Volgens de peilingen ten 4 uren na den middag van den 14 Julij gedaan,

bevond zich ~Vries~ reeds in de Golf van _Aniwa_, en wel 4 à 5 mijlen

O.t.N. van het hooge gebergte (_Horobori_), hetwelk in eene landtong

(_Notoro_) uitloopt, die door ~Lapérouse~ _Cap Crillon_ genoemd werd en

de westelijke en zuidelijkste grens van de Golf van _Aniwa_ vormt. Wij

hebben dan ook reeds op onze kaart van _Krafto_ (_Atlas_ n^{o}. 3) den

_Horobori_ als den _Blydeberg_ herkend, die het hooge land, door ~Vries~

in het W.t.Z. gezien, zijn moet[107]. Het land dat verder van N.N.W. tot

N.N.O. strekt, zijn de bergketen, _Poortlandt_ genoemd, die in het

westen van de golf tot den _Pic Bernizet_ van ~Lapérouse~, en regts van

de _Zalmbaai_ noordelijk strekken, en op ~Toknai~’s originele kaarten de

namen van _Okosjô_ en _Niwajemesi_ (_de Speenberg_, ~Vries~?) dragen; en

de twee hooge bergen kort daarna in het O.t.N. op 10½ mijl afstand

gezien, die zich gelijk een eiland vertoonden, zijn de kegelbergen

_Hôru_ en _Serikai_ welke tot de ketting behooren, die de oostelijke

grens van de golf vormt en wier zuidelijkste uithoek _Siretoko_ genaamd

en _Caep Aniwa_, ~Vries~, is. Deze beide kapen, _Cap Crillon_ (volgens

~von Krusenstern~, op 45° 54′ 15″ N.Br. en 141° 58′ O.L.) en _Caep

Aniwa_ (op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L.) zijn de noordelijke,

en Kaap _Soja_ (op 45° 31′ 15″ N.Br. en 141° 51′ O.L.) de zuidelijke

grens der Straat _de Lapérouse_, die aan den westelijken ingang 23 engl.

mijlen breed is. Behalve de klip _la Dangereuse_, 10 engl. mijlen in het

Z.O. van _Cap Crillon_ op 45° 47′ 15″ N.Br. en 142° 8′ 45″ N.Br. en 142°

8′ 45″ O.L. gelegen, en die dezen naam draagt, omdat dezelve even boven

water ligt en mogelijk bij hoog water onder water. In een’ afstand van

2-3 engl. mijlen daarvan, vonden ~Lapérouse~ en ~Krusenstern~ 23 à 25

vadem rotsigen grond met kleine steentjes. Beide zeevaarders hebben ook

eene sterke strooming (~von Krusenstern~ half Mei om de oost)

waargenomen; ~Lapérouse~ merkt op, dat de strooming harder aan de

noordzijde van de straat, aan de zijde van _Krafto_, dan aan de

zuidzijde, die van _Jezo_, liep. De diepte in het midden der straat aan

den westelijken, den naauwsten, ingang, door ~Lapérouse~ en ~von

Krusenstern~ waargenomen, zijn 36-42 vademen rotsigen grond met kleine

steentjes. ~Vries~ loodde bij den oostelijken ingang 80 vadem steekgrond

en verder, 70 fijne zandgrond; zijne bevonden diepten naar en in de Golf

van _Aniwa_ zijn ook grooter als die, welke door ~von Krusenstern~

bekend gemaakt zijn. Daar deze waarnemingen bijna een en een halve eeuw

uit elkander liggen, zoo mogt men daaruit aanleiding tot de vraag nemen:

of dat verschil niet het gevolg kon zijn van verheffing van den bodem

der straat, die eene keten van bij voortduring werkzame vuurbergen

afbreekt? Dit problema behoort niet alleen tot het gebied van de

geologie, het behoort ook wel degelijk tot de hydrographie en verdiende

hier en in alle vulkanische landen, van zeevaarders mede in aanmerking

genomen te worden. Bij het opzoeken van den westelijken ingang der

straat, van het zuiden komende, dienen de eilandjes _Risiri_ en

_Refunsiri_, het eerste met zijne hooge piek, die 50 engl. mijlen uit

zee kan gezien worden tot loodsen, en van het noorden komende het

eilandje _Toto mosori_ (_I. Monneron_, ~Lapérouse~). _Risiri_ ligt op

45° 11′ N.Br. en 141° 12′ 15″ O.L.; het eilandje strekt N.N.W. en Z.Z.O.

