Waarom--zoo vragen vaak ouders--waarom glijdt die jongen nu liever langs
de leuning van de trap naar beneden, in plaats dat hij, evenals wij,
netjes over de treden loopt. Dit laatste is toch zooveel veiliger.
Ik denk, dat die jongen, behalve om het glijgenot, de leuning juist
kiest omdat zij een beetje _on_veiliger is.
Kinderen _zoeken_ moeilijkheden.
Langs uw trap zijn twee wegen. Den eenen volgt gij. 't Is de breede,
gemakkelijke, met loopers geplaveide weg tusschen beide leuningen. De
andere bestaat uit de kleine puntjes der treden, die nog even buiten de
leuning uitsteken. 't Is de uiterst smalle weg, die voortdurend boven
den afgrond van den hal hangt. En dien volgt hij. Daarbij zet hij zijn
voeten dwars, houdt met één hand de leuning vast, laat zich half boven
de diepte zweven, en slingert zich, boven gekomen, met vlugge beweging,
op den heirweg, door u gevolgd.
Dat is een zeer duidelijk uitgesproken verschil van voorkeur.
Gij vraagt, waaróm die jongen zoo dwaas is, zich moedwillig in 't gevaar
te begeven, en denkt er niet aan, hoeveel kostelijke krachtsontwikkeling
ge hem beneemt, als ge hem dezen moedwil verbiedt. Hoe zal de jongen,
te midden van zijn geriefelijke omgeving, een beetje leeren durven en
wagen, als hij er niet op eigen gelegenheid wat ongerief mag scheppen?
Men beschuldigt in zulke gevallen de kinderen aanstonds van
onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid en ranselt er dan die twee ondeugden
uit. 't Is verkeerde paedagogiek. Men ranselt er op die manier een
natuurlijken opvoedingsfaktor uit, slaat dien tenminste voor een poosje
lam. De onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid is een ademen der zedelijke
natuur, 't is het uitslaan der vleugelen, 't is het uitgroeien der
ethische krachten van moed en zelfvertrouwen, 't is het overwinnen van
onmisbare zwarigheden, en daardoor het winnen in willen en kunnen.
Bekijk de zaak eens van dezen kant, en gij zult begrijpen, waarom die
jongen liever op de tuinschutting zit dan op de tuinbank--ongeacht het
wel wat smalle zitvlak van die tuinschutting; waarom hij zoo graag door
het dakvenster klautert en liefst tegen de pannen op dan nog naar de
vorst van het dak; waarom hij buiten zoo onweerstaanbaar door slooten
wordt aangetrokken en als door een magnetische kracht wordt gedwongen
daarover te springen; waarom hij, met zijn kameraad op de wandeling,
zeker tienmaal, indien niet twintigmaal, vraagt: durf jij dat? en--als
er maar geen ouders bij zijn--dan bij ieder kwestieus geval net zoo lang
draalt en zich opwindt tot hij gedurfd heeft.
Gij zegt, dat hij aan zijn kleeren moet denken en aan alle mogelijke
ongelukken. Hij denkt aan niets dan aan het lokkende gevaar en aan de
zalige zege.
Toe, bekijk de zaak eens van dezen kant en vraag dan uzelf af, bij welke
partij de ware opvoeding werkt: bij de officiëele opvoeders of bij het
brutale, onnadenkende kind, bij de verlammende leiding of bij de
stalende zelfstandigheid.
* * * * *
Voor ons huis was een houten brug met een ijzeren leuning. Hoe dikwijls
liepen wij jongens, een heel rijtje achter elkaar, langs den buitenkant
der leuning. Ik voel dat ronde ijzer nog en aan het einde den
bolvormigen knop. Ik zie nog het vuile water onder ons. En ik herinner
me nog den even voorzichtigen als sierlijken zwaai, waarmee we om den
eindknop heen weer op de straat terecht kwamen.
Zeker, als ik het nu van kinderen zag, ik zou mijn hart vasthouden, maar
nooit is er bij die kunsten een jongen te water gevallen, zelfs niet
als we, verstoken van alle gymnastiekwerktuigen, de ronde leuningen als
rekstok gebruikten om er ons borstwaarts of ruggelings over te trekken.
Er waren jongens, die, waar ergens een brugleuning van hout was met een
plat bovenvlak, daar overheen liepen. Eén zwenking naar links, en ze
tuimelden in het diepe water. Maar ze liepen met geconcentreerde
zekerheid de heele leuning af, om dan aan het eind met een prachtigen
sprong weer op den vlakken grond te komen. Wie het niet durfde, stond
het bewonderend aan te staren.
