Z.W. einde de aardrijkskundige ligging van dat eiland, zijnde de N.O.
hoek kaap _Moimoto_ (_C. Loffzôff_, Krus.) door ~Golownin~ op 44° 29′
15″ N.Br. en 146° 8′ O.L., en het Z.W. einde, het Japansche fort in de
Baai, waar ~Golownin~ gevangen werd (_la Baie des Traitres_) op 43° 44′
N.Br. en 144° 59′ 30″ O.L. bepaald geworden. De kennis van de geheele
configuratie der kusten hebben wij, met uitzondering van de _Baie des
Traitres_, waarvan in de nieuwe Russische uitgave van ~Golownin~’s reize
in 1851 een voortreffelijk plan medegedeeld is[90], alleen aan de
opneming der Japanners, zoo als die in ~Sakusajemon~’s en ~Toknai~’s
kaart zich vertoont, te danken.
[90] Записки Василія Михайловича Головнина, въ плѣну у японцевъ въ
1811, 1812 и 1813 годахъ. САНКТПЕТЕРБУРГЪ. 1851. Daar is de
breedte op 43° 44′ 35″ N. en de lengte op 145° 9′ 46″ O.
aangegeven.
Daarentegen laten zich de waarnemingen, die aan boord van de _Castricum_
gedurende den togt langs de _Coen’s_ eilanden en tegenover de »_Walvis
bay_,” en gedurende het verblijf voor anker van dit schip van 4 tot 12
Julij aan den westelijken ingang van de _Canael de Pieco_ of _Antony_
gemaakt zijn[91], als eenige hoogst belangrijke aardrijkskundige en
hydrographische bijdragen beschouwen en teregtbrengen; en vooral zijn
het de kustverkenningen, die ons ~Nicolaes Witsen~ bewaard heeft,
waardoor de strekking en de gedaante van het hooge gebergte, dat het
Noordoostelijk gedeelte van dit eiland kenmerkt, aanschouwelijk gemaakt
wordt. De op den 13 Junij ’s middags op het vaste land geziene
»_kennelijcke berch boven met een keep_” die alleen ligt, is de berg
_Tsiuna_ of _Tjôsinobori_, de hoogste op het zuidelijke gedeelte van
_Kunasiri_, en de den 14 Junij op de breedte van 43° 25′ in N.W.t.N., en
wel bijna 20 mijlen afstand gepeilde »_hoogen berch met een piek_,” is
de vulkaan _Tsjatsja noburi_, waaraan die ~Vries~ de naam van »_Pieck
Antony_” (naar ~Antony van Diemen~, Gouverneur-Generaal van Nederlandsch
Indië, in de jaren 1636-1645) gegeven, en dien de stuurman ~Coen~ den
»_Hooge Tepelberch_” noemt, hetwelk de woordelijke vertaling van den
_Aino_-naam is, beteekende _Tsjatsja_ borst en _Nobori_ hooge berg,
piek. Volgens ~Toknai~ is deze nog een brandende vuurberg en de hoogste
op het eiland. Na eene schets van dien vulkaan laat zich de _Tepel_ als
eene zijdelingsche uitbarsting, die zich allengs kegelvormig verhoogt
heeft, herkennen, zijnde ook aan de zijde van den berg eene zulke
zoogenoemde _laterale eruptie_ zichtbaar[92]. Daar deze piek zeer
kennelijk is en op 20 mijlen uit zee kan gezien worden, zoo is de
aardrijkskundige ligging van dezelve voor de zeevaart zeer belangrijk.
Volgens de waarnemingen van ~Golownin~ en ~Ricord~ ligt die op 44° 31′
N.Br. en 145° 46′ O.L en op ~Broughton~’s originele kaart op 44° 20′
N.Br. en 146° 10′ O.L. Volgens ~Vries~, die den »_W. hoeck ofte afgaende
hoeck van de Tepelberch_” ’s middags den 11 Julij op 44° 43′ N.B. Z.t.W.
