De weinige reizigers, die, voor de opening van den haven _Hakodate_, de

_Aino_-landen bezocht hebben, hebben ons telkens eene verzameling van

woorden, uit den mond van dat merkwaardige volk overgenomen,

medegebragt[160]. Met uitzondering van de verzameling, die ~Dawidow~ van

zijne expeditie naar de baai van _Aniwa_, in 1807, medegebragt heeft, en

die hoogstwaarschijnlijk door een Japanner zamengesteld was, hebben de

overige op zich zelven weinig taalkundige waarde. De Japanners

daarentegen, die sedert eenige eeuwen met de inboorlingen van _Jezo_

verkeeren, met hen handel drijven en over hen heerschen, hebben zich

allengs meer grondig met hunne taal bekend gemaakt en woordenboeken

zamengesteld, waarbij zij de uitspraak der woorden door hun

syllaben-schrift (het zoogenaamde _I-ro-ha_) zoo getrouw als mogelijk

weder te geven en vast te stellen zochten[161]. Op deze wijze hebben zij

door middel van schrift aan den menigvuldigen klank en de wisselvallige

betooning, die de woorden door den tongval van ver uitgebreide en

ongeletterde volken ondergaan, paal en perk gesteld en den grondslag tot

eene schrifttaal gelegd. Ofschoon zich de _Aino_-taal door den

gemeenzamen omgang met een beschaafd volk veredeld heeft, zoo bleef

dezelve echter haar oorspronkelijk karakter behouden en kenmerkt zich

als eene eigenaardige en zelfstandige taal, die met geene van de

naburige landen eenige overeenkomst heeft voor zoo verre de wortelen der

woorden betreft. Dat eenige vreemde woorden van de noordwestelijke en

noordelijke volken (_Samojeden_, _Tungusen_ en _Kamtschadalen_),

waarmede de _Aino’s_ in aanraking kwamen, van lieverlede in hunne taal

ingeslopen zijn, is niet te ontkennen, zoo als door hen ook verscheiden

Japansche woorden overgenomen zijn, om daarmede hun voorheen onbekende

voorwerpen en begrippen aan te duiden. De _Aino_-taal, even als ook deze

volkstam, staat afgezonderd van alle tot nu toe bekende van het

Noordoostelijk _Azië_ daar; de algemeene regels echter, waarna zich de

rededeelen verbuigen en vervoegen, stemmen met die van hunne zuidelijke,

noordelijke en westelijke naburen, die hunne taal door middel van

_syllaben-schrift_ (zoo als: de _Mantschou’s_, _Mongolen_, _Tubetanen_,

_Jakuten_ enz.) en niet met een _woorden-schrift_, teekens van woorden

(zoo als de _Chinezen_), schrijven, overeen.

[160] ~Lapérouse~, Tom. III, pag. 40. ~Broughton~, Tom. I, pag. 390.

~Von Langsdorf~, Theil I, pag. 300. ~Von Krusenstern~,

_Wörtersammlung aus der Sprache der Aino_ (nach ~Dawidow~). St.

Petersburg. 1813.

[161] De meergenoemde ~Mogami Toknai~ heeft in 1804 een

_Aino_-woordenboek door den druk uitgegeven, onder den naam van:

_Jezo-Fôgen_ of _Mosiho Kusa_, en ons daarvan een verbeterd

handschrift: _Jezo ga sima Kotoba_, d. i.: “Taal van het eiland

_Jezo_,” medegedeeld. Buitendien hebben wij nog verscheidene

handschriftelijke woordenverzamelingen door Japanners, die op

_Jezo_ waren, verkregen. Vergelijk: ~Nippon~, VII, _Nachrichten

über Jezo, die Kurilen, Krafto und das Amurland_, pag. 224-244.