Eén heldendaad van dien aard herinner ik me van mezelf. Er stond eens
een vrij hooge stapel roode baksteenen opgetast aan den waterkant
dicht bij ons huis. Dat zag men toen meer: de openbare weg deed bij de
bouwerij nog al eens dienst als stapelplaats van materialen. Nu was er
tusschen dien hoogen steenstapel en den waterkant natuurlijk een reepje
weg onbedekt gebleven, een paadje dus achter den steenenmuur en vlak
langs het water, een paadje waar een paar muizen konden wandelen,
misschien ook een kat, maar stellig geen hond, en dat alzoo nu juist
niet bepaald voor jongens was opengelaten. Daar kon geen kind langs.
Reden te meer om het te willen.
»Durf jij daar langs?"
Nauwelijks was de vraag gedaan, of het paadje begon te trekken. Eerst
trok het je oogen en die maten met een enkelen blik de breedte--smaller
dan je voet--en de lengte--een meter of drie. Toen trok het je
linkervoet. Die moest noodzakelijk even om het hoekje heen, den neus
van je schoen rechthoekig tegen de steenen. Dat ging. Op je teenen en
de voorhelft van je voet kon je er staan. En als je je voet dwars tegen
de steenen drukte, met zijn binnenzij tegen den muur, dan kon hij er
heelemaal op. Nu trok het je linker arm. Die strekte zich uit en legde
zich, met uitgespreide vingers, vlak tegen den stapel. Je hand ging
werken als een zuignapje. Hij zoog zich als aan de steenen vast. Pas
op, het paadje trok je linkerbeen, je linkerzij, het trok je borst--je
drukte die plat tegen de steenen--je rechterbeen moest volgen, dan je
rechter arm, en je schoof, met uitgespreide armen, als een schaduw langs
den steenenmuur. Hoe kón het? Dat weet ik niet, maar het kón.
Voetje voor voetje ging het schuivende verder. Eenmaal begonnen, was
er aan teruggaan geen denken meer. De makkers keken ademloos toe. De
menschen aan den overkant spraken er zeker schande van: »zulk tuig!" Ik
zag niets, hoorde niets, dacht aan niets, wist alleen dat ik, klevende
aan de steenen, moest voortschuiven. En ik schoof voort. Mijn leven hing
af van een oogenblik aarzeling of twijfel. Mijn leven en mijn triomf.
Ach, mijn hemel, het was alleronzinnigst. Maar waarom vertelde men
ons dan ook de geschiedenis van De Ruyter? Ik had geen toren om te
beklimmen. Moest ik dan de bevende heerlijkheid van het gevaar niet
achter die steenen zoeken?
Ik kwam er. Even behoedzaam tastende als de tocht begonnen was, werd hij
geëindigd. Geen roekeloosheid op het laatste moment. De linkerarm boog
eerst om, de schouder volgde--maar reeds grepen de makkers dien arm beet
en ik stond weer in hun midden. Doodstil. Zij juichten. Ik zweeg. Want
als je wezenlijk verdienste hebt, met uiterste inspanning veroverd, dan
bluf je niet. Dan ben je moe en stil.
Een tweeden keer heb ik dien tocht niet gedurfd. Toen trok ook het
smalle randje niet meer. Het had zijn bekoring verloren, gelijk de
jonkvrouw in Schillers ballade van »De handschoen". En geen der
kameraden volgde me na. Er zijn heldendaden, voor enkelen weggelegd,
en die deze ook maar éénmaal in hun leven kunnen volvoeren.
Natuurlijk begrijpen de menschen niets van wat er omgaat in zoo'n
jongen. Ze vinden het domme waaghalzerij en koelen hun angst voor zijn
gevaar met scheldwoorden, pakken slaag, naar huis en naar bed. Daar is
de bengel dan vooreerst weer veilig en kon hij over zijn zonden
nadenken.
Op dat nadenken moeten de opvoeders echter nooit veel rekenen. Het
bed is geen plaats voor zulke berouwvolle overpeinzingen. Daar, als
waarschijnlijk in elke andere gevangenis, lig je te fantaseeren. Je
ziet alles nog eens levendig voor je. Je geniet van nieuwe gevaren.
Je klimt en klautert langs onmogelijke wanden. Je bent er veilig, nu
ja, maar nadenken? Op grond mijner jeugdervaringen ben ik een overtuigd
tegenstander van de celstraf. Ik geloof alleen in de verbeteringskracht
van goed gezelschap en lustwekkenden arbeid.