van de kust, ongeveer zeven engl. mijlen lang en drie à vier breed, de

oostzijde is stijl, rotsig en schijnt onvruchtbaar te zijn; de westzijde

loopt vlakker neer, is ook met rotsen omsingeld, hier en daar echter

weelderig begroeid en levert door afwisseling van groene plekken met

bosschen een aangenaam gezigt op; de _Kegelberg_, van welke men

duidelijk de vulkanische uitwerkingen en de krater zien kan, is

rotsig en dor en in de maand Mei nog gedeeltelijk met sneeuw bedekt. De

west- en noordwest-kust heeft eenige inhammen, _Toto tomari_ en _Benkaï

tomari_, die bewoond zijn, en waar zich _Japansche_ wachthuizen

bevinden. Ook aan het noordeinde is een gehucht van de _Aino’s_, en eene

wacht, _Nakkatomari_, en aan de N.O.kust (volgens ~Toknai~), eene bogt

_Otsutsi tomari_, waar een riviertje _Kusjônaï_ uitwatert; van deze bogt

gaat een landweg naar _Toto tomari_. In deze bogt ankeren telkens de

Japanners op hunne vaart van _Matsmaë_ naar Kaap _Soja_. Op eenen

afstand van 24 engl. mijlen in het Z.W. gezien, vertoont zich dit

eilandje als een vrij in zee staande kegelberg, aan welke men nog in den

zomer met sneeuw opgevulde voren waarneemt[108]. _Refunsiri_ ligt op 45°

27′ 45″ N.Br. en 141° 4′ O.L., strekt N.t.O. en Z.t.W. en is ongeveer 10

eng. mijlen lang en vier à vijf breed, met stijle rotsen omgeven,

heuvelig, zich naar het N.O.einde in een berg verheffend (_Cap

Guibert_), die echter in vergelijking met de piek van _Risiri_ laag is.

Aan de Oostzijde, ongeveer in het midden van het eiland bevindt zich een

inham _Toitsubeki_, waar een _Aino_ dorp en een _Japansch_ wachthuis is

en een beschermende ankerplaats voor _Japansche_ schepen gevonden

wordt. Ook aan de N.zijde buigt de kust diep in, en vormt eene kom naar

een binnenmeer gelijkende. Beide eilandjes waren vroeger, meer dan

tegenwoordig, door de _Aino’s_ bewoond. Het vaarwater tusschen beide

eilandjes is zuiver, insgelijks de vaart tusschen dezelve en de westkust

van _Jezo_. Van het noorden komende, dient het kleine en laage eilandje

_Tato mosiri_, d. i. Walrussen eiland, tot gids. Het ligt op 46° 9′

N.Br. en 141° 15′ O.L., strekt zeven engl. mijlen N. en W., en is

ongeveer 18 engl. mijlen (volgens ~Lapérouse~) van de kust van _Krafto_

verwijdert. ~Lapérouse~ en ~Broughton~ zijn tusschen dit eilandje en de

kust, waar niet minder dan 50 vadem water gevonden wordt, gepasseerd; de

laatste heeft het echter niet gezien. Men moet dus bij mistig weer hier

voorzigtig zijn, te meer daar de afstand van het eilandje van de kust

van _Krafto_ niet juist bepaald is. Wanneer men _Toto mosiri_ gepasseerd

is, kan men ook reeds de piek van _Risiri_ zien. Den oostelijken ingang

van de straat kenmerkt het hooge gebergte van de oostkust van _Krafto_,

die op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L. den zuidelijken en

oostelijken uithoek van dat eiland vormt, _Siretoko_, door ~Vries~ _Caep

Aniwa_ genoemd. Deze kaap vertoont zich als eene steile, losgescheurde

rots met een diep gekloofde punt. Volgens ~Toknai~’s kaart liggen eenige

rotsen nog buiten de kaap. ~Von Krusenstern~, die de kaap in een afstand

van 5 tot 8 engl. mijlen omzeilde, vond het vaarwater zuiver en loodde

75 vadem kleigrond.

