_Tokatsi_, loopt de _Kusuri_ (_Goutsioer_, ~Vries~) in zee en het lage
stroomgebied van dezelve vertoont zich als eene opening van het land,
die ook door ~Broughton~ gezien en op zijne kaart aangeteekend is. Deze
rivier is de grootste van de Oostkust van _Jezo_ en bestaat uit de
vereeniging van twee armen, waarvan de oostelijke uit een binnenmeer aan
den voet van den berg _Otosja_ (het heeft den naam van _Kusuri_) en de
westelijke ook uit een binnenmeer aan den voet van den berg _Akani_
ontspringt en daarvan _Akanibets_ (_bets_ is rivier, beek) genoemd is.
Deze beide hooge pieken behooren tot de bergketen, waarvan het Z.W.
gedeelte, volgens ~Jansson~’s kaart, »_de Blaauwe berg_” en het N.O.
uiteinde »_Batavias bergh_” door ~Vries~ genoemd is. Ook ~Broughton~
vermeldt den eerstgenoemden onder den naam van _Peaked Hill_, en peilde
op 42° 47′ N.Br. dien piek N. 9° O. en de opening van het land (den mond
van de _Kusuri_) N. 21° O., op eenen afstand van 12 tot 15 Eng. mijlen.
Het stroomgebied van den _Kusuri_ is van de _Ainos_ bewoond, die langs
de beide armen eenen weg naar de binnenmeeren van _Kusuri_ en van
_Akani_, en van daar langs de rivieren _Sjaribets_ en _Ikutsinakots_
naar de Noordkust van _Jezo_ gebaand hebben. Eenige Eng. mijlen
oostelijker van de uitwatering en van de _Kusuri_ steekt een hoek uit,
aan welke wij den naam van Kaap _Kusuri_ gegeven hebben. De meergemelde
opening van het land vormt met deze kaap eene baai, waar, zonder
twijfel, schepen eene goede tegen de N.O. en Oostelijke winden
beschermende ankerplaats zullen vinden. Deze van geen europeschen
zeevaarder tot nu toe bezochte kustenstreek bevelen wij aan hunne
bijzondere aandacht en hebben derhalve dezelve meer breedvoerig, volgens
de Japansche kaarten en berigten, beschreven.
Van zijne ankerplaats bij _Tokatsi_ nam ~Vries~ zijnen koers Oost tot op
eenen afstand van ongeveer 50 Eng. mijlen van de kust; daar geen land
ontdekkende, stelde hij den koers N.O. en vervolgens N., om het land in
het gezigt te krijgen. Den 11 Junij ’s middags bevond zich ~Vries~ op
43° 10′ N.Br., 2½ mijl van het land, op de diepte van 27 vadem zwarten
zandgrond. Van deze hoogte zijn drie voor de zeevaart belangrijke punten
van de Oostkust bepaald geworden; in het W.t.Z. 6 mijlen afstand de kaap
_Seriba_ (_Santanel_ ~Vries~), die de Zuidelijke uithoek van den ingang
in de _Baai de Goede Hoop_ is, dan in het N.O. 4 à 5 mijlen afstand de
_Kaap de Manshooft_, en in het W.t.N. ½ N. eene rivier, de
_Hokirarubets_ bij _Biwase_. Ook zijn de digt aan den mond dezer rivier
gelegene eilandjes _Fujutar_ en _Kitafu_ en een eiland aan den ingang
der baai _de Goede Hoop_ gelegen, door de Japanners _Daikoksima_, door
de _Aino’s_ _Horomosiri_ en door ~Vries~ _van der Lyns eylant_ genoemd,
waargenomen geworden.