“Die Aino-Sprache.” Ook heeft onze verdienstelijke landgenoot

~Isaac Titsingh~ (in de jaren 1780-1784 Opperhoofd van den

Nederlandschen handel op _Japan_,) eene verzameling van ruim

honderd _Aino_-woorden, bij zijne uit oorspronkelijke Japansche

boeken zamengestelde beschrijving van het land van _Jesso_,

gevoegd, mede naar het vaderland overgebragt. _Descriptions de

la terre Jesso, traduites du Japonais, par feu_ M. ~Titsingh~,

in: _Annales des Voyages, par_ ~Malte-Brun~. Tom. XXIV, pag.

145.

Het zal hier voldoende zijn, de algemeene, wetgevende _grammaticale_

beginselen aan te halen en door voorbeelden op te helderen, die de

_Aino_-taal met de Japansche en dus met andere Oost-Asiatische en ook

Amerikaansche talen gemeen heeft, en die aan dezelve, alhoewel zij zich

als van eenen zeer ouden oorsprong kenmerkt, eene plaats in het verbond

der volken aanwijzen, welke zich later den weg van de oude naar de

nieuwe wereld gebaand hebben.

1. _De woorden_ van beide talen zijn zelden uit eene, meestal uit twee

lettergrepen zamengesteld:

_Japansch._ Kono-aïta okï-kata ottosewo tatsuneta.

_Aino._ Ofunaki atuï-ta uneu is’tan.

Nuper in mare phocam quaesivi.

2. _De zelfstandige naamwoorden_ zijn zonder geslacht, worden

menigvuldiger in het enkelvoudige dan in het meervoudige gebruikt; in

het laatstgemeld getal worden de woorden herhaald of van eenige

bijvoeging voorzien; de naamvallen worden meestal door eene particula,

aan het einde der woorden gevoegd, gevormd; de tweede naamval of

genitivus gaat altijd vooraf.

_Jap._ Ame, coelum; fito, homo; fito-fito, homines; fito-koto i. e. homo

quivis; fito-ga, homo; fito-no, hominis; fito-ni, homini; fito-wo,

hominem; fito-jori, ab homine; fi-no fikari, solis radius.

_Aino._ Rikita, coelum; guru, homo, guru obitta, homines omnes,

guru-koro, hominis; guru-ta, homini; guru-ne (vel be), hominem;

guru-kari, ab homine; imuschi nits’, gladii capulum.

3. _De bijvoegelijke naamwoorden_ staan voor de zelfstandige; zij maken

den vergelijkenden trap door het aanhangen eener particula aan het einde

van het naamwoord of het voornaamwoord, beteekenende in het Japansch

_van_, in de _Aino_-taal _beter dan_; den overtreffenden trap door het

voorzetten van zekere particula, beteekende even veel als het bijwoord

_zeer_.

_Jap._ Utsukusi onago, pulchra foemina; kono ki-wa kono kusa-jori futoï,

hic arbor hac herba maior; fusino jama ga itsi takaï, mons fusi perquam

altus.

_Aino._ Iramasiure matsi, pulchra foemina; tanbe kak’, hac re melius;

rui sûnatara, perquam fortis; poro biruka fùra, valde gratus odor.

4. _De telwoorden_ _een_ tot _tien_ zijn, als grondgetallen, in het

Japansch oorspronkelijke woorden, doch in de _Aino_-taal maar _een_ tot

_acht_, ook _twintig_ en in het oude Japansch _honderd_; zij worden door

particulae verbonden, die de beteekenis hebben van _en_, _nogmaals_ of

_meer_, ook _weiniger_.

_Jap._ Fitots’, 1; f’tats’, 2; mits’, 3; jots’, 4; itsuts’, 5; muts’, 6;

nanats’, 7; jats’, 8; kokonots’, 9; tô (towo), 10; hatats’, 20; momo,

100; tô mata (atque iterum) fitots’, 11; tô mata f’tats’, 12; hatats’

mata itsuts’, 25; mu-sozi, 60.