* * * * *
Hoe weinig ik in zulke waaghalzerijen kwaad zag, blijkt wel uit het
volgende.
Ik had een nieuw zondagspak gekregen. Dat was heusch een weelde, die
niet ieder jaar voorkwam. Met je moeder naar den winkel gaan, daar
verschillende pakken bekijken en passen, eindelijk dat eene mooie te
krijgen, juist dat eene waar je al je hart op gezet had, en dit dan den
eerstvolgenden zondagmorgen te mogen aantrekken en er de straat mee te
mogen opgaan, neen, dat was heusch geen kleinigheid, dat was een reeks
zeldzame genietingen, zooals in ons kinderleven wel eens één keer in de
drie jaar voorkwam; meestal werden onze kleeren gemaakt uit die der
oudere jongens.
Het was dus een unicum, voor mijn ouders een groot geldelijk offer, en
toen ik den eersten zondagmorgen den besten in het nieuwe pak uitging,
liep Moeder mee tot aan de winkeldeur, tot op de stoep.
»Zal je er goed op passen, Jan?"
»Ja Moe!"
»Zal je er erg voorzichtig mee zijn?"
»Ja Moe!"
Ik stapte de gracht op, ging mijn vrindjes halen, liep niet als een
gewoon kind, maar als een drager van nieuwe kleeren. Ik keek nog eens
om. Moeder stond me nog met gelukkige, streelende oogen na te kijken.
Ze moest er van genieten, hoe 't me stond als ik op straat liep, en hoe
netjes haar jongen er uitzag. Ook voor haar was 't een weelde en een
zeldzaam genot.
Met mijn vrindjes ging ik naar buiten. In de stad wandelden we
nooit. Altijd naar buiten, naar de slooten, naar de balken bij den
houtzaagmolen, naar de tuinschuttingen, naar de wilgen. Er moest water,
groen en klimbaarheid zijn. En dat had je in de straten niet.
Eerst bewonderden de vrindjes natuurlijk het mooie pak, maar dat was
gauw gedaan. Jongens vinden het wel een ellende met vermaakte kleeren
te worden op straat gestuurd, en ze zijn wel grootsch op een nieuw pak,
maar die ellende en die grootschheid duren beide gewoonlijk heel kort.
Zoodra de kameraden hun schimp of hun lof hebben geuit, is 't gedaan met
de macht der lichaamsbedekselen. Dan dénken de jongens eenvoudig niet
meer aan hun kleeren--zoo heel anders dan meisjes--en voelen ze als
lagen huid, die zich zoo gauw mogelijk moeten schikken naar de
bewegingen van het lichaam.
Zoo ging het ook mij op dien Zondagmorgen. Mijn nieuw pak werkte al niet
meer, toen we nog maar even buiten de poort waren, en het sprong net zoo
gemoedelijk mee over de balken in de sloot als mijn oude plunje. Het
schikte zich wonderwel in de manieren en plezieren van zijn eigenaar.
Zelfs klom het al mee in een boom.
Er stond ergens aan den slootkant een knotwilg, die half over het water
hing. Nu konden we reeds op drie manieren op het weiland komen: over het
hek op den dam klimmen, over de balken in 't water loopen, of ineens
over de sloot springen. Dat was voor een gewoon mensch al variatie
genoeg, zoolang er echter niet een schuine knotwilg bij kwam. Maar
nauwelijks had die al de bekoorlijkheden, waarover zijn uitgeteerde
ouderdom nog te beschikken had, voor ons uitgespreid, of wij bezweken.
We moesten in dat oud stuk stam klauteren, op den kruin staan, de takken
wegschuiven, en dan over 't water op 't weiland springen. Die weg was
veel moeilijker dan een der andere drie, en dus veel aangenamer. We
genoten er wel tienmaal van, ook al kraakte soms een halfrotte rand van
den hollen bast onder onzen voet. De zorg voor mijn nieuwe kleeren
bepaalde zich hiertoe, dat ik telkens na een sprong broek en kiel met de
hand netjes afveegde, omdat ze wat groen of vuil waren geworden van den
ouden wilg, en hun rimpels daarna mooi wegtrok, rimpels van 't klimmen.
Overigens kan ik met volle eerlijkheid verzekeren, dat ik mijn nieuwe
kleeren totaal vergat.
