De kleintjes zaten in de voorste rijen, en naargelang je ouder en
grooter werd, schoof je naar achteren.
Ik heb een idee, dat ik als kleintje van zes jaar ook op de eerste bank
heb gezeten, dat ik gaandeweg in 't midden kwam, en geleidelijk de
laatste banken bereikte.
't Waren gewone banken zonder leuning, op drie pooten. Een heele rij
achter elkaar. En vóór dit bankenregiment stond als kommandant een
catheder, hoog boven de lage, platte banken uit, een generaal te paard
voor zijn soldaten.
We zaten daar 's Zondagsmorgens, heel stil, het petje in de handen, dat
soms in de rondte begon te draaien, de ronde band tusschen de kleine
vingertjes door, en dan weer vermoeid tusschen die vingertjes neerhing,
of ook, plotseling, tusschen de vingertopjes uitviel op den grond. Die
vingertopjes werden dan wat suf van het aldoor vasthouden en lieten het
petje los, zonder dat ze het zelf wisten. Ze moesten onophoudelijk aan
het petje denken, en konden daardoor niet zoo goed luisteren naar den
meneer in den catheder.
Daarbij kwam nog, dat het eene handje ook twee halfjes moest bewaren,
een voor het zakje en een voor het negertje. Het zakje ging rond en
vroeg voor de armen, het negertje stond op een tafel en vroeg voor de
heidenen. Die halfjes werden zoo heet in je kleine, vochtige handpalmen,
maar je moest ze ook goed verstoppen in de dichtgeknepen handjes.
Een halfje op straat verliezen, was een jammer van groote beteekenis.
Broekzakken hadden de kleine jongetjes nog niet. En daarom waren de
halfjes alleen maar veilig in den heeten oven van hun kleine brandende
handjes. Het was een heele verlossing, als ze daaruit weg mochten,
vochtig warm in het zwarte zakje of in het hoofd van 't metalen
negertje, dat ook voor de kleinste gave dankbaar knikte.
Zoo hebben we daar gezeten, Zondag aan Zondag, telkens van 10 tot
12 uur, dus twee uur achtereen, in een klein, laag, benauwd
lokaal--hetzelfde, waar we in de week bewaarschool hadden bij juffrouw
Fietje. En dan gingen we er 's middags nog een uur ter Zondagsschool.
Ik denk, dat het niet gezond was.
Nu, uit de verte gezien, vraag ik me af, wat de bekoorlijkheid van
die uren was, want bekoorlijk waren ze. En dan denk ik allereerst aan
het schoone, blauw-gestreepte katoenen kieltje, met het witte kraagje
er in geregen, en het witte linnen broekje met korte pijpjes. Moeder
had die alle gewasschen en gestreken en het was een heel genot, daar
's Zondagsmorgens in gestoken te worden als jongetje van zes, zeven,
acht jaar, en er dan mee naar de kinderkerk te wandelen. Daar was iets
voornaams, iets deftigs in. Je liep, stijf gestreken ventje, blinkend
figuurtje, de halfjes in de linkerhand, netjes over de kleine steentjes.
In heel je kleine lichaampje werkte nog Moeders waarschuwing, om toch
vooral je goed niet vuil te maken. En de strakke voornaamheid van je
glanzende kleertjes deelde zich aan den drager mee. De weg van huis naar
de kinderkerk, nauwelijks drie minuten, was kort genoeg om ons buiten
alle verleidingen te houden.
Maar behalve die ijdele uitwendigheden oefenden nog andere factoren hun
invloed uit.
* * * * *
Hebt u nooit eens gehoord van meneer Beekman en meneer Seeze? Nu, ge
ziet, ik ken hun namen nog, en ze dateeren toch uit het Germanentijdperk
van mijn levensgeschiedenis.
De eerste was klein en vriendelijk. Zijn oogen en zijn mond glimlachten
ieder kind een onuitgesproken welkom toe. Een zachte, vriendelijke man.
De tweede was lang en statig. Maar ook vriendelijk, schoon op een andere
manier. Hij glimlachte niet, maar groette beleefd.
De eerste trok meer dan de tweede. Voor den eerste zou je gauwer
je zonden belijden. Heel zijn houding, heel zijn gelaat was een
uitnoodiging: Vertrouw me maar, want je ziet wel, dat ik veel van je
houd. Wanneer ik nu aan hem denk, valt mij het lied van Moody en Sanky
in: »Kom tot uw Heiland, toef langer niet."