½ W. 2 mijlen afstands peilde, zoude die hoek op 44° 36′ en de
»_Tepelberch_,” die volgens ~Sakusajemon~’s kaart 10′ zuidelijker ligt,
op 44° 26′ liggen, wat op de gemiddelde waarneming van deze zeevaarders
uitkomt. Berekenen wij de breedte van den Piek naar de waarnemingen van
den Hofsterrekundige bij _Nisibets_, in de baai van ~Laxmann~, waar dit
Japansch fort op 43° 23′ W. en de piek 1° 6′ noordelijker geplaatst is,
zoo vinden wij die van 44° 29′ W. en derhalve eene uitkomst, die aan de
aan boord van de _Castricum_ gedane waarnemingen het grootste vertrouwen
inboezemt. In ’t N.W.t.W., op ongeveer 8′ afstands, ligt een hoog
gebergte, hetwelk een voorgebergte, den noordelijken uithoek van
_Kunasiri_, vormt, en door ~Vries~ »_Maria berch_” genoemd wordt. Deze
hoek, kaap _Rewausi_, kenmerkt zich door een klein daarvoor liggend
eilandje _Kawarsjo_, en door witte plekken. De op middag den 11 Julij
gemaakte peilingen zijn te belangrijk om hier niet te worden herhaald:
»_Als doen lach de gehackelde berch_ (_het zuidelijkste voorgeberchte
van het »Staetenlant”_ (_Jetorop_)) _O.t.S. ½ S. 10 mylen, ende de hoeck
van Eso, daer het Vossen eylant af leyt, lach S.O. ½ O. 6 mylen van ons,
ende de W. hoeck ofte afgaende hoeck van den Tepelberch S.t.W. ½ W. 2
mylen van ons_.” Ook de landverkenning op 44° 53′ aan de westzijde van
het _Staetenlant_ ontworpen[93], komt zeer te pas tot de bepaling van de
wederzijdsche ligging van _Kunasiri_ en het _Staetenlant_ en van den
westelijken ingang in de straat, die beide van elkander afscheidt, het
_Canael de Pieco_ of _Antony_ van _Diemen_. De daarop betrekkelijke
peilingen zijn: »de _Croonberch_ O.N.O. 6 mijl, de _gehackelde berch_
O.S.O. ½ O. 4 mijl (reede van het _Statenlant_), het _Vossen eylant_ 3
mijl (aan den oosthoek van _Kunasiri_) en de _Maria bergh_ W.t.S. ½ S. 4
à 5 mijl (westhoek van _Kunasiri_). Van het _Vossen eylant_, dat ~Coen~
den 7 Julij bezocht heeft, is gezegd: »_Op dit eylantie, het welck cleyn
was ende met een rif clippen aen het vaste lant vast gehecht, conde men
met laech water over aen het vaste lant van Eso loopen; wy saegen
verscheyde roode vossen[94] op d^{o} Eylant loopen, gaeven ’t den naem
van Vossen Eylant. Van dit Vossen Eylant steekt een rif van clippen om
de N.N.O. in see, ’t welk d^{o} Canael heel peryckeloos maeckt, ende
streckt wel een myl van de wal. Dit rif was gebroocken, op sommige
plaetsen de clippen boven water liggende, daer ginck een harde stroom om
de O._” Op de hoogte van dit eiland heeft men getracht »_des Canaels
gelegentheyt_” te onderzoeken, »_conden in dit Canael geen vile (vuilen)
sien als van het Vossen Eylant afsteekte, saegen de ~Caep de Canael~_
(de N.O. hoek van _Sikotan_), _in S.S.O. van ons ende lach in mist. Het
Vossen eylant leyt omtrent 3½ myl W. van de gehackelde berch van het
~Staetenlant~, soo dat dit Canael omtrent 3 mylen wyt is._”
[91] „_Quaemen ten ancker, als synde ⅔ myl van lant op 20 vadem
santgront; synde onder het N.O. eynt van Eso 2 mylen bewesten het
Canael Antony._”
[92] Het schijnt toch, dat de top of krater van dien vuurberg in 1796
eene andere gedaante aangenomen had. „_In the bearing of the
peaked hill the coast formed a bay, with a fine sandy beach; and
the mountain, which in this point of view formed a saddle hill,
presented a very magnificent appearance from its great height and
extensive base._” ~Broughton~, _Voyage of discovery_, pag. 116.
