lichaem, als de menschen in ’t gemeen zijn; meer hellende na de blanke
als bruine verwe. Zij dragen lange baerden zomtijts tot aen den middel
toe. Hun hoofthair scheeren zij, van vooren, half af, zoodat zij aen de
slaep van ’t hooft gantsch geen hair hebben: maar wel van achteren, daer
zommige van hen het zoo lang dragen, als de Japanders. Zij hebben in ’t
gemeen de ooren doorboort, en, in plaets van pendanten, dragen daer
zilvere ringen in: maar die geen zilver hebben, dragen daer een vlok
zijde deur, die lang afhangt. En dit doen zoowel de vrouwen als de
mannen. De kleederen, zoo wel van mannen als vrouwen, zijn lang, met
zijde doorwroght, beleit met cieraet van kruissen of rozen van de zelve
stof, zoo klein als groot. Hunne stoffen zijn van zijde, katoen, of
linnen. Tot wapenen gebruiken zij pijlen, boogh, lancen en zwaerden, die
niet grooter zijn, als een gemeene Japansche pook. In plaets van
harnassen, gebruiken zij rokken, als gemaliede wambassen van kleine
plankjens bij een gezet, ’t geene belacchelijk is in ’t aenschouwen.
Zij hebben vergiftige pijlen, waer van iemant gewont zijnde, noit
genezen kan worden. Zij zijn zeer twistgierig, echter dooden elkanderen
zelden. Tot _Matsumay_ wert veel gedrooghde visch, ook haring, zwanen en
kranen, zoo levendigh, als doot, en ook gedroogt, als mede valken, en
ander gevogelte, te koop gebraght. Walvisschen worden daer mede gevangen
en de _Todonoeno_ (Robben), waer van het vel ruighairigh, niet ongelijk
dat van een verken, en vier voet lang is. Deze visch is aldaer voor een
zeer geringe prijs veil. Zij handelen met geen goude of zilvere munte;
maer verwisselen hunne waren tegen rijs, katoen, gaern, linnen en
stoffen, of ook wel tegen gemaekte kleederen. De heer van _Matsumay_
verzekerde mij, dat de inwoonders van _Jesso_ visch-vellen, die zij
_Raccon_ (Rakko, _Enydrys marina_) noemden, aen drie eilanden, niet
verre van hun lant afgelegen, quamen koopen: waer van d’inwoonders geen
baert, en een zeer verschillende tale met die van _Jesso_ hadden, doch
hij wist niet of die eilanden bezuiden of benoorden _Jesso_ lagen. Wat
de kennis aengaet, die zij van d’andere werelt, en het toekomende leven
hebben, dezelve is zeer klein of niet. Zij eeren eenighsins de Zon en
Maen, als de twee voordeelighste lichten; behalven noch eenige bergh- en
zee-duivels: want alsoo zij zich meest in ’t geberghte, op de jacht, en
met houthakken, en ter zee, met de visscherije erneren, zoo hopen zij
daer door veel vangst te krijgen, en noit gebrek van hout, om te branden
of te bouwen, te zullen hebben. Zij hebben noch Bonsen, of offerpapen,
noch tempels, of eenig plaets, daer zij bij een kommen, om van hunne
zaligheit te handelen.
Niemant onder hen kan ook lezen of schrijven.
Elk onder hen heeft zijn eige en wettige vrouw, doch, zo zommige meinen,
wel twee; hoewel er noch veele gevonden worden, die, op de Sineesche
wijze, bijzitten houden. Als de man gestorven is, begeeft zich de vrouw
veeltijts ten huize van den schoonvader, of bij iemant van ’s mans
vrienden, onder beding, dat zij ’er noit uit zal gaen, of hertrouwen.
Een vrouw, die in overspel bevonden is, wert het hoofthair afgeschooren,
op dat zij daer over bekent zoude zijn; en den overspeelder, of den
gene, waer mede zij de vuiligheit bedreven heeft, van zijn degen
berooft, en al zijn lijfcieraet, door den beledigden man of door zijn
vrienden, zo dikwils als zij hem ontmoeten, afgenomen.”