Een man, wiens heele persoonlijkheid een uitnoodiging is van zúlk een
kracht en van zúlk een aard, nu, dat is een geboren opvoeder, al is hij
maar een zondagsschoolmeneer en van zijn vak koekbakker. Want dat was
hij.
Is het niet eigenaardig, dat ik zijn vak wist, en dat van zijn
medewerker niet? Dat is voor mij een bewijs, hoeveel dichter hij bij de
kinderen stond. De ander was een ernstige verschijning, maar loste zich
op in de nevelen van vormlijkheid en deftige statelijkheid. Meneer
Beekman kwam uit de nevelen zijner predikatie hoe langer hoe dichter
bij je en werd daardoor hoe langer hoe concreter. Je liep aan zijn hand
vertrouwend mee. Voor den ander zette je, op een afstand, eerbiedig je
petje af. We wisten ook precies, waar meneer Beekman woonde, en ik weet
het nog. Maar de ander woonde »ergens". Eigenlijk dacht niemand er aan,
of hij woonde. Hij verscheen en verdween. Zijn kleine, glimlachende
medewerker verscheen en bleef, bleef ook als hij weg was.
Van meneer S. wist ik niets geen kwaad, o neen, gansch niet. Hij was
stellig een brave man, maar hij bleef buiten de kindersfeer. Dat zie ik
nu zoo duidelijk. En die vriendelijke kleine was er dadelijk in, reeds
als je hem bij 't binnenkomen een hand gaf, ja nog vroeger: als je hem
bij 't binnenkomen zag.
Kinderen voelen je. Ze voelen je echtheid. Ze voelen je genegenheid. Ze
voelen, of je hand ze verwelkomt of dat het evengoed een handschoen had
kunnen zijn.
Welnu, behalve mijn schoon gewasschen en stijf gestreken zondagspakje,
was ook meneer Beekman een stuk bekoorlijkheid van de kinderkerk. En
daaruit kan nu iedere onderwijzer en iedere zondagsschoolmeneer en
iedere dominé zien, hoeveel er van hem afhangt, van hem persoonlijk. Het
mooiste gebouw en de geriefelijkste lokaliteit kunnen weerzinwekkend
worden, door een mensch. En zoo'n armelijke, ouderwetsche
bewaarschoolschaapskooi kan door één man zoo aantrekkelijk worden, dat
een vrijheidlievend, speel- en zwerfgraag stuk straatjongen er week aan
week zijn kostelijken zondagmorgen wil doorbrengen, terwijl buiten alles
lokt en bloeit.
Eén mensch. En nog wel een onbestudeerd mensch. Een koekbakker.
Maar--een kindervriend!
Dat was het heele geheim. De man kwam daar niet, om zichzelf te hooren
preeken, maar omdat hij de kinderen zoo lief had. In die liefde zat zijn
beste preek.
* * * * *
En of ik nu nog iets weet van zijn eigenlijke preeken?
Niets.
Dus daaruit blijkt, dat hij die net zoo goed had kunnen nalaten?
Dat durf ik nog niet zoo aanstonds te zeggen.
Op een weiland staan millioenen grasjes en als je die stuk voor stuk
vroeg naar wat ze zich nog herinneren van alle regenbuitjes in 't vroege
voorjaar, zouden ze daarvan niets meer weten te vertellen. En toch is al
dat water niet langs hun gladde lijfjes nutteloos weggevloeid. Ze zijn
er van gegroeid. Ze herinneren zich niets meer, maar niettemin is het
vergetene in ze. 't Is een deel van hun leven geworden. Is dat niet de
beste herinnering?
Wat weet ge, aan feiten, nog van de dagelijksche moederzorg, waaronder
ge groot zijt geworden? Wat weet ge van al de ernstige woorden, door
ouders en meesters tot u gesproken? We zeggen het zoo licht, dat al die
woorden langs ons weggedropen zijn. Maar ik heb een vermoeden, dat ze
ons toch hebben gedrenkt.