[93] ~N. Witsen~. pag. 65 N.
[94] De roode vos, door de ~Aino~’s _Furetsup_ genaamd, is de
_vuurvos_ der Kamtchadalen en de algemeen in deze gewesten
verspreide verscheidenheid.
Volgens de waarnemingen van ~Golownin~ en ~Ricord~ is de _Straat Antony
van Diemen_ (dit is de ware naam, die wij aan deze straat zullen geven,
maar tevens ook opmerken, dat nog eene _Straat van Diemen_ in ’t zuiden
van _Japan_ bestaat) 16′ en volgens ~Broughton~’s originele kaart 20′
breed. ~Vries~ is met zijn volk aan de wal geweest en met inboorlingen,
_Aino’s_, in aanraking gekomen. Daar hij aan deze groote baai, waar het
schip _Castricum_ voor anker lag, en die van kaap _Moimoto_ tot
_Rewausi_ 15 Eng. mijlen wijd en 5 Eng. diep is, geenen naam gegeven
heeft, zoo willen wij dezelve de _Kruisbaai_ noemen, want hoogst
merkwaardig was hier de ontdekking van twee houten kruizen. »_Een van
ons volck vont een houten cruys staen, bracht dat op strant, toonde het
aen de habytanten, maer selve siende waeren daer vervaert voor, ende
wesen men soudt in ’t water goyen; ja die dit houten cruys aengeraeckt
hadde, mocht haer niet aen haer lyff comen, maer most syn handen eerst
wasschen, dan was ’t wel; noch een soodaenige cruys stont voor aen in ’t
bosch._”
Ongetwijfeld waren dit Christelijke gedenkteekens en waarschijnlijk
grafzuilen van Christenen. Reeds in 1622 werd het Christendom van het
noorden van _Japan_ naar _Jezo_ (_Matsmaë_) overgebragt, en daar sedert
1639 het Christelijk geloof bij straf des doods verboden werd, waren het
bekeerde Japanners of _Aino’s_, die daarheen gevlugt en overleden zijn.
Bij de _Aino’s_ wordt al wat met een’ dooden of zijne goederen in
aanraking komt, voor onrein gehouden, van waar het afgrijzen der
inboorlingen voor deze kruizen. Denkelijk was hun ook bij overlevering
dat streng verbod en de Christenvervolging bekend geworden. Eenen
anderen weg als over _Japan_ had zich toenmaals het Christelijk geloof
nog niet naar dit einde der wereld gebaand, want eerst in ’t jaar 1689
kwam de eerste tijding van het bestaan van _Kamtschatka_ naar _Rusland_,
en in 1697 hebben het eerst eenige kosakken aan de _Kamtschatka_-rivier
een Ostroch-fort opgerigt.