_Aino._ Sinepp, 1; tupp, 2; repp, 3; inepp, 4; asikinepp, 5; iwanbe, 6;

aruwanbe, 7; thupe sjanbe, 8; (ex tupp et sjan; forsan pro i wanbe i. e.

minus decem); sineb sjan, 9 (ex sinepp et sjan); wanbe 10; hots’ 20;

asikinepp-hots’, 100; (i. e. 5. 20); sinepp ikasima (plus, verbatim:

restat) wambe, 11; tupp ikasima wanbe, 12; sinepp ikasima hots’, 21;

tuppots’, (ex tupp et hots’) 40; wanbe i rehots’, 50; (3. 20 - 10).

5. _De voornaamwoorden._ De persoonlijke zijn een- of meerlettergrepige

woorden en naar den rang verschillende (teeken van fijner zeden); de

derde persoon wordt omschreven. De bezittelijke worden door het

aanhangen der uitgang van den genitivus gemaakt en staan altijd voor het

zelfstandig naamwoord.

_Jap._ Watak’s sive ware, ego; omaë sive anata, tu; kare sive ano fito

(iste homo) ille; watak’s domo sive warera, nos; omaë gata sive anata

gata, vos; karera sive ano fito tats’, illi; watak’s’no, meus; anata no,

tuus; ano fito no, illius; watak’s’no atama, mei caput.

_Aino._ Ku, kuani, ego; e, iani, tu; iki sja an gur’ (ex iki sja,

illinc, an, esse et guru, homo) ille; tsjô kaï (i. e. hac parte), ego; i

tsjô kaï (i. e. ex illa parte) tu; ku-koro, meus; i-koro, tuus; iki sja

an gur’, illius, vel, tangur, huius. I Koro kotan, meum domicilium, tan

gur’tsise, huius hominis domus.

6. _De werkwoorden._ De bedrijvende hebben drie tijden, door verandering

van den uitgang gemaakt: _a._ een tegenwoordige, in het Japansch met den

uitgang _u_, in de _Aino_-taal _an_, _ki_, _re_, _u_; _b._ een

verledene, meestal met den uitgang _a_; _c._ een toekomende tijd of een

potentialis, in het Japansch door eene verlenging van den tegenwoordigen

tijd, in de _Aino_-taal door eene aangehangen particula gevormd. De

lijdende werkwoorden hebben insgelijks drie tijden door verlenging der

uitgangen gemaakt, die in de _Aino_-taal _lijdelijke_ hulpwoorden

schijnen te zijn. De gebiedende onderscheidt zich door kortheid des

uitgangs. De onbepaalde wijze is gelijk aan het Praesens Indicativi; in

de _Aino_-taal staat dikwijls daarvoor eene particula naar een

voornaamwoord gelijkende. De verbiedende wijze wordt gemaakt door

achtervoeging van de particula, die dezelve regeert. De negatiën

(ontkenningen) worden in het Japansch aan het einde der werkwoorden

aangehangen en veroorzaken dikwijls eene verandering in de vervoeging,

in de _Aino_-taal worden de ontkenningen door de particula ~niet~

beteekent. Aan de tijden worden partikels ter aanduiding der deelwoorden

aangehangen. Hulpwerkwoorden worden bij de vervoeging der werkwoorden

gebruikt en hebben dezelfde vervoeging als andere werkwoorden; de

onpersoonlijke werkwoorden komen zelden voor en de bij ons gebruikelijke

worden omschreven.

_Jap._ Utsu, verbero; utsita, verberavi; utsou, verberabo; utaruru,

verberor; utareta, verberatus; utareu, verberabor; utside, verberans;

utse, verbera; utareta, verberate; utsu, verberare; watak’s’ga sorewo

miru joni, ut id ipse videam; utanu, non verbero; utanu te atta, non

verberavi; utareru, non verberor; utareru te atta, non verberatus sum;

aru, esse; arita, fui; arô, ero; ame-ga furu, pluit (verbatim pluvia

decedit). Kaminari-ga nari, intonat. (Deus fulminans adest.)