Men versta dat toch goed. Ik zeg niet, dat ik ze moedwillig
verwaarloosde, dat ik ze niet achtte, maar ik vergat ze. Ze bestonden
niet meer voor me. De boom, de kruin, de takken, de sprong--die
leefden en heerschten. Al dat andere was weggezonken, zooals men dat
tegenwoordig met naïeven verklaringswaan uitdrukt: onder den »drempel
van het bewustzijn".
Mijn vader had echter weer een anderen drempel. Hoe de man, tot mijn en
zijn eigen rampzaligheid, daar nu juist op dat buitenpad moest wandelen,
juist op dien Zondagmorgen, ik weet het niet. Maar hij liep er, en nog
eer ik hem in de gaten had, had hij mij gezien, klimmende en springende.
Zijn buitengenot en landelijke rust zonken onder zijn bewustzijnsdrempel
weg en daarboven op sprong, met tergende sprongen, zijn jongen in het
nieuwe pak. Een oogenblik nog, en hij had die jongen in zijn nek
genomen, een paar driftige kletsen om den kop gegeven, en naar huis
gejaagd.
't Was voor dien jongen een doodschrik en een grievende krenking. Hij
liep naar huis, op eenige meters gevolgd door zijn vader. Voor beiden
was het genoegen van dien Zondagmorgen weg. Maar in die jongensziel
ontkiemde, onzichtbaar voor hemzelf, de zekerheid, dat vaders domkoppen
zijn. En hij hield op dat oogenblik meer van dien stommen, ouden
knotwilg, dan van zijn vader.
* * * * *
Het is hard om te zeggen, maar vaders zijn vaak domkoppen. Ze
verstaan hun kinderen niet. Als ze zich de moeite eens wilden geven,
naar hun kinderen te zien en naar hun uitingen te luisteren, eens
heel oprecht met hen te praten, dan zou waarschijnlijk hun houding
tegenover dat jonge goed heel anders zijn. Maar neen, ze volgen
alleen hun eigen opwellingen van wrevel, ergernis, woede over allerlei
recht kinderlijke »overtredingen" en schelden of slaan er dan maar op
los. Daarmee vervreemden ze hun kinderen wel niet van ze--de band des
bloeds is taai--maar ze bederven toch zooveel jeugdgenot en zooveel
huiselijke vreugde. Wel, dat kon zoo gansch anders, en met veel meer
gehoorzaamheid dan nu morrende gehuicheld wordt. Wanneer ik hier geen
jeugdherinneringen schreef, maar degelijke paedagogiek, zou ik over de
vaderzonden een hoogst leerzaam hoofdstuk kunnen schrijven. Misschien
maak ik er nog een boek over en dat zal dan het beste paedagogische
handboek zijn van de wereld, want het begint de opvoeding bij de
opvoeders, en die hebben de verbetering het hardste noodig. Maar ik
schrijf slechts ijdele jeugdherinneringen, laat dus de domheid der
vaders onverbeterd, en ga voort met een stukje verregaand brutale
heerlijkheid.
We lazen destijds veel indianenboeken en daarvan was het gevolg, dat
we ook speelden van »Blanken en roodhuiden". We verdeelden ons in twee
partijen. Doch nu waren we niet tevreden met een simpel spelletje in
de straat, neen, het moest echt wezen, zoo echt mogelijk, er moest een
woud bij te pas komen, een wildernis, en dan oplichting, gevangenneming,
bevrijding. Er moest eenzaamheid bij wezen, spoorzoekerij, sluipen,
geheime teekens, vogeltaal. We moesten de volle ontroering genieten van
het echte woudloopersleven, en nu zouden we geen jongens geweest zijn,
als we ons dat niet hadden weten te verschaffen, ondanks al de
tegenwerking van straatsteenen, huizen en volwassenen.
Om te beginnen verdeelden we ons in twee partijen, maar die verdeeling
gold niet voor één avond, doch voor altijd. Wie eenmaal een roodhuid
was, bleef een roodhuid, en dat bleef hij overal, op straat, in huis,
op school, in de stad, buiten, Zondag en in de week. Zoo veranderde een
blanke ook niet van huidkleur en van vijand. En nu was de afspraak, dat
je, overal waar er slechts kans toe was, je vijand bestookte, besloop,
gevangen nam.