Het eiland _Kunasiri_ is 70 Eng. mijlen lang, N.O.t.N. en W.t.Z.
strekkende, zeer smal, 10 tot 5 Eng. mijlen, en ongeveer in het midden,
bij kaap _Onnenots_, door een naauwelijks eenige Engelsche mijlen breede
landtong verbonden, waar het land laag is en zich de Oostkust als eene
diepe bogt vertoont, die door ~Vries~ de »_Walvis bay_” genoemd wordt,
omdat zij »_hier veel walvisschen vernaemen_.” Aan het noordelijk en
zuidelijk gedeelte van deze kust bevinden zich echter eenige baaijen,
die eene goede ankerplaats bieden. Die van _Onnebets_ aan de noordelijke
kust is waarschijnlijk de »_Bay daer men by alle winden bevryt
ligt_”[95], en die van _Furuka_ hij de landengte en _Tôbuts_ of _Tôbets_
aan de zuidelijke kust verdienen voor ankerplaatsen voor walvischvangers
zeer in aanmerking te komen; de laatste staat door eene rivier met een
groot binnenmeer in verbinding, waarvan dan ook de naam _Tô_ (meer) en
_bets_ (rivier). Dit meer, dat van het door ~Vries~ gezien »_hooch
binnenlant meest boven met sneeuw bedeckt_”, zijnen toevloed van versch
water ontvangt, moet rijk aan zoetwater-visch zijn en aan de in de
rivier opstijgende zalmen ten tijde van het kuit schieten (hier
Julij-Augustus) eene goede gelegenheid bieden. Ook aan de zuidelijke
westkust bevindt zich zulk een binnenmeer, en bij _Sasak_, en insgelijks
aan de westzijde van de landtong bij _Ikabanots_, eene goede
ankerplaats. De straat, die in het zuiden van _Kunasiri_ _Jezo_
afscheidt, hebben wij volgens de voortreffelijke kaart van ~Toknai~ in
onzen meergenoemden Atlas N^{o}. 2 A. medegedeeld; voegt men daarbij het
boven genoemd plan van de _Baie des Traitres_ van ~Golownin~ en het plan
van ~Laxmann~, dan heeft men alle tot op den huidigen dag bekende
geo-hydrographische bouwstoffen betrekkelijk dezen voor de toekomst
belangrijken handelsweg. Nog wil ik echter doen opmerken, dat ook hier
eene sterke strooming bij den westelijken ingang om de Z. en bij den
uitgang om de O. loopt. Van de geologische gesteldheid van dit eiland
weten wij niets; edele metalen zullen daar voorkomen, kruiden ter
verversching (zuring en stelen van eene groote schermplant,
waarschijnlijk het eetbare _Heracleum_) heeft het scheepsvolk in menigte
gevonden, en ~Coen~ spreekt van dennen geschikt voor raa’s en masten en
van roode vossen, otters, zalm, tarbot, bot, schaer, cabelliauwen en
andere visschen in overvloed. Wij hebben ons lang bij dit eiland
opgehouden, omdat het zoo goed als onbekend is en zijn bestaan nog in
1820 is in twijfel getrokken[96]. Wij willen nog doen opmerken, dat het
op ~Golownin~’s kaart als het XXI^{e} der Kurilische eilanden gemerkt
is.
[95] ~Vries~, „_Gedaene coursen_” in ~von Siebold~, _Atlas_ N^{o}. 11.
E. Veronderstellende namelijk de _Commandeur_, dat de _Santberch_
bij het vaste _Lant van Eso_ behoorde en zoo mede de baai ook
voor O. en N.O. winden beschut was.
[96] _L’isle de Rounaski_ ne se trouve pas dans la dernière édition
(de 1820) des _Cartes de l’Océan Pacifique_, par ~Arrowsmith~.
~v. Krusenstern~, _Recueil de mémoires hydrographiques_. p. 200.
=Het eiland Jetorop= (_Iturup_, Russ.). Onze vermaarde zeevaarder heeft
dit eiland van den 13 Junij tot den 4 Julij, toen hij eenige mijlen van
het Zuideinde is ten anker gekomen (zie boven pag. 113), bijna
omgezeild. Het is geheel en al zijne ontdekking, eene Nederlandsche, op
welke hij het zegel van eigendom door den naam het »_Staetenlant_” of
»_Staeten eylant_” gedrukt heeft. Het is het grootste eiland van de
Kurilen, dat zich meer dan een graad in eene N.O. en Z.W. rigting
uitstrekt[97].
