[116] „Das ganze Land gewährte uns einen viel angenehmern Anblick als

jene südlicheren Länder die uns seit unsern Absegelen von Japan

zu Gesicht gekommen waren, die weissen, schroffen Ufern mit

ihren Einschnitten, Berge hinter ihnen von mässiger Höhe in

verschiedenen Gestalten und mit dem schönsten Grün bedeckt,

welche mit holzreichen Thälern abwechselten, gewannen uns ein

sehr gunstiges Vorurtheil für diesen Theil von Sachalin ab. Auch

hat er unstreitig unendliche Vorzüge von dem, von uns später

untersuchten, mittlern und nördlichen Sachalin.” ~Von

Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 92.

Op de gegiste breedte van 48° 25′ N.Br., waar men de bogt door hoog land

van W.Z.W. tot in het N.O. begrensd zag, lag W.t.N. ½ N. op een afstand

van 8 à 9 mijlen »_een hooge hoeck, geleeck wel een eylant, ende was

geheel gehackelt boven op gelyck of het een saech was_.” Deze uithoek is

hoogst waarschijnlijk het voorgebergte, dat door een bergrug gevormd

wordt, die N. en Z. strekt, steil aan den oever der zee neerloopt en

zich als geheel vrijstaande vertoont, en op de Japansche kaarten _Uri_

en door ~von Krusenstern~ _Cap Dalrymple_ genoemd en op 48° 21′ N.Br. en

142° 50′ O.L. geplaatst is. De kust die van de _Cap Muloffsky_ aan

N.t.O. strekt, neemt van _Cap Dalrymple_ af aan eene noordelijke

rigting. Daar ~Vries~ van den 25 tot den 26 Julij eenen N.N.O. koers

vervolgde, zoo kon hij _Cap Soimonoff_, een hoog, ver naar het O.

uitstekend voorland, dat men ligt voor een eilandje houden kon, in het

W. niet duidelijk gezien hebben. Het land echter dat ’s middags den 26,

wanneer ~Vries~ zich op 48° 56′ N.Br. bevond, 6½ mijl in het W. gezien

werd, kan niets anders dan deze kaap zijn, die, volgens de waarnemingen

van ~von Krusenstern~, op de breedte van 48° 52′ 30″ en 143° 1′ 30″ O.L.

ligt. Van deze kaap aan strekt de kust al wederom meer westelijk en

vormt eene bogt, die op ~Jansson~’s kaart en op die van »_Gedaene

Ontdeckinghe_” de »_bocht van Sainct-Iacob_” genaamd is, waarvan echter

in het Journael niets vermeld wordt. De groote rivier _Boronai_, die in

het meer _Sânai_ zijn oorsprong heeft, dat in het midden van het

breedste gedeelte van _Krafto_, op de breedte van ongeveer 50½ gr., een

waterbekken vormt, rondom van hoog sneeuwgebergte omgeven[117], aan de

N.W.zijde van deze bogt in delta-gedaante uitwatert, en twee meeren

voedt, die zich regts en links wijd uitbreiden, deze is het en zijn ruim

stroomgebied, dat van verre gezien, zich als eene diepe bogt vertoont.

Van boord van het schip _Castricum_ is de mond van deze rivier gezien

geworden. Ook ~von Krusenstern~ heeft den mond dezer rivier van nabij

onderzocht: »_Wir entdeckten zwei Mündungen, von welchen die nördliche,

welche auch die grösste war, in N.W. 72° lag. Die Mündung dieses

Flusses, welche ich die Newa nannte, ist über eine halbe Meile (engl.)

breit. Sie liegt in 49° 14′ 40″ N.Br. und 143° 2′ O.L._”[118].

[117] Het gebergte van _Urunsiri_, waarvan op ~Jansson~’s kaart gezegd

is: „_Gebergte op vijftien graden gesien_,” en op de kaart van

„_Gedaene Coursen_” te lezen staat: „_alhier lach ’t sneeuw in

de maend Augustus nog op de bergen tot op strand toe_.” Ook ~von

Krusenstern~ zag hier „_tief im Lande hohe Schneeberge_.”