[107] Op de kaart van _Japan_, behoorende tot de bovengenoemde

verhandeling van ~Bennet~ en ~van Wijk~, is de naam van

_Blydeberg_ aan den _Pic de Langle_ toegepast. Op alle originele

kaarten van ~Vries~ zeetogt ligt de _Blydeberg_ ten minste 50′

noordelijker als het eilandje _Risiri_, waarop zich deze piek

bevindt. Ook laten zich de voormelde peilingen hoegenaamd niet

daarmede overeenbrengen.

[108] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt, Atlas_, n^{o}. LXXI en

LXXII.

=De Golf van Aniwa.= Aan ~Vries~ hebben wij de ontdekking en eerste

kennis, aan ~von Krusenstern~ de bevestiging dezer ontdekking en een

nader geo-hydrographisch onderzoek van deze golf te danken. De Japansche

aardrijkskundigen, namelijk ~Mogami Toknai~, en ~Mamia Rinso~, hebben

ons meer bijzonder met de configuratie der kusten, met derzelver

uithoeken, bogten en inhammen, met de daar uitwaterende rivieren en

beeken, met binnenmeren en ketens van gebergten en met de inlandsche

namen daarvan en met al de bewoonde plaatsen bekend gemaakt. Maar niet

alleen danken wij aan hun de bijzondere kennis van deze golf; met verre

het grootste gedeelte van _Krafto_ hebben ons deze onvermoeide reizigers

insgelijks bekend gemaakt. Het voorheen zoo weinig bekende voor een

schiereiland gehouden _Saghalin_ is door hunne nasporingen van het vaste

land van _Azië_ als het ware afgescheurd en door hen is het binnenste

van eene _terra incognita_ ontsloten geworden. Men vergelijke de beste

Europische kaart van _Krafto_ die bestaat, de _Carte de la Presqu’isle

de Saghalin_ in 1827[109], door ~von Krusenstern~ uit de waarnemingen

van ~Vries~, ~Lapérouse~, ~Broughton~ en zyne belangrijke eigene

ontdekkingen zamengesteld, met onze kaart »_die Insel Krafto und die

Mündung des Mankô_ (_Amur_) _nach Originalkarten von_ ~Mogami Toknai~

_und_ ~Mamia Rinzo~”[110], en het _in de lengte grootste eiland der

wereld_ ligt ontsloten voor onze oogen; een eiland, dat met ons toedoen,

volgens art. 2 van het tusschen _Rusland_ en _Japan_ gesloten traktaat,

als neutraal verklaard, dus van nu af aan niet alleen voor den

wereldhandel geopend, maar ook voor kolonisatie door eene nieuwe

bevolking vatbaar is gemaakt[111].

[109] _Atlas de l’Océan Pacifique_, par ~de Krusenstern~, n^{o}. 25.

[110] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_ l. c. n^{o}. 3.

Ik wil hier opmerken, dat het eenige, in _Japan_ bestaande

Exempl. van ~Toknai~’s „_Originele M. S. Kaarten van Jezo, de

Kurilen, Krafto en den Amur_,” aan mij op den 16 April 1826 te

_Jedo_ door dezen reiziger is afgestaan geworden, onder de

voorwaarde, dezelve niet vroeger dan na verloop van 25 jaren

bekend te maken. De 72jarige grijsaard was toenmaals, ondanks

zijne groote verdiensten voor de kennis van de aan _Japan_

onderhoorige noordelijke landen, in ongenade gevallen, en in

nood en ellende gedompeld, omdat hij van zijne ontdekkingen

geen geheim maakte, te vrijborstig en oud was; en toch niet

gebukt wilde gaan. Zoo kwamen zijne onschatbare kaarten in mijn

bezit en werden eerst in 1852 in het licht gegeven.

[111] „Art. 2. De grenzen tusschen _Rusland_ en _Japan_ zijn voortaan

tusschen _Iturup_ en _Urup_. Het geheele eiland _Iturup_

(_Staatenland_) behoort aan _Japan_, het eiland _Urup_

(_Compagnieland_) met de noordelijke _Kurilen_, tot de

_Russische_ bezittingen, terwijl het eiland _Krafto_

(_Saghalien_) tusschen de beide rijken neutraal blijft.”

_Journal de St. Petersbourg_, 28 Avril 1857.