~Joan Saris~ heeft als gezant van de Engelsche Maatschappij aan het Hof
te _Jedo_ in 1613 door een Japanner, die twee maal op _Jedzo_ (_Jezo_)
geweest is, berigten van daar verkregen, waardoor het woeste voorkomen
van dat volk bevestigd en ook over den handel met hetzelve eenig licht
verspreid wordt. »De menschen syn ’er wit of blank, en wel gemaekt, maar
heel ruw en haijrig het geheele Lijf over, gelijk als de meirkatten en
aapen. Hun geweer bestaat uijt boogen en vergiftige pijlen. Die aan de
zuijdelijkste kant woonen, verstaan haar op gewigt en maat, maar dertig
dagen landwaards in weet men daar niet van. Sij hebben veel silver en
sand-goud, dar sij de Japanners mede betalen voor rijs en andere waren.
Rijs en Japansche cottoenen worden hier wel gesogt. Yser en Loot krijgen
sij uijt Japan. Alle eetwaren, en ’t geene daar men sig mede kleeden
kan, wil hier best aan de man. De rijs van Japan na _Yedzo_ gebragt,
leverd vier voor een tot winst uijt.
De Stad daar de Japanneesen alhier hun meeste verblijf hebben en markt
houden, word _Matchma_ (_Matsmaë_) genaamd. In deselve sijn 500
Japansche huijsgesinnen, die hier ook een Fort hebben en die daar in
commandeerd, _Matchmadonna_ (_Matsmaë Dono_) noemen. Deze Stad _Matchma_
is de voorname handel-plaats van geheel _Yedzo_, werwaards meest alle
ingeboorne gaan om te kopen en te verkopen, bijsonder in de maand van
September, om haar winter-voorraad op te doen. In de maand van Maart
brengen sij salm, en allerley soort van visch, neffens ander waren die
de Japanners in ruijling aannemen, en liever hebben als hun silver.
Verders hebben die van Japan, behalven _Matchma_, geen andere vaste
woon- of handel-plaats. Die in het selve eijland verder na het Noorden
woonen sijn seer kleijn, en gelijk als dwergen, maar de andere
_Yedsoers_ sijn van postuur en grootte, gelijk als die van Japan. Zij
hebben geen kleeding, als die hen uyt Japan gebragt word.
Tusschen _Yedzo_ en Japan gaat een seer sterke stroom, die van _Corea_
komt, en Oost- Noord-oost aan loopt. De winden sijn daar gemeenlijk soo
als in Japan; te weten, de Noordelijke winden beginnen in September, en
duuren tot de maent Maart, en dan begind de Zuidelyke wind te
waaijen.”[124]
[124] _Naauwkeurige Verzameling de Gedenkwaardigste Reysen na Oost- en
West-Indiën enz._ Te Leiden door ~P. van der Aa~, 1707. Deel 24.
_Agste Oost-indische Reys enz._ onder Capitain ~Joan Saris~. pag
136.
~Françoys Caron~, in de jaren 1639 en 1640 Opperhoofd van den
Nederlandschen Handel in Japan, deelt eenige minder belangrijke op Japan
vernomen tijdingen van _Jezo_ en de _Aino’s_ mede, die wij echter wegens
de volledigheid van de toenmalige wetenschap van dat merkwaardig land en
volk tevens willen aanhalen.
»Men reyst noch 27 dagen Noordtoost, wel so Oostlijke aen, eer men komt
bij de uijterste hoeck van ’t lant _T’sungaar_ (_Tsugar_) genaemt, aen
de zee gheleghen; van daer vaert men over een water, onghevaerlijke elf
mijlen wijt, ende men komt in ’t landt _Jeso_ ofte _Sesso_, daer
kostelijcke bonten, ende peltwerk valt, welk lant vrij woest,
berchachtigh, ende weijnigh bewoont is; dit lant _Sesso_ is seer groot,
door den Jappanderen dickweijls doorsocht, diep, ende verre doorreijst,
doch noyt tot den eijnde, noch seeckerheijt des selfs gekomen, so dat
het haer ghemeenelijke aen victualie ontbroken heft, ende gedwongen
waren, t’elcken reijse wederom te keeren; de rapporten der visitateurs
zijn ook sodanigh geweest, dat sijn Majest. curieusheijt, om verder
ondersoeck te doen, wederhouden is, want het lant (als geseijt) is
woest, ende werdt in sommige plaetsen bewoont van een volck die ruijgh
over ’t lichaem zijn, dragen lanck Haer, ende baert, als den Chinesen
brutael, beter den wilden, dan de andere menschen gelijck.”[125]
[125] _Beschryvinghe van het Machtigh Coninckrycke Japan enz._ door
~Françoys Caron~. T’Amsterdam 1648. pag. 1.