_Aino._ Sitaiki, verbero; sitaiki wa, verberavi; sitaiki rusjui,

verberabo; sitaiki aniki, verberor; sitaiki ank’wa, verberatus sum;

sitai anki annan gora, verberabor; I(tu) sitaiki, verbera; kakure, veni,

i sitaiki anki, verberare; rura-jan, ut sequatur; unono s’jomo an, non

congruit (verbatim congruum non est); anats’, habens; asinike wa,

existens; an, habere, esse; anna, fui; an nan koro, fuero; asi, factum

est. Apto asi, pluit (verbatim pluvia facta est). Kamui fumi, intonat

(verb. Deus sonat).

7. _De voorzetsels_ en een oogmerk aanduidende en reden gevende

_voegwoorden_ staan aan het einde der woorden, op welke zij betrekking

hebben, zonder eene verandering in dezelve te veroorzaken.

_Jap._ Ni, ad; to, cum; niiote, quia; jôni, ut; jokka maëni watak’swa

desi to jama ni juita, quatuor ante dies cum discipulo montem ascendi.

_Aino._ Ani, cum; kusju, propter; jakka, quamvis; tanbe kusju, propter

hanc rem; tsib ani, cum nave; atui kata, in mare.

AINO-GESPREKKEN.

Eenige _Aino-Gesprekken_ mogen tot voorbeeld van de woordvoeging en de

spreekwijze dienen:

Ikoro kotan siri monosiri anna?

Gaat het wel te huis?

Ofunaki atui-kata reba uneu istan.

Onlangs op zee varende heb ik zeehonden gevangen.

Tsibû ani rurajan itasja bunma tutara atte nankonna.

Zend dit met het schip, ik zal u ter belooning twee zakken (rijst)

geven.

Hosike onumani tan kotanta heroki athuwa.

Eergisteren hebben zich hier visschen opgehouden.

Keannak’ hauki an koratsi an?

Is het zoo als gij zegt?

Sinanta uwekariwa bunkine rejan.

Komt hier te zamen om wacht te houden.

Tewun sisjamu anakine asijur asi rutske askaï nêna.

De man, die hier moet wacht doen, zal eene groote belooning vragen.

Osi sireba kusju sjomo osjaganke jakka pirikana.

Daar hij komt, heeft men hem niet te roepen.

Tan ithuikari bajasi aiine nekona kotan ana?

Dezen hoek volgend, aan welke plaats komt men?

Kamui juwanke tsib’ jankena.

Met God’s hulp wordt het schip behouden.

Ohono sjomo unukara.

Lang niet gezien.

Wene kappirika ariiamande tsumi itsikore nangonna.

Wie kwaad doet wordt gestraft.

Pirika guni kurumu an.

Het zal zoo wel goed zijn.

Ponno osite tsimi anbe ama.

Wacht maar, ik kleed mij.

Teirean gusitapf nani afunkeja.

Ik verwacht u, kom binnen.

Nefutsi jokibene sjanke nankoro tasju kamitatsi sinetara sjôkoru.

Wanneer het goede waar is, geef ik er eenen zak rijst voor.

Uteke anbano uhihibai sen.

Zich de hand gevend volgt de een den ander.

Nepu karukuse jaibasjare.

Waartoe maakt gij twist?

Mokoroi kottetsu uwatasi.

Daar ik rusten wil, zijt stil.

Ramukanbare tsiriusi.

Dat is breeder dan men denkt.

Iteke jaibaro usi.

Niets onnoodig spreken.

VERZAMELING VAN AINO-WOORDEN.

Wij laten eene keuze van _Aino_-woorden volgen, met de bedoeling om zoo

wel door taalkundige oorkonden eene aanwijzing te geven tot het opzoeken

der sporen van de afkomst van dat merkwaardige oude volk, als ook aan

zeevaarders en reizigers de gelegenheid te verschaffen tot een nader

onderzoek van deze nog zoo weinig bekende taal. Daarbij hebben wij

tevens de beteekenis der _Aino_-woorden in het Japansch gevoegd, zoo als

die ons door de Japanners, die zich op de _Aino_-taal hebben toegelegd,

zijn medegedeeld geworden. De _Aino_-woorden van _Jezo_ hebben wij

meestal uit ~Toknai~’s Woordenboek, en die van _Krafto_ uit ~Dawidow~’s

en ~Lapérouse~’s Woordenverzameling overgenomen.

