bijnaam _Nobori_[101] hebben, van vulkanischen oorsprong zijn en zoo
zien wij dan den _Croonbergh_ als _Fussanobori_, en in de baai van
_Seppo_ den _Hetô nobori_ en _Horosju nobori_, en langs de N.W. kaap den
_Sjusi nobori_, _Itomatse nobori_, _Kitettse nobori_ en _Sjokku nobori_
zich verheffen. Het uitmuntende kaartenbeeld, dat ons ~Toknai~ van dit
eiland, in een maatstaf van 24 centim. een equatoriaalgraad, geeft, laat
uit de configuratie van de kusten--hier ver uitstekende, hooge
voorgebergten en steile uithoeken, daar diep inloopende bogten, baaijen
en massa-gebergten, door lage landtongen van elkander afgescheiden, van
verre gezien zich als eilanden op zich zelven vertoonende herkennen. Dit
verscheurd en gebroken, smal en meer dan 70 Eng. mijlen lange eiland
geeft ons een duidelijk denkbeeld van de onderaardsche krachten, die het
uit den Oceaan hebben doen oprijzen, en van het geweld der door orkanen
bewogen golven der zee, die sedert duizende jaren de rotsen uitgespoeld,
de bogten en baaijen uitgehold en er het strand met zand bedekt hebben,
door welke zich kleine, snel loopende riviertjes den weg banen. Uit
deze bij afwisseling uit steile rotsen en ondiepe baaijen en bogten
bestaande kusten van dit eiland laat zich dan ook de ongelijke diepte
digt bij den wal verklaren, waar men, naar gelang van deszelfs
gesteldheid, 30 tot 100 vademen zwarte zandgrond, singel en paalgrond
loodt. Behalve de _Piramyda_ vindt men vele kleine eilandjes, rotsen en
klippen rondom de kust verspreid, wier ligging maar figuratief bekend
is; op deze gevaren moet men goed uitkijk houden. Behalve van eenige
schipbreukelingen is dit eiland nog niet van Europische of andere
natuuronderzoekers bezocht geworden, van zijne Fauna en Flora hebben wij
nog geene wetenschappelijke kennis, zijne voortbrengselen laten zich
gedeeltelijk uit de mededeelingen van de Japanners ontcijferen of als
overeenkomende met die van _Jezo_ en _Kamtschatka_, zijne zuidelijke en
noordelijke naburige landen, vermoeden. En dit merkwaardige eiland
draagt--ik herhaal het--sedert meer dan twee eeuwen een Nederlandschen,
den zeer respectabelen naam van _het Staaten eiland_.
[101] _Noboru_ is een oud Japansch woord en beteekent ~opklimmen~ en
_nobori_ eene ~hoogte~, een ~top~. De Japanners gebruiken het
niet voor vulkaan, waarvoor zij het woord _Take_ hebben; bij de
_Aino’s_ wordt het volgens ~Dawidow~ en ~Toknai~ uitsluitend
voor vulkanische gebergten gebezigd b. v. _Iuwau nobori_,
zwavelberg.
=De straat de Vries en het Compagnijsland= (het eiland _Urup_), met
eenen O.N.O. koers langs de oostkust van het _Staateneiland_ zeilende,
zag men den 19 Junij op 45° 41′ gegiste N.breedte, »_met een blinke lant
in ’t W. ende W.N.W. ende stracx was ’t weder bedeckt van mist_.” Dit
was het hooge met sneeuw bedekte land van »_Caep de Vries_, kaap
_Okkebets_ en van het eiland _Urup_. ~Vries~ bevondt zich toen in het
midden van den zuidelijken ingang der straat, die _Jeterop_ van _Urup_
afscheidt, en die thans ~zijnen~ naam draagt. »_Saegen oock omtrekt 5
ueren naer den middach met een blinck, recht voor uyt in ’t N. een heel
hoogen berch, die oock seer blonck van sneeuw_,” »_bevonden de diepte
van 30 vadem paelgront, stracx weder diep 46, 47 vadem, ende wat corts
gront af van 50 vadem_,” »_lieten het drijven op Godes genade om de
N.W., hoorden gestadich de lant-zee ende groote ruysing van water ende
veel gecryt van clipmeeuwen_.” »_Wat op den dach cregen wij weder gront
op 50 vadem, ende den ander worp 47 vadem grof santgront, lieten ons
tuy-ancker vallen_,” »_saegen doen in ’t S.S.O. de toppen van hooch
geberchte, maer conden de voeting daer niet af bekennen, maer scheen
dicht bij ons te sijn, wij hoorden gestadich groot geruys van water_.”