[118] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 95. Hoogst

merkwaardig is het dat deze rivier, eene halve eeuw later, het

eerst en door eenen Russischen reiziger Dr. ~L. Schrenk~, in het

binnenland van _Krafto_ is gevonden en beschreven geworden.

Nadat Dr. ~Schrenk~ den 30 Januarij 1856 het vaste land (het

_Amurland_) verlaten had, kwam hij langs de westkust van

_Krafto_ tot aan de baai _de la Jonquière_, ~Lapérouse~ (op 50°

54′ N.Br. en 142° 16′ O.L.), waar ten Z. van kaap _Dui_ (_Itoi_,

~Toknai~) de Giljaksche bevolking woont en de noordelijke grens

der _Aino’s_ is. Op den 8 Febr. bij het dorp _Arkei_ (_Ar’koi_,

~Toknai~) begaf hij zich in eene schuinsche rigting over het

eiland naar deszelfs oostkust, die van den Grooten Oceaan

bespoeld wordt. Naar het zeggen der inboorlingen moest hij drie

berghoogtens overtrekken totdat hij aan het gebied van de rivier

_Pym_ kwam. Deze rivier is de _Boronai_, aan welke ~von

Krusenstern~ den naam van _Newa_ gegeven heeft. De _Pym_-rivier,

die van zijne bron tot de monding in zee (in het W. der _Bogt

Patientie_) talrijke dorpen der Giljaken besproeit, noemt

~Schrenk~ de levensader van het eiland. Deze rivier heeft een

snellen stroom, zoodat zij wel op een bergstroom gelijkt, het

bovenste gedeelte bevriest nooit, ondanks de hevige koude,

waardoor de temperatuur somtijds tot onder het vriespunt van het

kwik daalt; het water is uiterst vischrijk en somtijds in den

herfst aan zalm, waaronder de _Salmo lagocephalus_, even als in

de _Amur_, op verre na de voornaamste is. De groote vangst der

Giljaken verzekert hun een onbezorgd leven voor zich zelven en

hunne honden in den langen winter, daarenboven komen daardoor

vele naburige stammen telken winter naar het _Pym_-dal, als:

_Aino’s_ van de Golf _Patientie_, met Japansche waren; _Oroken_

(_Orotsko_, ~Toknai~), met pelterijen, de opbrengst van hunne

jagt; de _Giljaken_ van beide kusten, met zeehondenvleesch en

vellen, benevens eenige stammen van het vasteland, zoo als

_Mangoenen_ van den _Amur_ (_Manko_, ~Rinso~), met Mandsourische

en Russissche produkten, die tot de _Pymi-Giljaken_ komen, om

zich bij hen deels van visch en jukkola (vischkuit), deels ook

van de toestroomende vreemde goederen te voorzien.

Toen men de rivier volgde om naar de oostkust (_Bogt Patientie_)

te komen, daalde de temperatuur op den 18 Februarij ten 7 ure

des morgens tot -42° R., en op den volgenden morgen tot -31° R.

„Zulke gestrenge koude,” zegt Dr. ~Schrenk~, „doet onderstellen,

dat het binnenste van het eiland een klimaat heeft, dat meer met

het vasteland overeenkomt, dan men van een eiland kan

verwachten.” Dit bewees ook de plantengroei. In het bovendeel

van het _Pym_-dal ziet men overal de denneboom (_Abies

jezoënsis?_) terwijl de lork (_Larix leptostachys_) naar den

zeekant alle andere boomen verdringt. Men vindt hier noch

herten, noch elanden, wel het muskusdier (_Likonkamui_, ~Aino~)

en het rendier. Ook bestaat nog op _Krafto_ een stam

Tungoesische rendiernomaden, terwijl de Tungoesen, aan de

_Amur_, reeds lang de rendierteelt hebben opgegeven. Op den 20

Februarij bereikte ~Schrenk~ de oostkust van het eiland en nam

den terugtogt langs dezen zelfden weg aan.

