KINDERKERK EN ZONDAGSSCHOOL.

De kleintjes zaten in de voorste rijen, en naargelang je ouder en

grooter werd, schoof je naar achteren.

Ik heb een idee, dat ik als kleintje van zes jaar ook op de eerste bank

heb gezeten, dat ik gaandeweg in 't midden kwam, en geleidelijk de

laatste banken bereikte.

't Waren gewone banken zonder leuning, op drie pooten. Een heele rij

achter elkaar. En vóór dit bankenregiment stond als kommandant een

catheder, hoog boven de lage, platte banken uit, een generaal te paard

voor zijn soldaten.

We zaten daar 's Zondagsmorgens, heel stil, het petje in de handen, dat

soms in de rondte begon te draaien, de ronde band tusschen de kleine

vingertjes door, en dan weer vermoeid tusschen die vingertjes neerhing,

of ook, plotseling, tusschen de vingertopjes uitviel op den grond. Die

vingertopjes werden dan wat suf van het aldoor vasthouden en lieten het

petje los, zonder dat ze het zelf wisten. Ze moesten onophoudelijk aan

het petje denken, en konden daardoor niet zoo goed luisteren naar den

meneer in den catheder.

Daarbij kwam nog, dat het eene handje ook twee halfjes moest bewaren,

een voor het zakje en een voor het negertje. Het zakje ging rond en

vroeg voor de armen, het negertje stond op een tafel en vroeg voor de

heidenen. Die halfjes werden zoo heet in je kleine, vochtige handpalmen,

maar je moest ze ook goed verstoppen in de dichtgeknepen handjes.

Een halfje op straat verliezen, was een jammer van groote beteekenis.

Broekzakken hadden de kleine jongetjes nog niet. En daarom waren de

halfjes alleen maar veilig in den heeten oven van hun kleine brandende

handjes. Het was een heele verlossing, als ze daaruit weg mochten,

vochtig warm in het zwarte zakje of in het hoofd van 't metalen

negertje, dat ook voor de kleinste gave dankbaar knikte.

Zoo hebben we daar gezeten, Zondag aan Zondag, telkens van 10 tot

12 uur, dus twee uur achtereen, in een klein, laag, benauwd

lokaal--hetzelfde, waar we in de week bewaarschool hadden bij juffrouw

Fietje. En dan gingen we er 's middags nog een uur ter Zondagsschool.

Ik denk, dat het niet gezond was.

Nu, uit de verte gezien, vraag ik me af, wat de bekoorlijkheid van

die uren was, want bekoorlijk waren ze. En dan denk ik allereerst aan

het schoone, blauw-gestreepte katoenen kieltje, met het witte kraagje

er in geregen, en het witte linnen broekje met korte pijpjes. Moeder

had die alle gewasschen en gestreken en het was een heel genot, daar

's Zondagsmorgens in gestoken te worden als jongetje van zes, zeven,

acht jaar, en er dan mee naar de kinderkerk te wandelen. Daar was iets

voornaams, iets deftigs in. Je liep, stijf gestreken ventje, blinkend

figuurtje, de halfjes in de linkerhand, netjes over de kleine steentjes.

In heel je kleine lichaampje werkte nog Moeders waarschuwing, om toch

vooral je goed niet vuil te maken. En de strakke voornaamheid van je

glanzende kleertjes deelde zich aan den drager mee. De weg van huis naar

de kinderkerk, nauwelijks drie minuten, was kort genoeg om ons buiten

alle verleidingen te houden.

Maar behalve die ijdele uitwendigheden oefenden nog andere factoren hun

invloed uit.

* * * * *

Hebt u nooit eens gehoord van meneer Beekman en meneer Seeze? Nu, ge

ziet, ik ken hun namen nog, en ze dateeren toch uit het Germanentijdperk

van mijn levensgeschiedenis.

De eerste was klein en vriendelijk. Zijn oogen en zijn mond glimlachten

ieder kind een onuitgesproken welkom toe. Een zachte, vriendelijke man.

De tweede was lang en statig. Maar ook vriendelijk, schoon op een andere

manier. Hij glimlachte niet, maar groette beleefd.

De eerste trok meer dan de tweede. Voor den eerste zou je gauwer

je zonden belijden. Heel zijn houding, heel zijn gelaat was een

uitnoodiging: Vertrouw me maar, want je ziet wel, dat ik veel van je

houd. Wanneer ik nu aan hem denk, valt mij het lied van Moody en Sanky

in: »Kom tot uw Heiland, toef langer niet."