»_Omtrent 2 a 3 ueren naer de vroe cost claerde de mist op, doen saegen
wij, dat wij boven ½ mijl niet van den wal geanckert laegen; saegen in
’t S.t.W. van ons 3 mijlen lant, ende in ’t N.O.t.O. 5 à 6 mijlen van
ons het noordelycxste lant dat wij sien conden. Het geruys van water
saegen wij dat het afstorten van sneeuwater was, dat op verscheyde
plaetsen van het geberchte in de cloven quam afvallen, ende een groot
geruys ende geraes maeckte, ende het lant lach op veel plaetsen tot bij
de waterstrant noch bedeckt met sneeuw; insonderheyt op ’t geberchte.
Saegen een hoogen, ronden berch die vol sneeuw lach in ’t S.W.t.S. ende
een d^{o}. in ’t S.W.t.W. van ons, wat lanchwerpiger dan van één hoochte
sijnde, ende waeren met een laage valey aen malcanderen gehecht, alwaer
noch eenige cleyne berchies buyten laegen, waer bewesten noch 2 ronde
berghen laegen, maer die laegen wel over de 20 mijlen van ons. Van den
berch in ’t S.W.t.S. van ons liggende, loopt een steyle afsteeckende
hoeck, dien bij ons de naem gegeven was van ~Caep de Vries~, conden in
’t N.W. geen lant sien, vertrouwende als nu in de ~Tartarijsche see~ te
sijn._” »_Waren op de bevonden breedte van 46° 6′._”
Wij konden niet beter dan met de letterlijke woorden uit het journaal
getrokken den ankerplaats van het schip _Castricum_ beschrijven, die op
de plaat 66 S. van ~Witsen~’s boekwerk afgebeeld is en waar »_vertoont
wort, hoe zich het ~Compagnieslant~ opdoet, als men ¼ deel van een mijl
van de ~Kruishoek~ afleit_.” De in het Z.Z.O. geziene toppen van hoog
gebergte zijn de _Mineraelberch_, van wiens voet niet ver verwijderd
~Vries~ ten anker gekomen was, en dien wij nader zullen leeren kennen,
het in Z.t.W. 3 mijlen afliggende land is _Caep van der Lijn_ en het in
het N.O.t.O. 5 à 6 mijlen noordelijkste land _Caep Schouten_ terwijl hij
½ mijl ver van de _Cruishoek_ af was. Van het schip uit zag men in het
Z.W.t.Z. de N.O.hoek (K. _Seworosi_) en Z.W.t.W. de N.W.hoek (K.
_Okkebets_) van het _Staaten_ eiland, waarvan de N.O.hoek _Caep de
Vries_ genaamd was. De 20 mijlen afstand bewesten van het K. _Okkebets_
geziene 2 ronden bergen konden de bovengenoemde kegelbergen bij K.
_Tosifuri_ zijn, waarvan de beide het verste afgelegene de _Sjusi
nobori_ en _Itomatse nobori_ genaamd worden, de overeenstemming van de
N.O.hoek van het _Staaten_ eiland met _Caep de Vries_ is door deze
peilingen buiten allen twijfel gesteld en het voorzetsel _de_, dat men
in lateren tijd dikwijls voor den naam van ~Vries~ geplaatst vindt, laat
zich ook uit deze benoeming verklaren.
~Lapérouse~ heeft, zoo als bij herhaling gezegd is, den N.westelijken
uithoek van het _Staaten_ eiland voor _Caep de Vries_ gehouden en ook op
zijne kaart met dezen naam gekenmerkt. Daar wij op onze kaart van _Jezo_
en de ~Kurilen~ den naam van de _Caep de Vries_ weder teregt gebragt
hebben, zoo willen wij aan de N.westelijken uithoek, die nameloos
geworden is, den naam van Kaap de _Lapérouse_ geven en op deze wijze aan
den grooten en ongelukkigen Franschen zeevaarder hulde doen, die aan
onzen Nederlandschen eene zoo hoogen achting toegedragen heeft[102].