Ga ik mijn jeugd na, dan herinner ik me alleen de bizondere voorvallen,
maar van de gewone, dagelijksche invloeden heb ik alleen een stemming
bewaard. En nu zou ik uit de stemming, die aan de kinderkerk verbonden
is gebleven, een heel stuk opvoedende kracht durven afleiden. Zooals een
kenner der oudheid uit enkele brokstukken marmer een geheelen Griekschen
tempel reconstrueert, zou ik een heelen zondagmorgen kunnen schetsen.
Daar was dan geen enkel geconstateerd feit in, en toch zou de heele
schets waarheid kunnen zijn.
Uit het geheugen geraakte invloeden zijn daarom niet verloren. Ze zijn
omgezet in geestelijke kracht. Nog eens, is dat niet de beste
herinnering?
Hoezeer ik reden heb, gunstig over het gepreek te denken, blijkt wel uit
het feit, dat ik thuis in allen ernst kerkje speelde. Dan zette ik twee
stoelen met de ruggen naar elkaar. Dat was de preekstoel. Op de beide
randen der rugleuningen legde ik den Bijbel. Liggende met de knieën
op den eenen stoelmat, las ik uit den Bijbel voor en liet de gemeente
opgegeven psalmen en gezangen zingen. De gemeente bestond uit Vader,
Moeder, zus Christine en wellicht nog een paar anderen. Allen hielden
zich ernstig. Dat weet ik nog heel goed, want het minste blijk, dat men
er, mij ten gerieve, een spelletje van maakte, zou me diep gekrenkt
hebben en driftig hebben doen wegloopen. De kerkgangers hielden zich
voortreffelijk.
Maar meent ge, dat ik ooit lust had het schoolleven in de huiskamer te
halen? Dat lag onder den ban van een killen haat. Hoe minder ik er aan
dacht, hoe beter. De school bestond thuis niet voor me. Echter wel de
kinderkerk. En langen tijd heette het zelfs, dat ik maar dominé moest
worden. Nu zat er wat predikantenbloed in de familie, waar Grootvader en
twee ooms dominé waren. Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Die zat bij
den koekbakker. Deze beminnelijke christen wist zijn liefdewerk in mijn
kinderoogen zoo bekoorlijk te maken, alsof hij een tramconducteur of
koetsier was geweest. En dat wil heusch wat zeggen, want gelijk ieder
weet, wil iedere jongen graag conducteur of koetsier worden. Welnu,
meneer Beekman maakte zijn kinderkerk aantrekkelijk.... als een omnibus.
* * * * *
Nog een wonderbare tegenstelling met de school ligt me in 't geheugen.
Ik weet niet, dat ik ooit voor de school lessen leerde. Voor de
zondagsschool leerde ik mijn teksten en psalmversjes graag. Nog zie ik
die kleine bonnetjes, net etiketpapiertjes, waarop aan de eene zijde
een tekst en aan de andere een vers gedrukt was. We kregen er elke week
een mee en ik beijverde me steeds, die »les" goed en gauw in 't hoofd
te werken. Aan wien was dat anders te danken dan aan den koekbakker?
In mijn tooneelstukje »Tóch Timmerhout" komt een ondeugende jongen voor.
De schoolmeester weet hem niet te pakken, wil hem zelfs van school
jagen. Maar een oude timmermansknecht grijpt den bengel in 't hart
en redt hem. Men heeft me wel eens verweten, dat ik zoo de rollen had
omgekeerd en een timmermansknecht tot paedagoog gemaakt. Maar als het
leven mij dat nu eens aan de hand had gedaan? Als in dat tooneelstukje
nu eens een stuk levenservaring stak? De maatschappelijke werkkring
klopt niet altijd met den aanleg. Daar was een koekbakker, die ons
opvoedde. En hoe menige opvoeder moest maar liever koek gaan bakken?
Er zijn menschen geneigd te zeggen: Het was de kracht van Gods Woord,
het was de werking van Zijn Heiligen Geest, die je de teksten en
psalmverzen zoo graag en grif deed leeren. En dan knoopen ze hieraan een
heele beschouwing vast, alsof er in die Bijbelwoorden een zekere geheime
tooverkracht stak. Maar ze vernederen derwijze de zieleuitingen van een
vroom gemoed tot amuletten, maken van den Bijbel een soort magisch boek.
Neen, het was niet de mystieke kracht van die Bijbelwoorden. En het was
toch die kracht. Maar het was die kracht, levende, werkende in het
nietige persoontje van onzen christelijken christen.