[97] Helaas! heeft de oude Vereenigde Nederlandsche Oost-Indische
Compagnie, die den edelen Commandeur uitgezonden heeft, om _de
Gout- ende Silverrycke Eylanden_ te ontdekken, de belangrijke
uitkomsten van zijne ontdekking van het _land van Eso_ en het
_Staten- en Compagnys lant_--een _eerst Californië_--omdat het
goud en zilver niet aan den dag lag, nimmer begrepen en
gewaardeerd en helaas! heeft ook ons Bestuur van Koloniën, sedert
de omwenteling en de teruggave van onze Overzeesche Bezittingen
nooit verder dan tot op het eilandje _Dezima_ zijne blikken
gevestigd. Toen in het jaar 1778 de Japansche aardrijkskundige
~Fajasi Sivei~ het opperhoofd ~Arend Willem Feith~ omtrent de
door ~Quast~ en ~Tasman~ ontdekte _Bonin_ eilanden ondervraagde,
antwoordde die „Dat de Compagnie daarvan maar zeer weinig
voordeel zou kunnen trekken, omdat zij te ver afgelegen en te
klein waren” (Vergelijk: ~San kok tsou ran to sets.~ par Fr. J.
Klaproth. pag. 261).
Even weinig werdt daarna geluisterd, als toen de Schrijver dezes,
van 1825 af, over de ~in regtmatig eigendom aan Nederland
toebehoorende~ _Staten_- en _Compagnie_-eilanden sprak en op
~Witsen~’s vertooning van het _Compagnie-eyland_ heenwees, waar
het wapen van _Amsterdam_ opgerigt te zien is; ook heeft men, uit
bezorgdheid van den Japanschen handel te benadeelen, gedurende
twee volle eeuwen nimmer den steven naar het Noorden van Japan
gewend, om het spoor van onze stoute voorvaderen op te zoeken.
„Had men (zoo schreef de Schrijver dezes in zijn _Verslag_ nopens
zijn wetenschappelijk onderzoek op _Japan_ aan het Nederl.-Ind.
Gouvernement, in dato 30 November 1825) voor 50 jaren, waar de
Japanners met de strekking van hun land en de ligging der
eilanden in het Noorden reeds zeer goed bekend geweest zijn,
pogingen gedaan deze landen nader te onderzoeken, zoo zoude men
van _Dezima_ uit ~eene straat van~ _Tsugar_ en van _Lapérouse_
hebben kunnen opspeuren en de eere van deze ontdekking was aan de
Hollanders behouden geworden.”
De N.O.hoek van dit eiland, kaap _Seworosi_ (~C. Vries~) is door
~Golownin~ op 45° 38′ 30″ N.B. en 149° 14′ O.L. en de Z.hoek kaap
_Tesiko_ (~C. Ricord~) op 44° 29′ N.B. en 146° 34′ O.L. bepaald. De
breedte van _Caep Vries_[98] is op de kaart van ~Jansson~ dezelfde en
zoude volgens ~Vries~ waarneming op den 5 Augustus 45° 35′ N. bedragen,
terwijl die van C. ~Ricord~, volgens de op den 4 Julij bij het _Vossen
Eiland_ voor anker gedane waarneming op 44° 29′ N. uitkomt; op de kaart
van _gedaene coursen_ ligt die hoek eenige minuten zuidelijker, op 44°
25′ N., hetwelk ook op ~Broughtons~ en ~Sakusajemons~ kaart het geval
is.
[98] Op de kaart van ~Jansson~ en die van ~Vries~ „_gedaene Coursen_”
draagt de N.O. hoek er niet, zoo als ~Lapérouse~ en volgens hem
~von Krusenstern~ en ~Golownin~ aangenomen hebben, de N.W. hoek
den naam van ~Vries~.