Een man, wiens heele persoonlijkheid een uitnoodiging is van zúlk een

kracht en van zúlk een aard, nu, dat is een geboren opvoeder, al is hij

maar een zondagsschoolmeneer en van zijn vak koekbakker. Want dat was

hij.

Is het niet eigenaardig, dat ik zijn vak wist, en dat van zijn

medewerker niet? Dat is voor mij een bewijs, hoeveel dichter hij bij de

kinderen stond. De ander was een ernstige verschijning, maar loste zich

op in de nevelen van vormlijkheid en deftige statelijkheid. Meneer

Beekman kwam uit de nevelen zijner predikatie hoe langer hoe dichter

bij je en werd daardoor hoe langer hoe concreter. Je liep aan zijn hand

vertrouwend mee. Voor den ander zette je, op een afstand, eerbiedig je

petje af. We wisten ook precies, waar meneer Beekman woonde, en ik weet

het nog. Maar de ander woonde »ergens". Eigenlijk dacht niemand er aan,

of hij woonde. Hij verscheen en verdween. Zijn kleine, glimlachende

medewerker verscheen en bleef, bleef ook als hij weg was.

Van meneer S. wist ik niets geen kwaad, o neen, gansch niet. Hij was

stellig een brave man, maar hij bleef buiten de kindersfeer. Dat zie ik

nu zoo duidelijk. En die vriendelijke kleine was er dadelijk in, reeds

als je hem bij 't binnenkomen een hand gaf, ja nog vroeger: als je hem

bij 't binnenkomen zag.

Kinderen voelen je. Ze voelen je echtheid. Ze voelen je genegenheid. Ze

voelen, of je hand ze verwelkomt of dat het evengoed een handschoen had

kunnen zijn.

Welnu, behalve mijn schoon gewasschen en stijf gestreken zondagspakje,

was ook meneer Beekman een stuk bekoorlijkheid van de kinderkerk. En

daaruit kan nu iedere onderwijzer en iedere zondagsschoolmeneer en

iedere dominé zien, hoeveel er van hem afhangt, van hem persoonlijk. Het

mooiste gebouw en de geriefelijkste lokaliteit kunnen weerzinwekkend

worden, door een mensch. En zoo'n armelijke, ouderwetsche

bewaarschoolschaapskooi kan door één man zoo aantrekkelijk worden, dat

een vrijheidlievend, speel- en zwerfgraag stuk straatjongen er week aan

week zijn kostelijken zondagmorgen wil doorbrengen, terwijl buiten alles

lokt en bloeit.

Eén mensch. En nog wel een onbestudeerd mensch. Een koekbakker.

Maar--een kindervriend!

Dat was het heele geheim. De man kwam daar niet, om zichzelf te hooren

preeken, maar omdat hij de kinderen zoo lief had. In die liefde zat zijn

beste preek.

* * * * *

En of ik nu nog iets weet van zijn eigenlijke preeken?

Niets.

Dus daaruit blijkt, dat hij die net zoo goed had kunnen nalaten?

Dat durf ik nog niet zoo aanstonds te zeggen.

Op een weiland staan millioenen grasjes en als je die stuk voor stuk

vroeg naar wat ze zich nog herinneren van alle regenbuitjes in 't vroege

voorjaar, zouden ze daarvan niets meer weten te vertellen. En toch is al

dat water niet langs hun gladde lijfjes nutteloos weggevloeid. Ze zijn

er van gegroeid. Ze herinneren zich niets meer, maar niettemin is het

vergetene in ze. 't Is een deel van hun leven geworden. Is dat niet de

beste herinnering?

Wat weet ge, aan feiten, nog van de dagelijksche moederzorg, waaronder

ge groot zijt geworden? Wat weet ge van al de ernstige woorden, door

ouders en meesters tot u gesproken? We zeggen het zoo licht, dat al die

woorden langs ons weggedropen zijn. Maar ik heb een vermoeden, dat ze

ons toch hebben gedrenkt.