~NOMINA.~

1. DE WERELD EN DE ELEMENTEN.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Aardbeving naï (dsisin) siri sjumui schiri moi

Aarde tsi sirika

Aardrijk tsutsi toi toi tui

Avond joi sirionuma unumani

Beek sawa naï

Berg jama kimita, kimro kinda

Bliksem ina fikari kamui ne beke kamoinibiki

Dag akiraka siribekere schiribegere

Deze dag kon nitsi tantoo tan too

Dampkring sora nisoro

Daauw tsuju munbe muni wakka

Donder kami nari kamui fumi kanna kamoi fumi

Ebbe sihohi sirari sjats

Eiland sima mosiri muschiri

Erts kane kani gani

Golf tadenami kaibe kui

Hagel arare kaukau kaukaubass

Hemel ama rikita ni schi uro?

Herfst aki tsjuk

Heuvel nobori nuburi noburi

Hitte atsusa sirippuke schischikf

Klip se rakka

Koude samuki (kan) mei

Lente haru baikaru paigara

Licht fikari heriats

Lucht ki pâriri

Maand tsuki kunne tsupp tombi, tschukf

Mist kiri ûrari urariaz, urai,

urari

Meer midsu umi tô to

Morgen asa nisjats nischatzu

Morgenschemering akatsuki toobeker schiri-bekere

Nacht jo antsikara anzkari

Deze nacht konban onuman

Oever fama kosju rauda

Regen ame apto apftu

Regenboog nizi rawots rajots’

Rook kemuri sibuja schibuia

Rots iwa watara

Schaduw fikage tsjupke tschukuriu

Sneeuw juki ubas, ubaschi obas, obass

Steen isi s’juma schioma

Ster hosi keta, notsju, keda, nodsi

nodschu

Stroom kaha bets bez

Veld no nupuka nupka

Vloed misi siho sirarihaa

Voorgebergte saki siri ithu schiri ido

Vuur fi abe, unszi abe, undshi

Water midsu wakka, be, hakka waka, wachka

Wereld se kai bekere sjam begiri schiam

Wind kaze reira rera, dirra

Winter fuju mata madapa

Wolken kumo nisi, nisikuri nischi kuri

IJs kohori junru

Zand suna ota oda

Zee umi atui adui

Zomer natsu sjaku schakpa

Zon fi bekere tsupp, tschukf kamoi

tonotschu

Zout siho sipo schippo

2. DIEREN EN PLANTEN EN HUNNE DEELEN.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Baast kino kawa niga fukar’ nii kapu

Beenderen hone bone poné

Beer kuma hokujuk’ chugujukf

Blad fa hamu chamu

Bloem hana ebui ibuiki

Bloed tsi kem’, kemi kim

Bosch hajasi teigur

Dier ketamono kimo tsup

Ei tamako noki, nuki zkapf nuki

Hart jani unkotok’