Hoe vervelend dan ook deze berigten voor den lezer zijn mogen, zoo
hebben wij het toch voor doelmatig gehouden, dezelve zoo veel mogelijk
volgens den oorspronkelijken tekst uit boeken getrokken, die allengs
zeldzamer worden, hier te zamen te stellen, om hem een duidelijk
denkbeeld te verschaffen van den toenmaligen staat van de kennis van het
land van _Jezo_ en deszelfs inwoners, de _Aino’s_, voor dat wij de
volkenkundige waarnemingen op den denkwaardigen Zeetogt van ~Vries~
gedaan, aan een nader onderzoek onderwerpen.
Kort na de ontdekking van het Land van _Jezo_ door ~Vries~ en
van den ongelukkigen zeetogt van ’t Jacht _Breskens_, zijn in ’t
vaderland onderscheiden berigten omtrent _Jezo_ en de bewoners van
dat land ontvangen en van lieverlede door den druk bekend gemaakt.
Het eerst berigt is reeds in 1646 te Amsterdam uitgegeven onder den
reeds meermalen aangehaalden titel: _Korte Beschryvinghe van het
Eylandt Eso enz._ Dit stuk is later (1692) ook door ~Witsen~
overgenomen en toegelicht geworden[126]. Insgelijks deelde deze
geleerde aardrijkskundige eenen brief mede »_die nopende de ontdekking
van het lantschap Eso_ of _Jesso_ en _Tartarye uit Batavia in den
jare 1644 herwaarts is geschreven geworden_.” De inhoud daarvan
beperkt zich echter tot eenige aardrijkskundige berigten omtrent
~Vries’~ ontdekkingen en over de goud- en zilvernasporingen, die de
hoofdbeweegreden der uitzending van ~Quast~ en ~Tasman~, en van ~Vries~
en ~Schaep~ naar het noorden van Japan geweest zijn. Ook vermeldde
~Nicolaes Witsen~ een berigt van ~Philips Jacobsz. de Bakker~,
onderstuurman aan boord van ’t _Castricum_[127]. Van de door ~Jansonius~
uitgegeven kaart, als ook van andere onuitgegevene kaarten van den
meergemelden zeetogt en van de »_Opdoeningen en lant-verkentenissen van
de zeekusten des lants van ~Jesso~, en van het ~Compagnies~ lant_” door
~Witsen~ bewaard, hebben wij reeds breedvoerig gewaagd. De meest
belangrijke waarnemingen en berigten, bijzonder met betrekking tot den
stam der _Aino’s_, hunne zeden en gebruiken, die wij aan zeevaarders van
den lateren tijd, en aan de Japanners, die het Land van _Jezo_ bezocht
en beschreven hebben, te danken hebben, zijn door den Schrijver dezes
onlangs tot een geheel gebragt en in zijne »_Beschrijving van Japan_”
geboekt geworden[128]. De herhaling daarvan is hier overtollig, zoo
dienstig ook de verhandeling op zich zelve zal zijn, om de mededeelingen
van onze Oude Nederlandsche zeevaarders te bevestigen, toe te lichten en
te verrijken.
[126] ~N. Witsen~ l. c. pag. 55.
[127] ~N. Witsen~ l. c. pag. 59.
[128] ~Nippon~, Abtheil. VII, pag. 205-224.
Wij zullen ons dus ten doel stellen om den merkwaardigen stam der
_Aino’s_ te beschrijven volgens de berigten die in ’t teruggevonden
_Journael_ aangeteekend zijn, en volgens al de oorkonden, die ons de
Nederlandsche pers van ~Vries’~ zeetogt bewaard heeft. Daarbij willen
wij ons, zoo veel mogelijk, aan de letterlijke bewoordingen houden,
waarin de onderscheiden waarnemingen opgeschreven zijn, om de reeds aan
onze stoute zeevaarders voor hunne verdiensten voor de aardrijkskunde
opgerigte gedenkzuil ook met zoo belangrijke bijdragen voor de
volkenkunde te versieren[129].