Ga ik mijn jeugd na, dan herinner ik me alleen de bizondere voorvallen,

maar van de gewone, dagelijksche invloeden heb ik alleen een stemming

bewaard. En nu zou ik uit de stemming, die aan de kinderkerk verbonden

is gebleven, een heel stuk opvoedende kracht durven afleiden. Zooals een

kenner der oudheid uit enkele brokstukken marmer een geheelen Griekschen

tempel reconstrueert, zou ik een heelen zondagmorgen kunnen schetsen.

Daar was dan geen enkel geconstateerd feit in, en toch zou de heele

schets waarheid kunnen zijn.

Uit het geheugen geraakte invloeden zijn daarom niet verloren. Ze zijn

omgezet in geestelijke kracht. Nog eens, is dat niet de beste

herinnering?

Hoezeer ik reden heb, gunstig over het gepreek te denken, blijkt wel uit

het feit, dat ik thuis in allen ernst kerkje speelde. Dan zette ik twee

stoelen met de ruggen naar elkaar. Dat was de preekstoel. Op de beide

randen der rugleuningen legde ik den Bijbel. Liggende met de knieën

op den eenen stoelmat, las ik uit den Bijbel voor en liet de gemeente

opgegeven psalmen en gezangen zingen. De gemeente bestond uit Vader,

Moeder, zus Christine en wellicht nog een paar anderen. Allen hielden

zich ernstig. Dat weet ik nog heel goed, want het minste blijk, dat men

er, mij ten gerieve, een spelletje van maakte, zou me diep gekrenkt

hebben en driftig hebben doen wegloopen. De kerkgangers hielden zich

voortreffelijk.

Maar meent ge, dat ik ooit lust had het schoolleven in de huiskamer te

halen? Dat lag onder den ban van een killen haat. Hoe minder ik er aan

dacht, hoe beter. De school bestond thuis niet voor me. Echter wel de

kinderkerk. En langen tijd heette het zelfs, dat ik maar dominé moest

worden. Nu zat er wat predikantenbloed in de familie, waar Grootvader en

twee ooms dominé waren. Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Die zat bij

den koekbakker. Deze beminnelijke christen wist zijn liefdewerk in mijn

kinderoogen zoo bekoorlijk te maken, alsof hij een tramconducteur of

koetsier was geweest. En dat wil heusch wat zeggen, want gelijk ieder

weet, wil iedere jongen graag conducteur of koetsier worden. Welnu,

meneer Beekman maakte zijn kinderkerk aantrekkelijk.... als een omnibus.

* * * * *

Nog een wonderbare tegenstelling met de school ligt me in 't geheugen.

Ik weet niet, dat ik ooit voor de school lessen leerde. Voor de

zondagsschool leerde ik mijn teksten en psalmversjes graag. Nog zie ik

die kleine bonnetjes, net etiketpapiertjes, waarop aan de eene zijde

een tekst en aan de andere een vers gedrukt was. We kregen er elke week

een mee en ik beijverde me steeds, die »les" goed en gauw in 't hoofd

te werken. Aan wien was dat anders te danken dan aan den koekbakker?

In mijn tooneelstukje »Tóch Timmerhout" komt een ondeugende jongen voor.

De schoolmeester weet hem niet te pakken, wil hem zelfs van school

jagen. Maar een oude timmermansknecht grijpt den bengel in 't hart

en redt hem. Men heeft me wel eens verweten, dat ik zoo de rollen had

omgekeerd en een timmermansknecht tot paedagoog gemaakt. Maar als het

leven mij dat nu eens aan de hand had gedaan? Als in dat tooneelstukje

nu eens een stuk levenservaring stak? De maatschappelijke werkkring

klopt niet altijd met den aanleg. Daar was een koekbakker, die ons

opvoedde. En hoe menige opvoeder moest maar liever koek gaan bakken?

Er zijn menschen geneigd te zeggen: Het was de kracht van Gods Woord,

het was de werking van Zijn Heiligen Geest, die je de teksten en

psalmverzen zoo graag en grif deed leeren. En dan knoopen ze hieraan een

heele beschouwing vast, alsof er in die Bijbelwoorden een zekere geheime

tooverkracht stak. Maar ze vernederen derwijze de zieleuitingen van een

vroom gemoed tot amuletten, maken van den Bijbel een soort magisch boek.

Neen, het was niet de mystieke kracht van die Bijbelwoorden. En het was

toch die kracht. Maar het was die kracht, levende, werkende in het

nietige persoontje van onzen christelijken christen.