Behalve deze twee voor de aardrijkskunde gewigtige punten, die later ook
door andere Europesche zeevaarders zijn bepaald geworden, hebben wij aan
~Vries~ nog andere belangrijke geo-hydrographische waarnemingen langs de
O. en W. kust van dit eiland te danken, die aan waarde zullen winnen
naar gelang het ons mogt gelukken ze met de kaarten van ~Sakusajemon~ en
~Toknai~ en met die van ~Broughton~ en andere zeevaarders overeen te
brengen en toe te lichten.
De den 13 Junij op 44° 20′ N.Br. gedane peilingen bevestigen de ligging
van den piek _Antony_ tegenover den »_gehackelden berch_,” op de Z.hoek
van _Jetorop_, »_die boven op seer haekelich was ende geleeck een
eylant, ende daerbij noch een hoogen berch, die hem aen tween met een
cloof vertoonde_;” »_daer beoosten quam een hoogen ronden berch hem
vertoonen met sijn top door een dijs_,” en van eenen anderen »_hoogen
vlacken gecartelden berch, daer op het W. eint een berch op staet,
gelijckende een boeren schuur van fatsoen, ende is oock het hoochtste
van dien berch_.” »_Van d^{o}. berch streckte wat laeger lant tot
in ’t N.O.t.N. ende was het verste land dat wij sien conden; de
boerenschuur-berch lach ons het naest ende was omtrent 10 mijlen van
ons. Het geberchte leeck al aen malcanderen vast te wesen tot den
gehackelden berch, soo men con bemercken, liep een canael tusschen den
gehackelden berch ende den piekberch door om de W._” De piek _Antony_
lag W.t.N., de _gehackelde berch_ N.W. ½ W. »_daer beoosten_” de _hooge
ronde berch_ (_Croonbergh_); de _Boerenschuerberch_ N. ½ W. Alle deze
gebergten bevinden zich op onze Japansche kaarten. Den piek _Antonij_
kennen wij; de _Gehackelde berch_ vormt het zuidelijke voorgebergte
(kaap _Ricord_), de _hoogen bergh met een cloof_ is eene bergketen, die
bij kaap _Moikesi_ op de W.kust uitloopt en de _Croonberch_ een hooge
trachytdom, _Bussanobori_ genaamd, die op de W.kust een ver uit stekend
voorgebergte _K. Itobirikawoi_ vormt; en de _Boereschuerberch_ is ook
een _Kegelberg_, op de oostkust tusschen _Kusiara_ en _Tosimoinots_. De
ligging dezer tot verkenning dienende bergen werd door de waarnemingen
van den 30 Junij en 2 Julij bevestigd. Gedurende den 17 en 18 Junij
zeilde ~Vries~ langs de Oostkust van dit eiland met eenen N.N.O. en
O.N.O. koers, en zag somtijds met eenen blik de toppen der met sneeuw
bedekte bergen, die van kaep _Noneisjô_ af aan zich hoog verhieven. Deze
zijn de _Refunsiri_, _Hetsirap_ en _Tokarunbe_, die boven allen
uitsteken. Mogelijk kon men ook van hier uit de toppen der
tegenoverliggende kegelbergen op de Westkust, van den _Hetonoburi_ en
_Horosjunoburi_, zien. De _steyle clip gelyck een pyramida_ is
waarschijnlijk het eilandje _Obkarusibeisjô_, hetwelk benoorden van
»_een steylen hoeck_” (kaap _Horaka_) tegenover eene beek ligt. Het
»_hooch geberchte seer blinckende van de sneeuw_,” ’s morgens 19 Junij
in ’t W., N.N.W. en daarna in het N. gezien, zijn de hooge bergen, die
het Noordeinde van het _Staaten_-eiland omsingelen, en de naar het N.O.