(_Bulletin de la Classe Physico-mathématique de l’Académie

Impériale des Sciences de St. Petersbourg._ Tome XIV. 1856.)

’s Namiddags den 26 Julij 3½ mijl O.t.Z. gezeild zijnde, kwam ~Vries~

ten 6 ure ten anker op 18 vadem steekgrond met kleine steentjes

vermengt. Hij bevond zich omtrent 1½ mijl van het land, op 48 gr. 54

min. »_Hadden een hoeck alwaer wy geen lant buyten sien conden, als een

cleyn eylantie S.O.t.O. 5 mylen van ons ende d^{o}. eylantie lach S.S.O.

4 mylen van ons. Het lant van d^{o}. hoeck streckt om de N.W. soo veer

wy conden beoogen._” Deze hoek is benaamd geworden _Caep Patientie_ en

het eilandje _Robben eylant_. ~Von Krusenstern~ ging, nadat hij de bogt

rondom van nabij omgezeild had, ook aan de oostzijde van de bogt op 11

vadem kleigrond voor anker. Op zijne kaart (_Atlas_ N^{o}. LXXIII) is de

ankerplaats van de _Nadeshda_ op 49° 11′ N.Br. en 142° 10′ O.L.

aangeteekend; dus 17′ noordelijker en 8′ westelijker dan die van het

_Castricum_. Volgens zijne waarnemingen ligt de noordelijkste grens van

de bogt op 49° 19′ N.Br., terwijl naar de bepaling van de ankerplaats

van ~Vries~, die nog 1½ mijl van den noordelijken wal afgelegen was,

dezelve op 49°, en volgens ~Jansson~’s kaart op 49° 15′ N.Br. ligt. Uit

het onderzoek, dat den volgenden dag door den stuurman ~Janz Coen~ aan

het land is ingesteld geworden, blijkt dat daar de landtong, die naar de

_Caep Patientie_ uitloopt, niet breeder dan een mijl is, dat men de zee

aan de oostkust kon hooren ruischen en van eene hoogte uit zien; ook

heeft men het groote binnenmeer van _Taraika_ duidelijk kunnen

onderscheiden, dat op ~Toknai~’s kaart in den achtergrond der bogt zich

diep in het land uitbreidt. Ook werden door hem _Aino_-woningen langs

het noordwestelijke strand gevonden en eenige daarvan bezocht. Daaruit

laat zich afleiden, dat het schip _Castricum_ veel zuidelijker en

oostelijker geankerd lag dan de _Nadeshda_, van welke de Luit.

~Ratmanoff~ met een boot de noordelijke kust onderzocht, en de mond van

eene rivier ontdekt heeft, die 15 vadem wijd, 7 voet diep en zeer

vischrijk was, en welke hij vijf engl. mijlen ver opgevaren is. Deze

rivier, die haren oorsprong neemt in het hooge gebergte, dat zich van 50

tot 50½ gr. breedte uitbreidt, is, naast de _Boronai_, de grootste die

in de bogt uitwatert. Haar mond is op ~Toknai~’s kaart tusschen de

_Aino_-dorpen _Nokoro_ en _Nifiktoi_. ~Coen~ vond het eene schoone

landouw, maar nog eene groote plek sneeuw op het strand, en ~Ratmanoff~

het land deels modderig, deels met eenen vetten, zwarten grond bedekt.

In het laatst van Mei zag men nog op vele plaatsen sneeuw en de boomen

begonnen naauwelijks uit te botten. Nergens bemerkten de Russen sporen

van bevolking dan eenige _Aino’s_ die hen ontvlugtten; onze Nederlanders

daarentegen vonden woonhuizen, begraafplaatsen en gastvrije inwoners,

waarmede zij in vriendschap verkeerden en die zij voor denzelfden

landaard als die van het zuiden van _Jezo_ hielden. Mogelijk is het dat

de bevolking in dat gedeelte van _Krafto_ sedert 170 jaren verminderd

is; doch op de kaart van ~Toknai~ van 1786 zijn van de westelijke

uitwatering van de _Boronai_, rondom het meer van _Taraika_ tot aan het

_Caep Patientie_, 96 woonplaatsen met namen opgegeven. Er zijn echter

hier meestal jager- en visschernomaden te huis, die meestal eerst van de

maand Junij af aan naar de kusten en de monden van de rivieren trekken,

om daar hunnen voorraad van visch voor den langdurigen winter te

verzamelen.