Ik weet van een schoolcatechisatie ('t was niet bij mij), waar de

kinderen ook teksten en psalmverzen moesten leeren, maar waar die

heilige woorden absoluut geen kracht hadden. De jongens bedankten hun

leermeester wel lekker, om zich wat moeite te geven en maakten van hun

papiertjes, »vrome" papiertjes, propjes, waarmee ze mekaar beschoten en

het lokaal ontsierden. Eens bij zulk een les maakten de bengels het zoo

bont, dat de arme catechiseermeester in radeloosheid uitriep: »Jelui

bent van den duivel bezeten. Die heerscht hier in het lokaal. Maar

straks zal de Heere Jezus zelf komen, om jelui af te straffen."

De deur ging open, en binnentrad: de bovenmeester, een volslagen

atheïst, die van den heelen godsdienst niets weten wou. Aanstonds waren

de bengels op hun plaats en zaten doodstil.

Zijn tegenwoordigheid was genoeg, om alle duivelskunsten te bezweren.

Maar nu is de vraag: Wie was de duivel, die in het lokaal heerschte? Was

dat niet de officiëele vertegenwoordiger van den godsdienst met een heel

pak tekstpapiertjes? Al die machtvolle woorden werden satansmiddelen. En

wie wist hier, als Christus op de wateren, den storm te bezweren? Dat

was de totaal ongeloovige vertegenwoordiger van de driewerf verfoeide

openbare school.

Wie meent dat de teksten zullen ordehouden en opvoeden, heeft het glad

mis. En toch doen die teksten het, maar niet die bloote woorden. Neen,

hun inhoud, hun geest, moet realiteit zijn geworden in hart en leven van

den opvoeder. Waar dit het geval is, daar is de ware »School met den

Bijbel". En waar dit niet zoo is, daar heb je een heidensche school, ook

al liggen de kasten vol bijbels en leeren de kinderen heel het nieuwe

Testament uit het hoofd.

* * * * *

Nu zal deze of gene zeggen: »Ah, daar heb je Jan Ligthart. Nu komt

de aap uit de mouw. Hij wil niet, dat de kinderen Gods heilig Woord

lezen en leeren, en om dat te bestrijden, gebruikt hij zijn

Jeugdherinneringen." Maar ge hebt het mis, lieve vrienden, hee--le--maal

mis.

Ik ben wat blij en dankbaar, dat ik als kind zooveel teksten, psalmen

en gezangen geleerd heb en niet alleen wil ik tot mijn collega's van

de christelijke school zeggen: Ga voort op dien weg, maar zelfs zou

ik als openbaar onderwijzer graag hun voorbeeld volgen. Er zijn heel

wat woorden en liederen in Bijbel en psalmboek, die voor allen

een levenvormende kracht bezitten. En al zouden een zeker soort

Bijbelgeloovigen smalend zeggen: »Je moet den heelen Bijbel nemen,

anders is het niet het echte," ik meen te mogen aannemen, dat ook zij

uit dien heelen Bijbel een keuze doen en hun kinderen maar niet alles

doen memoriseeren.

Blij en dankbaar. Dat ben ik inderdaad. Hoe vaak hebben mij die woorden

in uren van eenzaamheid en strijd verkwikt en gesterkt.

Zalig hij, die in dit leven

Jacobs God ter hulpe heeft,

Hij die, door den nood gedreven,

Zich tot Hem om troost begeeft,

Die zijn hoop in 't hachlijkst lot

Vestigt op den Heer zijn God.

Dit vers had ik maar in mijn eentje op te zeggen, regel na regel mij

bewust makende, en de nood werd zegen. Hoe goed is het, wanneer in

moeilijke tijden zulke woorden in ons gereed liggen en dan vanzelf

opborrelen als water in de bron, het dorstend gemoed lavend. Natuurlijk

konden die woorden dat nooit doen, als ze niet _levenswoorden_ waren,

dragers van zielservaringen, en als ze niet door hun innig menschelijken

toon onze eigen gemoedsbewegingen deden meetrillen.

En dan dat andere:

Leer mij, Vader, U verbeiden,

Volgen waar Gij ons wilt leiden,

Steunen op uw trouw en macht,

Psalmen zingen in den nacht,

Hooren wat Gij ons wilt leeren,

Uw bevel met daden eeren,

En voor de uitkomst willig blind,

Stil zijn als 't gespeende kind.