uitloopende kaap _Seworosi_ (_C. Vries_) en in het Noorden de hoeken
_Okkebets_ en _Tosifuri_ vormen. Derzelver namen zijn: _Sjusinobori_,
_Isomattsenobori_, _Kitettsenobori_ en _Sjokkonobori_. Van den laatsten
hoek begint de W.kust diep in te buigen en vervolgens eene hooge
landtong N.W. uit te loopen. Van deze bogt hebben wij eerst door de
meergemelde Japansche kaarten eene betere kennis gekregen; op
~Golownin~’s kaart is dezelve aangestipt en baai van _Sana_ genoemd. Het
fort _Sjana_ of _Sana_ ligt echter niet in de baai, maar in het Z. der
landtong. Dezelve is 25 Eng. mijlen wijd en 10 diep, en eindigt met een
binnenmeer, _Seppo_ genoemd, en met laag land, eene landengte van
naauwelijks vier Eng. mijlen breed. Zij biedt naar de W.zijde eene tegen
wind beschermde ankerplaats. Wij hebben aan dezelve den naam van de
_Baai van Seppo_ gegeven, omdat die van _Sana_ onjuist is. De landtong
bestaat uit een gebergte, dat twee toppen heeft, waarvan de oostelijkste
de hoogste is. Deze _twee-geheuvelden berch_, die men 25 à 26 mijlen ver
kon zien, was door den Commandeur _Caep de Trou_ genoemd geworden; het
is kaap _Ikabanots_ op ~Sakusajemon~’s kaart. Op den 30 Junij, op 45°
54′ N.B., lag _Caep de Trou_ O.t.Z. ¼ Z. 15 mijl, en de _Boerenschuer_
Z.O. 15 à 16 mijlen en ’s middags den 2 op de gegiste breedte van 44°
56′, de _Croonberch_ Z.O. ½ Z. 2½ mijl, de _Gehackelde berch_ in het Z.,
de _Boeren Schuer_ O.Z.O. ½ Z., de _Caep de Trou_ O.N.O. ½ N. Thans
blijft nog de aardrijkskundige ligging van _Caep de Trou_ te bepalen,
die, ofschoon deze kustenstreek door onzen zeevaarder ~Vries~, door
~Lapérouse~ (den 18 en 19 Augustus 1787) en door ~Broughton~ (van 8 tot
11 October 1796) is onderzocht geworden en op de kaarten van
~Sakusajemon~ en ~Toknai~ dit ver uitstekend voorgebergte zeer
naauwkeurig vertoond is, nog twijfelachtig schijnt te zijn. Door
~Lapérouse~ is dezelve op 45° 39′ N.B. geplaatst, hetwelk ook met zijne
waarneming op den 19 Augustus, waar bij zich op 46° 20′ in een afstand
van 41′ in het N. van dat voorgebergte bevond, overeenkomt. ~Broughton~,
die zich ’s middags den 9 October op 44° 31′ 30″ N.B. bevond, den Piek
Z. 52° W., en het eiland _Sikotan_ Z. 17° O. peilde, en van N. 48° O.
tot 61° O. hoog land zag, dat hij voor een eiland hield, nam zijnen
koers N.O. om het te onderzoeken. ’s Namiddags passeerde hij op een
afstand van 4 Eng. mijlen den _Croonberch_, dien hij voortreffelijk
beschrijft[99], en peilde bij zonsondergang dezen vulkaan Z. 24° W., en
de kust, zoo ver hij zien kon, N. 55° O. Stormig en mistig weer lieten
hem de kust den volgenden dag slechts met een blik zien, en het laatste
land werd van Z. 61° O. tot Z. 27° O. en »_a low point_” Z. 8° W.