=De Kaap Seriba= (_Santanel_ ~Vries~) vormt den Zuidelijken wal en kaap
_Harasan_ (_Caep Maetsuyker_) den Noordelijken wal van den ingang der
baai _de Goede Hoop_, waar voor een eilandje ligt, door de Japanners
_Daikoksima_ (d. i. het eiland van den god van den rijkdom) en door
~Vries~, na zijne terugkomst in deze baai, _van der Lyns eiland_
genoemd. Dit eilandje is door eene reeks klippen met den Noordelijken
wal verbonden, en van den Zuidelijken wal steekt een rif met rotsen
boven water 1½ mijl O.Z.O. in zee uit. Kaap _Seriba_ ligt 8′ Zuidelijker
en 5′ Westelijker als _Atkesi_ of _Akkes_, de voornaamste plaats in de
baai, die door den Hofsterrekundige op 43° 2′ N.Br. en 145° 34′ 27″ O.L.
geplaatst is. Op ~Broughtons~ originele kaart is de ingang met het
voorliggend eilandje en eenige rotsen onder 43° 0′ N.Br. en 144° 36′
O.L. aangestipt. Volgens ~Vries~ zoude dezelve op ongeveer 43° 5′ N.Br.
te leggen komen.
=De Baai de Goede Hoop= verdient dezen naam, aan haar door onzen
vermaarden zeevaarder gegeven, die daar van 16 Augustus tot 1 September
zich ververscht en zijn schip hersteld heeft. Dezelve is naast die van
_Hakotade_ de beste van _Jezo_, en op de Z.O. kust de eenige veilige
haven voor grootere vaartuigen.
Van de baai _de Goede Hoop_ heeft ~Nicolaes Witsen~[68] eene schets
volgens oorspronkelijke handteekeningen medegedeeld, die in vergelijking
met het plan van ~Atkis~, in 1793 door den Russ. Lt. ~Laxmann~
opgenomen[69], en met de beide kaarten van _Jezo_ van ~Sakusajemon~ en
van ~Mogami Toknai~[70], voor zoo verre de buitenbaai betreft, goed
overeenkomt. Volgens deze schets is de buitenbaai ruim 3 mijlen diep en
2½ mijlen wijd, met hoog land omgeven; het vaarwater in het midden is
ruim, zuiver en 15 tot 6 vademen diep kleigrond; alleen langs de
Oostkant in het Zuiden van eenen steilen uithoek, die »_Caep Swers_”
genaamd is, liggen eenige rotsen en klippen, insgelijks aan de in eene
bogt zich uitbreidende Westzijde. De ingang is in het Zuiden, zoo als
gezegd, door het _van der Lyns eiland_ en een ander eilandje,
_Bonmosiri_, waarvan zich eene reeks rotsen naar kaap _Maetsuycker_
uitbreidt, en door een van kaap _Seriba_ O.Z.O. vooruitstekend rif
beperkt en ongeveer eene mijl wijd. In het N.O. ligt de binnenbaai.
Volgens de beschrijving van den verdienstelijken stuurman ~Coen~ en de
plans van ~Laxmann~ en de Japansche aardrijkskundigen vormt die
eene kom, die ongeveer 2 mijlen wijd is, echter ondiep en vol
oesterbanken, en in het midden laag, vlak, verdronken land--vier à vijf
eilandjes--heeft; zij is met bergachtig land omgeven en door groote
valleijen doorsneden, waar volgens ~Sakusajemon~ en ~Toknai~ twee
rivieren en verscheiden kleine beeken uitwateren. De Noordelijke rivier
noemt _Tokisijarubets_, de Westelijke _Ukorubets_, beide alhoewel ondiep
zijn met kleine booten 2 à 3 mijlen opwaarts bevaarbaar. Langs de eerste
en eene andere verder naar het Oosten loopende rivier, _Kokopebets_,
verkeeren de _Aino’s_ met de in het O. gelegene _Baai van Laxmann_, de
stapelplaats van den handel met de Kurilen, en langs de tweede met hunne
landgenooten langs de _Kusuri_ rivier. Deze met den tijd meer en meer
toenemende handelsverbinding met het binnenland van _Jezo_ en met de
Kurilische eilanden en de voor de zee- en kustvaart gunstige ligging der
baai _de Goede Hoop_ geeft aan deze zeeplaats een goed vooruitzigt, en
daartoe zal, daar de haven van _St. Peter en Paul_ op het schiereiland
van _Kamtschatka_ sedert de oprigting van die van _Aian_ en eene in de
baai _de Castries_ zijne beteekenis verloren heeft, een der
belangrijkste punten voor de handels- en oorlogschepen in het
Noordelijk halfrond van den Grooten Oceaan kunnen worden[71]. Ten tijde
van het bezoek der baai door het fluitschip _Castricum_ was slechts
_Atkis_ van eenige _Aino_-familien bewoond; thans vindt men reeds meer
dan twintig gehuchten rondom de baai door _Aino’s_ en Japansche
visschers bewoond.