Dat »psalmen zingen in den nacht", dat juichen in de duisternis, dat

jubelen in de ellende--het is de heerlijkste vrucht van het geloof. Een

geloovige is wel de grootste egoïst: Hij wil zelfs zalig zijn in de

rampzaligheid. Hij wil den vrede des harten, neen de blijdschap des

harten genieten, ook als alles hem ontzinkt, alles--behalve het eene

noodige: het volle vertrouwen in Gods Vaderliefde. »Met mijn God spring

ik over een muur," roept de psalmdichter uit. Zonder zijn God is hij

niets.

Kent ge een mooier uiting van vertrouwenvolle gehoorzaamheid dan

die twee woorden »willig blind"? Onlangs sprak ik een man van veel

smartelijke levenservaring. Hij was wat de menschen een ongeloovige

noemen. En toen hij zoo een en ander uit zijn leven verhaald had, zei

hij: »Weet je, wat ik vooral geleerd heb? Dat we ons leven niet naar

onzen zin hebben te maken. Dat we hebben te vragen, wat God van ons wil.

En dan maar gehoorzaamd, willig blind voor de uitkomst."

Ik verstond hem. Die twee woorden »willig blind" vonden weerklank in

mijn eigen ervaringen. 't Is niet de blindheid der dwaasheid, maar de

blindheid der wijsheid. Wat de uitkomst moge zijn, we vragen er niet

naar, mits we zeker zijn van onze richting. En die zekerheid verwerven

we, als we--zoo moet het--Zijn bevel met _daden_ eeren. Woordeneer wordt

er genoeg gebracht, veel te veel. Maar _hooren_, wat Hij ons wil leeren,

en dan: Zijn bevel met _daden_ eeren, alleen luisteren en doen, in

plaats van praten en stilzitten--dat is de eisch. De verzuchting van

dit waarlijk vrome lied heeft menig hart gesterkt. Zou ik niet dankbaar

zijn, dat ook ik het voor mijn zondagsschool-meneer had mogen leeren?

Voor mijn zondagsschool-meneer, maar dat was eigenlijk: voor mezelf en

niet slechts voor mijn kinderjaren, doch voor mijn gansche leven.

* * * * *

Hoe kwam het, dat ik op zekeren Zondag de kinderkerk verwisselde met de

groote kerk? Ik weet het niet, maar het was een proef, waarvoor ik

bezweek.

De groote kerk was ongeveer twintig minuten van mijn huis. Die afstand

was te groot. Onderweg waren er te veel verleidingen. We verkochten onze

kerkcenten voor snoepgoed, liepen de hooge stoepen op en af en telden de

brievenbussen. Dit was een wedstrijd. Mijn broer en ik, soms een zusje

er bij, speelden, wie de meeste brievenbussen zag in de deuren der

huizen. Dan holde de een den ander voorbij, om het eerst een bus te

ontdekken. De vlugste won het natuurlijk, want die kaapte al de bussen

voor de anderen weg.

Op die manier moesten we, steeds op een drafje loopend, wel tijdig

in de kerk zijn. Maar het tegendeel was waar. Toen we eenmaal ervaren

hadden, dat het in de kerk erg vervelend was, zorgden we altijd te laat

te komen. Dan zwierven we langs de mooie Heeren- en Keizersgrachten

en dronken daar, onbewust, de schoonheid in van de vorstelijke

koopmanshuizen, het stille water, de gewelfde steenen bruggen, de oude

iepen. Die herinner ik me nog alle. Zondagsmorgens kon het daar zoo

vredig zijn. Vooral onder kerktijd liepen er maar weinig menschen.

Gereden werd er haast niet. Een enkele platte zolderschuit lag ledig

tegen den wal. Het water weerspiegelde huizen en boomen en bruggen en

den hoogen witbewolkten hemel. Alles ademde vrede. Het was er beter dan

in de kerk. En dat dacht ik niet alleen toen, maar ik geloof het nu nog.

Kinderen behooren niet in de groote kerk, net zoo min als in de

societeit.