~Lapérouse~ was dan ook de eerste die na ~Vries~ deze straat
teruggevonden heeft (op den 20 Augustus 1787). De ankerplaats werd
bevonden te liggen op 46° 6′ N.Br. en 168° 9′ O. v. Teneriffe of 146°
48′ 36″ O. v. Greenw., hetwelk met de boven vermelde verbetering van +3°
149° 48′ O. v. Gr. zijn zoude en nagenoeg met de waarnemingen van
~Golownin~ overeenkomen, die de aardrijkskundige ligging van Kaap _van
der Lijn_, die ongeveer 3 mijlen in het Z.t.W. van de ankerplaats
aflegt, op 45° 39′ N.Br. en 149° 34′ O.L. bepaald heeft. »_Tusschen het
schip en de wal bevont (~Coen~) een opgaande gront, ¼ mijl van lant diep
30 vadem santgront, een gotelingsschoot van lant diep 19 vadem steenige
gront._” »_Zij hadden hier veel slecht water_” en »_laegen hier met
groote peryckel gezet_;” eene betere legplaats konden zij echter niet
vinden; aan den wal komende vond men echter eene goede gelegenheid om
water te halen. Het scheen hier eerst voorjaar te zijn (20 Junij), de
elsenboompjes begonnen te bloeijen, de kruiden groenden[103] en bloeiden
en de leeuwerik zong liefelijk. Men zag eenige roode vossen en een
spierwitten, ook sporen--eene hut en een geraamte, waarschijnlijk eene
begraafplaats--maar geene menschen.
[102] Vergelijk de inleiding, waar de woorden van ~Lapérouse~ tot
motto aangehaald zijn: „_La navigation du Capitaine_ ~Uries~
(~Vries~) _est la plus exacte qui ait pu être faite, dans un
temps, où les methodes d’observation étaient très grossières_.”
[103] Daaronder ook „_suering, gelyck in ’t patria wast_.” „_Alhier op
de wal wassen op de grond blaeden met dicke holle steelen,
dewelke in ’t geheel 9 vadem lanck syn, d^{o}. bladeren vint men
aen troppen veel in see dryven, synde door malcanderen
gevlochten, onder dit lanck geblaed croos onthouden haer bij
duizende see-honden, ook lammeties ende duyckers._” Over 50 voet
lange bladen te spreken, schijnt overdreven en ongelooflijk te
zijn; en toch is het waar. Dit _croos_ kan niet anders als de
_Fucus esculentus Lin._ zijn, die ook aan het strand van _Jezo_
gevonden en ruim 50 voet lang en een voet breed worden. Dezelve
groeit dikwijls digt bij het strand en wordt overal in het meer
van _Ockots_ als drijf-zeegras aangespoeld, ontmoet. Men heeft
daarvan ook eene verscheidenheid met ~holle steelen~ opgemerkt,
die door ~Agardh~ (_Species Algarum_, I. p. 143) als _Alaria
fistulosa_ beschreven en onlangs door Dr. ~E. J. Ruprecht~ als
eene soort van zijn _Phasgonum_ herkend is. Deze kruidkundige
heeft dan ook den _Fucus esculentus_ zeer omstandelijk als
_Phasg. alatum_ beschreven (~v. Middendorff~’s _Siberische
Reise_, Band. I, Th. 2, pag. 353 ff.) ~Erman~ heeft aan het
strand bij _Ockots_ afgescheurde stukken van dit zeegras
gevonden, die meer dan 50 voet lang waren; het dient tot voedsel
van de _Phoca nautica_ en wordt in tijd van nood van de
_Zee-Tungusen_ gegeten (Deszelfs _Reise_, III, pag. 48.) De
_Fucus esculentus_, _Kombu_ genoemd, wordt op _Japan_ algemeen
gegeten en heeft een zeer aangenamen smaak, en wordt als zeer
gezond en voedzaam geroemd. De 72jarige grijsaard ~Toknai~
verzekerde aan den schrijver dezes, door het genot van dat
zeegras gedurende zijn veeljarig verblijf op _Jezo_ en _Krafto_
zijne gezondheid te hebben behouden. Mogt deze opmerking tot
onderrigting van zeevaarders dienen. Ook de Chinezen weten deze
_Fucus_-soort op waarde te stellen. De jaarlijksche uitvoer
daarvan van _Nagasaki_ naar _Shanghai_ gedraagt 51,000 Pikol,
van den inkoopsprijs van 170,000 Tail of ongeveer 340,000
Guldens (~Nippon~ VI, _Vom Japanischen Handel_, p. 52). Er
bestaan op _Jezo_ en de _Kurilen_ zeegras-visscherijen, die door
de regering aangemoedigd en beschermd worden.