Ik weet van een schoolcatechisatie ('t was niet bij mij), waar de
kinderen ook teksten en psalmverzen moesten leeren, maar waar die
heilige woorden absoluut geen kracht hadden. De jongens bedankten hun
leermeester wel lekker, om zich wat moeite te geven en maakten van hun
papiertjes, »vrome" papiertjes, propjes, waarmee ze mekaar beschoten en
het lokaal ontsierden. Eens bij zulk een les maakten de bengels het zoo
bont, dat de arme catechiseermeester in radeloosheid uitriep: »Jelui
bent van den duivel bezeten. Die heerscht hier in het lokaal. Maar
straks zal de Heere Jezus zelf komen, om jelui af te straffen."
De deur ging open, en binnentrad: de bovenmeester, een volslagen
atheïst, die van den heelen godsdienst niets weten wou. Aanstonds waren
de bengels op hun plaats en zaten doodstil.
Zijn tegenwoordigheid was genoeg, om alle duivelskunsten te bezweren.
Maar nu is de vraag: Wie was de duivel, die in het lokaal heerschte? Was
dat niet de officiëele vertegenwoordiger van den godsdienst met een heel
pak tekstpapiertjes? Al die machtvolle woorden werden satansmiddelen. En
wie wist hier, als Christus op de wateren, den storm te bezweren? Dat
was de totaal ongeloovige vertegenwoordiger van de driewerf verfoeide
openbare school.
Wie meent dat de teksten zullen ordehouden en opvoeden, heeft het glad
mis. En toch doen die teksten het, maar niet die bloote woorden. Neen,
hun inhoud, hun geest, moet realiteit zijn geworden in hart en leven van
den opvoeder. Waar dit het geval is, daar is de ware »School met den
Bijbel". En waar dit niet zoo is, daar heb je een heidensche school, ook
al liggen de kasten vol bijbels en leeren de kinderen heel het nieuwe
Testament uit het hoofd.
* * * * *
Nu zal deze of gene zeggen: »Ah, daar heb je Jan Ligthart. Nu komt
de aap uit de mouw. Hij wil niet, dat de kinderen Gods heilig Woord
lezen en leeren, en om dat te bestrijden, gebruikt hij zijn
Jeugdherinneringen." Maar ge hebt het mis, lieve vrienden, hee--le--maal
mis.
Ik ben wat blij en dankbaar, dat ik als kind zooveel teksten, psalmen
en gezangen geleerd heb en niet alleen wil ik tot mijn collega's van
de christelijke school zeggen: Ga voort op dien weg, maar zelfs zou
ik als openbaar onderwijzer graag hun voorbeeld volgen. Er zijn heel
wat woorden en liederen in Bijbel en psalmboek, die voor allen
een levenvormende kracht bezitten. En al zouden een zeker soort
Bijbelgeloovigen smalend zeggen: »Je moet den heelen Bijbel nemen,
anders is het niet het echte," ik meen te mogen aannemen, dat ook zij
uit dien heelen Bijbel een keuze doen en hun kinderen maar niet alles
doen memoriseeren.
Blij en dankbaar. Dat ben ik inderdaad. Hoe vaak hebben mij die woorden
in uren van eenzaamheid en strijd verkwikt en gesterkt.
Zalig hij, die in dit leven
Jacobs God ter hulpe heeft,
Hij die, door den nood gedreven,
Zich tot Hem om troost begeeft,
Die zijn hoop in 't hachlijkst lot
Vestigt op den Heer zijn God.
Dit vers had ik maar in mijn eentje op te zeggen, regel na regel mij
bewust makende, en de nood werd zegen. Hoe goed is het, wanneer in
moeilijke tijden zulke woorden in ons gereed liggen en dan vanzelf
opborrelen als water in de bron, het dorstend gemoed lavend. Natuurlijk
konden die woorden dat nooit doen, als ze niet _levenswoorden_ waren,
dragers van zielservaringen, en als ze niet door hun innig menschelijken
toon onze eigen gemoedsbewegingen deden meetrillen.
En dan dat andere:
Leer mij, Vader, U verbeiden,
Volgen waar Gij ons wilt leiden,
Steunen op uw trouw en macht,
Psalmen zingen in den nacht,
Hooren wat Gij ons wilt leeren,
Uw bevel met daden eeren,
En voor de uitkomst willig blind,
Stil zijn als 't gespeende kind.