In de veronderstelling, dat in het W. het land gesloten en geen doorgang

mogelijk was, had ~Vries~ zijnen koers noordelijk vervolgd, op een

afstand van 4 mijlen van de kust, die hij _Poort Landt_ noemde. Hij

bevond zich volgens gissing op de breedte van 46° 30′ N., bij eene

diepte van 23 vademen steekgrond. Hij nam nu een N.O. koers en na dien

eenige mijlen met opdrogende diepte tot op 16 vadem steekgrond te hebben

vervolgd, kwam bij ten anker. Den 16 Julij »_’s morgens was ’t noch

mistich weder maer daerde een weynich op, saegen dat in een groote

inbocht geset lagen_.” Men zette de _prauw_ uit, om eene ankerplaats

digter bij den wal op te zoeken, die ook op 10 vadem steekgrond, ⅓ mijl

van het land, gevonden werd. Aanvankelijk liet men het anker verder naar

het land toe, op 6 vadem steenachtige grond vallen, daar dit echter niet

wilde houden en het van het land begon te waaijen, zeilde men terug en

ging op 9½ vadem steekgrond voor anker, het dorp _Aniwa-Tamary_

(_tamari_, d.i.: woonoord) N.O. ½ mijl peilende. »_Waeren nu op de

gegiste breete van 46° 40′._” Deze inbogt werd de »_Salmbay_” genoemd,

omdat men zich hier rijkelijk van zalm voorzag. Op de meergemelde kaart

van »_Gedaene Coursen_” leest men: »_Hier komen haer veel inwoonders aen

boort, die haer willen beduiden dat hier in ’t gebergte ’t Silver in

overvloet te bekomen is, ook houden zij ’t ijzer waerdiger als ’t

Silver._” Ook worden in het Journaal merkwaardige verhalen over de

inwoners, waarmede onze zeevaarders in aanraking kwamen, medegedeeld.

Daarvan op eene andere plaats.

Alvorens het Journaal teruggevonden en van de meergemelde twee kaarten,

die zich in den »_Atlas van geteekende Land- en Zeekaarten_,” thans

bewaard bij het statistiek Bureau van het Ministerie van Koloniën,

bevinden, door ons inzage genomen was, berustte de kennis van den door

~Vries~ ontdekten Golf van _Aniwa_, op de kaart van ~Jansson~ en op

eenige stuksgewijze mededeelingen van zijnen gedenkwaardigen zeetogt

door ~Nicolaes Witsen~ en anderen, en deze waren ten opzigte van

aardrijkskundige bepalingen zeer gebrekkig. ~Von Krusenstern~ had niets

dan eene kopij van ~Jansson~’s kaart aan boord, waarop de mond van de

rivier, waarmede de »_Salmbay_” eindigt, op 47° 35′ N.Br. geplaatst was.

»_Es scheint fast unglaublich_,” roept hier de groote hydrograaf uit,

»_wie man einen Fehler von 52 Minuten in der Breite hat begehen

können_”[112]. En toch een ~Vries~ heeft zulk een misslag kunnen begaan?

Neen, nimmer! De ankerplaats van het schip _Castricum_ werd door hem

_volgens gissing_ bepaald op 46° 40′ N.B. en die was ½ mijl in het Z.W.