[68] _Noord- en Oost-Tartarye_, Deel I. AA. pag. 66.
[69] ~von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Atlas n. 104.
[70] ~von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, n. 2. Die Insel
_Jezo_ und die Japanischen Kurilen nach einer Originalkarte von
~J. Sakusajemon~, Bai von _Atkesi_ nach ~M. Toknai~.
[71] De schrijver dezes heeft daarom reeds in 1852, toen hij een
ontwerp van een gezantschap naar _Japan_ en van een tractaat met
dat rijk te sluiten, aan Z. E. den toenmaligen Minister van
Koloniën aanbood, in § 4 gezegd: „worden twee stations voor
stoomscheepvaart, een in het Noorden van het rijk, _de Baai van
de Goede Hoop_ op _Jezo_ enz. aangewezen.” Vergelijk hiermede het
_Rapport aan Z. M. den Koning_ over de Japansche aangelegenheden,
uitgebragt door Z. E. den Minister van Koloniën, onder
dagteekening van 12 Febr. 1855. Art. 4. l.
Tot aan het inkomen van de baai loodt men 27 tot 18 vademen zandgrond.
Alsdan loopt men bij Westen van den steilen hoek van _van der Lyns
eiland_ binnen, latende een ronden steilen hoek (kaap _Seriba_), waar
een rif O.Z.O. ver uitsteekt, aan bakboord liggen. Binnen den hoek van
het eiland gekomen, neemt men den koers N.N.W. op 15 tot 6 vademen
kleigrond naar eenen scherpen steilen hoek (door ~Vries~ _Caep Swers_
genoemd), dien men achteromloopt om ten anker te komen.
Achter dien hoek is eene smalle bank, waarop bij laag water 10-11 voet,
bij gewoon hoog water 15-16 voet, maar binnen dezelve 5-7 vadem water
staat, en natuurlijk bij springvloed nog hooger[72]. Men komt hier regt
voor het dorp _Atkis_ op 5 vademen kleigrond ten anker. Ook vindt men
achter het _van der Lyns_ eiland op 8 vademen kleigrond eene goede
ankerplaats, waarvan men na het binnenkomen of voor men uitzeilt een
voordeelig gebruik kan maken. Om zich te ververschen en schepen te
herstellen, wel ook om des noods daar te overwinteren, biedt thans reeds
deze haven de beste gelegenheid. Men kan zich daar met water, visch,
kabeljaauwen, steuren, roggen, tongen, brand- en scheepsbouwhout ruim
voorzien. Digtbij in de bosschen groeijen zware eiken, vuren, berken,
wilgen, linden en noteboomen[73]. Ook vindt men daar aalbeziën,
frambozen[74] en _appelties van roosen_[75]. In den winter zal men hier
beeren, herten en vogels vinden; in den zomer is het moeijelijk in de
digtste bosschen en het hooge rietgras te jagen. Thans, waar deze baai
van Japansche visschers en kooplieden bezocht is en zich daar
waarschijnlijk ook eene Japansche volkplanting nedergezet heeft, zullen
ook andere ververschingen en levensbehoeften te verkrijgen zijn.