Hond inu seta, sita, cheta scheda

Hoorn tsuno kirau

Hout ki, ita tsikuni, ita, ta ziguni, ida

Houtskool sumi pasipasi pas

Huid kawa kabu kapu

Kruid kusa kina

Ligchaam karada netobake

Luis sirami uruki, kii uriki

Lijf mi netobake nidobaki

Man wotoko okkai okkai

Mannetje wo binne

Melk tsitsinosiru tôbe tô

Mensch hito sisjam, aino guru

Olie abura sjumu

Ongedierte musi kikiri kigiri

Schildpad kame itsinke

Slang hebi tokko (kamoi) toko kamoi

Traan kusirano abura funbei funbikii

Vet abura (niku) ke kiribe kiü

Visch uwo tsep’ tsep’ zepf

Vleesch nik kam kam

Vlieg hai, apu fitsurube hitsûrup

Vloo nomi taike taigi

Vogel tori tsikapp tzkapf

Vogeltje kotori tsiri

Vrucht mi ebuike ibuiki

Wijf wonna menoko (jap.) minoko

Wijfje me matsne

Wortel ne kuberikep, schyndshiz

sinsits

3. HET LIGCHAAM EN DE LEDEMATEN.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Aangezigt kaho nanu nanu

Baard kutsihige reki rigi

Borst mune terar

Borsten tsitsi tôkab to

Buik hara honi chuni

Cunnus tsubi pogi (hokki)

Darm tai tjô kankam

Hals kubi rekuts regut

Hand te teke, teki tegi, tiké

Hart kokoro sjanbe, sampêh schambi

Hoofd atama bake schaba

Hoofdhaar kaminoke ottobe, numa schaba numa

Huid hadaje nuwom’kumukasike

Lip kutsibiru hatoje, tsjamon

Mond kutsi baru, tsjaro paru

Nagel tsume am, ami

Navel hoso hankapui changubui

Neus hana ethû, ito idu

Oog me siki schiki

Oor mimi kisijara kischara

Penis mara tsii, tsije

Rug senaka sethuru scheduru

Staart wo isi

Tand ha imaki, jumaki nimaki

Tong sita be barunbe au

barumbi

Vinger jubi asikibette askibitz

Vleugel hakae rafu

Voet asi kema kima

4. FAMILIE, GEZELSCHAP.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Arm mensch matsusiki fito helon gur schirun guru

Boosdoener aku nin ujen gur uwen

Boosheid aku sin ramunisite

Broeder, oudste ani jûbi jubu

» jongste wototo iriwaki, aki aki

Deelgenoot tsure utare

Dief nusu hito inuga guru ikka guru

Dienaar kattsju kojantono

Dochter menoko matsihebo mazenebu

Echtgenoot otto hoku chogu

Echtgenoote tsuma matsi maz, mati

Familie sin rui awa

Grootmoeder baba sjunsti, hakko

Grootvader zizi ikasi, sasa chambi

Kind kotomo bô, boho po

Kleinzoon mago sitsupopo,

imitsubon

Koopman akindo ihoksiam egokfschamo

Landman fijak’sjo toitasisiamo

Landsheer, kami mosiri kamoi

(Vorst)