Dat gaf aanleiding tot een voortdurende spanning. Nooit liep je op
straat, of waakzaam loerde je rond. Was je als blanke alleen en kwamen
er drie roodhuiden aan, dan maakte je tijdig dat je wegkwam, eer ze
je te pakken kregen. De gang van school naar huis was weken of maanden
achtereen een onafgebroken gevaar, en deed je boodschappen voor je vader
of moeder, was dan maar dubbel op je hoede, want de vijand stoorde zich
aan niets, vond je met je boodschappenmandje een te welkomer prooi en
sleepte je naar buiten, naar een plantsoentje, waar je »dicht in 't
woud" aan een boom werd vastgebonden. Vader of moeder mochten op de
boodschap wachten, angstig worden, naar je uitzien--dat alles maakte de
zaak »echter" en dus het genot grooter. 't Mocht geen komedievertooning
wezen, maar 't moest echte werkelijkheid zijn met echte ellenden.
Nog zie ik me op een zomernamiddag in mijn eentje door de buurt dwalen,
dan naar 't plantsoentje gaan tusschen Raam- en Zaagpoort, en daar
zoo gauw mogelijk een boschje binnensluipen, op den heelen weg steeds
rondziend en zooveel mogelijk ongezien blijvend. De avond valt reeds,
't begint althans te schemeren. Nergens bespeur ik onraad, maar ook
nergens een teeken dat er vrienden in den omtrek zijn. Nauwlettend
bekijk ik den grond, of de voetstappen iets te zeggen hebben. Luister,
klonk daar niet het geroep van den koekoek? Dat is het teeken van de
blanke jagers, waarbij ook ik behoor. Doodstil blijf ik staan en wacht.
Opnieuw klinkt het: koekoek, koekoek, koekoek, driemaal. Is het de roep,
wellicht de noodkreet van een blanke? Of de lokstem van een roodhuid,
die aldus een verdoold jager in den strik wil lokken? Nu is de uiterste
voorzichtigheid plicht. Mijn ooren richten zich naar alle zijden, vangen
ieder geluid op. Men kon mij van verre omsingelen, zonder dat ik 't
merkte. Maar geen verdacht geluid waarschuwt. Ik sluip dus verder in
de richting van de telkens herhaalde koekoeksroepen. 't Is wel wat
ongewoon, in dit plantsoentje een koekoek te hooren. Die komen anders
niet onder de rook van de hoofdstad. Maar die ongewoonheid geldt alleen
voor eerzame burgers en voor den boschwachter. Wij weten hier van geen
hoofdstad, we zwerven in de wildernis van het verre westen. En daar
klinken nog wel andere geluiden.
Naarmate ik de roepstem nader, meen ik er de stem van een vriend in
te herkennen. Nu dient alles gewaagd. Toch laat ik me niet verleiden
tot roekeloosheid. Onder voortdurende bedekking, vaak liggende, soms
kruipende, tracht ik me tegen een overval te vrijwaren, totdat ik
eindelijk, in de eenzaamheid van het woud, een makker vind, inderdaad
vastgebonden aan een boom. Ik snel er heen, trek mijn zakmes, snijd
hem los en vlucht met den geredde zoo spoedig mogelijk weg van de
gevaarlijke plek. Eerst als we ons buiten gevaar weten, vertelt hij mij
zijn wedervaren.
Hij moest voor zijn moeder een boodschap doen. »Gauw terugkomen," had
moeder gezegd. Toen, argeloos door de straat loopend, was hij door een
paar roodhuiden gegrepen. Die hadden hem hierheen gesleurd. Al zijn
gekerm mocht niet baten. Ze verstonden zijn woorden niet eens. In hun
ijzeren vuisten gekneld hadden ze hem geblinddoekt, langs allerlei
sluipwegen gevoerd, hem midden in 't bosch van al zijn bezittingen
beroofd, ook van het geld voor zijn boodschap, en tenslotte
vastgebonden. Stellig zouden ze hem den volgenden dag onder een woesten
krijgsdans verbrand hebben, als ik hem niet tijdig had gered.
In de handen van welk opperhoofd hij gevallen was? Hij wist het niet,
maar hij vermoedde van De Witte Arend, want die was den laatsten tijd
erg in de weer. In zijn stam scheen een feest op til te zijn, en daartoe
had men gevangenen noodig, om met hun lichaamspijnen, doodsangsten en
gebraden spieren het feest op te luisteren. Goddank, dat de ongelukkige
nog bijtijds aan deze onderscheiding ontsnapt was.