van _Aniwa Tamary_. De ankerplaats van de _Nadeshda_ werd door ~von

Krusenstern~ _sterrekundig_ bepaald op 46° 41′ 15″ N.Br. en 142° 33′

O.L. op eenen afstand van 2½ engl. mijlen Z. 49° O. van de _Japansche_

faktorij. Daar nu de ankerplaats van ~von Krusenstern~ ten hoogsten 3

minuten noordelijker dan die van ~Vries~ was, zoo bedraagt het verschil

der breedte, door onzen _Nederlandschen_ zeevaarder in 1643 bij

_gissing_ bepaald, slechts 2 minuten van de _sterrekundige_ waarnemingen

van een der vermaardste hydrographen dezer eeuw. Voegt men daarbij

~Vries’~ _bevonden breedte_ op den 19 Julij, wanneer hij zich op 46° 27′

N. bevond en »_alsdoen lach de steylen hoeck beoosten Tamary N.W. ½ W.

2½ myl van ons, in ’t N. lach het land 2½, in ’t N.O. 3 myl, in ’t O. 5

myl, in ’t S.O.t.S., de veerste hoeck dien wy sien conden, 8 mylen van

ons ende gaven dien hoeck de naam van Caep de Aniwa_,” en vindt men uit

deze sterrekundige en compas-waarnemingen van ~Vries~, dat de »_steyle

hoeck beoosten Tamary_,” op 46° 37′ ligt, en dat die hoek 4′

zuidelijker dan ~von Krusenstern~’s ankerplaats is, zoo bestaat er geen

verschil meer omtrent de aardrijkskundige ligging van de _Salmbay_, zoo

als die door onze beide zeevaarders bepaald geworden is. En neemt men

daarbij de gegiste breedte van den volgenden middag (20 Julij) in

aanmerking, waar ~Vries~ giste Z.t.O. 6½ mijl gezeild en op 46° 1′ 30″

te zijn, en _Caep Aniwa_ O.Z.O. 3 à 4 mijlen van zich te hebben, alsdan

wordt ook de aardrijkskundige ligging van _Caep Aniwa_ op 45° 59′ N.Br.

bepaald, hetwelk een verschil van 3′ 20″ oplevert met de herhaalde

sterrekundige waarnemingen van ~von Krusenstern~, volgens welke deze

kaap op 46° 2′ 20″ N.Br. ligt. Ook de inham _Tofuts_ genaamd, in het

O.t.Z. van den hoek van _Tamary_ gelegen, en een steile rots, op ~Vries~

kaarten _Piramyda_ en op ~Toknai~’s kaart _Takatsuka_, d. i. de hooge

grafheuvel genoemd, die wegens den digten mist door ~von Krusenstern~

niet konden gezien worden, bestaan en getuigen van de naauwkeurigheid

van ~Vries~ waarnemingen en gelijktijdig van de getrouwheid der

_Japansche_ kaarten, en met regt, zegt ~Lapérouse~, wanneer hij de

waarnemingen van onzen zeevaarder nopens den Golf van _Aniwa_

beoordeelt: »_précision étonnante pour le temps où fut faite la campagne

du Kastricum_,”[113] en niet minder streelend is de uitroep van ~von

Krusenstern~, toen ik hem in 1834 op de kaarten van ~Toknai~ en ~Rinso~

de straat aantoonde, die _Krafto_ van het _Amurland_ afscheidt: »_Les

Japonais m’ont vaincu!_”

[112] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 68.

[113] _Voyage de_ ~Lapérouse~ l. c. Tom. III, pag. 93.

De Golf van _Aniwa_, die 90 engl. mijlen wijd en 70 mijlen diep, en voor

zoo verre hij haar onderzocht, vrij van gevaren is, biedt eene ruime en

tevens veilige ankerplaats langs de kusten, die haar in het O. en W.

omgeven en in de zoogenoemde _Salmbay_, waarmede zij eindigde. Men vindt

van 45 tot 10 vademen _steekgrond_, rondom naar den wal toe regelmatig

opdrogende, waar de grond rotsig met steentjes gevonden wordt. Het

tijdstip van hoog water bij nieuwe of volle maan kon door ~von

Krusenstern~ niet naauwkeurig waargenomen worden; hij gelooft echter dat

het omstreeks 5 uren zijn zal. Stuurman ~Coen~ zegt: »_Het water wast

hier_ (aan de _Salmbay_) _een vaem op en neder, meer malen op den dag_.”

Er waaijen hier ook regelmatig land- en zeewinden, ’s avonds en ’s

morgens. ~Vries~ nam hard waaijende landwinden en ~von Krusenstern~ een

frisschen zeewind waar. De strooming die in het midden der Straat van

_Lapérouse_ O. loopt, wordt aan de kust van de golf niet gevoeld; daar

schijnt, zoo als aan de noordkust van _Jezo_, door de getijden

afwisselende, eene oostelijke en westelijke strooming plaats te hebben.