De hooge berg waar aarde gevonden werd, »_die wel geleeck naer
minerael ende scheen silver bij hem te hebben_,” noemde ~Vries~ de
_Mineraelberch_, en nam op den 23 Junij van dat lant, hetwelk men voor
een eilant hield[104] digt bij de kust van _Amerika_ gelegen,
namens de Compagnie bezit, en gaf aan hetzelve den naam van het
_Compagnyslant_[105]. Reeds tegen het einde van de zesde eeuw waren de
Japanners met het zuidelijkste gedeelte van _Jezo_ bekend geworden, dat
zij _Watari simano Jezo_, d. i.: Overvaart eiland van _Jezo_ noemden,
omdat toenmaals ook nog het noordelijkste gedeelte van _Nippon_, _Jezo_
genoemd werd. De _Kuril_’sche eilanden, namelijk de zuidelijkste, die
zij _Figasi Jezo_, d. i.: Oost _Jezo_ noemen, zijn eerst bij toeval in
het jaar 1672 door een Japanschen kustvaarder, die daarhenen door eenen
storm verslagen geworden is, ontdekt geworden. De Russen hebben dezelve,
kort na hunne vestiging op _Kamtschatka_, leeren kennen en, zoo als
boven gezegd is, in de jaren 1737-39 door ~Spangberg~ en ~Walton~ doen
onderzoeken. In het begin dezer eeuw zijn somtijds jagers, zoogenoemde
_Promuschlenike_, van de Russisch-Amerikaansche pelterij-compagnie naar
_Urup_ overgekomen, dat, wegens de vele zee-otters[106] die zich daar
ophielden, ook _Rakkosima_ door de Japanners genoemd wordt. Omtrent het
jaar 1840 dreven de Russen op dat eiland met de _Aino’s_ en met de
Japanners, die daar om te visschen kwamen, eenen ruilhandel, die de
Japansche regering stilzwijgende scheen te gedogen. In 1854, den 3
September, werd van twee fransche fregatten, behoorende bij het naar
_Kamtschatka_ gezondene smaldeel, namens de verbonden Westersche
zeemogendheden, van het eiland _Urup_ »den zetel van den Russischen
handel op de Kurilen” bezit genomen en aan dit eiland de naam
»_Alliance_” gegeven. Toenmaals was _Urup_ nog geen Keizerl. Russisch
gebied, het behoorde wel degelijk nog onder _Japan_, waar het ook op
~Sakusajemon~’s kaart nog als zoodanig geplaatst is. Maar de Keizerlijk
Russische gezant, admiraal ~Putiatine~, was juist ten dien tijde op
_Japan_ en had aan het hof van _Jedo_ een tractaat van vrede en handel
aangeboden, waarin door den Keizer ~Nicolaas~ voorgesteld werd dat: »de
grenzen tusschen _Rusland_ en _Japan_, zullen zijn tusschen de eilanden
_Iterup_ (_Staaten_ eiland) en _Urup_ (_Compagnie_ eiland).” Volgens
art. 2 van het tractaat in ’t voorleden jaar 1856 tusschen _Japan_ en
_Rusland_ gesloten, »behoort _Urup_ tot de Russische bezittingen.” En
gelijk wij onlangs vernomen hebben, is aan de Russisch-Amerikaansche
Compagnie eene concessie verleend geworden om de op dit eiland ontdekte
kopermijnen te ontginnen. Ziedaar de geschiedenis van _ons verwaarloosd
Compagnyslant_! _Urup_ strekt N.O. en Z.W. en breidt zich, volgens de
waarnemingen van ~Golownin~, van _Caep van der Lijn_, 45° 39′ N. en 149°
34′ O., tot Kaap _Castricum_ 46° 16′ N. en 150° 22′ O. uit. Van Kaap
_Castricum_ strekt nog, volgens ~Sakusajemon~’s kaart, eene landtong 6
Ri ver N.O. uit. Op ~Golownin~’s kaart is die veel kleiner en met rotsen
eindigende aangegeven. ~Von Krusenstern~ heeft de geheele lengte van dit
eiland op 54 eng. mijlen berekend, hetwelk ook vrij goed met de
meergemelde Japansche originele kaart overeenkomt. Ook de geheele
gedaante en de configuratie van de kust is zeer overeenstemmende. In het
zuiden neemt men den hoogen _Mineraelberch_, _Kabiop_ genoemd, achter
welke de kust inloopt en eene bogt vormt, en langs het noordelijke
gedeelte van de westzijde eene reeks van kegelbergen waar, die met een
voorgebergte K. _Nobu_ (_Castricum_) eindigen. Ook aan de oostkust
bevinden zich eenige bogten, waarvan de baai van _Wanan_, ongeveer in
het midden gelegen, zich als een goede haven vertoont.