De _Caep Patientie_ is door ~von Krusenstern~ op 48° 52′ N.Br. en 114°

46′ 15″ O.L. geplaatst. Volgens de waarnemingen van ~Vries~ zoude

dezelve op ongeveer 48° 34′ N.Br. te liggen komen en op de kaart van

~Jansson~ is dezelve op 48° 23′ en op de overige kaarten nog zuidelijker

geplaatst. Deze kaap is een laag voorgebergte en wordt door eenen

dubbelden heuvel gevormd, en loopt in eene lange, platte landtong naar

het Z. uit, die duidelijk op ~Vries~ kaarten aangewezen is.

In het Z.W.t.Z. van de _Caep Patientie_ werd op den 26 Julij van

~Vries’~ ankerplaats in deze bogt een »_Eylantie_” Z.Z.O. op 5 mijlen

afstand gezien en op den 28^{en} nader onderzocht. »_Alsdoen heeft den

Commandeur den Stuerman_ ~Roelof Sievertsz.~ _met de boot naer d^{o}.

eylant gestiert om dat te visiteeren; daer aencomende vonden d^{o}

eylant rontom met onder water liggende clippen beset, siende die wel by

een myl op sommige plaetsen veerder in see strecken. Dit rif streckt N.

van ’t eylant naar ’t vaste lant, ende oock op syn langst S. in see,

maer heeft veel uitsteeckende riffen. Daer streckt oock een punt van een

rif N.N.O. af, alwaer noch een groote clip of cleyn eylantie op leyt;