[129] De geschriften, waaruit wij deze beschrijving zamengesteld
hebben zijn gemerkt als volgt: (K. B.) _Korte Beschrijvinghe_;
(S. B.) _stuurman ~de Bakker~’s berigt_; en (J.) _~Coen~’s
Journael_.
=Gedaante, Gelaatstrekken der Aino’s.= »De Inwoonderen van dese
Eijlanden _Eso_, zijn alle den anderen seer gelijck, kort ende dick
gedrongen van stature, hebben langh ruijgh haïr ende baerden, soo dat
het aenghesicht daer bijkans mede bedeckt is, doch het hooft is vooren
geschooren, zijn wel besnede van tronien, swart van oogen, kort,
tamelijck dick, ende niet plat van neusen, laegh van voorhooft, geel van
vel, over het lijf seer ruijgh. De vrouwen zijn so bruijn niet als de
mans, laten eenighen het hair in ’t ronde scheeren, so dat het haer
aengesicht niet en belet, anderen laten het langh wassen, ende stricken
’t op als de Javaensche vrouwen, haer wijnbraeuwen ende lippen swart
ende blaeuw geverft, hebben soo wel mans, vrouwen als kinderen gaten in
haer ooren, daer sij silvere ringen in dragen, oock schortjens van
Armosijde, met loode ende koopere ringen.” (K. B.)[130].
[130] Vergel. ~Nippon~, _Atlas_, Tab. XVI, XVII, XVIII.
Op _Krafto_ zijn de vrouwen blanker als op _Jezo_: »zaegen (in den Golf
van _Aniwa_) ook eene vrouw in eene prauw sitten, blank synde met swart
lanch hangent haer op het hooft, hadde in elcke oor een groote blauwe
gecraelde ketting, waeronder eenige andere craelen geregen waren.[131]
(J.)
[131] Vergel. ~Nippon~, VII _Atlas_, Tab. XXI, fig. 5. De kostbaarste
zijn van blaauwen _Obsidiaan_, dien zij noemen _Krafto tama_,
edelsteenen uit _Krafto_. Deze blaauwe koralen vindt men bij
alle volken in den kouden aardgordel, van het noordelijke
halfrond van den Grooten Oceaan tot in de _Behring_ straat, waar
ze van ~von Kotzebue~ in de Zond, die zijnen naam draagt, zijn
waargenomen geworden, verspreid.
»Vonden daer (in de bogt _Patientie_) eene blancke vrouw, fraey van
trony, hebbende lanck swart haer met een stroock bont om haer hooft van
een bever (_Zeeotter_), gecleet heel in ’t bont, by haer hebbende een
cleyn meysie, hebbende een bonte rock aen, met een stroock bont van een
saebel, dat seer schoon was om haer hooft ende had een jongen by haer
staen gecleet mee met een bonte rock.” (J.) Ook is in ’t Journael van
eenen blanken man gewaagd: mogelijk dat die een door schipbreuk daarheen
gekomen Japanner was; doch door de gebreken van den ouderdom minder aan
de open lucht blootgesteld, kunnen, zoo als de vrouwen van de betere
klasse in dit land, ook oude lieden verkleuren en witter van gelaat
worden.
»Wat van de prauw af sat een oudt blanck man, met een lange grijse
baert, op een matien (matje), op de Japansche wijse, aenhebbende een
gebloemde catoene rock, sijnde op sijn Japansch gemaeckt. Mijn leijtsman
wees ick sou bij die oude man gaen.” (J.)
=Regeering, Aino-hoofden, Geregtszaken, Straffen.= Ten tijde van
~Vries’~ bezoek op _Jezo_ stonden reeds lang de _Aino’s_ van het
zuidelijke gedeelte van dat eiland onder een’ Japanschen Vorst, die
zijnen zetel had in de stad _Matsmaë_. »Den _Matsmay Simadonne_
(_Matsmaë Sima dono_), Gouverneur ofte Overste van ’t voorsz. Eylant,
gaet jaerlycx de Keyserlycke Majesteyt van Japan tot _Jedo_ begroeten,
tot geschenken mede nemende veel silvers, vogelsveederen (om aen Pylen
te ghebruycken) ende fyne bonte vellen, hem met een berck van _Eso_
ladende oversetten tot aen de Japansche Cust _Nabo_[132], van waer hy
dan voorts te lande naar _Jedo_ reyst.” (K. B.)