Samen gaan we naar huis, plannen beramend van wraak. We moeten zien,
dat we De Witte Arend zelf gevangen nemen om hem alleen tegen een
hoogen losprijs weer vrij te laten. We zullen al de blanke jagers in
een vergadering bijeenroepen, om een gezamenlijken rooftocht tegen
den ellendigen roodhuid te ondernemen. Kunnen we hem niet een zijner
geliefdste vrouwen ontrooven--de ellendeling had onschuldige zusjes,
die daarvoor in aanmerking konden komen--en hem dan noodzaken tot een
vernederende onderwerping? Of tijdens zijn afwezigheid de wigwams in
vlammen doen opgaan?
Hoe het zij, een gevoelige wraak moest volgen. Hiervan waren we zeker.
En intusschen waren we innig gelukkig, dat we dezen avond weer zoo'n
levensgevaarlijk avontuur hadden genoten. Al was De Witte Arend
ook nog zoo'n ellendige roodhuid, voor geen goud, voor onze heele
maatschappelijke toekomst zouden we hem niet hebben willen missen.
Niet hebben kunnen missen.
Wat was onze vale buurt, wat ons dreinig schoolleven zonder De Witte
Arend?
* * * * *
Maar die moeder nu, die op haar boodschap wachtte? En dat geld?
Nu herhaal ik, wat ik reeds vroeger zei: in haar ontving de wereld der
volwassenen haar trekken thuis. Deze maaide, wat zij gezaaid had.
Wie hadden indianen-boeken geschreven, gedrukt, verkocht? Toch immers
niet de kinderen? Wie verdienden er hun brood en misschien zelfs een
kapitaal mee? Toch immers niet de straatjongens? Wie kocht ze voor ons,
leende of schonk ze ons, wie liet ze ons lezen? Waren het de volwassenen
niet? Wat deden ze om ons andere lektuur te bezorgen, ons in andere
lektuur smaak te doen vinden, ons door betere lektuur op te voeden? Ze
lieten ons gaan, of--erger!--deelden onleesbare traktaatjes uit, hetgeen
daarom erger is, omdat het de kinderen van het daarin aangeboden goede
vervreemdt.
De volwassenen lieten ons gaan, zooals het tegenwoordig nog bij de
meerderheid het geval is. Zij lieten ons doortrekken van indianen-zeden,
d. w. z. zeden à la Aimard of Cooper. En als die zeden nu in ons
begonnen te werken, aan wie dan de schuld? Wij konden het toch waarlijk
niet helpen, dat we bij onze verbeelding moesten leven, dat we de
romantiek tot werkelijkheid maakten. Dat lag zoo in onze kindernatuur.
Maar wie had die verbeelding eerst vergiftigd, wie die romantiek aldus
in onze fantasie gevoerd?
Het is met die brave volwassenen zoo wonderbaar. Eerst gaan ze de
kinderen in 't vloeken voor, en als dan een kind ook verdomme zegt,
ranselen ze dat kind af. Eerst steken ze hun sigaar op, en als dan het
kind ook een sigaretje wil genieten, bestraffen ze het met strenge
woorden, doorrookt van pas geofferde tabak. Eerst omgeven ze het kind
met een wereld van drinken, rooken, vloeken, onreine scherts, en als dan
het kind de gevolgen hiervan openbaart, verbeteren die volwassenen nóg
niet zichzelf, maar gaan ze in een soort opvoedingsangst het kind te
lijf.
Toen ik jongen was kon ik nooit de standjes en pakken slaag begrijpen,
die we met onze toch zoo natuurlijke spelletjes opdeden. En om de
waarheid te zeggen, nu ik al de vijftig voorbij ben, kan ik ze nog
niet begrijpen, in den zin van: rechtvaardigen. Natuurlijk begrijp ik
wel, hoe gemakzuchtige en genotzuchtige volwassenen liever kinderen
afranselen dan zichzelf verbeteren. Maar ik begrijp niet, hoe ze daarvan
eenig heil verwachten, ik begrijp hun domheid niet. De zaak is toch zoo
eenvoudig: »Wie wind zaait, zal storm oogsten." En wie zijn akker braak
laat liggen, moet zich niet verwonderen als daarop het onkruid tiert,
waarvan de zaden overal rondzweven en neervallen.
Die moeder, die op haar boodschap wachtte en noch boodschap, noch geld
zag, had zeker recht om woedend te wezen. Maar op zichzelf. Ik vrees
echter, dat ze niettemin op den rug van haar jongen die woede gekoeld
heeft. Zoo zijn wij, opvoeders. Sterk--in de correctie. Waarbij dan de
slagen vallen op de slachtoffers onzer nalatigheid.
We verwaarloozen eerst. En dan maar straffen.