[72] „_Hier in de bocht ende ree van Ackys maeckt een O.N.O. ende
W.S.W. maen hoochwater._”
[73] Voor scheepsbouw zijn bijzonder geschikt de _Pinus jezoensis_ (in
de Aino-taal _Fuppo_ genoemd), _P. densiflora_ (_Kui_), _Abies
bifida_ (_Sunk_), _Q. dentata_ (_Gomuni_) en eene andere
eiksoort, _Beroni_. Ook leveren berken (_Tatsbi_), linden
(_Kobergen_) en ahorn (_Fusini_ en _Tobeni_) goed timmerhout.
[74] _Rubus palmatus_ (_Imare fureppi_).
[75] Het zijn de vruchten van _Rosa rugosa_ en _Kamtschatica_ (_Mau_),
die van de _Aino’s_ en Kamtschadalen algemeen gegeten worden.
=Kaap Maetsuycker.= Zoo werd door ~Vries~ de Oostelijke uithoek van den
ingang der baai _de Goede Hoop_ genoemd en van daar tot zoo ver de kust
N.O. strekt door eene voortreffelijke afteekening van het land kenbaar
gemaakt[76]. Op ~Jansson~’s kaart is deze hoek ook zoodanig genoemd; in
het Journaal vinden wij echter niets van deze kaap gewaagd. Op de
Japansche kaarten noemt men het _Harasan_ en ligt ongeveer 3′ à 4′
N.N.O. van _Atkesi_. De reeks van rotsen, die zich van daar naar _van
der Lyn’s_ eiland uitbreiden en waar bij laag water niet meer als 5 voet
water staat, maakt zelfs aan booten de doorvaart naar de baai
gevaarlijk. Voor Japansche en andere kleine vaartuigen bevinden zich
langs deze kust nog twee ankerplaatsen, als:
[76] ~Nicolaes Witsen~, Deel II. A. pag. 65.
=De haven van Biwase= en de reede bij de _Iruri_ eilandjes. De eerste
ligt 50′ oostelijk en eenige minuten noordelijk van _Atkesi_, eene
kleine baai aan den mond van de rivier _Hokiurbets_ gelegen en door
twee eilandjes _Kîtafu_ en _Binebisjo_ (volgens ~Laxmann~ _Tsigab_ en
_Kikumushiri_) en verscheidene hooge rotsen (vijf?) in het Oost en
Zuidoost beschermd. Het is de rivier, die den 11 _Junij_ ’s middags aan
boord van _Castricum_ W.t.W. ½ W. gepeild is; de eilandjes zijn voor
land gehouden, waar »_eenige clipies onder de wal liggende boven water_”
gezien worden. De laatste ligplaats is op verscheidene Japansche kaarten
aangewezen, doch de ligging en de afstand van de _Iruri_ eilandjes van
de kust is nog twijfelachtig. Volgens de kaart van ~Mogami Toknai~[77]
en de originele kaart van ~Broughton~[78] en ook volgens eene oude
handschriftelijke kaart, ons door eenen Japanschen geneesheer ~Fukutsi
Gensok~[79], die lang op _Jezo_ geweest is, medegedeeld, liggen dezelve
digt bij Kaap _Usu_, hetwelk wij voor »_Caep de Manshooft_” van ~Vries~
houden. Het zijn twee grootere en een kleiner eilandje _Iruri_,
_Moiruru_ en _Kinasitomari_ genoemd. Ook op het plan van ~Laxmann~
liggen deze eilandjes (zij zijn _Erori_ genaamd) in het oosten van een
uithoek, waarop zich de plaatsnaam _Otishi_ (_Otsisi_) die op alle
kaarten digt bij kaap _Usu_ geplaatst is, aangeteekend bevindt. Op de
landverkenning van ~Vries~[80] zijn verscheidene eilandjes kenbaar en in
het Journael is gezegd: _Hier (Caep de Manshooft in het N.W.t.W. 2
mijlen van ons ende was diep 25 vademen swart santgrond) is al slecht
lant, niet hooch, sonder geberchte, saegen toen in ’t N.W.t.W. van ons
een rif, daer het seer op barnde, ende lag omtrent een mijl van lant,
ende om de N.O. van de Caep de Manshooft lach een vlack eylantien met 3
cleijne berchies, het N. eynt van d^{o}. eylantie lach N.N.O. 3 mijlen
van ons._ Het rif vindt zich juist zoo op ~Laxmann~’s plan aangegeven en
daardoor wordt ook bevestigd, dat de kaap _Usu_ de
[77] ~Von Siebold~’s _Atlas von Land- und Seekarten_. N^{o}. 2. A.