[132] Waarschijnlijk naar den boven beschreven haven van _Nambu_, op
de Oostkust van _Nippon_. Mogelijk ook de haven van _Saï_ of
_Ohata_.
»Onder haer is geen wettelijcke regieringhe ofte politie, geschrift ofte
boecken, konnen lesen noch schrijven.” (K. B.) Zij hebben echter
hoofden, die hun gezag over een min of meer uitgebreid gebied
uitoefenen, en onder hen in aanzien staan en geëerbiedigd worden.
»Quamen de habytanten met twee prouwen ons te gemoet, waarvan drie
persoonen over in onze prouw quaemen, ende syn doen saemen naer haer
dorp gevaeren, hetwelk sy _Ackys_ (_Atkesi_ op _Jezo_) noemden, syn met
de ~meeste gesach hebbende~ in syn huys gegaen, wiens naem was
~Noiasack~.” (J.) Het zijn meestal oude mannen die zich door ervarenheid
en burgerlijke deugden kenmerken: »Ten anker leggende, quam ’er een hoop
volks aen boort dat een blinden man by zich had, en dien zeer eerde en
ontsagh. Dese oude blinde man, eer hij weer naer lant voer, hief zijn
handen op, en deed over ’t scheepsvolk een lange rede, die d’onzen niet
verstonden.” (S. B.)
»Heeft de Commandeur aen den outste een cleyn Prince vlaggetie vereert,
waermede hy bly scheen te wesen, sette het op syn huys ende liet het
waeijen.” (J.)
De ontmoeting van _Aino_-hoofden in de Bogt van _Patientie_ zal hier
eene geschikte plaats vinden, ten einde zich een denkbeeld van zulke
krijgshaftige mannen te vormen.
»Saegen twee treftige (deftige) persoonen op een grooten boom, die van
de see op het strant geworpen lach, sitten, sijnde cloeck van leden, den
eene met een ruijgen baert, hebbende pijl ende booch in de handen, met
een pijlkoocker vol pijlen aen sijn hooft hangen, met een houwer op sijn
sij, den ander wat jonger, met een groot gramschap geschooten, hebbende
twee groote knevels, had oock pijl ende booch in sijn hand ende voorts
gewaepent met een houwer ende pijlkoocker vol pijlen; after haer stonden
twee sterke mannen, geweert (gewapend) als de twee voorige, gecleet met
rocken van vellen.
Den outste sette sijn booch in ’t sant met een pijl daerbij, ende nam
een lange pieck van 18 voet in sijn hant, ende sij bleven alle beij
sitten, ende de andere twee staen. Wat dicht hij haer comende seij
_Tacoij jankarate_ ende vreef mijn handen, gelijck gesien hadde aen
_Tamarij_, waerop de outste sprack _Tacoij_; sijn doen toegetreden, ende
naem sijn hant ende wesen dat wij vrienden waren, in mijn beijde handen
sijn rechterhant nemende, ende soo saemen gedruckt; naem doen de pieck,
ende smeet hem neer, waerop ons volck is comen aentreden, dien sij doen
met haar tween te gemoet gingen ende welcom heeten, seggende _Tacoij_,
ende douden met haer beijde handen ons volcx rechterhant, gelijck ick
haer gedaen had, maer de twee andere pasten op haer geweer. Dese twee
persoonen waeren gecleet met sijde gebloemde Japansche rocken, gevoert
met Sineese cangangs, waertusschen sijde watten waeren; soodat ick
vertrou de twee andere lijfschutten ofte haer dienaers waeren. Dese twee
treftige persoonen was haer hooft voor geschooren tot halfwegen het
hooft ende voorts hadden lang hangent haer tot heel aan haer midden, de
plaeten van haer houwers waeren oock met silver beslagen ende
doorluchtich.” (J.)[133].
[133] Vergelijk: _Voyage de Lapérouse_, _Atlas_ N^{o}. 50, waar eene
ontmoeting van _Aino_-hoofden op de westkust van _Krafto_
vertoond wordt.
Deze hoofden doen onderzoek hij overtreding van de wetten, vonnissen en
straffen. »Hij (het _Aino_-hoofd) zittende met een houte knuppel in sijn
hant, alwaer sij recht mee doen, saegen het meysie met het aengesicht op
de aerde liggen.” (J.)[134].
[134] ~Nippon~, VII _Atlas_. T. XIX. A. fig. 3, waar deze knuppel,
_sjô kine_ genoemd, afgebeeld is.