De enkele malen, dat mijn vader meeging, moesten we natuurlijk wel de

heele preek bijwonen. Dan luisterden we echter niet. Ik zag den dominé

zijn gebaren af, om die thuis te kunnen navolgen, en hoorde hoe hij

de psalmverzen afkondigde: »De gemeente gelieve te zingen van.... Ik

herzeg...." Die deftige woorden en vooral de toon waarop ze werden

uitgesproken, hadden een zekere bekoring. Thuis bij mijn eigen preeken

zei ik ze plechtig na. Meer bracht ik uit de kerk niet mee. Toch zat ik

me niet geheel te vervelen. Er hingen aan lange pijpen gaskronen, en nu

klauterde ik in mijn verbeelding aanhoudend het heele gebouw rond. Ik

klom in een hoogen pilaar, greep een daar langs geleide gaspijp, kromde

er mijn vingers om, enterde langs de zoldering, liet me langs een andere

gaspijp weer zakken, bezocht den preekstoel, het orgel. Het waren

gevaarlijke reizen, maar mijn verbeelding stond voor niets. Was het

noodig, dan maakte ik een luchtsprong en kwam immer op het gewenschte

punt terecht. Geen rand zoo smal, of ik kon er langs. Soms speelde ik op

die manier krijgertje. Een makker liep en sprong en klom me na. Hij zat

me dicht op de hielen. Dat gaf een spanning. Maar ik waagde alles, om

aan zijn greep te ontkomen, gleed langs de orgelpijpen, kroop door open

vensters.. heerlijk!

Wat moest een kind toch beginnen zonder verbeelding. Het zou zijn

godsdienstige opvoeding, »onder het geklank van Gods heilig Woord",

eenvoudig niet kunnen verdragen. Maar gelukkig heeft Onze lieve Heer

het arme schaap de toovermacht der fantasie geschonken, om zich over

de dwaasheden der volwassenen te kunnen heen leven. En zoo kan het de

ellenden doorstaan, die ouders en meesters hem tot zijn heil opleggen.

Eén ellende heeft me echter _te_ zeer gedrukt en dat kwam, omdat mijn

fantasie haar verergerde. Men moet mij verteld hebben van de hel. Maar

wie? Dat kan toch onmogelijk meneer Beekman geweest zijn. Maar wie dan?

Zijn medewerker? Of zou hij het toch geweest zijn, meenende dat een kind

niet tot God kon worden gebracht dan door het hellevuur?

Vreeselijk heb ik daaronder geleden. Dat ik dag aan dag zondigde,

wist ik maar al te goed, en hieromtrent zal de lezer ook wel niet in 't

onzekere zijn. Ik moest dus, ik móést--neen, niet verbrand worden, maar

eeuwig branden. Eeuwig. Stel u dat eens voor. Nooit een einde aan die

folterende pijn--nooit, nooit. Die gedachte was al een hellesmart.

O die vreeselijke gewisheid van het onontkoombare. Kon ik maar terug

naar het niet-geboren-zijn. Maar dat was onmogelijk. Ik leefde eenmaal,

dat was niet meer ongedaan te maken. En sterven baatte niet. De dood was

de overgang tot eindelooze marteling van nooit verterende vlammen.

Ik weet zeer positief, dat ik toen de planten en de dieren benijdde,

dat ik er de boomen en de koeien jaloersch op aankeek, dat ze geen

onsterfelijke ziel hadden. Ik weet, dat soms, plotseling, midden in

mijn spel, de angst der hel me aangreep, als een vergif dat begon te

werken. Maar ik weet ook, dat die angst mij nooit van het kwade heeft

afgehouden. Ze bedierf veel, en maakte niets goed.

Zou de godsdienstige opvoeding, of wat men zoo noemt, geen afstand

kunnen doen van dit onchristelijk kindergemartel?

Meneer Beekman heeft ons iets beters geleerd. Hij zei--en ook dit weet

ik nog zeer positief--dat we elken avond, na ons gebedje, nog moesten

zeggen: »Heere, schenk mij Uwen heiligen Geest. Amen." Anders niet dan

die paar woorden.

Dat heb ik trouw gedaan, jaren achtereen. Of het geholpen heeft?

Alleen weet ik, dat vaak, wanneer de verzoekingen van buiten, maar

vooral wanneer de lage neigingen van binnen het mij, volwassene, al te

benauwd maakten, de verzuchting in mij oprees: »_Uw_ heilige Geest, o

Heer!"

En die verzuchting--was mij een verhooring.

Jeugdherinneringen · 第 18 / 31 题