Dat »psalmen zingen in den nacht", dat juichen in de duisternis, dat
jubelen in de ellende--het is de heerlijkste vrucht van het geloof. Een
geloovige is wel de grootste egoïst: Hij wil zelfs zalig zijn in de
rampzaligheid. Hij wil den vrede des harten, neen de blijdschap des
harten genieten, ook als alles hem ontzinkt, alles--behalve het eene
noodige: het volle vertrouwen in Gods Vaderliefde. »Met mijn God spring
ik over een muur," roept de psalmdichter uit. Zonder zijn God is hij
niets.
Kent ge een mooier uiting van vertrouwenvolle gehoorzaamheid dan
die twee woorden »willig blind"? Onlangs sprak ik een man van veel
smartelijke levenservaring. Hij was wat de menschen een ongeloovige
noemen. En toen hij zoo een en ander uit zijn leven verhaald had, zei
hij: »Weet je, wat ik vooral geleerd heb? Dat we ons leven niet naar
onzen zin hebben te maken. Dat we hebben te vragen, wat God van ons wil.
En dan maar gehoorzaamd, willig blind voor de uitkomst."
Ik verstond hem. Die twee woorden »willig blind" vonden weerklank in
mijn eigen ervaringen. 't Is niet de blindheid der dwaasheid, maar de
blindheid der wijsheid. Wat de uitkomst moge zijn, we vragen er niet
naar, mits we zeker zijn van onze richting. En die zekerheid verwerven
we, als we--zoo moet het--Zijn bevel met _daden_ eeren. Woordeneer wordt
er genoeg gebracht, veel te veel. Maar _hooren_, wat Hij ons wil leeren,
en dan: Zijn bevel met _daden_ eeren, alleen luisteren en doen, in
plaats van praten en stilzitten--dat is de eisch. De verzuchting van
dit waarlijk vrome lied heeft menig hart gesterkt. Zou ik niet dankbaar
zijn, dat ook ik het voor mijn zondagsschool-meneer had mogen leeren?
Voor mijn zondagsschool-meneer, maar dat was eigenlijk: voor mezelf en
niet slechts voor mijn kinderjaren, doch voor mijn gansche leven.
* * * * *
Hoe kwam het, dat ik op zekeren Zondag de kinderkerk verwisselde met de
groote kerk? Ik weet het niet, maar het was een proef, waarvoor ik
bezweek.
De groote kerk was ongeveer twintig minuten van mijn huis. Die afstand
was te groot. Onderweg waren er te veel verleidingen. We verkochten onze
kerkcenten voor snoepgoed, liepen de hooge stoepen op en af en telden de
brievenbussen. Dit was een wedstrijd. Mijn broer en ik, soms een zusje
er bij, speelden, wie de meeste brievenbussen zag in de deuren der
huizen. Dan holde de een den ander voorbij, om het eerst een bus te
ontdekken. De vlugste won het natuurlijk, want die kaapte al de bussen
voor de anderen weg.
Op die manier moesten we, steeds op een drafje loopend, wel tijdig
in de kerk zijn. Maar het tegendeel was waar. Toen we eenmaal ervaren
hadden, dat het in de kerk erg vervelend was, zorgden we altijd te laat
te komen. Dan zwierven we langs de mooie Heeren- en Keizersgrachten
en dronken daar, onbewust, de schoonheid in van de vorstelijke
koopmanshuizen, het stille water, de gewelfde steenen bruggen, de oude
iepen. Die herinner ik me nog alle. Zondagsmorgens kon het daar zoo
vredig zijn. Vooral onder kerktijd liepen er maar weinig menschen.
Gereden werd er haast niet. Een enkele platte zolderschuit lag ledig
tegen den wal. Het water weerspiegelde huizen en boomen en bruggen en
den hoogen witbewolkten hemel. Alles ademde vrede. Het was er beter dan
in de kerk. En dat dacht ik niet alleen toen, maar ik geloof het nu nog.
Kinderen behooren niet in de groote kerk, net zoo min als in de
societeit.