De miswijzing van het kompas bedroeg (1805) aan den oostelijken uitgang

van de golf 1° 11′ Oost. Ten tijde van het bezoek van ~Vries~ was de

golf alleen van _Aino’s_ bewoond; wel had reeds in het begin van de 17

eeuw de vorst van _Matsmaë_ op _Jezo_, van Kaap _Soja_ uit eene

herhaalde expeditie naar _Krafto_ ondernomen; de Japanners bleven daar

overwinteren, keerden echter na verloop van eenige jaren terug. De

eerste mededeelingen over _Krafto_, ook _Kita-Jezo_, d. i. Noord-_Jezo_

genoemd, heeft men aan den _Japanschen_ aardrijkskundige ~Fajasi Sivei~

te danken[114]; daaruit blijkt, dat reeds in het begin van de 18^{e}

eeuw een handelsverkeer van _Jezo_ uit, met dat land plaats had, en dat

men toenmaals daar reeds 22 _Aino_-dorpen kende. Men veronderstelde, dat

dit land door eene hooge bergketen van het land _Santan_ en _Mantschu_

afgescheiden was en beweerde dat de sterke strooming, klippen en banken

in de straat tusschen _Jezo_ en _Krafto_ den vaart daar naar toe zeer

gevaarlijk maakten. Een eiland _Sagalin_ (_Saghalien_) wordt op

~Sivei~’s kaart nog bijzonder tegenover den mond van den _Amur_

vertoont, zoo als dat eiland ook op de _Chinesche_ kaarten geplaatst

is. Op de meergemelde kaart van ~Fukutsi Kensok~ is _Krafto_ reeds als

een eiland uitgeteekend en daarop de vaart van _Soja_ naar _Siranusi_

aangewezen. Eerst sedert Augustus 1785, wanneer de meergenoemde ~Mogami

Toknai~ ook van _Soja_ uit, met een _Japansch_ koopvaardijschip naar

_Siranusi_, niet verre van _Cap Crillon_, overzettede, is _Krafto_ aan

de Japanners nader bekend en van dien tijd af aan van kooplieden onder

het toezigt der regering bezocht geworden. Vischvangst en vischhandel

hebben tot op den huidigen dag eene levendige verkeering tusschen

_Jezo_, _Japan_ en de Golf van _Aniwa_ onderhouden, die allengs een

onuitputbare en onmisbare bron voor het levensonderhoud van de meer en

meer toenemende bevolking van het rijk _Nippon_ geworden is.

[114] _San-kok-tsu-ran-dsu-ki_ en ~Klaproths~ vertaling, pag. 187.

=De Bocht van Patientie.= Na de omzeiling van de _Caep Aniwa_ (21 Julij)

nam ~Vries~ zijnen koers N. en vervolgens N.W. en verder N.W.t.W. en

»_corts daernaer W.N.W. om te soecken om de W. te komen, hadden slecht

water. Giste ’s middachts gezeylt te hebben N.W. ½ W. 11 mijlen, waeren

volgens dien op de breete van 46 gr. 28 min. Omtrent 4 uren naer de

middach cregen wy weder de cust van Eso in ’t gesicht, ende was een

steile uytsteeckende hoeck met laech afgaende lant om de N. streckende,

geleeck wel naer een tonyns hooft, gaeven d^{o}. hoeck de naem van

Tonyns hoeck, d^{o}. hoeck lach W.S.W. 1 myl van ons. Hadden van ’s

middachts geseylt 5 mylen W.N.W.; vonden de diepte van 44 vadem

steeckgrond, ende corts daernae 58 vadem._” ~Vries~ bevond zich toen aan

de oostkust van _Krafto_. Van de _Caep Aniwa_ af aan, die het uiteinde

als het ware van eene door eene hooge bergketen gevormde landtong is,

kenmerkt zich de oostkust daarvan door vier uithoeken, waar de

zuidelijke en kleinste op ~Toknai~’s kaart _Tsisinoje_, de volgende

grootere _Hontob_ (_Cap Löwenorn_, ~Krusenstern~), dan wederom een

kleine uitstekende hoek _Niteosi_ en eene groote met een voorgebergte

naar het N. uitloopende hoek aan zijn zuidelijk uiteinde _Wojakutsi_ en

aan zijn noordelijk _Ajerub_ genaamd is. ~Von Krusenstern~ heeft aan dat

noordelijk uiteinde den naam van _Cap Tonyn_ gegeven en de

aardrijkskundige ligging daarvan op 46° 50′ N.Br. en 143° 33′ O.L.