[78] _Catalogus librorum ac manuscriptorum Japonicorum a_ ~Ph. Fr. de
Siebold~ _collectorum Lugduni-Batavorum 1845._ N^{o}. 177.
_Jezono dsu_, ~Mogami Toknai~ _geographi Jap. illustrissimi
mappae geographicae quinque._
[79] _Catalogus librorum et manuscriptorum Japonicorum_, N^{o}. 178.
„_Matsumaë Jezono dzu_ est viro tabula geogr. exhibens insulam
_Jezo_ cuius caput est _Matsumaë_.”
[80] ~N. Witsen~, Deel II. pag. 65. A.
=Caep de Manshooft=, ~Vries~, is. Op ~Sakusajemon~’s kaart ligt dezelve
op 43° 11′ N.B. en 146° 14′ O.L. en zoude volgens de peilingen aan boord
van _Castricum_ op den 14 Augustus gedaan, op 43° 16′ N.B. liggen, en is
zeer kenbaar beschreven: »_gaeven dien hoeck de naam van Caep de
Manshooft, omdat hij hem vertoont als een hooft._” Van deze kaap steekt
de kust N.O. en loopt in eene smalle, lage, 50 minuten lange landtong,
kaap _Nossjam_ uit, die door ~von Krusenstern~ kaap _Broughton_ genoemd
en op 43° 38′ 30″ N.B. en 146° 7′ 30″ O.L. geplaatst is. Noch ~Vries~,
noch ~Broughton~ hebben echter deze landtong als het oostelijkste punt
van _Jezo_ herkend en geweten, dat om de W. van deze landtong een straat
bestond, die het eiland _Jezo_ van _Kunasiri_, het zuidelijkste van de
_Kurilen_, afscheidt. Wel bevindt zich reeds op de kaart van de Keizerl.
Akademie te St. Petersburg, in 1758 uitgegeven, het eiland
»_Kunaschir_,” door eene straat van _Jezo_ afgescheiden[81], en
waarschijnlijk is zulks volgens de waarnemingen van ~Spangberg~ en
~Walton~ geschiedt; de ontdekking echter dezer straat moeten wij aan
~Laxmann~ (1792) toekennen. Zijne kaart bleef echter tot het begin van
deze eeuw in het Archief te _Kamtschatka_ liggen. Aan den vermaarden
Admiraal ~Golownin~ en zijnen bevrijder uit de Japansche gevangenschap,
Admiraal ~Ricord~, heeft men eene nadere kennis van deze straat, waaraan
~von Krusenstern~ den naam van straat _Jezo_ gegeven heeft, te danken.
Alvorens wij met ~Vries~ de oostkust van _Jezo_ verlaten, moeten wij
nog opmerken, dat ~von Krusenstern~ bij vergissing de baai van _de Goede
Hoop_ tweemalen op zijne kaart van _Jezo_ geplaatst heeft, eenmaal
onder den naam van baai _de Goede Hoop_, volgens ~Janssons~ kaart,
andermaal onder die van baai van _Atkesi_ volgens het plan van
~Laxmann~[82].
[81] _Nouvelle Carte des découvertes faites par de vaisseaux Russiens
etc._ in ~Muller~’s _Découvertes etc._
[82] Ik had het genoegen den grooten zeevaarder, bij mijn verblijf te
St. Petersburg in 1834, van dezen misslag te mogen overtuigen.