De enkele malen, dat mijn vader meeging, moesten we natuurlijk wel de
heele preek bijwonen. Dan luisterden we echter niet. Ik zag den dominé
zijn gebaren af, om die thuis te kunnen navolgen, en hoorde hoe hij
de psalmverzen afkondigde: »De gemeente gelieve te zingen van.... Ik
herzeg...." Die deftige woorden en vooral de toon waarop ze werden
uitgesproken, hadden een zekere bekoring. Thuis bij mijn eigen preeken
zei ik ze plechtig na. Meer bracht ik uit de kerk niet mee. Toch zat ik
me niet geheel te vervelen. Er hingen aan lange pijpen gaskronen, en nu
klauterde ik in mijn verbeelding aanhoudend het heele gebouw rond. Ik
klom in een hoogen pilaar, greep een daar langs geleide gaspijp, kromde
er mijn vingers om, enterde langs de zoldering, liet me langs een andere
gaspijp weer zakken, bezocht den preekstoel, het orgel. Het waren
gevaarlijke reizen, maar mijn verbeelding stond voor niets. Was het
noodig, dan maakte ik een luchtsprong en kwam immer op het gewenschte
punt terecht. Geen rand zoo smal, of ik kon er langs. Soms speelde ik op
die manier krijgertje. Een makker liep en sprong en klom me na. Hij zat
me dicht op de hielen. Dat gaf een spanning. Maar ik waagde alles, om
aan zijn greep te ontkomen, gleed langs de orgelpijpen, kroop door open
vensters.. heerlijk!
Wat moest een kind toch beginnen zonder verbeelding. Het zou zijn
godsdienstige opvoeding, »onder het geklank van Gods heilig Woord",
eenvoudig niet kunnen verdragen. Maar gelukkig heeft Onze lieve Heer
het arme schaap de toovermacht der fantasie geschonken, om zich over
de dwaasheden der volwassenen te kunnen heen leven. En zoo kan het de
ellenden doorstaan, die ouders en meesters hem tot zijn heil opleggen.
Eén ellende heeft me echter _te_ zeer gedrukt en dat kwam, omdat mijn
fantasie haar verergerde. Men moet mij verteld hebben van de hel. Maar
wie? Dat kan toch onmogelijk meneer Beekman geweest zijn. Maar wie dan?
Zijn medewerker? Of zou hij het toch geweest zijn, meenende dat een kind
niet tot God kon worden gebracht dan door het hellevuur?
Vreeselijk heb ik daaronder geleden. Dat ik dag aan dag zondigde,
wist ik maar al te goed, en hieromtrent zal de lezer ook wel niet in 't
onzekere zijn. Ik moest dus, ik móést--neen, niet verbrand worden, maar
eeuwig branden. Eeuwig. Stel u dat eens voor. Nooit een einde aan die
folterende pijn--nooit, nooit. Die gedachte was al een hellesmart.
O die vreeselijke gewisheid van het onontkoombare. Kon ik maar terug
naar het niet-geboren-zijn. Maar dat was onmogelijk. Ik leefde eenmaal,
dat was niet meer ongedaan te maken. En sterven baatte niet. De dood was
de overgang tot eindelooze marteling van nooit verterende vlammen.
Ik weet zeer positief, dat ik toen de planten en de dieren benijdde,
dat ik er de boomen en de koeien jaloersch op aankeek, dat ze geen
onsterfelijke ziel hadden. Ik weet, dat soms, plotseling, midden in
mijn spel, de angst der hel me aangreep, als een vergif dat begon te
werken. Maar ik weet ook, dat die angst mij nooit van het kwade heeft
afgehouden. Ze bedierf veel, en maakte niets goed.
Zou de godsdienstige opvoeding, of wat men zoo noemt, geen afstand
kunnen doen van dit onchristelijk kindergemartel?
Meneer Beekman heeft ons iets beters geleerd. Hij zei--en ook dit weet
ik nog zeer positief--dat we elken avond, na ons gebedje, nog moesten
zeggen: »Heere, schenk mij Uwen heiligen Geest. Amen." Anders niet dan
die paar woorden.
Dat heb ik trouw gedaan, jaren achtereen. Of het geholpen heeft?
Alleen weet ik, dat vaak, wanneer de verzoekingen van buiten, maar
vooral wanneer de lage neigingen van binnen het mij, volwassene, al te
benauwd maakten, de verzuchting in mij oprees: »_Uw_ heilige Geest, o
Heer!"
En die verzuchting--was mij een verhooring.