ontdekt. Dit lage punt, dat op zijne originele kaart op 45° 7′ geplaatst
is, veronderstelde ~von Krusenstern~, dat het _Caep de Trou_ was, en gaf
aan de aardrijkskundige ligging van de vermoedelijke _Caep de Trou_ de
voorkeur die van ~Lapérouse~ en die van ~Vries~ volgens ~Janssens~
kaart. ~Broughton~ heeft die kaap, die hij op den 10 tot 11 October zeer
nabij voorbijkwam, wegens de digte mist niet kunnen zien, en het land,
dat hij den 12 ’s ochtends zich van Z. 5° W. tot Z. 22° O. zag
uitbreiden, en dat hij voor een eiland op zichzelve hield, was het N.W.
einde van het _Staaten_ eiland, waaraan _Lapérouse_ en zijn opvolger
(zoo als boven gezegd) verkeerdelijk den naam van _Caep Vries_ gegeven
heeft. Zulks is dan ook den volgenden morgen door deszelfs waarnemingen
bevestigd geworden, waar hij zich midden in den Noordelijken ingang der
straat _Vries_ bevond. Deze uitweiding hebben wij moeten doen, om te
bewijzen, dat kaap _de Trou_ Noordelijker ligt als de groote hydrograaph
~von Krusenstern~ vermeende[100], en om de waarneming van ~Lapérouse~ en
die van onzen Nederlandschen zeevaarder te regtvaardigen. Aangenomen dat
de breedtebepaling der vermeende kaap _Vries_ (onze kaap _Okkebets_)
door ~Golownin~ goed is, en daar kaap _de Trou_ op ~Sakusajemon~’s
kaart, waar de configuratie der kust alle geloof verdient, slechts 6′
van kaap _Okkebets_ verschilt, zou de onderwerpelijke kaap op 45° 32′
N.Br. te liggen komen, dus 6′ Zuidelijker als die op ~Janssen~’s kaart
geplaatst is; en volgens ~Vries~ waarnemingen op den 5 Augustus, waar
hij op 45° 43′ zijne kaap _Vries_ Z.W. 4 mijlen van zich liggen had, en
kaap _Okkebets_ op 45° 40′ liggen zou, laat zich de breedte van kaap _de
Trou_ op 45° 34′ N. bepalen. Ook op ~Golownin~’s kaart ligt die kaap op
45° 22′ N.Br. De vermeende kaap _de Trou_ op de kaart van ~Broughton~ is
kaap _Notero_, een lage uithoek, die op ~Sakusajemon~’s kaart 20′
Zuidelijker geplaatst is, doch nagenoeg met de aardrijkskundige ligging
(45° 7′ N.), die de verdienstelijke Engelsche zeevaarder aan zijn »Low
port” aangewezen heeft, overeenkomt.
[99] „We were abreast of a hill which rose from the sea shore, with a
steep ascent to a considerable elevation of a conical shape and
evidently volcanic: we passed within two miles of it, and
plainly perceived it covered with stones and cinders down to its
base, as an eruption had lately happened. Round the Crater it
presented ragged and misshapen points; and some small shrubs
were growing on the S.W. side very low down. This abrupt hill
was connected with the islands by a low isthmus, which receded
from it on each side, so as to form circular bays; and the land
continued low to some distance.” ~Broughton~, _Voyage_, pag.
117.
[100] „Le cap _Trou_ est placé par 45° 35′ (moet zijn 39′) sur la
carte de ~Lapérouse~ et par 45° 10′ (moet zijn 7′) sur cette de
~Broughton~, la première latitude est certainement trop
boréale.” _Recueil de mémoires hydrographiques_, pag. 198.
De reeks van vulkanen die _Jezo_ in eene N.O. rigting doortrekt, zich in
het Z. van _Kunasiri_ door den _Tsinpa nobori_ te kennen geeft en in het
Noorden van dat eiland als een hooge Piek (de _Tsjatsja nobori_)
verheft, breidt zich ook nog verder over _Jeterop_ uit, waar de meeste
bergtoppen, welke voorgebergten vormen, of hier en daar vrij staan, of
aan den voet van meeren, verzonkene trechters van uitgedoofde
vuurbergen, zich als kegelbergen en trachyt dommen kenmerken.