want oplichters maken er misbruik van. En zie, deze

oplichter maakte het pad effen voor levenslange hulp.

* * * * *

Zoo vertelde Moeder ons de eene geschiedenis na de andere, terwijl Vader

in bed lag. Slechts eenmaal was het haar _te_ benauwd geweest. Toen had

ze op het punt gestaan in 't water te springen. Maar de gedachte aan de

kinderen had haar weerhouden. Nooit hebben we Moeder hooren klagen over

haar lot. Al vertelde ze ons de droevigste ervaringen, het was nooit

in den klaagtoon. En als ze over Vader sprak, was het met liefdevolle

aanvaarding: »Ik heb altijd het gevoel gehad, dat God mij tot taak had

gegeven, dezen man door het leven te brengen." Hij was haar oudste

kind. Vriend noch vreemd--en aan pogingen heeft het zeker niet

ontbroken--heeft haar ooit kunnen bewegen, haar post ontrouw te worden.

Ze heeft haar levenstaak met algeheele zelfverloochening volbracht.

Dikwijls als ze over goede menschen sprak, kwam het zoo uit de volheid

van haar hart: »Die hebben den hemel aan me verdiend." De uitdrukking

was wat Roomsch, Moedertje, voor een predikantsdochter--wij doen niet

aan werkheiligheid. Maar wat hebt Gij dan wel verdiend aan man en

kinderen?

Moeder heeft een stukje van den hemel al op aarde gekregen. 't Kwam wel

laat, maar daarom mocht ze zeker wat langer blijven. Toen ze, in haar

drie-en-zeventigste, heenging, had ze al meer dan twaalf jaren een

betrekkelijk, althans geldelijk, onbekommerd leven genoten. Dat was

ongetwijfeld haar loon voor een leven van toewijding.

»O, als ik jelui alles vertelde, dan kon je er wel een boek over

schrijven," zei Moeder vaak.

Maar Moeder, dat moet U me nu eens niet kwalijk nemen, maar dat doen we

tegenwoordig niet. We schrijven geen boeken over helden en heldinnen,

die op 't leven zegevieren. We schrijven alleen boeken over

slappelingen, die in 't leven ondergaan. Stel je voor, dat ik eens een

boek over U schreef. Ze zouden zeggen: dat is maar een bedacht

vertelseltje. Zoo is het leven niet.

Neen hoor, geen boek over Uw levensboek. Alleen heb ik mij in dit

hoofdstukje veroorloofd, eenige bladzijden daaruit over te drukken. En

dat heb ik gedaan met opvoedkundige bedoelingen. Want, lieve Moeder,

ik ben--dank zij U--en ondanks de paedagogiek--zoo'n soort paedagoog

geworden.

Dank zij U.

Uw leven doortrilt mijn leven.

Van U heb ik geleerd, neen als levensmelk ingezogen, onder alle, alle

omstandigheden niet te versagen, trouw te volharden, te aanvaarden den

plicht die ons wordt opgelegd, niet onszelf te zoeken, maar onszelf toe

te wijden.

Of ik dat gekund heb?

Ik wou, dat het waar was. Maar mijn falen is niet uw schuld. Dat was

meestal 't gevolg van te veel voorspoed. Gelukkig kwam de tegenspoed me

dan eens flink door elkaar rammelen, om me tot bezinning te brengen en

terug te voeren tot trouw.

Gij hebt, door Uw leven, de les gepredikt: We moeten geen heide

ontvluchten en parken zoeken, maar heide ontginnen en parken maken.

Er is, heel sterk in onzen tijd, een jacht naar beter. Niet dat men

zichzelf en zijn arbeid wil verbeteren--als gevolg waarvan vanzelf

betere omstandigheden zouden ontstaan--maar een zoeken van en dingen

naar altijd hooger, voordeeliger, voornamer positie. Daartoe verlaten

honderden schoenmakers hun leest.

Gij hebt ons geleerd: Doe wat God je als levenstaak heeft gegeven, en

doe dat met heel je hart. Blijf trouw.

En Uw succes heeft er de belofte aan toegevoegd: En je zult slagen,

boven bidden en denken.

Heerlijk, Moeder, dat ik deze les, Uw wijsheid, als het summum mijner

paedagogiek nu onder vele oogen mag brengen, hopen dat zij vele harten

mag binnentrekken.

Blijf trouw! En vertrouw! En de kroon des levens is voor U weggelegd!

Is het niet eigenlijk--christendom?

Jeugdherinneringen · 第 26 / 31 题