deze reven lycken schier aen de hoeck van ’t vaste lant vast te loopen,

dan scheen oock wel een nauwe deurganck te hebben._” »_Hadden oock by

duysende robben op de clippen ende het water vernomen; oock twee cleyne

huties met vuerplaesies op ’t eylantie gevonden. Wy gaven het eylant den

naem van Robben eylant._” Deze voortreffelijke beschrijving hebben wij

woordelijk uit het Journael overgenomen, omdat dezelve tot bijvoegsel

dienen mogt van de beschrijving die ons de groote russische hydrograaph

daarvan medegedeeld heeft. »_Wir sahen in einer Entfernung von höchstens

3 bis 4 Meilen (engl.) das gefährliche Felsenriff, welches das Robben

Eyland umgiebt. Es erstreckte sich von N.N.W. ½ W. bis N.O. Die Wellen

brachen sich heftig. Ueberall im Norden sahen wir ein grosses Eisfeld,

unter welchem wahrscheinlich die Klippen fortgingen, die wohl auch das

weitere Treiben des Eises in dieser Richtung aufhielten. Einzelne

Brandungen konnte man nach Osten zu, so weit das Auge reichte

wahrnehmen._” »_Die Nordost Spitze liegt nach unsern Beobachtungen in

48° 36′ der Breite und 144° 33′ der Länge, und derjenige Theil, den man

für die Südwest Spitze ansehen kann, in 48° 28′ und 144° 10′, so dass

der ganze Umfang des Riffs gegen 35 engl. Meilen ausmacht_[119].” Op

~Jansson~’s kaart is het N.O. punt van het rif op 47° 25′ N.Br. en het

Z.W. punt op 47° 8′. Ook zoo zuidelijk ligt het eilandje op de kaart van

»_Gedaene ontdeckinghe_.” Op de kaart van »_Gedaene Coursen_” echter

bevindt zich het midden op ongeveer 48° 12′ geplaatst. Volgens de

waarnemingen op ~Vries’~ ankerplaats zoude het _Robben Eylant_ op 48°

31′ der breedte liggen, hetwelk bijna met die van ~von Krusenstern~

overeenkomt. ~Toknai~ noemt op zijne kaart het _Robben eiland_: _Wotamo

siri_ en de _Caep Patientie_: _Fumonots_. De aan boord van de

_Castricum_ waargenomene lengte hebben wij om vroeger aangehaalde reden

ook hier overgeslagen, en ook niet overal van de diepte en den grond

gewaagd, die onze nederlandsche en russische zeevaarders langs de

oostkust van _Krafto_ en in de _Bocht Patientie_ zoo zorgvuldig

aangeteekend hebben. Aan boord van de _Castricum_, die zich verder van

de kust gehouden heeft, zijn 60 tot 34 vadem meestal steekgrond

(kleigrond) tot op de parallel van het _Robben eiland_ en verder de bogt

in tot op een afstand van 1½ mijl van den wal, 18 vadem steekgrond met

kleine steentjes vermengd, gelood geworden. Aan boord der _Nadeshda_,

die eenige malen de kust op korter afstand genaderd is en zich wederom

verder verwijderd heeft, peilde men de diepte van 95 tot 20 vadem

kleigrond, en aan het noordeinde van de _Bocht Patientie_ van 9 tot 4

vadem kort op elkander. Eene mijl in het N.W. van het _Robben eiland_

vond ~Coen~ de diepten van 35 vadem steekgrond tot 16 vadem schelp- en

singelgrond opgedroogd en 2 mijlen in het Z.t.O. ½ O. daarvan 10 vadem

schelpachtige grond. In het oosten van de _Caep Patientie_ nemen de

diepten schielijk toe tot op 80 en 95 vadem, minder en langzamer naar

het Z.O. toe, waar op een afstand van 9 mijlen 75 vadem steekgrond

gevonden werd. ~Von Krusenstern~, die op zijne kompassen weinig

vertrouwen stelde, geeft de miswijzing op zijner tweede ankerplaats (op

49° 13′ 53″ Br. en 143° 48′ 30″ Lengte) gemiddeld op 0° 38′ Oost. Aan

boord van de _Castricum_ werd die op 48° 26′ N.Br. op 7° 30′ oostelijk

bevonden en »_de compassen op 9 gr. oostering geleyt_.”

[119] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 98, 99.

Op den 3 Augustus op de gegiste breedte van 47 gr. 8½ min. werdt

»_geresolveert, alsoo onse bestemde tyt volgens Instructie van den E.

Heer Generael ende Raeden van India geexpireert is, dat men onse best

soude doen om weder te comen in de Suytsee, derhalve onse cours naar het

Canael de Vries toe te stellen_.” De _Caep Patientie_ bekwam dan ook nog

de bijnaam »_Caep Keer Weer_.”

Op den 5 Augustus hebben wij reeds onze stoute zeevaarders in de Straat,

die den naam van hunnen Commandeur vereeuwigt, ontmoet en hun verblijf

in de Baai »_de Goede Hoop_” van den 16 Augustus tot den 1 September

beschreven en hunne waarnemingen toegelicht en bevestigd. Ook hebben wij

reeds hunne ontdekkingen op de terugreis langs de oostkust van _Japan_

en van de eilanden, aan welke wij den naam van eenen nog meer

verdienstelijken zeevaarder, ~Abel Tasman~ gegeven hebben, in de

geschiedenis der ontdekkingen geboekt. Laten wij dan nog den dag

vermelden, waarop het fluitschip _Castricum_, onder het Commando van den

Commandeur ~Maerten Gerritz Vries~ behouden in den haven van _Tayouan_

op _Formosa_ binnengeloopen is en de uitboezeming van vreugde en dank

herhalen, waarmede het Journael eindigd:

»_Quaemen--den 18 November 1643--binnen ten ancker op 10 vadem, waervoer

wy niet genoech de goede Almachtige Godt connen looven ende dancken, dat

Hy ons van dese gedaene peryckeleuse reyse soo genaedelyck bewaert ende

hier binnen Tayouan behouden heeft gebracht; Hem sy alleen eer, Amen._”