[104] Zoo als bekend is, was men nog in het begin van de 17de eeuw van
meening, dat _Amerika_ slechts door eene zee-engte, den _Fretum
Anian_, van het rijk van _Mongol_, het noordoostelijke uiteinde
van de oude wereld, was afgescheiden. Op ~Jansson~’s kaart en op
die van de van „_Gedaene coursen_” (Atlas N^{o}. 11 E) wordt het
_Compagnyslant_ als een groot land zonder einde vertoond. Op de
kaart echter van de „_Gedaene ontdeckinghe onder den Commandeur
~M. G. Vries~_” is het _Companyslant_ als een eiland
uitgeteekend en door eene straat van een uitgebreide landstreek,
op welke de woorden „_Americae Pars_” staan, gescheiden, en in
deze straat is geschreven „_Hier is ’t Jacht Breskens geweest_.”
Men heeft dus de herkenning van het _Compagnyslant_ als een
eiland aan dat schip te danken. In het jaar 1739 werd dit eiland
door den meergenoemden Russischen zee-officier ~Spangberg~
omzeild. De smalle landtong naar het W. uitstekende op het
vermeende gedeelte van _Amerika_ is hoogst waarschijnlijk
_Simushir_, het XVI^{e} van de Russische _Kurilen_. Op de
kaart van _Japan_, behoorende tot de _Verhandeling over de
Nederlandsche ontdekkingen_ van ~Bennet~ en ~van Wijk~, vindt
men in het Z.W. van dat eiland twee eilandjes _Rond_ eiland en
_Heuvel_ eiland, die waarschijnlijk ook door het schip
_Breskens_ ontdekt en zoo genoemd zijn. Thans noemen zij deze
eilandjes _Broughton’s Island_ en _Tsirpoi_.
[105] De inbezitneming van _Urup_ is eene te belangrijke daadzaak, om
die niet hier woordelijk uit het Journael van ~Coen~ over te
nemen: „Ick heb van de bevinding aen den Commandeur van alles
rapport gedaen, seyn doen beneffens hem naer een steyle vlacke
berch gegaen ende syn daer opgeclommen, daarop synde heeft de
Commandeur een houten cruys op een verheven berchie laeten
oprechten, waarop dit volgende opgehouden stont: [VOC] anno
1643. Heeft alsoo possessie van wegen onze E. Heeren Meesters
van dit land genomen, ende het selfde den naem gegeven van het
_Companyslant_, ende deze hoeck genaempt de _Cruyshoek_. Hebben
op het _Companyslant_ gegeten ende gedroncken, ende toen ter
eere van onse E. Heeren Meesters 3 salvo’s met musquets gedaen.”
[106] Van _Enydris marina_, door de _Aino’s_ en de Japanners _Rakko_
en door de Kamtschadalen _Rakku_ genoemd.