Lieden, oude tosi jori hekai chigoi

» jonge wakai hekats, uben,

beure

Man, voornaam tats’toki fito nisipa

» gemeen heï nin jajasiamo

Moeder haha habo chabu

Oom ozi keusiuts atscha

Ouders woja serimaka atajho

Scheepsvolk funakata tsipo guru

Soldaat busi tono

Stedehouder matsi bugjo matsijantono

Tante oba konnaripe

Vader tsitsi hanbe chambi

Vorst tonosama tonokamoi

Vijand teki tomautare

Weduwe onakogoke jamome hoksiak

Weduwnaar otokogoke jamowo matsusiak,

sjobija

Zoon wotokonoko okkaihebo poo

Zuster, oudste ane sija, guturesibo schiaa

» jongste imoto thuresi turisch

5. WOONPLAATS, WONING.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Dak jane akup, harukata puda

sjam

Deur to aba schiri aba

Haardstede irori innunbe, abe

Huis ije tsise zise, zisse

Hut koja kasi

Venster mado bujara, bujari puiari

Woonplaats tokoro kotan kodan

6. GEREEDSCHAPPEN.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Aalspeer jasu opu, urei

Anker ikari kaje kaida

Boogpees tsuru gûka kuga

Boog jumi (kiu) gû, kusi, kunisi guu ku

Bijl masakari mukkari mukar

Harpoen jasu opu, urei opf

Hengel tsuribari beraje, perai apf, pirai

Hut kasa kakka, kasja chaka

Kleeding kimono tsimipu imi

Mast tobasira kajani kaiani

Mes kokadana ibira, makiri magiri

Net ami jaa ia

Oorring mimikane ninkari ninkari

Pijl ja ai ai

Pijlkoker jabako ikajup igaiupf, ikjup

Roer ro osjui

Rok kimono mi (atsni) imi, atush

Schip fune tsip’ zibi

Slede sori sikeni

Smart itami aruka arika

Spies, Piek jari fumi, paro kuu

Touw tsuna thubi, tosi

Zeil fo kaja kaia

7. VERRIGTINGEN, UITWERKING.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Begin hazime asinno aschino

Beweging, { ugoki moi moi moi-moi

Levensvermogen { inotsi sikkisa

Dood sini rai rai

Dorst nodonokahaki igursjui igurusch

Einde owari ohari

Gehoor kiku nû nu

Geluk sjawase jainirikarai

Gezigt Miruzi nukaru nugaru

Gezondheid sukujaka, ramurakke katschara-schino

sukojaka

Haat nikumi jesisi

Honger fimozi kemuramu kemurampa

Kracht tsikara okira, tsumikoru ukira

Leven inotsi sikkinoka schikfnu

Liefde koï usikkarahare

Lijden kurusimi ihomasii

Medelijden itsukusimi komebur’ koneburu

Ongeluk ing’wan jaikohonnojeje

Oorlog ikusa tomi

Reuk niwoi fûra furaan

Rust jasumi sini

Stem koje hauje chau

Smaak aziwai kêra, kêwoan

Verdriet mukkasiki ramuikasite oschiôra

Vreugde mendô, ahare jakata

Ziekte jamai tasijumu, ikoni,

siju

Zwakte jowasa schiari

8. EIGENSCHAPPEN, HOEDANIGHEDEN.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Arm matsusiki sirun schirun

Beneden simo tekkesi

Bitter nigai balkar, sju parakara

Blaauw aho sijei

Breed hiroi tsiwa, tsiriusi uschip

Diep fukai ohoho, ohô ogo

Dun usuri kabar’

Droog karetaru sjats’ schats

Geel ki sjunin

Groen mitori tsuisjamu schiusiam

Groot oho poro poro

Hoog takai riiwa, ri L. riuwa

Klein tsiisasi pon ponno

Koud samui jamu, mei, mean mei

Kort mizikasi takine

Lang (tijd) fisasi ohonno ogonno

» (maat) nakasi tanne tanni

Ligt karui kosine koschni

Links fidari hari kiuturu charik

Mager jase sjatteku schattigu

Midden mannaka nosikike noschke-ta

Nat awaseme uthur’

Nederig asasi ohaku ugakfu

Ondiep asai ohak’

Purper murusaki ikarari

Rood akaï fure furi

Rijk tomu nisiba nischpa

Smal semai tsibakaram

Stinkend kusai fura ujen fura uwen

Warm atataka popko scheschikf

Wit siroi tetaru, detara L. tedari

Welriekend { kobaisi fûrapiurka

{ nihofu furara karu

Zwaar womoi base, pase paschi

Zoet amai rura, rurakor’

