»En als we het dan tóch eens deden?"
»Jelui doet het niet."
»Hoe weet u dat?"
»Omdat je 't hier veel te goed hebt."
Dan lachen de snaken, en er gaat een vriendschappelijk gejouw op: »Haha,
te goed!"
»Ja zeker, veel te goed. Je hebt absoluut geen reden om te spijbelen.
En wil ik je nu nog wat anders zeggen? Als jullie meent, dat je hier
onbehoorlijk, hard of onrechtvaardig behandeld wordt, dan geef ik je
verlof om te spijbelen. Maar je dóét het niet. Daar ben ik wel zeker
van."
»Jongens, ga je mee?" roept er een, en hij doet of hij vertrekken wil.
Maar halverwege keert hij lachende terug. »'k Zal maar hier blijven."
»Dat wist ik wel."
Wellicht vindt deze of gene onder mijn lezers die methode toch wel wat
gewaagd. Maar dan wil ik hem zeggen, dat je er wát een succes mee hebben
kunt.
Zoo kwam er onlangs een oude man bij ons op school met zijn 12-jarigen
kleinzoon. Die jongen had het op een andere school erg verbruid, had
daar herhaaldelijk straf opgeloopen en gespijbeld, en nu--»of de meester
ook een plaatsje voor hem had."
»Gespijbeld? Heb jij gespijbeld? Dan moet ik je net hebben. Want dat heb
ik ook in mijn jongensjaren gedaan en 't is mijn prettigste tijd
geweest."
De jongen hief zijn zwarte oogen naar me op, zonder dat ik hem hiertoe
dwong--je hebt van die paedagogen (ook onder de agenten) die altijd de
slachtoffers _dwingen_ hen, beleefdheidshalve, aan te zien, maar door
hun gansche optreden de oogen dier misdadigers een anderen kant op
jagen--de jongen dan keek me gansch vrijwillig aan, en er was een
glinstering van vertrouwen in zijn donkere kijkers.
»Zeker, ik heb ook gespijbeld. En daarom moet ik je juist hebben. Je mag
komen, hoor!"
Grootvader keek verslagen. Hij dacht, dat hij met een krankzinnige te
doen had. Zoo ongewoon is zulken menschen de simpele gewoonheid.
»Hij mag komen, Grootvader! Maar op één voorwaarde."
Vier vragende oogen keken mij aan.
»Dat hij dadelijk gaat spijbelen, als 't hem niet bevalt."
Grootvader snapte het niet. Hij was al te veel verbasterd in deze wereld
van schijn, mooidoenerij, braafheidsvertoon, algemeene fatsoenhouderij.
Maar de jongen begreep me. Hij lachte. En pas had ik hem de hand ten
verbond toegestoken, of hij sloeg toe. Hij kwam op school, is een jaar
gebleven, en heeft _nooit_ aanleiding tot eenige klacht gegeven.
Natuurlijk gun ik het succes hiervan ten volle aan zijn
klasseonderwijzer. Maar deze stoort zich ook al meer aan de paedagogiek
zijner levenservaring, dan aan de voorschriften der gezags-paedagogiek.
Hij volgt dus dezelfde methode als ik. Misschien moest ik zeggen:
Ik volg dezelfde methode als hij. Want ik geloof, dat ik in dit
opzicht heel wat van hem geleerd heb. De hoofdzaak echter is, dat
we dit succes te danken hadden aan de methode van--toe, geef eens
een mooien naam, liefst een Griekschen--de methode van....
zondaar-met-den-zondaar-te-zijn.
* * * * *
Die methode komt in geen paedagogisch handboek voor, evenmin als
de sinaasappel-methode. Maar ik hoop, dat beide daar nog eens een
plaats krijgen. En daarom ga ik nu nog een van onze streken vertellen,
misschien wel een der ergste. Wie weet, of ook uit dit kwaad niet iets
goeds geboren wordt.
Het is avond. De duisternis hangt reeds over het vunze grachtwater en
vult de nauwe ruimten tusschen de hooge huizenrijen, die men straten en
dwarsstraten noemt. Wij dwalen nog zoo'n beetje in die duisternis rond,
zoekend naar een genotsprikkel. Daar ligt ergens een keisteen los. We
halen hem uit het plaveisel. Of een paard nu misschien zijn poot in dat
kuiltje verzwikken kan, niemand denkt er aan. Met die kei kunnen wij wat
uitvoeren.
Nu zoeken we einden touw in onze jongensschatten, opgehoopt in de
broekzakken. Die einden binden we aan elkaar. 't Wordt een touw van
behoorlijke lengte. Het eene eind wordt op stevige wijze om de kei
gebonden.
Ginds staat de deur van een bovenwoning open. Wij er heen. Een van ons
trekt zijn schoenen uit, neemt de kei in zijn linkerarm, de schoenen
in de rechterhand, en sluipt op zijn kousen de trap op, naar 't
bovenportaal. Een ander heeft beneden het touw vastgehouden.