=De Coen’s eilanden.= In het Noorden van kaap _Broughton_ breidt zich
het eiland _Kunasiri_ in eene wijde bogt uit, waarin verscheidene kleine
eilanden liggen. Deze bogt heeft ~Vries~ en ook nog ~Broughton~ voor een
gedeelte van de kust van _Jezo_ gehouden. De kleinere eilanden werden
echter juist onderscheiden, opgenomen en beschreven, en _Barbaren_
eiland, de _Gebroocke_ eilanden van _Tamary_ en het _Walvisch_ eiland
benoemd; het grootste daarvan, in het N.O. gelegen, vooronderstelde
~Vries~ een berg te zijn, die bij het »_Lant van Eso_” behoorde. Dezen
berg noemde hij den _Santberg_ en den vermeenden Oostelijksten uithoek
van _Jezo_ »_Caep Canael_ of _Caep Diemen_”.
Op zijne heen- en terugvaart zien wij onzen stouten zeevaarder tusschen
deze groep van eilanden dagen lang met tegenspoed van wind en weder
worstelen, en vooral is het de digte en lang aanhoudende mist in deze
gewesten, die zijnen loop deed staken, den gezigteinder beperken en
zijne waarnemingen verhinderen.
De onderlinge ligging dezer eilanden is door de kompaswaarnemingen op
den 12 Augustus, waar zich _Vries_ op 43° 46′ N.Br. bevond, als volgt
bepaald geworden: _Caep Canael_ (N.O. hoek van het eiland _Sikotan_) 5
mijlen N.N.O. ½ O., het _Walvisch eylant_ (_Taraku_) N.W. ½ W. 1½ mijl
en de _Gebroocken_ eilanden W.Z.W.; en denzelfden dag ’s avonds op 43°
42′ N.Br. het _Barbaren_ eiland W.Z.W 1½ à 2 mijlen, het _Gebroocken_
eiland N.O.t.O. 1 mijl, en nog een _lang vlack eylant_ N.W. 1½ mijl.
Daarbij voegen wij nog de peilingen van de op 43° 26′ N.Br. ontworpen,
door ~Nicolaes Witsen~[83] medegedeelde kustverkenningen: _Barbaren_
eiland (Westpunt) N.W. ⅔ W. 2 mijlen, _Gebroocken_ eilanden N.W. ½ N. 3
mijlen. Ook kunnen de op den 13 Junius op 43° 28′ N.Br. 1 mijl in het
Z.W. van het _Barbaren_ eiland voor anker gedane waarnemingen iets tot
de bepaling van de ligging dezer eilanden bijdragen. _Caep de Manshooft_
W.t.N. 3 mijlen, het _eylant met 3 berchies_ N.W. ½ N. 2 mijlen, _een
groot recif_ N.t.W. ½ W. 1 mijl, N.W. ½ N. 3 mijlen een laag eiland,
N.N.W. ½ N. de Piek en N.O.t.N. ¼ O. _een vlack eilant_ 1 mijl, het
_Barbaren eilant_. Ook lag _een partij clippen boven en een deel onder
water_ O.t.N. 1 mijl.
[83] ~N. Witsen~, Deel II. pag. 65. E.
»_Dese voorschreven eylanden syn 1, 1½ à 2 mylen lang, hebbende veel
cleyne eylandekens ende clippen by haer liggen, after dese eylanden op
het vaste lant_ (het eiland _Kunasiri_) _legt een kennelycke berch boven
met een keep (de Piek Antony) ende leyt alleen._”
Deze berg, dien wij later nader zullen leeren kennen, is, omdat hij 20
mijlen ver uit zee kan gezien worden, hier een belangrijk punt van
verkenning. De eilanden en rotsen, wier met namen beteekend getal op
~Sakusajemons~ kaart[84] op tien aangegeven is, en zich op ~Toknai~’s
kaart[85] op 12 grootere en kleinere eilandjes en meer dan 30 rotsen
beloopen, en meestal met de _Aino_-namen voorzien zijn, maken eene
aanzienlijke groep uit, die zich van kaap _Broughton_ N.O. tot den
»_Santberg_” (het eiland _Sikotan_) uitbreidt en ongeveer 45′ in lengte
beslaat. Wij hebben aan dezelve op onze verbeterde kaart van _Jezo_[86]
den naam van den verdienstelijken stuurman ~Cornelis Jansz. Coen~
gegeven, zijnde hij de man aan wien wij de eerste aardrijkskundige
beschrijving daarvan in zijn Journaal te danken hebben.