Zuur susi nukai schiukkoi

Zwart kuroi kunne kunni

9. WERKWOORDEN.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Antwoorden kotafu itasjaitats eischiwa

Dansen wodoru tapkaru, tafukari tapkarawa

Dooden korosu rapeke, ronno raigiiakka

Drinken nomu iku igu

Eten kû ibe imbe, ebe

Gaan ajumu apukasi apkas

Geven jaru jenikore ingori

Hooren kiku nu, inu, kunu nun

Koopen kàu ihoku, itometsu egokf

Lagchen warafu mina mina

Leggen jasumu sini schine

Leven inotsi aru sikkinu schikfnu

Levend zijn ikite oru hôjur

Loopen hasiru hojubu chojubu

Roeijen funewokogu tsipu zipowa

Roepen jobu hothui, hotoje

Slapen nemuru mokoro mojuru

Smarten itamu itasjasja

Spreken itaku itakuwa idawuwa

Staan tatsu rosike rosehki

Stelen nusumu ikka ikka

Sterven sinuru rai rai

Verkrijgen motomu tsipapa okuwa

Vogelvangen toraheru tsikapp koiki zepfkoigi

Visschen sunatoru tschepp koiki iukgari

Verruilen tota furu itasjare itaschare

Vliegen hasiru basi, tsjasi choiupfu

Vragen tatsunemiru isitan

Weenen naku tsitsi tsitsi wa,

zijssiwa

Zien miru nukar nogaro

Zingen utau jûgari iukgari

Zijn arisu an

10. PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Ik watak’s, warè ku, kuannit, kani tschogai

tsjô-kai

Jij karera inki angur anu udari

Gij omaï, anata iani, i, i tsjô jani itschogai

kai

Hij kare, ano fito iki sja angur’ ikoro

(ille)

Ulieden omaï gata inki utare itschogai udari

Wij watak’s domo tsjô kai utare toogai udare

11. AANWIJZENDE VOORNAAMWOORDEN.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Deze ’kono tan, tanbe, ane ani

Die sono pu

Dit kore tapu

Ieder koto kesi keschi

Wie sore neni nini, nen

Welke itsure ikijaan

Zulk sajô keannari

12. TELWOORDEN.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Een fitots’ sinepp, sine, schnepf

schinep L.

Twee f’tats’ thupp thu tupf tup

Drie mits’ repp, reepu L. repf

Vier jots’ inepp, inepu L. inepf

Vijf itsuts’ asikinepp, aschiki nipf

aschikinepu L.

Zes muts’ iwanbe juwambi

Zeven nanats’ aruwanbe aruwambi

Acht jats’ thupe sjanbe tubi schambi

Negen kokonots’ sineb sjan schnebi schambi

Tien tô (towo) wanbe wambi

Twintig hatats (nisju) hots, chozu L. scheehoz choz

Vijftig gosju wanbe i rehots wambi irichoz

Honderd momo asikne hots aschi nichoz

Duizend tsi asikine sine aschi kini schine

wanehots i. e. wane choz

5.10.20

Eerste itsiban teppake

Tweede niban nosike

Derde sanban reth tanta

(rep-tanta)

Eenmaal itsi do sine sjui schiui

Tweemaal ni do thusjui schini

13. BIJWOORDEN.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Allengs ohi ohi ubi ubi ja ja ukere

Daarom sorenitsuite ne waanberisju

Daarna sonotsugi imakake

Dikwijls tahi tahi sju sjui

Eindelijk tsuini aine

Eertijds mukasi fusiko

Gansch nokorasu nenai

Gisteren sakusits’ numani numani

Heden konnits tanto (deze Dag)

Hier koko tan kotan ta changino

Hoe veel iku henbakkuno chimbaguno

Ja hei jise, jese

Ja wel naruhodo nokon, oowun

Morgen asta nisjatta nischatta

Neen ija kotsjan, koban

Niet nu sjomo schiomo

Nog mato sijui schiui

Nog niet imada naa

Onlangs kono aida tetai

Thans ima tane tani

Waar toko ine kotanta nida

Waarom itsure nekonta nigonda

Wel aan iza iza sita sita

14. AANHANGSELS (AFFIXA) EN VOEGWOORDEN.

Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.

Alle mina obitta

Al te hanahatasì sitoma

Anders bets’ sinnai

Als tokini ike, tsiki

En, nog sôsite, to kanna

Met tomoni its sianneno, ani

Naardien joriwa orowano

Of mata ta, sjui schiui

Ofschoon ihetomo jakka

Omdat jotte kusju kuschu

Op, in ni ta

Uit, van jori orowa

Zeldzaam mare kemian

Zonder nasi isjamu ischamu

VOORTBRENGSELEN DER AINO-LANDEN.

Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan volgens het journaal gehouden door C.J. Coen, op het schip Castricum · 第 28 / 32 段