bepaald, en die van _Cap Löwenorn_ op 46° 23′ 10″ N.Br. en 143° 40′ 20″

O.L. Deze kaap is eene steile uitstekende rots, door zijne gele kleur

van andere rotsen verscheiden en kenbaar. Na de kaart van ~Jansson~ en

van die van de »_Gedaene ontdeckinghe_” (_Atlas von Land- und

Seekarten_, N^{o}. 11. D.) te oordeelen, zoude de _Tonyns hoeck_

zuidelijker liggen en de uithoek _Hontob_ (_Cap Löwenorn_) zijn; neemt

men daarentegen de op den middag van den 23 Julij gegiste waarnemingen

van breedte aan boord van de _Castricum_, 46° 28′ N. en reekent daarbij

vijf mijlen met een W.N.W. koers en den afstand van den _Tonyns hoeck_

van 1 mijl W.Z.W.; zoo komt deze hoek op ongeveer 46° 47′ N.Br., dus 24′

noordelijker dan _C. Löwenorn_ en 3′ zuidelijker dan _C. Tonyn_,

~Krusenstern~, te liggen. Op onze kaart van _Krafto_ (_Atlas_, N^{o}. 3)

hebben wij reeds aan het zuidelijke uiteinde, aan _Wojakutsi_, dat

ongeveer 6 à 8 minuten zuidelijker ligt dan ~von Krusenstern~’s _C.

Tonyn_, den naam van _Tonyns hoeck_ toegekend.

Het lage land »_tot 3 à 4 myl benoorden de Tonyns hoeck_,” is

ontwijfelbaar de bogt, die zich van _Ajerub_ (C_. Tonyn_, ~Krusenstern~)

tot _Notsuitoko_ (_C. Seniavin_, ~Krusenstern~) in eene N.W. rigting

uitbreidt, en door ~von Krusenstern~, _Mordwinoff’s_ baai genoemd werd.

Onze meergenoemde Japansche reizigers hebben ons deze bogt nader leeren

kennen en wij zien daar eenen diepen inham en een groot binnenmeer,

_Omutô_, dat door eene rivier in zee uitwatert en door een ander

riviertje en drie meer zuidelijk gelegene kleinere meren, _Tsisikusitô_,

_Hotoma_ en _Tôfuts_, eenen weg ter verbinding met den Golf van _Aniwa_

opent. Deze communicatie is voor de langs de geheele oostkust van

_Krafto_ tot de in de »_Bocht Patientie_” wonende bevolking zeer

nuttig, omdat zij daardoor ontheven zijn van met hunne kleine vaartuigen

de _Caep Aniwa_ om te zeilen, wanneer zij ten handel daar naartoe willen

komen (vergelijk _Atlas_, N^{o}. 3).

Den 24 Julij. »_Wy vervolchden onse cours om de N.N.W. aen. Giste ’s

middachts geseylt te hebben N. ⅔ W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de

breete van 47 gr. 27 min., maer bevonden ons te wesen op de breete van

47 gr. 49 min., soodat ons de stroom wat om de N. geset had, omtrent 3

mylen veerder als gegist hadden. Alsdoen lach het lant in ’t S.W.t.W. 5

mylen ende in ’t W. 6 mylen van ons. In ’t N.W. ½ W. lach een hoogen

berch met een scherp toppie boven op, gaeven die de naem van

~Tepelberch~, ende lach 10 à 11 mylen van ons. Conden noch in ’t

N.W.t.N. lant sien, ’t welck noch al N.waert heenstreckte. Hadden

alsdoen de diepte van 55 vadem, steckgront._” Volgens deze waarnemingen

en verkenningen bevonden zich onze zeevaarders tusschen _Cap Seniavin_

en _Cap Muloffsky_, ~Krusenstern~, die op ~Toknai~’s kaart de namen

_Notsuitoko_ en _Sjojunkotan_ dragen en waarvan de eerste op 47° 16′ 30″

N.B. en 143° O.L. en de laatste op 47° 57′ 40″ N.Br. en 142° 44′ O.L.