Nog willen wij aanstippen, dat de »_Steyle clip, die_ (in het Z.Z.W. 3½
mijl van den ankerplaats) _omtrent een musquetschoot van lant leyt, ende
is gelyck eene pyramida ende was vol meeuwen, dan was soo steyl, dat
daer niet mogelyck was op te comen, deze clip was wel een musquetschoot
hooch_,” ook door ~Golownin~ op ½ Eng. mijl afstands van den Z.hoek van
_Urup_ gezien is, het op ~Jansson~’s kaart aangegeven rif echter niet
waargenomen werd. ~Golownin~ en ~Ricord~, die de _Straat de Vries_ drie
keeren gepasseerd zijn, deelen niets over de strooming in deze straat
mede. Op ~Sakusajemon~’s kaart is de strooming in het midden der straat
naar Z.O. aangegeven. Volgens de waarnemingen in het _Journael_ op den 5
Augustus was »_met een doorgaende N.wind_” »_de deyninge seer hol de
straet doorrollende uyt een N.N.O._” Daarentegen vermeent de stuurman
~Coen~, op den 20 Junij, het Canaal »_eerst om de N.W. ende voorts om de
N. doorgedreven_” te zijn; de wind was toen variabel, doch de
heerschende van dat jaargetijde Z.O. en Z.W.; daaruit mag men besluiten,
dat de winden een wezenlijken invloed op de strooming in deze straat
uitoefenen, en dat, daar in dat zeegewest, van de maand Mei tot Augustus
meestal zuidelijke en van Augustus af aan noordelijke winden waaijen, de
strooming gedurende de drie eerste maanden om de N. en vervolgens om de
Z. loopt.
Van hier nam ~Vries~ eenen N. en N.W. koers tot op de breedte van 47°
27′ N., waar hij besloot wederom naar de Z. te keeren. Mogt hij dezen
koers langer vervolgd hebben, dan zoude hij in de zee van _Ochots_
verdwaald zijn. Zoodoende werd door hem de westkust van _Jetorop_
onderzocht, de straat die dat eiland van _Kunasiri_ afscheidt, ontdekt
en vervolgens langs de noordkust van _Jezo_ de weg gebaand tot de
ontdekking van de bogten van _Aniwa_ en van _Patientie_, het zuidelijk
en zuidoostelijk gedeelte van het zoogenoemde schiereiland _Saghalien_,
dat wij later, volgens de belangrijke onderzoekingen van den Japanner
~Mamia Rinsô~, het eerst als een eiland met zijnen waren naam, dien van
_Krafto_, in de geschiedenis der aardrijkskunde geboekt hebben. De
uitkomsten van den togt langs de W.kust van _Jeterop_ en van de
waarnemingen op de ligplaats bij het _Vossen_-eiland, aan den westelijke
ingang van de straat _Antony van Diemen_, hebben wij ons reeds ten nutte
gemaakt bij de hydro-geographische beschrijving van dat eiland en van
deze straat.
Nadat ~Vries~, op den 11 Julij, zijne ankerplaats bij het
_Vossen_-eiland verlaten had, nam hij zijnen koers N.N.W., waar zij
echter door een »_styve fehemente stroom_” zoo tegengehouden werden, dat
zij weinig vertierden. Deze stroom om de O.Z.O. loopende--naar de straat
toe--verminderde allengs en kon op eenen afstand van 9 mijlen Z.t.O. van
den piek _Antony_ niet meer gevoeld worden. Op de gegiste breedte van
45° 26′ N. »_deden alsdoen den coers W.S.W. aen, om te vernemen ofte by
d^{o}. Coers weder geen lant souden opseylen ende by dach mochten in ’t
gesicht crygen._” Zij krijgen 80 vadem »_steekgrond_,” vervolgens 60
vadem zwarte zandgrond, verder 50 vadem graauwe fijne zandgrond, en
bemerkten eenige ravelingen van stroom.
Op den 14 Julij ’s middags was men op 45° 39′ gegiste breedte en besloot
het land aan te doen, waarvan men volgens het opdrogen van den grond
niet verre zijn moest; men vervolgde 3 duitsche mijlen eene N. koers op
46 tot 42 vadem fijn graauwen zandgrond en zag alstoen ten 4 ure des
namiddags hoog land in het W.t.Z. Dit land »_streckte van N.N.O. tot in
het N.N.W. van ons, was op sommige plaetsen tusschen het hooch lant met
laech lant aen malcanderen gehecht; het naeste lant lach 4 à 5 mylen van
ons, was alsdoen diep 35 vadem, fijne wasige santgront. Saegen corts
daernae 2 hooge berghen ende lach gelyck een eylant in ’t O.t.N. omtrent
10½ myl van ons._”
=De Straat de Lapérouse.= ~Vries~ bevond zich van den 13 tot den 14
Julij in het midden der straat die _Jezo_ van _Krafto_ afscheidt, en die
eerst 144 jaren later, op den 11 Augustus 1787 door ~Lapérouse~ is
ontdekt en naar dezen grooten zeevaarder benoemd geworden. Zij »_saegen
eenige raveling van stroom_,” en »_het scheen dat hier stroom liep, dan
conden door de harde coelte weynich bemerken hoe die liep_.” De mist,
die het lage kustland bedekte en de toppen van bergen, die in het W.t.Z.
tot in het N.N.O. uitstaken, misleidden den kundigen zeeman en lieten
hem het land in het W. voor zamenhangende houden en een doortogt in de
zich diep naar het N. inbuigende golf zoeken, »_hadden veel biesen,
groente ende hout sien dryven, wisten niet ofte wy in een doorganch
lagen ofte in een bocht geset liggende_.”