[84] Volgens ~Sakusajemon~’s kaart noemen deze eilandjes en rotsen
naar hare N.O. strekking: _Sîsjo_, _Utsuki_, _Akiroro_, _Juru_,
_Harukaru_, _Sibots_, _Imukusibe_, _Taraku_, _Itasibets_ en
_Kabiof_.
[85] Volgens ~Toknai~’s kaart zijn de eilandjes naar hare grootte:
_Sîsjô_, _Sibjuts_, _Taraku_, _Juru_, _Akiroro_, _Harukaru_,
_Onekinasi_, _Tomari_, _Moimosiri_, _Utsuki_, _Masirika_,
_Honkinasi tomari_ en _Monrika_ genoemd. De rotsen en klippen
willen wij overslaan en nog bemerken, dat _onsiri_ in de
_Aino_-taal eiland en _tomari_ verblijf of dorp beteekent, en dat
bij al deze namen _mosiri_ (_muschir_, Russische uitspraak)
gevoegd is. Op de oude kaart van _Jezo_ van den bovengenoemden
geneesheer ~Kensok~ zijn ook reeds negen eilandjes met namen
opgegeven, en noemen naar hare grootte: _Sîsjo_, _Sirots_,
_Kinasitoma_, _Juru_, _Harukaru_, _Akiroro_, _Monrika_, _Uritsi_
en _Mojomosiri_.
[86] ~von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, n. 2 en n. 2 A.
Met dat al is het moeijelijk volgens deze door de Japanners, door
~Vries~ en ~Coen~, en ook door ~Broughton~ gedane waarnemingen, de
juiste ligging van de vier aanzienlijkste dezer eilanden juist te
bepalen, en wij dienen ons vooreerst nog aan de ligging van dezelve op
~Sakusajemon~’s kaart te houden. Voor zoo ver de door ~Vries~ aan
dezelve gegeven namen betreft, zoo houden wij het daarvoor, dat _Juru_
het _Barbaren_ eiland, _Sibotsi_ de _Gebroocken_ eilanden, _Taraku_ het
_Walvisch_ eiland, en het lange eiland op den 13 Junius N.W. ½ N. 3
mijlen van de ankerplaats, _Sîsjô_ is. De diepte wordt van 25 tot 65
vademen zandgrond langzaam naar de eilanden toe opdroogende, en in het
Z.O. van het _Walvisch_ eiland 70 tot 120 vademen singelgrond[87]
bevonden en op de heenreis eene Noordelijke en op de terugreis eene
N.Oostelijke strooming waargenomen.
[87] Singelgrond is langs de Oostkust van _Japan_ en het land van
_Jezo_ een kenmerk, dat men niet ver van den mond eener rivier
is.
=Het Eilant Sikotan= (_Tschikotan_, Russ.). Het is de »_Santberg_” van
~Vries~ en onbegrijpelijk, dat deze zeevaarder en zijn bekwame stuurman
dit ver van het vermeende »_Lant van Eso_” afgescheiden eiland niet
herkend, en voor eenen berg en den Oostelijken uithoek van dit land, die
hij _Caep Canael_ of _Diemen_ noemde, gehouden heeft, en wij meenen deze
vergissing alleen aan de digte, aanhoudende mist te moeten wijten.
~Broughton~ heeft _Sikotan_ op den 6 en 7 October 1796 omzeild, zijne
aardrijkskundige ligging bepaald, en aan hetzelve den naam gegeven van
den Russischen Kapitein ~Spangberg~, die het in de maand Julij 1739
bezocht had[88]. Door ~Golownin~ werd in 1811 de aardrijkskundige
ligging nog juister bepaald, en in 1812 en 1813 de Oost- en Noordkust
door ~Ricord~ en zijnen opvolger, aan boord van de _Diana_ omzeild.