door ~von Krusenstern~ geplaatst is. Ongeveer naar het midden van deze

kuststreek toe wordt het land lager, valt naar het W. af, en vormt eene

bogt, waar de grootste rivier op de oostkust, de _Naifuts_. zich in zee

stort, en de bergketen, die Z.W. en N.O. strekt en die ~von Krusenstern~

op het denkbeeld bracht, dat zich daar eene doorvaart opende, is het

gebergte, door welks valleijen deze rivier stroomt. De berg dien ~Coen~

den »_Tepelberch_” noemt, is waarschijnlijk dezelfde die op alle andere

kaarten van ~Vries’~ zeetogt _Speenberg_ genaamd is. Wij hielden den

_Speenberg_ voor het gebergte _Niwajemesi_, op den regten oever van den

_Naifuts_ gelegen. ~Von Krusenstern~ die denzelven als een hoogen

afgeronden berg beschrijft en op 47° 33′ N.Br. en 142° 20′ O.L. plaatst,

meent dat het de op de westkust door ~Lapérouse~ geziene piek

_Bernizet_ zijn kon, die volgens ~Lapérouse~ op 47° 25′ N.Br. en 142°

21′ 20″ O.L. ligt. Daar in het _Journael_ de afstand van den

_Tepelberch_ (_Speenberg_) op 10 à 11 mijlen opgegeven is, zoo kan het

niet wel een berg op de oostkust zijn, daar hier (op 47½ gr. N.Br.)

_Krafto_ niet veel breeder dan 30 engelsche mijlen is. Op de Japansche

kaarten bevinden zich op de oostkust twee bijzonder gekenmerkte bergen,

de voormelde _Niwajemesi_ en de _Tokitaë_. Het is niet onwaarschijnlijk

dat de eerste de _ronde berg_ is, die door ~von Krusenstern~, na de

omzeiling van zijn _Cap Tonyn_ (_Ajerub_) is gezien geworden[115], en de

andere die, waarvan in het Journaal (den 24 Julij namiddag) gezegd

wordt: »_in ’t W.t.N. saegen wy eenige berghen daer spitsies op stonden

als stompe torens_.” De _Tokitaï_, die door twee kegelvormige toppen

gekenmerkt is, ligt ongeveer op 47° 50′ N.Br., juist in de bogt in het

Z. van de _Cap Muloffsky_, waar de kust zich N.t.O. begint uit te

strekken. Nog willen wij de aandacht van zeevaarders op eenige meer naar

het N. op de westkust van _Krafto_ gelegene hooge bergen vestigen, die

waarschijnlijk ook van de oostzijde van dat eiland kunnen gezien worden.

Het zijn de kegelbergen _Raitsiska_, _Jesijaran_ en _Rijonai_, waarvan

de eerste door ~Lapérouse~ _Pic de Lamanon_ genoemd en op 48° 45′ N.Br.

en 141° 56′ O.L. geplaatst is en de laatste, _Pic de Mongez_, ongeveer

38′ noordelijker ligt. Wij hebben meer breedvoerig over deze bergen

uitgewijd, omdat in dit zeegebied meestal een digte mist het lage land

bedekt en de hoogste bergtoppen dikwijls maar met een blik ten

voorschijn komen en tot verkenning dienen kunnen.

[115] Hinter dieser Spitze erhob sich ein abgerundeter Berg, an

welchen nach Norden zu sich wieder hohe mit Schnee bedeckte

Berge anreihten. ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II.

p. 87.

Alvorens wij echter deze kust verlaten en mede in de »_groote bocht van

Eso_” zeilen, die zich aan onze zeevaarders in het N.N.W. tot O.Z.O.

opende, kunnen wij niet onopgemerkt laten, dat ~Vries~ daar eene

strooming waarnam, die hem in 24 uren 3 mijlen om de N. zette; en dat

aan ~von Krusenstern~, ongeveer op de hoogte van _Cap Muloffsky_, het

land een veel aangenamer gezigt opleverde dan de meer zuidelijk gelegene

landstreken van _Krafto_ en _Jezo_[116]. Mag daartoe reeds de ligging

dezer kust naar het oosten en derzelver bescherming door hooge

bergketens in het W. en N.W. tot in het N.O. veel bijdragen tot de

voortbrenging van een zachter klimaat, toch moet men niet miskennen, dat

de _uit warmere gewesten naar het noorden stroomende wateren_--een

zijtak van den meergemelden _Japanschen stroom_--eenen even gunstigen

invloed op deze kust, die zij bespoelen, uitoefenen als de in het

noorden tot IJsland doordringende verwarmende vloeden van den

Atlantischen Golfstroom. Ook willen wij bij herhaling beweren, dat de in

dat zeegewest heerschende mist door de onevenredigheid van de

temperatuur van het zeewater tot die van de lucht voortgebragt wordt en

gedurende het grootste gedeelte van den zomer aanhoudt.

Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan volgens het journaal gehouden door C.J. Coen, op het schip Castricum · 第 24 / 32 段