»Als sij eenige straffe doen des doots schuldigh ofte eenige van haer
vijanden gevangen crijgen, slaen die doot met een swaeren kneppel in de
lenden.” (J).
Deze straf, zoo als ze aan gevangenen voltrokken wordt, is nader
beschreven. »Eenighe van haere vijanden gevangen bekomende, die straffen
ende dooden zij in dieser voegen; den gevangen wort recht over eijndt
gestelt, het bovenlijf naeckt zijnde, de armen ofte handen worden hem in
de zijde geset, alsoo staende wort van vier persoonen vastgehouden, twee
aen de armen, ende twee aen den voeten; dan komt een vijfde persoon met
een knodse, daer eenighe swaerte van ijser vooraen is, die ghepast
hebbende hoe hij den patient treffen wil, treet 10. a 12. treden
achterwaert, komt dan, de knodse om ’t hooft slingherende, al dansende
aen, t’ elckens (met beijde de handen de knodse gevat hebbende) een
slagh in kruijs van des patients rugge brengen, tot dat hij de geest
geeft. In dier voegen straffen mede, die bevinden dat met haer wijven
ofte dochter oncuijsheit bedrijven.”
=Godsdienst, Begraafplaatsen.= »So veel als konden vernemen ende
bespeuren, soo hadden weynigh ofte geen religie ofte superstitie; doch
wanneer sij ontrent het vijer sitten en drincken, soo sullen sij eerst
op verscheijde plaetsen ter zeijden het vijer eenige droppelkens
storten, ghelijck of sulcx offerden. Hebben eenige gesnede vuijre
stocxkens, daer krulletjens ende spaendertjens bij hangen, die sij op
veel plaetsen in de aerde stecken, ende in de huijsen aen de wanten
hangen[135]. Wanneer ijemant onder haer sieck is, soo schaven sij met
een mes van langhe vuijre stockjens, lange schaeffels, ofte krullen,
winden die de siecken om het hooft ende de armen.” (K. B.)
[135] Deze stokjes met krullen worden bij hun _Inao_ genoemd en komen
overeen met de _Hei_ of _Gohei_, zinnebeelden van godheden in
den ouden godsdienst, den _Sintô_, der Japanners. Vergelijk
~Nippon~ VII, pag. 214 en _Atlas_, Tab. XVII.
»Als hij eeten zou, deed hij zijn gebed, gelijk de Kristenen, met
gevouwen handen.” (S. B.)
»Haere graven (in den Golf van _Aniwa_) waeren boven de aerde gelijck
een cap van een huys, een mans lengte lanck ende 3 voet hooch, wel
besorcht ende dicht toe benaijt met groote basten van boomen.” (J.)
»Vonden (in de Bogt _Patientie_) 10 graeven, daerin sommige dooden noch
in laegen. Deze graeven waren heel raer gemaeckt van vuereplancken,
omtrent een voet verheven van de aerde, staende op stuties ende was
onder een viercante kist, onder de boom (bodem) sijnde houte tralijs,
doorluchtig, alwaer de doode op lach met een crans van spaenderties fijn
gesneden sijnde om sijn hooft gevlochten; hadde een oude blauwe catoene
rock aen gehadt, maer die was al vergaen, vonden bij hem in de kist
schuetelties ende eetenbackies, ende eenige andere snuijstering met pijl
ende booch, had eten oock in een doos gehadt, soo het scheen, lach oock
een cleijn block om rijst te stampen, met een rijststamper daerbij in
sijn kist. De kist was boven met een cap wel dichte toe, gelijk een cap
van een huijs, daer boven op het scherp van de cap een fraeij gesneden
houten cap lach. Langs de kist aan elcken endt fraeij met een leeuw ofte
draecken cop uijt gesneeden, met houten ringen van het selfde hout in
haer mont, (ende) liep soodanich gesneeden hout aen alle vier hoecken
oock neerwaert aen, al uijtgesneden, als gesegt is. Dese graeven met
verwondering aengesien hebbende, saegen daerbij veel stockies staan met
fijne gesneden crulleties ende spaenderties daer aenhangen.” (J.)[136].
[136] Men vergelijke hiermede de grafzerken in de _Baie de Castries_.