Hiermede sluit ik mijne geo-hydrographische toelichtingen, waarin ik aan

zeevaarders eenige nuttige aanwijzingen en wenken tot de uitbreiding van

de aardrijks- en zeevaartkunde gegeven heb. Deze schreef ik met het

hoofdoogmerk neder, om dezelve in de handen van de Officieren der

Koninklijke Marine, van mannen versiert met kunde en ervaring en meer

dan ooit bezield met den geest van onze Nederlandsche zeevaarders in de

17de eeuw, neder te leggen, en bij voorkeur van degenen, die thans te

_Japan_ gedétacheerd zijn, aan welke niet alleen de taak van

wetenschappelijke verlichting der weetgierige bevolking van dat rijk

toevertrouwd, maar aan die nog bijzonder opgedragen is, daar den

grondslag te leggen van eene marine volgens Europesche beginselen, en

bovendien aan _Japan_ de wereld, aan zijne schepen de vaart in den

Grooten Oceaan, en aan zijn volk den wereldhandel te openen. Heeft

_Nederland’s_ invloed en vertrouwen de klippen van vooroordeel en

achterdocht bij eene regering kunnen wegruimen, die het stelsel van

afsluiting als grondstelling tot behoud van rust en vrijheid, niet

willekeurig maar door nood gedrongen, aangenomen en eeuwen lang vol

gehouden heeft; hebben Nederlanders van geboorte, of mannen met eenen

anderen tongval, evenwel door getrouwe en veeljarige diensten aan

_Nederland_ verknocht en ingelijfd, van 1641 af, in hunne gevangenis op

het afgesloten _Dezima_, zorgvuldig het verlichtend vuur van de

wetenschap als het ware in het geheim weten te onderhouden, welke

verwachtingen laten zich thans met regt koesteren, waar het aan de

Nederlandsche vertegenwoordigers van de Europesche wetenschap in _Japan_

vergund is, de fakkel der verlichting openlijk en ongehinderd te mogen

voordragen en langs den weg van onderwijs aan de Japanners, zichzelven

nopens Japansche zaken en wetenschap te onderrigten; en waar hun de

schoonste gelegenheid gegeven is, het zoo ver uitgebreide gebied van de

geographie en hydrographie, dat, tot voor korten tijd, de vreemdeling

niet anders dan op geheime wegen heeft mogen bewandelen, onder de

Nederlandsche met de Japansche vereenigde vlag te onderzoeken en door

nieuwe waarnemingen en ontdekkingen uit te breiden.

DE STAM DER AINO’S.

_Aino_ beteekent man, mensch en is de naam, die deze volkstam zichzelven

geeft en onder welke dezelve bekend is. De _Aino’s_, die in de

Geschiedenis van Japan _Asuma Jebisu_, dat is: Oostwilden, genoemd

worden, bewoonden in den oudsten geschiedkundigen tijd (660 voor

Christus) het noordelijkste gedeelte van het eiland _Nippon_, te weten

de tegenwoordige landschappen _Mutsu_, _Dewa_ en het noorden van

_Jetsigo_, welke toenmaals _Jebisu no Kuni_, het Land der Wilden

heetten. Nog in de 7de eeuw waren de _Jebisu_ in _Mutsu_ en _Dewa_ tot

op 38° N.Br. verspreid en bestendig met de Japanners in oorlog. In het

begin van de 9de eeuw was het eiland _Nippon_ reeds geheel onder de

heerschappij van de ~Mikado~’s, de Erfkeizers van Japan, gekomen;

desniettegenstaande vocht bij voortduring de beschaafde, uit het zuiden

van Japan naar het noorden voortrukkende bevolking met dat ruwe

noordelijke volk, totdat dit eindelijk ten onder gebragt werd en met de

overwinnaars tot éen volk versmolt, of deels vernietigd, deels verdreven

werd. Velen, die niet wilden bukken, hadden zich allengs naar _Jezo_

over de Straat van _Tsugar_, die _Nippon_ van dat eiland afscheidt,

begeven en zich daar met hunne oude landgenooten vereenigd. Doch in de

14de eeuw werden ook de _Aino’s_ in het zuiden van dat eiland door de

Japanners ten onder gebragt. Thans bewonen de _Aino’s_ het eiland _Jezo_

en de _Kurilen_, en het zuidelijke gedeelte van _Krafto_, waar zij zich

langs de Westkust tot op 48° N.Br. en op de Oostkust tot naar de Bogt

van _Patientie_ uitbreiden.