De indringer staat doodsangsten uit. Want het is mogelijk, dat juist
op dit oogenblik daar boven een deur opengaat en een bewoner hem in de
gaten krijgt. Erger, het is ook mogelijk, dat nu juist een der bewoners
thuis komt, een pootige, ruwe kerel, en achter hem de trap oploopt.
Dan zit hij in de val. Want dan vraagt die kerel hem natuurlijk wat
hij daar te maken heeft, ontdekt den steen, heeft misschien de jongens
beneden al weggevloekt, en grijpt den binnensluiper in zijn nek....
O, die heerlijke doodsangsten! Wat heb ik er van genoten! Iedere zenuw
is in spanning! Elke seconde is een levensgevaar!
Eenmaal hééft een kerel me zoo verrast. Maar niet gegrepen. Hij zag me
niet. Ik sloop als een schaduw de trap op, het portaal door, duwde me in
een donkeren hoek, plat tegen den muur, en de kerel liep me voorbij. Het
was om te bezwijken van heerlijkheid. Zulk een oogenblik is een hemel.
Het is bijna zoo zalig, als dat je op 't punt staat door de Indianen
gescalpeerd te worden en door de uiterste doodsverachting je leven redt.
Je bent een moment een van je meest benijde boekenhelden.
Als de indringer zonder gevaar boven is gekomen, legt hij daar
behoedzaam den steen neer, sluipt weer naar omlaag, trekt zijn schoenen
aan, en houdt zich gereed.
»Trek!" fluistert hij.
De man aan het touw trekt en de steen dondert de traptreden af naar
beneden. Tegelijkertijd schreeuwt een der jongens een erbarmelijk
kindergeschrei uit. Je kunt niet anders denken, of er valt een kind van
de trap. Alle kamerdeuren vliegen open, alle vrouwen komen kijken. »Een
kind van de trap gevallen!" En ze tuimelen zelf haast de trap af, om de
eerste te zijn, die 't arme schaap opraapt. Want vrouwen van dat slag
mogen haar eigen kinderen verwaarloozen, bij een ongeluk zijn ze de
hulpvaardigheid zelf.
Maar ze vinden niets dan malkaar en dat is reden genoeg om te blijven
staan en met nog eenige andere ook toegeschoten buurvrouwen te
overleggen, wat daar dan toch kan gebeurd zijn. Wij jongens, eerst
weggehold, met den steen, komen nu een voor een naderbij, steken ons
gezicht tusschen een paar jakken door, en informeeren belangstellend
naar het gevallen jongetje. En wij smullen daarbij van ons succes. Of
de vrouwen 't in de gaten krijgen? Een van haar roept tenminste: »za-je
opdondere, vuile flikkerkop!" En veiligheidshalve »dondere" wij op.
* * * * *
Ook deze jongensgrap heb ik vaak in kleuren en geuren aan mijn
leerlingen verteld. En dan zaten die te springen van plezier. De meisjes
niet. Die voelen over 't algemeen niet veel voor zulke min of meer
avontuurlijke streken. Maar de jongens. Hun oogen flikkerden. Nog meer
dan bij het overhooren der jaartallen. En niet een dacht er aan, of op
een dier bovenkamers misschien een doodziek kind, een stervende zieke
lag. En of die donderende steen wellicht een armen lijder had doen
opschrikken, die juist wat verademing beloofde te krijgen in een
rustigen slaap. Daarheen gingen hun gedachten niet, zoo min als die
van ons, jeugdige bedrijvers van die geneugten. We waren immers door
voorbeeld en lektuur ook in plagen opgevoed?
Maar daarom, als mijn jongens volop genoten hadden van mijn vertellen,
liet ik hen critiek oefenen. Ik keerde dus het spelletje om. Niet
ik sprak afkeurend over hun ondeugendheden, maar ik liet hen al het
verkeerde aantoonen in mijn gedrag. En het was wonderlijk, hoe ze dan
gaandeweg van stemming en gezindheid veranderden. Eigenlijk was het
een gemeene streek, om die menschen zoo aan het schrikken te maken.
En ook gevaarlijk voor mogelijke zieken. Wie weet, of daar niet een
vrouw in de bitterste armoede op haar man, op haar zoon zat te wachten,
een woesten dronkaard. En hoe dan die arme vrouw, doodelijk verschrikt,
zou opspringen. Ach, er wordt in die kleine woningen zooveel ellende
geleden. Er is daar zooveel verterende smart. Dag aan dag, en nacht aan
nacht. Drank, armoede, ziekte, dood.