_Voyage de ~Lapérouse~, Atlas_, N^{o}. 53, ook de door ~Toknai~
op de Westkust van _Krafto_ waargenomen graftombe. ~Nippon~ VII,
pag. 217, _Atlas_, Tab. XXII, fig. 15. De grafsteden hebben zeer
veel overeenkomst met die van eenige Amerikaansche volksstammen,
te weten de _Dacotaks_ en _Chippewas_. Ook bij deze worden de
lijken 12 tot 16 maanden lang in zerken, van planken en
berkenbast vervaardigd en die op palen rusten, bewaard, voordat
dezelve begraven worden. Gedurende deze tentoonstelling worden
spijs en drank aan de zielen van de overledenen geofferd en
wapenen en andere kostbaarheden bijgezet.
Bij _Atkesi_, op _Jezo_, heeft men opgemerkt dat de plaats: »Alwaer de
dooden onder de aerden legghende, het graf met Oesters schelpen bedeckt
wert. Op andere plaetsen staense in een Hutteken in de kisten boven de
aerde, op vier staekjens, zijnde het huttecken met konstig lof-werk
ghesneden, sonder dat men eenige andere Offerhande daer bij vint.” (J.)
De hut met een geraamte, op _Urup_ gevonden, was zonder twijfel eene
begraafplaats, de daarvoor opgehangen sabel bewijst dit. In het _Jezoki_
staat[137]: »Wanneer de _Aino’s_ iemand plegtig willen begraven, hangen
zij over zijn graf, aan een 5 tot 6 voet hoogen paal, den sabel van den
overledene op.”
[137] _Jeso-ki, ou Description de l’île d’Ieso etc._, par l’interprète
~Kannemon~; in ~Malte-Brun~’s _Annales des voyages, etc._ Tom.
XXIV, pag. 147.
»Rapporteerden in eenige huties geweest te hebben, alwaer een
menschengeraemte ende een dootshooft in lach. Deze huties waren gemaekt
van tacken van boomen ende met lanck gras gedeckt, vonden bij d^{o}.
huties een paal in de gront geset, alwaer een houwer hangen.” (J.)
Ook getuigen de lidteekens, zoo algemeen aan de voorhoofden der
inboorlingen waargenomen, het bestaan van den zoogenoemden ~doodenkamp~,
die daarin bestaat, dat zich de naaste bloedverwanten met een mes
(_makiri_) sneden aan het voorhoofd geven en het bloed van de
afgescheiden zielen offeren.[138] »Sijn meest op het hooft met
verscheijde houwen ende kerven gequetst geweest, ghelijck sulcks de
groote litteeckens getuigen.” (K. B.) Daarom werden de vreedzame
_Aino’s_ van de onze uitgemaakt voor: »Boschloopers ofte Banditen van
eenighe plaetsen te wesen, een ijder even veel Meester zijnde.” (K. B.)
[138] ~Nippon~, VIII, pag. 214.
=Zeden en Gebruiken, Levenswijze en Voedsel.= »Schijnen door haere
ruijhe baerden ende hair seer wreedt, maer weten haer tegens de vreemde
Natien soo sinceer ende eenvoudigh te houden, dat men niet anders soude
konne oordeelen, ofte het waren civilen ende gepoliceerden menschen.
Waeneer sij bij vreemde Natien komen, soo vercieren haer met haer beste
kleederen, ende weten haer seer modest te houden, toonen hare courtosien
ende beleeftheijt met het hooft te buijghen, en gevouwen handen, de
selvigen voorbeij den andern heen ende weder strijckende; singen met
bevende stemmen, als de Japanders doen; doch waneer sij een weynigh
commissie bekomen, soo sijn sij haest familiaer, dan met een
vriendelijck ende vrolijck gelaet.” (K. B.)
»Ende greep mij voorts eens vriendelijck om mijn midden tot teijcken van
vrientschap ende gingen soo hant aen hant naer zijn huijs toe.” (J.)
Zijn ook gastvrij: »aen lant komende wierden van de inwoonders wel
onthaelt.” (S. B.) »presenteerden mij souden in haer huties comen.” (J.)
»IJder man heeft twee vrouwen, die maken biese-matten, naijen haers mans
rocken, ende koocken het eten; en waneer de mans het hout om te branden
in ’t bosch vergaderen ofte kappen, soo draeght het de vrouwe in de
prauw; ende moeten dan soowel roeijen als de mans.” (K. B.)