~Spangberg~ bepaalde de breedte reeds op 43° 50′; volgens de kaart van
~Janssen~ ligt _Caep Canael_ op 44° 7′, doch volgens ~Vries~
waarnemingen van den 10 Augustus ’s middags, op 43° 56′ N.Br., hetwelk
met die van ~Golownin~ en van de Hof-astronomisten van _Jedo_ op eenige
minuten na overeenkomt, te weten 43° 52′ en 43° 58′ N.Br. De lengte van
~Golownin~, 146° 43′ 30″ O., verdient vooreerst nog de voorkeur,
verschillende 9′ van die op ~Broughton~’s originele kaart, waar het
midden van het eiland op 146° 52′ O.L. geplaatst is. _Sikotan_ strekt 5
Eng. mijlen Z. en N. en O. en W., en is kennelijk door den »_Santberg_”.
Men vindt daar water, brandhout en eenige vruchten. Kapitein
~Spangberg~, die digtbij op 8 vadem zandgrond ten anker gekomen was, nam
dennen, elzen en andere boomen waar, ook ontmoette hij inboorlingen, die
zeer ruig waren en de taal der overige Kurilen (_Aino’s_) spraken. De
door ~Vries~ op den 13 Junij ontmoette _Aino’s_ behoorden waarschijnlijk
hier te huis, en de plaats, die »_dese habytanten Takotekan en Rackokan
noemden, en die sy wesen in ’t N.O.t.N. te liggen_”, is de baai van
Sjakotan of Malakotan, op de N.W. kust gelegen.
[88] _Voyages et découvertes faites par les Russes_, T. I. pag. 218.
Volgens ~Toknai~’s kaart vinden zich op _Sikotan_ meer dan 20 gehuchten
van de _Aino’s_, en verscheidene baaijen, waar riviertjes uitwateren en
Japansche schepen ten anker komen. Rondom liggen vele eilandjes en
rotsen, en in het Z.W. ¼ W. van het eiland, op eenen afstand van 9 à 10
Eng. mijlen eene groep van vijf lage eilandjes, volgens ~Sakusajemon~
_Kabiof_, en volgens ~Toknai~ _Mosirika_ genaamd, en met rotsen en
klippen omgeven. ~Golownin~ heeft er vier gezien en is digt daarbij
voorbijgezeild; ook op de kaart van ~Vries~ zijn dezelve aangegeven.
Buitendien schijnen rondom deze eilanden vele klippen en gevaren
aanwezig te zijn.
=Het eiland Kunasiri= (_Kunaschir_; Russ.) in het jaar 1758 op de
voormelde kaart van de Keizerl. Akademie der Wetenschappen te St.
Petersburg vertoond, is allengs weder verdwenen. ~Lapérouse~ nam, na de
ontdekking der straat, die zijnen naam vereeuwigde, in Augustus 1787
zijnen koers N.O. langs het naburige eiland _Jetorop_, zonder evenwel de
N.O. kust van het vermeende »_Lant van Eso_” te raken. ~Broughton~ hield
ook de _Walvisch_ baai voor de Oostkust van _Jezo_. De ontdekkingen van
~Laxmann~ bleven verborgen, en zoo werd, na de terugkomst van ~Golownin~
uit zijne Japansche gevangenis te _Matsmaë_, ~von Krusenstern~ met de
ontdekkingen van dezen verdienstelijken zeevaarder bekend en in de
gelegenheid gesteld, op zijne in 1815 uitgegevene »_Allgemeine
Weltkarte_”[89] het eiland _Kunaschir_ te vertoonen en de straat, die
het van _Jezo_ afscheidt, de straat van _Jezo_ te noemen.
[89] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt, Atlas_, N^{o}. 1. Deszelfs
_Erläuterungen zu einer Charte des ganzen Erdkreises, etc._ 1
Band. 4^{o}. Leipzig, 1819. pag. 88.