Voor de ontdekking van het land van _Jezo_, door ~Maerten Gerritz.

Vries~, beperkte zich de kennis van dat land en deszelfs inwoners tot de

mededeelingen van de _Patres_ ~Aloisius Froes~ en ~Hieronymus de

Angelis~ en van ~Joan Saris~ en ~Françoys Caron~. In zijnen brief van

den 11 Maart 1565, dus 22 jaren na de ontdekking van Japan, uit

_Mijako_, de hoofdstad van dat rijk, geschreven, beschrijft ~Froes~ dat

volk alzoo: »In het noorden van het land van Japan, drie honderd

_Leucas_[120], ligt een ver uitgebreid gewest door wilde menschen

bewoond[121]. Deze zijn bekleed met beestenvellen, ruig over het geheele

ligchaam, hebben een verschrikkelijk grooten baard en zeer grote

knevels, welke zij, wanneer zij drinken willen, met een stokje opligten.

Zij lusten gaarne drank, zijn stout in den oorlog en door de Japanners

zeer gevreesd. In den strijd gekwetst zijnde, wasschen zij de wonden met

zoutwater; dit is hun eenig geneesmiddel. Men zegt dat ze op de borst

eenen spiegel dragen; zij binden de zwaarden om het hoofd in dier voege

vast, dat het gevest op de schouders nederhangt. Zij hebben geene

godsdienst, het schijnt dat zij den hemel plegen aan te bidden

enz.”[122]. Meer breedvoerig is het berigt van het land van _Jezo_ en

deszelfs inwoners, dat door ~Hieronymus de Angelis~ in zijnen brief, uit

Japan in 1622, een jaar voordat hij te _Jedo_ verbrand werd, geschreven,

medegedeeld en door ~Nicolaes Witsen~ in zijne »_Noord-Oost

Tartarye_”[123] overgenomen is. Deze schets van de _Aino’s_, van hunne

zeden en gebruiken is te belangrijk om ze niet letterlijk uit dat

zeldzame boek over te nemen, ten einde te kunnen dienen tot vergelijking

met de berigten van onze Nederlandsche zeevaarders.

[120] _Leuca_ (_Legua_) 17½ op een graad.

[121] „_Amplissima sylvestrium hominum regio._” Deze uitdrukking

schijnt aan ~Abrahamus Ortelius~ aanleiding te hebben gegeven

het in zijn „_Theatrum orbis terrarum_” in het noorden van Japan

vertoonde eiland „_Satyrorum Insulam_” te noemen.

[122] _Rerum a Societate Jesu in Oriente gestarum volumen._ Coloniae.

1574. pag. 426. „Japoniae terrae in Septentrionem adiacet

amplissima sylvestrium hominum regio, leucas ab urbe _Meaco_

trecentas. Bestiarum pellibus induuntur, toto hirti corpore,

ingenti barba, mystacibus maximis, quas paxillo subrigunt

potaturi. Vini gens avida in primis, ad bella ferox, formidolosa

Japoniis. In praelio sauciati, salitis aquis abluunt vulnera, id

unum genti remedium est. Speculum gestare dicuntur in pectore;

ad caput gladios alligant sic, ut in humeros manubrium desinat.

Sacra habent nulla, caelum dumtaxat venerari soliti sunt.”

[123] ~N. Witsen~, Deel II. l. c. pag. 57.

Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan volgens het journaal gehouden door C.J. Coen, op het schip Castricum · 第 25 / 32 段