Natuurlijk hielp ik mijn jonge veroordeelaars in het uitdenken van
toestanden, die onze grap tot een ernstig vergrijp maakten. En dan
bedachten we met elkaar, hoe je een beetje blijdschap kon brengen in
zulke vaak droevige gezinnen, hoe je misschien helpen kon. Ja, daar
waren wij ook wel toe bereid geweest. Maar men had het ons niet geleerd,
we waren er niet in geoefend. Bereid? 't Gebeurde nog al vaak in die
buurten, dat er een drie- of vierjarig kind zoek raakte. Die kinderen
speelden vrij op straat en dwaalden dan weg. Maar nauwelijks hoorden we
van een radelooze moeder dat ze haar kind »verloren" had, of we staakten
onmiddellijk het boeiendste spel en trokken in groepjes de straten
rond onder het eentonig-zangerig geroep van: »Wie hét er een ki----nd
gevonden, wie hét er een ki----nd gevonden," net zoo lang totdat het
verloren schaap terecht was. Hoe levendig herinner ik mij die droomerige
dwaaltochten, straat in straat uit, waarin we gehuld waren in de
atmosfeer van ons eigen weemoedig-melodisch geroep. Niemand dacht aan
opgeven. Ook wij waren verloren, verloren in dienstbetoon. Alleen nu en
dan hielden we stil, als een deelnemende vrouw vroeg: »Hoe oud is het,
jongens?"--Drie jaar.--»Nee, niet gezien, hoor!"--En dan trokken we weer
verder, aanstonds in de maat en de stemming van ons zingend vragen, dat
de open deuren en ramen ingolfde. Bereid? Ja, zeker waren we bereid. Men
verstond echter niet de kunst die bereidheid te exploiteeren. Zou dit
niet een der eerste opvoedingsplichten zijn? Leer uw kind, zichzelf te
helpen, en ook anderen. Dat leert men echter het best niet door preeken,
maar praktisch. Ga hen voor en neem ze mee.
Mijn leerlingen waren intusschen hartelijk bereid, het vroegere gedrag
van hun meester af te keuren, en daarmee had die meester ze meteen in
zijn paedagogische val. Want je moogt van rechters, die zoo pas het
stelen veroordeeld hebben, toch niet verwachten, dat ze nu zelf op roof
uittrekken?
* * * * *
Ik hoop, dat mijn vreesachtige lezers, die zooveel gevaar duchten van
dat vertellen onzer kwajongensstreken, toch ook een weinig oog hebben
gekregen voor de gezegende vruchten er van. Men komt, in de eerste
plaats, daardoor zoo dicht, zoo heel dicht bij de kleine zondaars van
nu te staan. Zij voelen in u een van hun gelijken, vertrouwen u, durven
zich aan u geven--en komen dientengevolge te gemakkelijker onder uw hun
heil bedoelenden invloed. We weten het wel, Farizeesche ongereptheid is
heel mooi om aan te zien, bijna zoo mooi als een verlakte schoen, maar
de tranen van ons berouw glijden er langs af, dringen er niet in, vinden
er geen toegang. We voelen ons meer thuis bij den tollenaar, die in zijn
machtelooze veroordeeling van eigen ongerechtigheid alleen redding zocht
bij de genade der goddelijke liefde:
»Heer, wees mij zondaar genadig." Wanneer kinderen in ons medezondaars
weten, is de afstand tusschen hen en ons wat kleiner. Ze laten zich in
ons los.
Maar dan in de tweede plaats, kan men van eigen verleden een spiegel
maken, die niet alleen het kwade weerkaatst, maar ook de daaruit
voortvloeiende gevolgen. Men kan de kinderen oog doen krijgen voor
hetgeen het kind, en ook nog de mensch, in eigen handelingen bijna nooit
ziet: de noodlottige gevolgen, vonnissend de onschuldig schijnende
daad. Dat kan nu ook wel in een of ander verhaal, maar het verhaal
van meesters eigen leven is zooveel aangrijpender, juist omdat het
hém betreft. Alle kinderen hooren graag vader en moeder van eigen
jeugd verhalen, hoe die geëerbiedigde volwassenen zich als kinderen
vertoonden. En ik heb het bijgewoond, hoe kinderen medelijden hadden
met dat arme jongetje, dat zoo strijden moest om eigen kwaad te
overwinnen en er telkens weer in verviel, en dat nu hun vader was.
Wie zich aan zijn kinderen durft geven, gehéél, doch met de heilige
bedoeling om dit als een offer te brengen tot hun heil, hij zal ervaren
hoe dit offer, wel verre van tot navolging der verkeerde daden te
prikkelen, een zegenende ernst in hen ontwikkelt, een vroegen strijd,
een--mogen we hopen--tijdige zege.
Dan mag er--we zijn immers onder kinderen--wel eens een vroolijken toon
in ons verhaal klinken, dan mag er wel eens een luid gelach uitbarsten,
mits de ondertoon ernst is en het doel wordt beoogd: het geslacht van
nu, zoo mogelijk, te bewaren voor de zonden van het vroegere.